[Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug 2017]Behoort bij raadsvoorstel (nummer) titel: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2017De raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug:gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van (datum); gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning;gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 vierde lid van de Jeugdwet.BESLUITOver te gaan tot vaststelling van de volgende verordening:Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug 2017Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingenArtikel 1 BegripsbepalingenIn deze verordening wordt verstaan onder: aanvraag; een schriftelijk verzoek aan het college om een maatwerkvoorziening; algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die algemeen verkrijgbaar is en waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had zou (hebben kunnen) beschikken; algemene voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 en/of een jeugdhulpvoorziening die vrij toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige of zijn ouders; beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Utrechtse Heuvelrug; besluit; Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Utrechtse Heuvelrug; beschikking; schriftelijk besluit van het college van burgemeester en wethouders betreffende de toekenning of afwijzing van een voorziening; bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid van de Wmo; CAK: als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; cliënt: een cliënt als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo of een jeugdige of zijn ouders of pleegouders als bedoeld in artikel 1 van de Jeugdwet. Voor zover de jeugdige woonplaats heeft in de gemeente Utrechtse Heuvelrug; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug; echtgenoot: als bedoeld in artikel 1.1.2 van de Wmo 2015; gebruikelijke hulp/zorg: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; gehuwd: als bedoeld in artikel 1.1.2 van de Wmo 2015; gesprek: het mondelinge contact als bedoeld in artikel 7 van deze verordening; hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo en of behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet; familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren met mogelijke ondersteuning en advies van een terzake deskundige professional. ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Utrechtse Heuvelrug; maatwerkvoorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo en een individuele voorziening als bedoeld in de Jeugdwet; mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaand sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan de gemeente; onafhankelijk: zonder invloed van iemand anders, vrij, zelfstandig. onverwijld: zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen 3 werkdagen; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo of bedoeld als artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, SVB: Sociale Verzekeringsbank; verslag: schriftelijke samenvatting van het gesprek in de vorm van een persoonlijk plan op maat; wettelijk voorliggende voorziening: een voorziening op grond van een wettelijke bepaling, anders dan ingevolge de Wmo of de Jeugdwet, waarmee de benodigde ondersteuning geheel of gedeeltelijk bereikt kan worden; Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel 2 Toepassingsbereik Deze verordening regelt de juridische en procedurele kaders waarbinnen de inwoners recht hebben op een zorgvuldige procedure in het kader van de maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. Hoofdstuk 2 Inhoudelijke bepalingen Artikel 3 Toegang Jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 12 van deze verordening. Artikel 4 Toegang maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp via de gemeente Cliënten kunnen een hulpvraag op enigerlei wijze melden bij het college. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk dan wel elektronisch. Bij de bevestiging van de ontvangst van de melding wordt de jeugdige of zijn ouders geïnformeerd over de mogelijkheid om zelf een familiegroepsplan te overleggen. Ook wordt gewezen op de mogelijkheid van ondersteuning bij het maken van dit plan. Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de Wmo. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. Cliënten kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemene voorziening. Artikel 5 Onafhankelijke cliëntondersteuning Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangpunt is. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. Artikel 6 Persoonlijk plan en familiegroepsplan Indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid een persoonlijk plan in bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de Wmo in te dienen stelt het college de cliënt in de gelegenheid het plan zo snel mogelijk doch uiterlijk tien werkdagen na de melding te overhandigen. Indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet in te dienen wordt de behandeling van de melding aangehouden tot het proces van het familiegroepsplan is afgerond. Het college betrekt het persoonlijk plan of het familiegroepsplan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 8. Artikel 7 Vooronderzoek Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 8, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. Voor het gesprek verschaft de cliënt aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatie-documentatie als bedoeld in artikel 1 van de Wmo op de identificatieplicht ter inzage. Het college kan in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. Artikel 8 Gesprek Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wmo verschuldigd zal zijn, en de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Als de cliënt een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 6, tweede lid, aan het college heeft overhandigd, is dit plan het uitgangspunt voor het verdere onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de Wmo, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel 9 Verslag Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. Binnen 7 werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. De cliënt tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen 7 werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag. Artikel 10 Advisering Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. Het college kan een door hem daartoe aangewezen instantie om advies vragen. Artikel 11 Aanvraag Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een ondertekend verslag dan wel een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Artikel 12 Inhoud beschikking In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; de ingangsdatum en duur van de verstrekking; en hoe de voorziening wordt verstrekt. indien van toepassing welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: aan welk resultaat het pgb kan worden besteed; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte is van het pgb en hoe dit tot stand is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarop het pgb ziet; de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Hoofdstuk 3 Persoonsgebonden budget en handhaving Artikel 13 Persoonsgebonden budget Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1. van de Jeugdwet of artikel 2.3.6 van de Wmo. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de Wmo verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. De hoogte van een pgb: wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. Het college stelt nadere regels ten aanzien van de berekeningswijze van pgb’s. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van zorg en ondersteuning en, voor zover van toepassing, in ieder geval in verband met de te bieden deskundigheid en/of het vereiste opleidingsniveau en/of er gewerkt wordt volgens toepasselijke professionele of kwaliteitsstandaarden. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als: deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het op grond van het derde en vierde lid gehanteerde tarief. tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald. Artikel 14 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 en Jeugdwet Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordigers in begrijpelijke bewoording over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Onverminderd artikel 2.3.8 van de Wmo en 8.1.2 van de Jeugdwet doet een cliënt aan het college op verzoek onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening en pgb. Onverminderd artikel 2.3.10 van de Wmo en artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening en een pgb herzien dan wel intrekken indien het college vaststelt dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de cliënt niet langer op een maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb is aangewezen; de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten; de cliënt langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb; de cliënt de maatwerkvoorziening of pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het bestemd is. Indien het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien blijkt dat het pgb binnen drie maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van een voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. De cliënt kan, ingeval van omstandigheden waarop hij geen invloed heeft, schriftelijk en onderbouwd een verzoek indienen tot verlenging van deze termijn. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Het college kan in het Besluit nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding. Artikel 15 Opschorting betaling uit het pgb Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel gehele of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet en artikel 8.1.4 eerste lid onder a, d of e van de Jeugdwet. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 14, derde lid, onder d van deze verordening. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Artikel 16 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Hoofdstuk 4 Bepalingen betreffende Maatschappelijke ondersteuning Artikel 17 Criteria voor maatwerkvoorziening Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: ter compensatie van de beperkingen, als gevolg waarvan de cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt de gevolgen van deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen/minimaliseren: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; of met gebruikmaking van algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en/of ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en voor de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen/minimaliseren: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; of met gebruikmaking van algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening Artikel 18 Afwijzingsgronden Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de gevolgen van de beperkingen kan verminderen/minimaliseren; voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de gevolgen van de beperkingen kan verminderen/minimaliseren; indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; indien de cliënt tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt: als deze niet langdurig noodzakelijk is; indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen, ADL‐clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. Artikel 19 Bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd, zoals bedoeld in artikel 2.1.4 van de Wmo, voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, overeenkomstig het besluit, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot. De bijdrage, dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 een lagere bijdrage is verschuldigd. 3. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. Het college kan bij nadere regeling bepalen dat de uurtarieven of het bedrag van een hulpmiddel voor de berekening van de eigen bijdrage van een maatwerkvoorziening of pgb lager wordt vastgesteld dan is bepaald in lid 2 en 3 van dit artikel. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de Wmo, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb worden door het CAK vastgesteld en geïnd. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. Artikel 20 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. Een aanbieder, die een maatwerkvoorziening begeleiding biedt, is in het bezit van een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor beroepskrachten en andere personen die beroepsmatig met zijn cliënten in contact kunnen komen. Deze verklaring is niet eerder afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkenen voor de aanbieder ging werken. In het geval een aanbieder een solistisch werkende natuurlijk persoon is, is hij in het bezit van een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, afgegeven op een tijdstip dat niet langer dan drie jaar is verstreken. Lid 2 van dit artikel is niet van toepassing indien aanbieder gebruik maakt van ervaringsdeskundigen en op andere wijze kan aantonen dat veiligheid en kwaliteit van de dienstverlening geborgd is. Het college kan hierover nadere regels over stellen. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorziening. Artikel 21. Meldingsregeling calamiteiten en geweld Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de Wmo, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel 22 Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo, en rekening houdend met de continuïteit in hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan derde de eis wordt gesteld een prijs voor een dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de raad. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerst lid hij een overeenkomst aangaat. Artikel 23 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, en die een inkomen hebben lager dan 150% van het wettelijke minimumloon, een tegemoetkoming van € 300,00 verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Het college kan inwoners daarnaast indien zij aan kunnen tonen dat er meer kosten zijn gemaakt dan de tegemoetkoming die in lid 1 wordt genoemd, een tegemoetkoming voor aantoonbare meerkosten verstrekken van maximaal € 250,00 per kalenderjaar. Het college bepaalt bij nadere regeling onder meer: de voorwaarden waaronder de tegemoetkoming wordt verstrekt; en wanneer die tegemoetkoming wordt verstrekt. Een tegemoetkoming wordt afgewezen : indien en voor zover de belanghebbende aanspraak kan maken op een wettelijk voorliggende voorziening. indien en voor zover de belanghebbende aanspraak kan maken op gehele of gedeeltelijke fiscale aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Hoofdstuk 5 Bepalingen betreffende Jeugdhulp Artikel 24 Criteria voor een maatwerkvoorziening voor jeugdhulp Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen; op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; met gebruikmaking van een algemene gebruikelijke voorziening; of met gebruikmaking van een algemene voorziening; met gebruikmaking van een andere voorziening. De maatwerkvoorziening stelt de jeugdige in staat gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Artikel 25 Vormen van jeugdhulp Overige voorzieningen zijn beschikbaar in de vorm van lichte ondersteuning. Maatwerkvoorzieningen zijn beschikbaar in de vorm van intensieve, specialistische en/of niet vrij toegankelijke ondersteuning, waarbij de jeugdige binnen of buiten de gezinssituatie wordt geholpen. Het college stelt bij nadere regeling vast welke overige en maatwerkvoorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Artikel 26 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: de aard en de omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel 27 Vertrouwenspersoon Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Hoofdstuk 6 Waardering mantelzorger Artikel 28 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijks blijk van waardering in aanmerking worden gebracht. Het college kan bij nadere regeling regels stellen over de wijze waarop zorg wordt gedragen voor het jaarlijks blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Het college organiseert jaarlijks de dag van de mantelzorg. Hoofdstuk 7 Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 29 Klachtregeling Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de in lid 2 vermelde eis door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 30 Medezeggenschap Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. Daar waar de gemeente zelf als zorgaanbieder optreedt dient ook de gemeente te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eis door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 31 Betrekken van ingezetenen bij beleid Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste en tweede lid. Hoofdstuk 8 Slotbepalingen Artikel 32 Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens 4 jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. Artikel 33 Nadere regels en hardheidsclausule In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening. Het college kan bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van de verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 34 Intrekking oude verordeningen De Verordening maatschappelijke ondersteuning Utrechtse Heuvelrug 2015 en de Verordening Jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug 2015 worden ingetrokken. Artikel 35 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. Artikel 36 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug 2017. Aldus vastgesteld in de vergadering van 30 november 2017 de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug de griffier de voorzitter W. Hooghiemstra G.F. Naafs TOELICHTING OP DE VERORDENING Artikelsgewijze toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Utrechtse Heuvelrug 2017 Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen Ad. a. Aanvraag Deze definitie spreek voor zich. Ad. b. Algemeen gebruikelijke voorziening Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: Is de voorziening te koop? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Ad. c. Algemene voorziening Een algemene/overige voorziening is in beginsel een vrij toegankelijke voorziening. Dat wil zeggen: zonder dat eerst een diepgaand onderzoek wordt verricht naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers- diensten, activiteiten of zaken, gericht op zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. De diensten, activiteiten of zaken kunnen toegankelijk zijn voor specifieke groepen of soms ook voor alle ingezetenen van de gemeente. Algemene voorzieningen zijn bijvoorbeeld de verbetering van de toegankelijkheid van gebouwen en voorzieningen, het lokale vervoer en de toegankelijkheid van informatie. Ad. d. Beleidsregels Deze definitie spreekt voor zich. Ad. e. Besluit Deze definitie spreekt voor zich. Ad. f. Beschikking Deze definitie spreek voor zich. Ad. g. Bijdrage in de kosten Uit artikel 2.1.4 van de Wmo vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een bijdrage in de kosten. Cliënten zullen voor hun ondersteuning een bijdrage moeten betalen. Deze bijdrage kan, als het een maatwerkvoorziening betreft, afhankelijk worden gesteld van het inkomen en het vermogen. Op grond van artikel 2.1.4 van de Wmo zijn bij Algemene Maatregel van Bestuur landelijk nadere regels (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gesteld. Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB is besloten de regeling van zowel de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s, als die voor algemene voorzieningen, voortaan volledig in de raadsverordening neer te leggen. Ook voor een algemene voorziening kan eventueel een bijdrage van de cliënt in de kosten worden gevraagd (m.u.v. cliëntondersteuning), maar deze bijdrage kan, anders dan die voor een maatwerkvoorziening, niet inkomensafhankelijk zijn. Ad. h. CAK Deze definitie spreekt voor zich. Ad. i. Cliënt Deze definitie spreekt voor zich. Ad. j. College Deze definitie spreekt voor zich. Ad.k. Echtgenoot Deze definitie spreekt voor zich. Ad. l. Gebruikelijke zorg Deze definitie spreek voor zich. Ad. m. Gehuwd Deze definitie spreekt voor zich. Ad. n . Gesprek Het mondelinge contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin het college- in de praktijk zal het college deze bevoegdheid mandateren aan deskundigen- met degene die hulp/ondersteuning vraagt zijn gehele situatie bespreekt ten aanzien de ondervonden problemen en de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen. Ad. o. Hulpvraag De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.1.4 lid 1 van de Wmo of de behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet. Als iemand behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp en zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Ad. p. Familiegroepsplan Deze definitie spreekt voor zich. Ad. q. Ingezetene De cliënt kan, als hij ingezetene is van de gemeente, in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie of jeugdhulp. Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet persé van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wmo volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. Het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp belangrijk is maar niet doorslaggevend. Ad. r. Maatwerkvoorziening Onder maatwerkvoorziening wordt verstaan: een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo verstaan en een individuele voorziening als bedoeld in Jeugdwet. Waar in de Jeugdwet dus gesproken wordt over een individuele voorziening wordt in deze verordening de term maatwerkvoorziening gebruikt. Ad. s. Mantelzorg Deze definitie spreekt voor zich. Ad. t. Melding Een ieder kan zich melden bij de gemeente met zijn hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak me de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Indien een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Ad. u Onafhankelijk Deze definitie spreek voor zich Ad. v. Onverwijld Het ligt altijd aan de concrete omstandigheden van een zaak wat onder ‘onverwijld’ moet worden verstaan. Het is echter ook van belang voor de cliënt dat hij een indruk heeft waar hij vanuit kan gaan. Dit tweede perspectief zou men zodanig van belang kunnen vinden, dat deze passage in ver verordening is opgenomen. Het komt de rechtszekerheid ten goede en laat binnen de drie werkdagen voldoende ruimte voor maatwerk. Ad. w. Pgb De definitie van pgb is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’. Ad. x. SVB Deze definitie spreekt voor zich. Ad. y. Verslag Deze definitie spreekt voor zich. Ad. z. Wettelijk voorliggende voorziening Deze definitie spreekt voor zich. Ad. aa. Wmo Deze definitie spreekt voor zich. Artikel 2 Toepassingsbereik Dit artikel geeft het toepassingsbereik van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug 2017 aan. Hoofdstuk 2 Inhoudelijke bepalingen Artikel 3 Toegang Jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (algemene) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (maatwerk)voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Als de jeugdige of zijn ouders dit wensen bijvoorbeeld in het uitzonderlijke geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen, vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als hetgeen de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder nodig hebben. Artikel 4 Toegang maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp via de gemeente De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, de hulpvraag. De melding is, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting, niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan elektronisch of telefonisch worden gedaan en zowel op het gemeentehuis als bij het Sociaal Dorpsteam. Het eerste lid benadrukt nog eens dat de melding het middel is van de cliënt om zijn hulpvraag bij het college neer te leggen en dat deze vormvrij is. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van een cliënt als vertegenwoordiger kan optreden. Het college is op grond van de Jeugdwet bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen. Ook op andere plaatsen in de verordening en in de wet waar “het college” staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten dan wel niet- ondergeschikte op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht (Hierna: Awb). In het tweede lid is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de ontvangst bevestigd. Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Uit de wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. In het derde lid en vierde lid zijn de mogelijkheden benoemd om een eigen plan in te dienen. In lid 3 is het familiegroepsplan benoemd. Een familiegroepsplan is een plan dat ouders/gezinnen samen met familie, vrienden en anderen uit hun omgeving kunnen maken om een vraag of probleem aan te pakken. In dat plan kunnen ouders aangeven hoe ze zelf de opvoed- en opgroeisituatie voor hun kind(eren) willen verbeteren. Wat is hun belangrijkste vraag? Wie moet hierbij worden betrokken? Wat kunnen zij met behulp van mensen uit de eigen omgeving doen? En welke professionele hulp en ondersteuning denken zij hierbij nodig te hebben? Het familiegroepsplan is vormvrij en is niet verplicht. In het vijfde lid is vastgelegd wat ook in de Wmo is benoemd, dat met name de veiligheid van betrokkenen voorop staat bij de aanpak van geweld in huiselijke kring en dat het college in spoedgevallen een tijdelijke maatregel dient te treffen, vooruitlopend op het uitgebreide onderzoek dat normaal gesproken vooraf gaat aan een beslissing; de termijnen die daarvoor gelden, gaan in situaties waarin spoed moet worden betracht, natuurlijk niet op. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien iemand het huis is ontvlucht vanwege geweld en acuut veilige opvang nodig is. In het vierde lid is vastgelegd dat het college in spoedeisende gevallen en waar onmiddellijke start van hulp nodig is (en het besluit op zich laat wachten) het besluit tot inzet van een maatwerkvoorziening kan nemen na de daadwerkelijke start van de jeugdhulp. Vijfde lid: cliënten die een beroep willen doen op een algemene voorziening kunnen hier direct naartoe zonder meldingsprocedure in de zin van deze verordening. De Jeugdwet vervangt het onder de oude wetgeving bestaande wettelijke recht op zorg door een jeugdhulpplicht voor gemeenten. De gemeente treft daar waar een jeugdige of zijn ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie, een voorziening op het gebied van jeugdhulp. Uitgangspunt hierbij blijft echter de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders. De gemeente is alleen gehouden een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. Vervolgens beslist zij of en welke voorziening een jeugdige nodig heeft. De gemeente is gehouden om te zorgen voor een deskundige advisering over en beoordeling van de vraag of er een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is en welke voorziening dit dan is. Dat neemt echter niet weg dat zij een zelfstandige afweging kan maken over welke voorziening precies moet worden getroffen. De door de gemeente te treffen voorziening kan zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben op basis van een beoordeling van de persoonlijke situatie en behoeften van de aanvrager (vgl. Kamerstukken II 2012/13, 33684, nr. 3, blz. 8). Deze verordening bevat een aantal bepalingen die het hierboven beschreven proces moeten waarborgen. Hiermee kan ten onrechte de schijn worden gewekt dat het telkens om een uitvoerig, onnodig bureaucratisch proces gaat. Dit is echter geenszins de bedoeling. Zo kan het vooronderzoek, afhankelijk van de inhoud van de melding, meer of minder uitgebreid zijn. Er kan hiervan – en in bepaalde gevallen ook van het gesprek- in overleg met de jeugdige of zijn ouders afgezien worden. Daartegenover staat dat, als dat nodig is, er ook sprake kan zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. Als de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden. Komt een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal een gesprek nodig zijn om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. Een vooronderzoek en gesprek zullen uiteindelijk vaak wel in enige vorm nodig zijn, omdat voor een zorgvuldig te nemen besluit het van belang is dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke ondersteuningsvraag worden onderzocht. Ook andere bepalingen zoals de schriftelijke verslaglegging en de schriftelijke indiening van een aanvraag zijn opgenomen met het oog op een zorgvuldige procedure en in het belang van een zorgvuldige dossiervorming. Artikel 5 Onafhankelijke cliëntondersteuning Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college op grond van artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de Wmo. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de Memorie van Toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. De cliëntondersteuning geldt voor het gehele sociale domein, dus ook voor jeugdhulp. Clientondersteuning is in de wet omschreven als: “Onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.” Om de zelfregie van inwoners te versterken is cliëntondersteuning een belangrijk instrument. Het biedt inwoners onder andere de mogelijkheid zich te laten bijstaan in de interactie met de gemeente. Gemeenten hebben de opdracht onafhankelijke cliëntondersteuning aan te bieden. De manier waarop dit georganiseerd wordt, is dus niet geheel vrij. De commissie Gezondheid en Welzijn van de VNG heeft in het ‘inspiratiedocument cliëntondersteuning’ drie lagen van cliëntondersteuning onderscheiden: 1. Cliëntondersteuning bij reflectie op het eigen leven. Het gaat hierbij om ambities, wensen en levensvragen van mensen die geconfronteerd worden met beperkingen (of die van hun kind) en die een plek moeten leren geven in hun leven. 2. Cliëntondersteuning bij de toegang tot ondersteuning in het sociaal domein. Het gaat hierbij om ondersteuning bij het maken van keuzes en het formuleren van vragen. Dat betekent dat een onafhankelijke cliëntondersteuner altijd aanwezig moet kunnen zijn bij het gesprek in die ‘toegang’. 3. Cliëntondersteuning voor mensen die al van bepaalde voorzieningen gebruik maken. Het gaat hierbij om ondersteuning bij heronderzoeken, veranderingen in de situatie of bij het opstellen van een zorg‐ of ondersteuningsplan met een aanbieder. In het tweede lid van artikel 5 is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. Artikel 6 Persoonlijk plan en familiegroepsplan Doordat de cliënt voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan of familiegroepsplan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk plan dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. In dit artikel worden enkele procedurevoorwaarden neergelegd indien gebruik wordt gemaakt van een persoonlijk plan of familiegroepsplan. Zeker bij een familiegroepsplan kan enige tijd nodig zijn om met het gezin en de omgeving tot een plan te komen. De procedure wordt derhalve aangehouden zodat het gezin voldoende aandacht kan geven om tot dit plan te komen. Indien niet tot een voltooid plan kan worden gekomen kan de procedure ook weer verder opgestart worden. Artikel 7 Vooronderzoek Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te zorgen dat de cliënt goed geïnformeerd wordt. Het eerste lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het onderzoek naar aanleiding van de melding relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht, zodat de cliënt niet wordt belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp of werk en inkomen. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Wmo, Jeugdwet en Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de cliënt vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek. Artikel 4:2 van de Awb regelt dat een aanvragen gehouden is alle gegevens en bescheiden te overleggen die noodzakelijk zijn voor het beslissen op de aanvraag. In het tweede lid van artikel 6 is geregeld dat de cliënt ook in de voorafgaande onderzoeksfase gehouden is alle benodigde gegevens en bescheiden te overleggen. In het kader van rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de cliënt vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tevens kan beoordeeld worden of sprake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van artikel 1.2 van de Jeugdwet al dan niet gehouden is om een voorziening op basis van deze wet te treffen. In het derde lid van artikel 6 is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de cliënt en de cliënt geeft toestemming om dit dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag ook al bekend is dan kan in overleg met de cliënt worden afgezien van het gesprek. Artikel 8 Gesprek Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de cliënt wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de cliënt te krijgen. Bij jeugdhulp ligt het daarom ook voor de hand dat tijdens het gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en ander wordt besproken. Waar het gesprek plaatsvindt zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. Het onderzoek vormt de kern van de procedure. Tijdens het onderzoek worden bepaalde onderwerpen besproken. Dit betreft: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheid om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot het verbeteren van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang en welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wmo verschuldigd zal zijn. Het betreft altijd maatwerk. Indien een cliënt bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nieuwe ontwikkelingen zijn. Komt de cliënt voor het eerst bij de gemeente dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de cliënt en zijn situatie te krijgen. Het gesprek wordt in de Wmo niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen de gemeente en cliënt plaatsvindt. Een eventueel ingediend familiegroepsplan is het uitgangspunt voor het verdere onderzoek. Artikel 9 Verslag Bij de begripsbepalingen (artikel 1, lid
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.