Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldenzaal houdende regels omtrent jeugdhulp Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Oldenzaal 20181. Inleiding 1.1 Wat zijn beleidsregels en waarom zijn ze er? Op 1 januari 2015 is de Jeugdwet in werking getreden. Wij zijn vanaf die datum verantwoordelijk voor de jeugdzorg. Met de inwerkingtreding van de Jeugdwet vervalt het recht op zorg, deze wordt vervangen door een zorgplicht voor gemeenten. De Jeugdwet biedt ruimte voor iedere gemeente om aan die zorgplicht, op maat, inhoud en uitvoering vorm te geven. De Verordening uitvoering Jeugdwet 2015 (hierna: ‘Verordening’) en het Besluit Jeugdhulp Gemeente Oldenzaal 2015 (hierna: ‘Besluit’) geven uitvoering aan de Jeugdwet. Dit zijn juridisch, technische documenten. In het beleidsplan Jeugdhulp Oldenzaal 2015-2018 geeft het gemeentebestuur richting aan de invulling van de wettelijke verantwoordelijkheid voor de zorg voor de jeugd vanaf 2015. In dit document, de beleidsregels Jeugdhulp Oldenzaal 2018, staat hoe het college omgaat met de bevoegdheden in de uitvoering van de Jeugdwet. Het is een vertaalslag van de Verordening Jeugdhulp Oldenzaal 2015 en het Besluit Jeugdhulp 2015. Deze beleidsregels vervangen de beleidsregels jeugdhulp 2016. De reden hiervoor is dat er wijzigingen zijn ten aanzien van de maatwerkvoorzieningen en de nieuwe vervoersvoorziening. Tevens heeft de praktijk uitgewezen dat er op bepaalde onderdelen dieper ingegaan moet worden (o.a. cliëntondersteuner; gebruikelijke zorg, PGB en terugvordering). Het beleidsplan Jeugdhulp, de Verordening, het Besluit en deze beleidsregels zijn onlosmakelijk verbonden met elkaar. 1.2 Bevoegdheden De Verordening legt veel bevoegdheden bij het college. Deskundige consulenten, ambtenaren of beroepskrachten zullen in de regel de uitvoering op zich nemen (in mandaat). Waar in de Verordening en in de wet “het college” staat, kan het college deze bevoegdheden namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. Aanvraag hulp en ondersteuning 2.1 Hulpvraag De jeugdige en/of ouder(s), die behoefte heeft aan ondersteuning, kan daarvoor terecht bij het Maatschappelijk Plein, maar ook bij andere dienst-/hulpverleners in de gemeente (bijv. huisarts). Bij het Maatschappelijk Plein werken consulenten die qua opleiding en ervaring toegerust zijn op hun taken. 2.2 Cliëntondersteuning Gemeenten moeten voor alle cliënten, van alle leeftijden en over alle levensdomeinen onafhankelijke cliëntondersteuning bieden. Dat geldt ook voor cliëntondersteuning op het gebied van jeugdhulp. Dit is vastgelegd in artikel 1.1.1 Wmo 2015 en artikel 2.2.4 Wmo 2015. Op grond van artikel 2.3.2 lid 3 van de Wmo moet het college vóór het onderzoek de cliënt en zijn mantelzorger wijzen op de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Zie ook artikel 3 van de verordening maatschappelijke ondersteuning 2015: Artikel 3 van de verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van gratis cliëntondersteuning. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Het gaat om ondersteuning van de verminderd zelfredzame cliënt met informatie en advies, om de cliënt zo nodig in staat te stellen tot het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning (preventieve zorg, zorg, jeugd, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen). Cliëntondersteuning op zichzelf kan al een belangrijke bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van mensen. Het kan voorkomen dat de inzet van een cliëntondersteuner door de gemeente (in de vorm van kortdurende ondersteuning) al toereikend blijkt te zijn om iemand regie te laten verkrijgen over zijn eigen situatie, waarmee individuele voorzieningen niet meer nodig zijn (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, paragraaf 3.4). De Oldenzaalse welzijnsinstelling Impuls geeft sinds 1 januari 2015 invulling aan de onafhankelijke cliëntondersteuning Wmo. Daarnaast gaat deze welzijnsinstelling de vrijwilligers ondersteunen die ook een rol spelen in de onafhankelijke cliëntondersteuning. Dit is begin 2015 in subsidieafspraken bekrachtigd. In de ontvangstbevestiging van de melding hulpvraag wordt de ouder en/of jeugdige geïnformeerd over de mogelijkheid van een cliëntondersteuner. 2.3 Wie kan een aanvraag indienen? Iedere “belanghebbende” kan een aanvraag indienen voor jeugdhulp (zie artikel 1:3 lid 3 Awb). Op de eerste plaats zijn dat natuurlijk de ouders of de jeugdige zelf. Maar het begrip 'belanghebbende' is ruimer dan dat. Ook een pleegouder zou bijvoorbeeld een aanvraag in kunnen dienen voor hulp (voor een jeugdige die hij verzorgt en opvoedt). Voor zover jeugdigen zelf een aanvraag indienen, is het van belang te onderkennen dat zij (meestal) minderjarig zijn. Dat betekent dat vaak toestemming nodig is van een wettelijk vertegenwoordiger: “de ouder met gezag” of een “voogd”. Verder kan een jeugdige of ouder zich bij het indienen van een aanvraag laten bijstaan door een derde. 2.4 Aanvraag Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij de gemeente. Hulpvraag: behoefte van een cliënt aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet. Wij onderzoeken in een gesprek met de jeugdige en/of ouders zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag: de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de cliënt en het probleem of de hulpvraag; het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; het vermogen van de cliënt om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een algemene voorziening; de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. Een aanvraag voor een individuele voorziening kan door of namens een jeugdige worden ingediend, door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Wij nemen alleen een aanvraag in behandeling wanneer het aanvraagformulier voorzien is van naam, BSN, geboortedatum en ondertekening door de aanvrager (of gemachtigde). De datum waarop de aanvraag juist en volledig is ingeleverd, geldt als aanvraagdatum. Indien wij een aanvraag ontvangen dat een ander bestuursorgaan moet behandelen, hebben wij als gemeente een doorzendplicht (art. 2:3 Awb). Een ander bestuursorgaan is aan de orde als een cliënt bijvoorbeeld volgens het woonplaatsbeginsel de aanvraag niet bij onze gemeente moet indienen. Doorzending vindt onverwijld plaats aan het bevoegde bestuursorgaan, onder mededeling aan belanghebbende. 2.5 Familiegroepsplan In een familiegroepsplan staat welke problemen de jeugdige of het gezin heeft, welke hulp nodig is, en wie die hulp geeft. In het plan kan zowel hulp uit het eigen netwerk als professionele hulp beschreven zijn. Ouders kunnen samen met familieleden en andere direct betrokkenen uit de sociale omgeving van het gezin een familiegroepsplan maken. Op deze manier kunnen zij meedenken en meehelpen aan een oplossing. Het familiegroepsplan staat in de Jeugdwet en in de verordening Jeugdhulp beschreven. Een jeugdige kan om allerlei redenen hulp nodig hebben, bijvoorbeeld bij opgroei- en opvoedproblemen, zorg vanwege een beperking of psychische aandoening. De familie en het sociale netwerk krijgen in die situaties eerst de gelegenheid om samen een plan voor de hulpverlening te maken. Dit geldt ook als het kind of de jongere te maken heeft met jeugdbescherming. De ouders moeten dan wel het ouderlijk gezag hebben over hun kind. Een familiegroepsplan geeft familie en het sociale netwerk meer verantwoordelijkheid en meer controle. Mensen in het sociale netwerk zijn overigens niet altijd familie; het is ook mogelijk bijvoorbeeld een leraar of bevriende buur te betrekken. Ouders en jeugdige geven zelf aan wie zij willen betrekken bij het familiegroepsplan. Binnen het Maatschappelijk Plein van de gemeente Oldenzaal werken de consulenten Jeugd voornamelijk met een familiegroepsplan. In uitzonderingsgevallen kan hiervan worden afgezien. Bijvoorbeeld als er sprake is van enkelvoudige problematiek (zoals dyslexie) of als de belangen van het kind geschaad worden. 2.6 Woonplaatsbeginsel Een voorwaarde om voor een voorziening in aanmerking te komen is dat de aanvrager zijn hoofdverblijf in Oldenzaal heeft. De verantwoordelijke gemeente is namelijk in beginsel de gemeente waar de ouder met gezag woont. Als een jeugdige en zijn ouders hulp nodig hebben, bekijken we eerst waar het gezag ligt. Daarna stellen we vast wat het adres is van de gezaghebbende. Zo wordt duidelijk welke gemeente verantwoordelijk is voor de desbetreffende jeugdige. Bij een verhuizing, een wijziging in het gezag of als de jeugdige meerderjarig wordt, verandert de situatie. Voor de nieuwe situatie moet opnieuw worden bepaald welke gemeente op dat moment de verantwoordelijke gemeente is. 2.7 Beschikking In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als PGB wordt verstrekt. Voorts worden de gegevens vermeld die in artikel 7 van de Verordening genoemd zijn. 3. Gebruikelijke hulp 3.1 Gebruikelijke hulp aan huisgenoten Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar, naar algemeen aanvaarde maatstaven, geacht worden te bieden. Van boven gebruikelijke hulp is sprake wanneer mensen elkaar bij ziekte of handicap langdurig meer zorg bieden dan wat binnen de sociale relatie gewoon is. 3.2 Gebruikelijke hulp aan kinderen Ouders/verzorgers hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles). De zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder/verzorger normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziektes. Wat normaal is, is onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind. Het totaal aan gebruikelijke zorg wordt gesteld op de totale omvang van zorg die ouders leveren aan een kind van dezelfde leeftijd, maar met een normaal ontwikkelingsprofiel. Voor het vaststellen van de gebruikelijke hulp per leeftijdscategorie, zie paragraaf 3.3 Richtlijnen. Het bieden van een beschermde woonomgeving door ouders aan hun kind(eren) wordt tot de 17e verjaardag van het kind als gebruikelijke zorg aangemerkt, ook als er sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. Uitzonderingen hierop zijn: een noodzaak tot het plaatsen van het kind in een therapeutisch leefklimaat, het bieden van permanent toezicht aan het kind op een leeftijd waarop dit al boven gebruikelijk wordt geacht, en onvermogen van ouders tot het bieden van een beschermde woonomgeving ten gevolge van een ziekte, stoornis of beperking. Het kan voorkomen dat ouders dusdanig belast zijn in de zorg voor de kinderen dat zij niet langer de gebruikelijke zorg kunnen bieden. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg over. Indien er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, of beide ouders ondervinden beperkingen in de zorg van de kinderen, wordt er eerst nagegaan wat mantelzorg kan opvangen (denk aan opa’s en oma’s, ooms en tantes, etc.) en wat kan worden opgelost middels voorliggende voorzieningen (bijvoorbeeld kinderdagverblijven, naschoolse opvang, etc.). Pas wanneer deze opties allemaal zijn uitgeput of wanneer is vastgesteld dat deze niet passend zijn, kan er gekeken worden naar ondersteuning. 3.3 Richtlijnen Bij gebruikelijke hulp wordt dezelfde beleidslijn gevolgd zoals deze onder de AWBZ door het Centrum voor Indicatiestelling (CIZ) werd gehanteerd. Gebruikelijke hulp, die huisgenoten geacht worden aan elkaar te verlenen, wordt ook als een voorliggende voorziening beschouwd. Het principe “gebruikelijke hulp” is gebaseerd op de gedachte dat een leefeenheid samen verantwoordelijk is voor het huishouden. Er mag daarbij echter geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting van de huisgeno(o)t(en). Overbelasting of dreigende overbelasting moet objectief worden vastgesteld, bijvoorbeeld door medisch onderzoek. Aan de hand van onderstaande richtlijnen wordt in elke individuele situatie een zorgvuldige afweging gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van de jeugdige en/of zijn ouders. De mogelijkheden van de jeugdige en de sociale omgeving tegen de achtergrond van de specifieke problematiek van de jeugdige. Onderstaand de richtlijnen voor gebruikelijke hulp per leeftijdscategorie: Kinderen van 0 tot 3 jaar Hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig. Ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig. Zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 3 tot 5 jaar Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoor-afstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer); Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; Kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; Ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers; Hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; Hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven. Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 5 tot 12 jaar Kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week; Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is); Hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging; Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; Zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; Hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan. Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 12 tot 18 jaar Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; Kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden; Kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; Hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen). Hebben in ieder geval tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. 4. Vormen van Jeugdhulp 4.1 Algemene voorziening Een algemene voorziening is het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Een algemene voorziening is beschikbaar voor alle inwoners. Er vindt dus geen toets plaats of jeugdigen en/of hun ouders hier voor in aanmerking komen en er is geen verwijzing of beschikking nodig om er gebruik van te mogen maken. Wanneer blijkt dat aanvrager niet op eigen kracht of met hulp van het sociaal netwerk tot een oplossing kan komen, beoordelen de consulenten van het Maatschappelijk Plein of er algemene/collectieve voorzieningen zijn die de problemen, die betrokkene ervaart, (gedeeltelijk) kunnen oplossen. Wij hechten veel waarde aan de algemene voorzieningen. Immers, wanneer het niveau van algemene voorzieningen in de gemeente hoog is, is er minder reden voor inwoners om aanspraak te maken op individuele voorzieningen. Veel inwoners kunnen dan, ondanks eventuele beperkingen, langer blijven “meedoen”. Voorbeelden van algemene voorzieningen: Onderwijs; Maatschappelijk werk; Kinderopvang, buitenschoolse opvang en peuterspeelzaalwerk; Jeugdwelzijnswerk en jongerenwerk; Consultatiebureau; Opvoedondersteuning; LOES. Initiatieven van particulieren; vrijwilligers en sport- en culturele verenigingen leveren ook een belangrijke bijdrage aan het aanbod van algemene voorzieningen. 4.2 Individuele voorziening In tegenstelling tot een algemene voorziening, is een individuele voorziening niet vrij toegankelijk. Een individuele voorziening kan alleen na zorgvuldig onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegekend worden middels een beschikking. Maatwerk is hierbij belangrijk. De consulent past de voorziening aan de persoonlijke omstandigheden aan. Na toekennen van de individuele voorziening ontvangt de belanghebbende een beschikking van de gemeente. De belanghebbende heeft de mogelijkheid voor bezwaar en beroep. Een jeugdige kan toegang krijgen tot jeugdhulp via het Maatschappelijk Plein. Daarnaast is het rechtstreeks doorverwijzen naar een individuele voorziening bij wet geregeld voor de volgende professionals: Huisartsen; Medici zoals kinderartsen; Gecertificeerde instelling (in overleg met college, conform het “Regionaal Handboek 2016 Jeugdbescherming en Jeugdreclassering). De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar op basis van het tweede lid van artikel 2 van de Verordening uitvoering jeugdwet 2015: Maatwerkvoorzieningen 0-100; Specialistische jeugdhulp intramuraal en extramuraal; Jeugd AWBZ intramuraal en extramuraal; Jeugd GGZ intramuraal en extramuraal; Pleegzorg. De 14 Twentse gemeenten (“Samen 14”) hebben ervoor gekozen om samen te werken en gezamenlijk raamcontracten met zorgaanbieders af te sluiten. Deze aanbieders voldoen aan de eisen van de Jeugdwet. 4.3 Maatwerkvoorzieningen 0-100 We onderscheiden de volgende maatwerkvoorzieningen: ondersteuning Zelfstandig Leven 1 (OZL 1); ondersteuning Zelfstandig Leven 2 (OZL 2); ondersteuning Maatschappelijke Deelname 1 (OMD 1); ondersteuning Maatschappelijke Deelname 2 (OMD 2); kortdurend verblijf (KDV); naschoolse dagbehandeling lvb jeugd. 4.3.1 Ondersteuning Zelfstandig Leven (OZL 1 en OZL 2) De maatwerkvoorziening Ondersteuning Zelfstandig Leven bestaat uit twee niveaus. De Twentse gemeenten werken resultaatgericht. Dat betekent dat het te behalen resultaat centraal staat. Dit resultaat wordt opgenomen in het ondersteuningsplan. De ondersteuning kan onder andere gericht zijn op de volgende resultaten, waarbij bij jeugdigen de resultaten gerelateerd zijn aan de leeftijd (de onderstaande lijst is niet limitatief). Cliënt is in staat om: zijn financiële situatie gezond te houden; te voorzien in de eerste levensbehoeften; taken uit te voeren rondom het huis; isolement te voorkomen; besluiten te nemen; zichzelf te verzorgen; op een passende manier voor zichzelf op te komen; stabiel te functioneren en te participeren in de samenleving; zelfstandig of thuis te blijven wonen; zich zelfstandig te verplaatsen met algemeen gebruikelijke vervoersmiddelen; gezond te leven en hier naar te handelen (voeding en beweging); de eigen algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zo veel mogelijk zelf te verrichten. ook kan tot de resultaten behoren dat de omgeving van de cliënt in staat is met (de gevolgen van) de beperking van de cliënt om te kunnen gaan. De omvang wordt bepaald aan de hand van twee niveaus (1,2). Hieronder volgt een omschrijving op hoofdlijnen (niet limitatief). Ondersteuning Zelfstandig Leven 1 De cliënt kan communiceren en zelf om ondersteuning vragen. De ondersteuning is erop gericht door stimulans en/of toezicht ervoor te zorgen dat de cliënt in staat is om zijn/haar sociale leven zelfstandig vorm te geven. Er is doorgaans geen primaire noodzaak tot het overnemen van taken, bijvoorbeeld bij de dagelijkse routine. De ondersteuning kán zich dus wel richten op het overnemen van taken door een professional. Het gaat in deze vorm van ondersteuning om planbare zorg. De cliënt is zich ervan bewust dat begeleiding op vaste dagen en tijdstippen langs komt om de ondersteuning te verlenen. De cliënt kan zijn hulpvraag uitstellen. Mocht er een ad hoc situatie ontstaan dan weet de cliënt hier zelf mee om te gaan of brengt dit in bij de volgende afspraak met de begeleiding. Ondersteuning Zelfstandig Leven 2 De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de cliënt soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf niet voldoende begrijpelijk kan maken. De cliënt kan (nog) niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen. Voor de dagstructuur en het voeren van regie heeft de cliënt ondersteuning van anderen nodig. Ondersteuning wordt geboden bij het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag– en nachtritme) die voor de cliënt niet vanzelfsprekend zijn. Deze problemen kunnen zodanige vormen aannemen dat de cliënt geholpen moet worden met ondersteuning. De ondersteuning kan zich ook richten op het, tijdelijk, overnemen tot en met het aanleren van taken door een professional. Het kan dan vooral gaan om ondersteuning bij voor de cliënt complexere activiteiten. Dit kán ook voor eenvoudige taken gelden. Het gaat in deze vorm van ondersteuning om zowel planbare als niet planbare zorg. De cliënt heeft naast één of meerdere vaste dagen en tijdstippen begeleiding ook ondersteuning nodig wanneer zich een ad hoc situatie voordoet. De cliënt heeft dan direct ondersteuning nodig (telefonisch/oproepbaar). 4.3.2 Ondersteuning Maatschappelijke Deelname (OMD 1 en OMD 2) Ondersteuning Maatschappelijke Deelname bestaat uit twee niveaus (1,2). De Twentse gemeenten werken resultaatgericht. Dat betekent dat het te behalen resultaat centraal staat. Dit resultaat wordt opgenomen in het ondersteuningsplan. De ondersteuning Maatschappelijke Deelname is gericht op een zinvolle besteding van de dag en kan onder andere gericht zijn op de volgende resultaten (niet limitatief): sociale activiteiten buitenshuis; deelname aan georganiseerde activiteiten; (betaald) werk met ondersteuning; aanleren werknemersvaardigheden; ontlasten mantelzorger; het aanbieden van routine en structuur voor de dag; voorkomen van verwaarlozing/opname; stimuleren van niet-uitstelbare ADL-handelingen zoals toiletgang, toezien op medicatie-inname, nuttigen maaltijd. Ondersteuning Maatschappelijke Deelname 1 De ondersteuning is erop gericht door stimulans en/of toezicht te zorgen dat de cliënt in staat is zijn /haar sociale leven zelfstandig vorm te geven. De ondersteuning biedt structuur en geeft een adequate invulling aan de dag. Er is doorgaans geen primaire noodzaak tot het overnemen van taken, bijvoorbeeld bij de dagelijkse routine. De cliënt kan zelf om ondersteuning vragen, maar stimuleren en toezicht zijn wel nodig. Ondersteuning Maatschappelijke Deelname 2 Ondersteuning wordt geboden bij het oplossen van problemen en het zelfstandig nemen van besluiten. De ondersteuning houdt er rekening mee dat de communicatie niet altijd vanzelf gaat doordat de cliënt niet altijd begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf niet voldoende begrijpelijk kan maken. De ondersteuning kan zich ook richten op het, tijdelijk, overnemen tot en met het aanleren van taken door een professional, omdat de cliënt ernstige problemen heeft. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om ondersteuning bij voor de cliënt complexere activiteiten die van de cliënt moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De cliënt kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen. De ondersteuning houdt er rekening mee dat de cliënt mogelijk meer interventies nodig heeft door bijvoorbeeld gedragsproblemen. 4.3.3 Kortdurend verblijf Algemeen doel van kortdurend verblijf (KDV), oftewel: respijtzorg, is het ontlasten van mantelzorgers, gebruikelijke verzorger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.