Treasurystatuut 2018In de raadsvergadering van 12 juni 2017 is ingestemd met de herziene financiële verordening artikel 212. In deze verordening is ten aanzien van treasury opgenomen: Artikel 15. Financiering Het college biedt ten minste elke vier jaar een treasurystatuut aan. Het statuut wordt door de raad vastgesteld. In het treasurystatuut wordt aandacht besteed aan: doelstellingen, uitgangspunten, richtlijnen en limieten treasury; taken en bevoegdheden; verantwoordingsrelaties en bijhorende informatievoorziening. In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college ten minste de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. In dit herziene treasurystatuut zijn een aantal actuele wijzigingen in externe en interne regelgeving opgenomen, zijnde: Vanaf 2016 gelden de regels voor de rentetoerekening aan het grondbedrijf uit de notitie grondexploitaties van de commissie BBV. Dat betekent dat over bouwgrond in exploitatie niet langer het omslagrentepercentage mag worden toegerekend. Slechts nog de gemiddelde rente van de daadwerkelijke rentelasten van de langlopende en kortlopende rente mag in rekening worden gebracht. Vanaf de begroting 2018 gelden voor de bepaling van het omslagrentepercentage de regels uit de notitie rente van de commissie BBV. Hierdoor wordt het omslagrentepercentage niet langer bepaald op basis van de gemiddelde rente van de gemeentelijke leningenportefeuille. De omslagrente is nu het gemiddelde van de rentelasten op de kort- en langlopende financiering waarbij de te ontvangen rente uit verstrekte leningen in mindering dient te worden gebracht. Daarnaast geldt nu ook dat bij meer dan 0,5% afwijking tussen begroot en gerealiseerd renteresultaat, het omslagrentepercentage moet worden bijgesteld en verwerkt in de jaarrekening. De intern opgelegde voor de beperking van de omvang van de gemeentelijke financiering (zie artikel 3) zijn aangescherpt. De limiet van 5% rentelasten van het begrotingstotaal was niet meer passend bij het hogere totaal van nu door de toevoeging van de budgetten van het Sociaal Domein. De beleidsregels publieke taak leningen en garanties zijn op enkele punten aangepast, zijnde: Het beleid waarbij de gemeente bij voorkeur garanties/borgstellingen verstrekt in plaats van leningen, is nu nog krachtiger neergezet in de regels. In de regels was al opgenomen dat de voorkeur werd gegeven aan een garantie boven een lening. Dit beleid wordt nu aangescherpt naar het slechts nog in uitzonderingsgevallen zelf te lenen. Het voordeel voor de gemeente is dat garanties geen effect hebben op de schuldratio aangezien deze als niet uit de balans blijkende verplichtingen worden opgenomen. Ook zijn de administratieve handelingen minimaal in vergelijking met het uitgeven van leningen. De bank zorgt voor de administratie handeling zoals de inning van rente en aflossing. Zij zijn ook beter toegerust om het debiteurenbeheer uit te voeren dan de gemeente. Hierdoor is het risico ook lager dat een verkrijger niet voldoet aan haar verplichtingen om rente en aflossing te voldoen. Bij het verstrekken van leningen wordt expliciet een uitzondering gemaakt voor de zogenaamde duurzaamheidsleningen voor sportverenigingen. Bij deze leningen staat het Waarborgfonds van de Sport voor 100% van het te lenen bedrag garant. Daarbij is wel vereist dat de gemeente deze leningen verstrekt. Aangezien deze leningen aansluiten bij de gemeentelijke doelstellingen op duurzaamheid en het risico nagenoeg nihil is voor de gemeente, wordt voor dit doel wel leningen verstrekt. Onlangs is een leantraject doorlopen voor de te verstrekken leningen. Hieruit is onder meer gekomen dat de administratieve handelingen bij de verstrekte leningen worden verminderd indien wordt gewerkt met automatische incasso’s voor de inning van de rente en aflossing. Het afgeven van een machtiging voor een automatische incasso bij een te verstrekken lening, is hiermee door de gemeente verplicht gesteld. Het voordeel voor de geldnemers is dat zij zelf kunnen aangeven of zij jaarlijks, per kwartaal of maandelijks de schuld willen voldoen. In dit statuut staan vele vaktermen vermeld. In bijlage 1 is daarom een verklarende woordenlijst opgenomen waarin de schuin gedrukte woorden uit het statuut worden toegelicht. Algemeen Artikel1Doelstellingen treasurybeleid De doelstellingen van het treasurybeleid van de gemeente zijn: het aantrekken van voldoende financiële middelen en het uitzetten van overtollige gelden met als doel het uitvoeren van de programma’s binnen de door de raad vastgestelde kaders van de begroting; Het verzekeren van een duurzame toegang tot financiële markten tegen acceptabele condities; het beschermen van de gemeentelijke vermogens en resultaten tegen ongewenste financiële risico’s zoals renterisico’s, koersrisico’s, kredietrisico’s en liquiditeitsrisico’s; het optimaliseren van renteresultaten binnen de kaders van de wet fido, aanvullende regelgeving en de voorschriften die in dit statuut zijn opgenomen; het minimaliseren van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities. Artikel2Uitgangspunten risicobeheer treasuryfunctie Met betrekking tot risicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten voor de treasuryfunctie: De gemeente kan uit hoofde van de publieke taak leningen of garanties verstrekken aan derden maar neemt hierbij in beginsel een terughoudende opstelling in Overschotten worden gebruikt voor interne financiering. De gemeente vraagt ten minste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen op bij het aantrekken van financieringen voor het doen van uitzettingen voor zover er geen mantelovereenkomst is afgesloten. Het renterisico op de korte schuld bedraagt maximaal de kasgeldlimiet, of tijdelijke toegestane overschrijdingen van deze limiet, conform de Wet fido. Het renterisico op de lange schuld bedraagt maximaal de renterisiconorm conform de Wet fido. Overeenkomsten voor het aangaan van financieringen, het uitzetten van middelen en het verlenen van garanties luiden in uitsluitend euro’s om valutarisico’s uit te sluiten. Financiering en garanties Artikel3Beperking omvang gemeentelijke financiering Er worden grenzen aan het treasurybeleid gesteld door: Slechts financieringen aan te trekken voor investeringen. Er worden geen financieringen aangetrokken ter financiering van de reguliere gemeentelijke exploitatie-uitgaven. Te bepalen dat de omvang van de opgenomen leningenportefeuille kleiner moet zijn dan de balanswaarde van de materiële vaste activa en de verkoopbare financiële vaste activa. Te bepalen dat de begrote (netto) rentelasten niet meer dan 3% van het begrotingstotaal bedragen. Artikel4Richtlijnen en limieten externe financiering 1.In een lange financieringsbehoefte wordt pas voorzien als de netto-vlottende schuld een omvang bereikt die gelijk is aan de kasgeldlimiet van de Wet fido. Hiervan kan worden afgeweken als: De rente op vaste schuld lager is dan de rente voor vlottende schuld en een lange financiering dus voordeliger is dan korte financiering. Er is dan sprake van een inverse rentestructuur. Uit de liquiditeitsprognose blijkt dat binnen afzienbare tijd geconsolideerd zal moeten worden en de rentevisie stijgend is. Het nu aantrekken van de lange financiering is voordeliger dan het wachten tot later met het risico dat de rente dan is gestegen. Er redenen zijn om voor een specifiek investeringsproject een projectfinanciering aan te trekken om zo de projectrente te fixeren. 2.In de korte termijn financieringsbehoefte ter afdekking van de netto-vlottende schuld wordt voorzien door het inzetten van rekeningen courant, daggeldleningen dan wel kasgeldleningen. 3.In een lange financieringsbehoefte wordt voorzien door een of meer leningen aan te trekken, met een zodanige rentetypische looptijd dat het renterisico op de leningenportefeuille voor de komende jaren binnen de renterisiconorm conform de Wet fido komt of blijft. 4.Toegestane leningvormen zijn: onderhandse geldleningen roll-over leningen Medium Term notes 5.Vervroegde aflossing van leningen door de gemeente kan plaatsvinden als de voordelen hiervan aantoonbaar hoger zijn dan de boete die moet worden voldaan bij vervroegde aflossing. Artikel5Afgeleide financiële instrumenten Het gebruik van afgeleide financiële instrumenten (derivaten) is toegestaan nadat de gemeenteraad conform artikel 169 van de gemeenteraad in de gelegenheid is gesteld wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. Daarbij worden slechts instrumenten ingezet die zijn toegestaan conform de Wet fido. Artikel6Richtlijnen en limieten uitzettingen 1.Overtollige liquide middelen worden, met uitzondering van het zogenaamde drempelbedrag, aangehouden bij ’s Rijks schatkist. 2.Voor de uitzetting tot aan het zogenaamde drempelbedrag kunnen de volgende producten worden gehanteerd: rekening-courant spaarrekening daggeld deposito’s 3.Uitzettingen in aandelen zijn niet toegestaan behalve voor zover deze gekocht worden in het kader van de uitoefening van de publieke taak. 4.Risico's bij uitzettingen conform lid 2 in vastrentende waarden dienen te worden beperkt door slechts uitzettingen met een looptijd van 3 maanden of langer te doen bij financiële ondernemingen die: gevestigd zijn in een lidstaat die ten minste beschikt over een AA-rating afgegeven door ten minste 2 ratingbureaus; voor henzelf of voor de door hen uitgegeven waardepapieren kan aantonen dat ze ten minste over AA-minusrating, afgegeven door ten minste twee ratingbureaus. 5.Voor uitzettingen met een looptijd van minder dan 3 maanden geldt dat in afwijking van lid 3b een financiële onderneming moet kunnen aantonen dat waardepapieren met ten minste een A-rating, afgegeven door ten minste 2 ratingbureaus. Artikel7Gemeenteleningen en gemeentegaranties 1.De gemeente is bereid geldleningen aan derden te verstrekken of als borg garant te staan conform de beleidsregels publieke taak leningen en garanties gemeente Enschede. Ook is de gemeente bereid achtervang te zijn voor het Waarborgfonds Sociale Woningbouw in het kader van leningsverstrekking aan de woningcorporaties. Bij besluiten die niet binnen de beleidsregels vallen, vraagt het college vooraf instemming van de raad. 2.Bij het aangaan van leningen of garanties bedingt het college zo veel mogelijk zekerheden. 3.De bij een lening- of garantieverstrekking betrokken beleidssector of –afdeling is budgettair verantwoordelijk voor de gevolgen van het niet of te laat nakomen van de betalingsverplichtingen. 4.Bij elk besluit tot leningverstrekking stelt het college het verschuldigde rentetarief vast. Dit rentetarief wordt gebaseerd op het rentetarief van een gelijksoortige lening bij de Bank Nederlandse Gemeenten ten tijde van de indiening van het collegevoorstel en wordt als regel verhoogd met een opslag voor administratiekosten en eventueel een opslag voor marktconformheid. Ook bij een gemeentegarantie kan sprake zijn van een opslagpercentage voor marktconformheid dat door het college wordt vastgesteld. Artikel8Financieringsrelatie tussen concern en overige organisatieonderdelen 1.Jaarlijks wordt door het rentecomité het omslagrentepercentage bepaald bij de begroting conform artikel 11, lid 7 uit de financiële verordening 2017. Het percentage voor de omslagrente wordt bepaald conform de voorgeschreven methode uit de BBV-richtlijnen. 2.Over de balanswaarde per 1 januari van enig boekjaar is het omslagrentepercentage verschuldigd aan het concern over de materiële en financiële vaste activa als ook over de activa in uitvoering. 3.In afwijking van het vorige lid kan de raad bepalen dat aan investeringsprojecten een financiering op maat met een andere rente dan het omslagrentepercentage wordt gekoppeld. 4.Jaarlijks wordt door het rentecomité de rente grondexploitaties bepaald die in rekening wordt gebracht over de bouwgronden in exploitatie (BIE) conform de voorgeschreven methode uit de BBV-richtlijnen. 5.Over de balanswaarde per 1 januari van enig boekjaar is de rente grondexploitaties verschuldigd aan het concern over de bouwgronden in exploitatie. 6.De treasuryfunctie betrekt de middelen van de reserves en voorzieningen in de gemeentebrede financiering. Er wordt, behoudens uitzonderingen, geen rentevergoeding betaald over de inzet van de reserves en voorzieningen. Geldstromenbeheer Artikel9Liquiditeitsbeheer 1.De gemeente beperkt haar liquiditeitsrisico’s door haar treasuryactiviteiten te baseren op een liquiditeitsprognose van minimaal 1 jaar én liquiditeitsplanning van minimaal 4 jaren. 2.Ten einde de kosten van het geldstromenbeheer te minimaliseren is er sprake van concentratie van liquiditeiten binnen één saldo- en rentecompensatiecircuit bij de huisbankier. Artikel10Betalingsverkeer 1.Ten einde de verwerkingskosten te minimaliseren loopt het betalingsverkeer van de gemeente in beginsel alleen over bij de huisbankier aangehouden rekeningen. 2.Iedere betaaltransactie wordt door minimaal twee functionarissen uitgevoerd (het vier-ogen-principe). Relatiebeheer Artikel11Relatiebeheer 1.De treasuryfunctie onderhoudt namens de gemeente de contacten met de huisbankier en andere financiële instellingen en bemiddelaars over hun tarieven, producten en diensten. 2.Banken waar rekening-courant verhoudingen mee worden aangegaan en waar betalingsverkeer is ondergebracht, dienen minimaal te voldoen aan de eisen gesteld in artikel 6, lid 6. 3.Financiële instellingen dienen onder Nederlands toezicht, zoals De Nederlandse Bank en de Verzekeringskamer, te vallen of onder vergelijkbaar toezicht vanuit de lidstaten. 4.Tussenpersonen dienen geregistreerd te staan bij de Autoriteit Financiële Markt (AFM). Verantwoordelijkheden en bevoegdheden Artikel12Verantwoordelijkheden en taken Functie Verantwoordelijkheden en taken De gemeenteraad Vaststellen treasurybeleid vervat in het treasurystatuut. Vaststellen paragraaf financiering in begroting. Vaststellen paragraaf financiering in jaarrekening. Goedkeuren van te verstrekken van leningen en garanties die niet vallen binnen de beleidsregels (zie artikel 7). College van Burgemeester en Wethouder Uitvoeren van het treasurybeleid zoals vastgelegd in treasurystatuut tezamen met de paragraaf financiering (formele verantwoordelijkheid). Vaststellen van nadere richtlijnen, waartoe ook de beleidsregels voor het verstrekken van leningen en garanties behoren, binnen kaders van dit statuut. Concerncontroller Integraal verantwoordelijk voor feitelijke uitvoering van en sturing op treasurybeleid en het betalingsverkeer. Voeren van de ‘control’ op de treasuryfunctie. Rentecomité (concernstaf) Besluiten over financieringstransacties onder mandaat van B&W. Adviseren/monitoren van de treasuryactiviteiten. Treasuryfunctie (concernstaf) Ontwikkelen en herijken van de financieringsstrategie van de gemeente. Initiëren van financieringstransacties. Voeren van ‘control’ op vastleggen gegevens van leningen en garanties. Monitoren van de limieten zoals vastgelegd in de paragraaf financiering. Geven van aanwijzingen aan FDC inzake het betalingsverkeer. Relatiebeheer met financiële instellingen. Financieel Diensten Centrum (FDC) Is verantwoordelijk voor feitelijke inrichting en uitvoering van het betalingsverkeer. Registreren van opgenomen en verstrekte leningen en garanties. Verzorgen van betalen van rente en aflossing van opgenomen geldleningen. Innen van rente- en aflossingsverplichtingen op verstrekte geldleningen. Programma(controller) Opstellen besluiten tot lening- of garantie/borgstellingverstrekking. Aanleveren informatie voor liquiditeitenplanning. ICT Voeren van het functioneel applicatiebeheer ten aanzien van het elektronisch betalingsverkeer. Coördineren van het toekennen van decentrale autorisaties ten aanzien van het elektronisch betalingsverkeer. Externe accountant In het kader van de reguliere controletaak adviseren en controleren van de treasuryfunctie. Artikel13Bevoegdheden Taak Autorisatie Uitvoering Registratie Control Financiering (zie artikel 4 en artikel 5 Treasurystatuut) Het aantrekken van callgelden en kasgeld-leningen (looptijd < 1 jaar). College B&W Rentecomité FDC Treasury-functie Aantrekken van leningen (looptijd >= 1 jaar). College B&W Rentecomité FDC Treasury-functie Benutten van vervroegde aflossingen en renteherzieningen. College B&W Rentecomité FDC Treasury-functie Uitzettingen (zie artikel 6 Treasurystatuut) Verrichten van kortlopende uitzettingen (looptijd < 1 jaar). College B&W Rentecomité FDC Concern-controller Verrichten van langlopende uitzettingen (looptijd >= 1 jaar). College B&W Rentecomité FDC Concern-controller Verstrekte leningen en garanties (zie artikel 7 Treasurystatuut) Verstrekken van leningen en garanties College B&W Treasury-functie / programma FDC Concern-controller Liquiditeitsbeheer (zie artikel 9 Treasurystatuut) Bankrekeningen openen/sluiten/wijzigen Concern-controller Treasury-functie FDC Rentecomité Vaststellen/wijzigen bankcondities bij huidige bankrelaties. Concern-controller Treasury-functie FDC Rentecomité Aangaan nieuwe bankrelaties. College B&W Treasury-functie FDC Concern-controller Betalingsverkeer (zie artikel 10 Treasurystatuut) Verrichten betaalopdrachten. Concern-controller FDC FDC Treasury-functie Selecteren betaalinstrumenten Concern-controller FDC FDC Treasury-functie Autorisaties verstrekken voor verrichten betaaltransacties Concern-controller ICT ICT Treasury-functie Informatievoorziening Artikel14Operationele en verantwoordingsinformatie Informatie Informatieverstrekker Informatieontvanger Frequentie Treasurystatuut Treasuryfunctie Gemeenteraad 1x per 4 jaar Paragraaf financiering Treasuryfunctie Gemeenteraad 2x per jaar, begroting en jaarrekening Kwartaalrapportage transacties en limieten Treasuryfunctie College van B&W 1x per kwartaal Besluit tot lening en/of garantieverstrekking Programma/treasury-functie College van B&W (eventueel gemeenteraad) variabel Voortgangsrapportage treasuryfunctie Treasuryfunctie College van B&W/gemeenteraad Onderdeel van de PC-cyclus. Analyse leningen- en garantieportefeuille Treasuryfunctie Rentecomité. Onderdeel van de PC-cyclus. Liquiditeitenprognose en -planning Treasuryfunctie Rentecomité Minimaal 1x per maand geactualiseerd, minimaal 1x per kwartaal besproken in overleg rentecomité Transactiebesluit Treasuryfunctie Rentecomité variabel Slotbepalingen Artikel15Rechtspositie treasurystatuut Het treasurystatuut is geschreven als uitwerking van artikel 15 uit de Financiële Verordening artikel 212 Gemeentewet zoals vastgesteld in de vergadering van de gemeenteraad op 12 juni 2017. Artikel16Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist de raad. De raad kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel17Inwerkingtreding Dit Treasurystatuut treedt in werking na vaststelling door de gemeenteraad in haar vergadering van 12 maart 2018 en vervangt het Treasurystatuut 2014. Memorie van toelichting Treasurystatuut 2018 gemeente Enschede In deze memorie van toelichting wordt het wettelijke kader voor de treasuryfunctie van de gemeente kort beschreven. Het Treasurystatuut 2018 is opgesteld met als aanname dat aan de wettelijke verplichtingen en opgelegde randvoorwaarden wordt voldaan. 2.1Wettelijk kader Het wettelijke kader aangaande treasuryfunctie betreft een drietal wetten namelijk: 1. de Gemeentewet 2. Besluit Begroting en Verantwoording gemeenten (BBV) 3. de Wet financiering en decentrale overheden (fido) en daaruit voortvloeiende regelingen. Ad 1: Gemeentewet In de Gemeentewet staat ten aanzien van treasury het volgende: Artikel 212 van de Gemeentewet stelt dat een verordening moet worden opgesteld waarin o.a. de regels voor de treasuryfunctie zijn opgenomen. In dit Treasurystatuut is de verdere uitwerking van de in deze verordening opgenomen regels met betrekking tot de treasuryfunctie opgenomen. In artikel 160, lid 1e is opgenomen dat het college bevoegd is tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te besluiten. Het college is daarom verantwoordelijk voor een deugdelijke uitvoering van het treasurybeleid en -functie.In artikel 169, lid 4 is hier wel een beperking op aangebracht. Het college behoort geen besluiten te nemen aangaande privaatrechtelijke handelingen indien de raad daarom verzoekt of het besluit ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente. In dit geval moet de raad in staat zijn om vooraf wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. Vervolgens is in artikel 171 opgenomen dat de burgemeester de gemeente in en buiten rechte vertegenwoordigen maar deze bevoegdheid ook over kan dragen aan een door hem aan te wijzen persoon. Ad 2: Besluit Begroting en Verantwoording In het BBV zijn een aantal zaken vermeld ten aanzien van de treasuryfunctie, zijnde: De verplichting tot het opstellen van een paragraaf financiering in zowel de begroting als de jaarrekening staat in artikel 9, lid 2d en artikel 26 van het Besluit begroting en verantwoording en (BVV). In artikel 13 is opgenomen dat de paragraaf betreffende de financiering in ieder geval de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille bevat en geeft inzicht in de rentelasten, het renteresultaat, de wijze waarop rente aan investeringen, grondexploitaties en taakvelden wordt toegerekend en de financieringsbehoefte. Daarnaast zijn de notitie rente en de notitie grondexploitatie van de commissie BBV van toepassing op de interne renteverrekening. In deze notities is opgenomen hoe het omslagrentepercentage c.q. de rente voor bouwgronden in exploitatie dient te worden berekend. Voor het omslagpercentage geldt dat herrekening volgt als het renteresultaat in de jaarrekening meer dan 0,5% afwijkt van het begrote resultaat. Bij de rente grondexploitaties geldt dat bij de berekening altijd sprake is van het werkelijke gemiddelde rentepercentage van de gemeente in de jaarrekening. Ad 3: Wet fido De Wet fido (Financiering Decentrale Overheden) heeft begin 2001 de Wet filo (Financiering Lagere Overheden) uit 1987 vervangen. In 2006 is de wet geëvalueerd en enigszins aangepast. In december 2013 is vervolgens de regelgeving ten aanzien van de verplichting tot schatkistbankieren toegevoegd. Daarnaast gelden, als uitvloeisel van de Wet fido: De uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden. De regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden die is aangescherpt naar aanleiding van de problemen met de beleggingen in IJsland uit het najaar van 2008. In 2014 zullen deze regels wederom worden aangepast als gevolg van het beleidskader inzake het gebruik van financiële derivaten door (semi)publieke instelling. De regeling schatkistbankieren decentrale overheden waarin de spelregels zijn vastgelegd ten aanzien van het verplichte aanhouden van overtollige liquide middelen bij ’s Rijks schatkist. De hoofdzaken uit de Wet fido en bijbehorende regelingen zijn: De gemeente gaat slechts leningen aan, zet middelen uit of verleent garanties ten behoeve van de publieke taak. Decentrale overheden kunnen binnen het wettelijke kader zelf bepalen wat zij tot hun publieke taak rekenen. Wel wordt terughoudendheid van de decentrale overheden verwacht en zal door de toezichthouder worden gekeken of de gemeente degelijk motiveert waarom een activiteit tot zijn publieke taak wordt gerekend De gemeente hanteert slechts derivaten of zet slechts middelen uit, anders dan ten behoeve van de publieke taak, indien deze uitzettingen of derivaten een prudent karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van overmatig risico. Hierbij worden minimumeisen gesteld aan de tegenpartijen waarbij uitzettingen mogen worden gedaan. Het prudente gebruik van derivaten houdt in dat: De inzet van derivaten is slechts toegestaan voor het afdekken van financiële risico’s. Er moet sprake zijn van een gesloten positie dus de onderliggende waarde waarop het derivaat betrekking heeft, heeft gelijke modaliteiten (in omvang en looptijd) als de bijbehorende financieringsbehoefte of bijbehorende overtollige middelen. Het derivaat brengt geen groter risico met zich mee dan het risico dat ermee wordt afgedekt. Een belangrijk uitgangspunt van de Wet fido is het vermijden van grote fluctuaties in de rentelasten van openbare lichamen. De kasgeldlimiet is opgenomen in de Wet fido ter beperking van het bedrag van de vlottende schuld waarover dagelijks renterisico wordt gelopen. Zo worden grote fluctuaties in de korte rentelasten vermeden. Bij een derde achtereenvolgende overschrijding wordt de toezichthouder op de hoogte gebracht tezamen met een plan om binnen de limiet te blijven in het lopende kwartaal. De toezichthouder kan ontheffing verlenen van de verplichting om onder de kasgeldlimiet te blijven. Het renterisico op de vaste schuld van de gemeente overschrijdt de renterisiconorm niet. Deze norm beoogt de beperking van het bedrag van de vaste schuld waarover op termijn renterisico wordt gelopen. De renterisiconorm is een bedrag ter grootte van een percentage van het totaal van de vaste schuld van de gemeente bij aanvang van het jaar. De toezichthouder geeft een aanwijzing als hieraan niet wordt voldaan. Ook hier kan de toezichthouder ontheffing verlenen. Overtollige liquide middelen moeten, behoudens het drempelbedrag, worden aangehouden bij ’s Rijks schatkist. Het drempelbedrag bedraagt 0,75% van het begrotingstotaal bij decentrale overheden met een begrotingsomvang dat kleiner is dan 500 miljoen euro. Bij een groter begrotingstotaal dan 500 miljoen euro, bedraagt het drempelbedrag 3,75 miljoen euro plus 0,2% over het meerdere dat 500 miljoen euro te boven gaat. Aangezien vrijwel alle overtollig middelen belegd moeten worden bij ’s Rijks schatkist, zijn de regels ten aanzien van uitzettingen van gering belang geworden. Er gelden echter wel eisen voor de tegenpartijen waarmee zaken wordt gedaan, zijnde: Het moeten financiële ondernemingen zijn. Deze ondernemingen moeten in lidstaten gevestigd zijn die ten minste beschikken over een AA-rating, afgegeven door minimaal twee ratingbureaus. De door deze ondernemingen uitgegeven waardepapieren moeten minimaal over aan AA minusrating beschikken, afgegeven door minimaal twee ratingbureaus. Indien de uitzetting een looptijd heeft van minder dan 3 maanden dan moet over minimaal een A-rating worden beschikt, wederom afgegeven door twee ratingbureaus. Het bovenstaande geldt niet bij beleggingen in waardepapieren met een solvabiliteitsratio van 0% (doorgaans overheden). 2.3 Toelichting per artikel Artikel 2Uitgangspunten risicobeheer treasuryfunctie Met de in artikel 2, lid 3 vermelde mantelovereenkomst wordt onder meer bedoeld het contract met de huisbankier waarmee afspraken zijn vastgelegd over daggeld- en kasgeldleningen. Voor dergelijke kortlopende leningen dient slechts een offerte bij de huisbankier opgevraagd te worden. Overigens is de gemeente niet verplicht deze leningen bij de huisbankier aan te trekken dus kan de treasuryfunctie altijd meerdere offertes opvragen. Artikel 3Beperking omvang gemeentelijke financiering In de programmabegroting 2009-2012 zijn een aantal regels vastgesteld ter beperking van de groei van de leningenportefeuille. Vanaf de begroting 2015 is echter het begrotingstotaal sterk toegenomen door de toevoeging van de middelen uit het sociaal domein. Hierbij wordt het vastgelegde percentage voor de maximale rentelasten dan ook verlaagd. De regels worden daarom bij nu aangescherpt en luiden: Niet lenen voor in de exploitatierekening opgenomen reguliere uitgaven Uitgangspunt moet zijn dat de reguliere exploitatie moet kunnen worden betaald uit het lopende banksaldo, waarbij binnen de kasgeldlimiet gebleven moet worden. Voor jaarlijks terugkerende uitgaven, zoals lonen en onderhoudskosten, moet dus niet worden geleend. Omvang leningenportefeuille is te allen tijde kleiner dan de balanswaarde van de materiële vaste activa en de verkoopbare financiële activa. Deze spelregel is een uitvloeisel van spelregel 1. Overheden moeten slechts moeten lenen voor rendabele investeringen (zijnde investeringen die worden geactiveerd). Dit betekent voor de gemeente dat de omvang van de leningenportefeuille nooit groter zou mogen zijn dan het totaal van materiële vaste activa op de balans en het deel van de financiële vaste activa die verkoopbaar zijn tegen minimaal de balanswaarde (zijnde de aandelen in het bezit van de gemeente) De rentelasten bedragen niet meer dan 3% van het begrotingstotaal. De spelregels 1 en 2 zorgen nog niet automatisch voor een inperking van de groei van de leningenportefeuille en daarmee verdere uitholling van de balanspositie. Daarnaast is het van belang dat het aandeel van de rentelasten in het begrotingstotaal niet te groot wordt. Dit belemmert de flexibiliteit van de begroting. Daarom wordt gesteld dat het aandeel van de rentelasten maximaal 3% bedraagt van het begrotingstotaal. De rentelasten in deze zijn de totale rentelasten van de kort- en langlopende financiering minus de rentebaten uit de verstrekte leningen (en sluit hiermee aan bij omvang rentelasten uit BBV-richtlijnen). Bij een overschrijding wordt hierover gerapporteerd middels de P&C-producten tezamen met de maatregelen die worden genomen ter inperking van de rentelasten. Overigens is naast deze spelregels nog sprake van de verplichte BBV-indicator netto-schuldquote (waarover wordt gerapporteerd in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing) die ook inzage biedt in de hoogte van de gemeentelijke schuld. Artikel 4Richtlijnen en limieten externe financiering De rente voor vlottende schuld is normaliter lager dan de rente op vaste schuld. Vandaar dat tot maximaal het bedrag van de kasgeldlimiet kort kan worden geleend alvorens tot consolidatie wordt overgegaan. Bij het aantrekken van vaste schuld wordt gekeken naar de bestaande leningenportefeuille samen met de verwachte financieringsbehoefte die blijkt uit de liquiditeitsplanningen van de investeringen. Er wordt bij het aantrekken van langlopende leningen gezorgd voor een spreiding van het renterisico. Dit betekent dat de leningenportefeuille een evenwichtig aflossingspatroon kent en het rentesico langjarig binnen de voorgeschreven renterisiconorm blijft. De Gemeente Enschede kan Medium Term Notes (MTN’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.