← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Almelo (Almelo)

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Almelo Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Almelo; gelet op de verschillende bepalingen in de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Almelo; gezien het advies van de Wmo Adviesraad en de aanbevelingen uit de evaluatie van de Verordening en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Almelo 2015 en de wijzigingen ten aanzien van huishoudelijke ondersteuning, het reële tarief en het persoonsgebonden budget; besluit: vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Almelo. Inleiding Op 1 januari 2015 zijn de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet in werking getreden. Eind oktober 2014 is de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Almelo 2015 door de gemeenteraad vastgesteld. In deze verordening was, geheel in lijn met het uitgangspunt dat de gemeenteraad de kaders stelt, bepaald dat het college in de beleidsregels nadere regels dient vast te stellen. Dit uitgangspunt is gehandhaafd bij de opzet van de nieuwe verordening en beleidsregels. De nieuwe verordening en beleidsregels zijn het resultaat van een in 2016 uitgevoerde evaluatie; de aanbevelingen uit deze evaluatie betreffende de rechtmatigheid en uitvoerbaarheid van de lokale regelgeving zijn verwerkt in deze beleidsregels en de hieraan ten grondslag liggende verordening. In de beleidsregels is dezelfde structuur voor wat betreft de artikelnummering gehanteerd als in de verordening. De artikelen uit de verordening worden eerst toegelicht en vervolgens nader uitgewerkt. Bij het opstellen van de verordening is de ruimte voor de professional als één van de uitgangspunten genomen. Deze beleidsregels borduren daar op voort. Dit betekent dat is gekozen voor het zo globaal mogelijk beschrijven van de te verstrekken voorzieningen en criteria om voor deze voorzieningen in aanmerking te komen. Alleen waar in de uitvoeringspraktijk een aanscherping van begrippen gewenst is om interpretatieverschillen te voorkomen, zijn deze begrippen nader gedefinieerd. Als tegenwicht, tegen te veel vrijheid van handelen van de professional, is het proces van toeleiding en toegang (zie hoofdstuk 1) en de kwaliteit van de ondersteuning (hoofdstuk 7) uitgebreider beschreven en met meer waarborgen omkleed. In plaats van het opstellen van een financieel besluit is gekozen voor het opnemen van de tarieven van de verschillende voorzieningen en andere voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 relevante bedragen in de bijlagen. Daarnaast zijn in de bijlagen de beleidskaders beschermd wonen en opvang opgenomen. De beleidsregels inclusief de bijlagen vormen daarmee tevens een leidraad of handboek voor de uitvoering. Transformatie en experimenten In de verordening en de beleidsregels wordt met name geregeld wanneer inwoners aanspraak kunnen maken op individuele ondersteuning in het kader van de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke ondersteuning. Dit kan het geval zijn als er aantoonbaar sprake is van fysieke, psychische of verstandelijke beperkingen of als er zich problemen voordoen in de ontwikkeling of opvoeding van een jeugdige. Een op het individu toegesneden voorziening is een vangnetvoorziening. Dit betekent dat deze alleen kan worden toegekend als er geen andere adequate oplossingen gevonden kunnen worden. Andere oplossingen zijn het gebruik maken van de eigen kracht of de inzet van het sociale netwerk, maar ook het gebruik maken van bijvoorbeeld ook algemene voorzieningen. Bij het verstrekken van een op het individu toegesneden voorziening is maatwerk geboden. Dit betekent dat er ruimte is voor de professional om samen met de ondersteuningsvrager te zoeken naar een voor de ondersteuningsvrager adequate en toereikende voorziening. Deze voorziening mag afwijken van de voorzieningen die in deze beleidsregels beschreven zijn. Dit betekent dat ten aanzien van het aanbod aan voorzieningen geëxperimenteerd mag worden. Voorwaarde hierbij is dat ook dan de voorziening een bijdrage moet leveren aan bijvoorbeeld het vergroten van de zelfredzaamheid en/of het bevorderen van maatschappelijke deelname. Bovendien mag de experimentele voorziening niet duurder zijn dan de meer traditionele voorzieningen die in deze beleidsregels zijn beschreven. In de dienstverlening aan inwoners met een ondersteuningsbehoefte wordt aandacht besteed aan het mogelijk inzetten van het sociale netwerk en zo mogelijk versterken van dit netwerk. Dit wordt ook gevraagd van de door de gemeente gecontracteerde aanbieders van de op het individu toegesneden voorzieningen. De inspanningen van de gemeente zijn gericht op het uitbouwen van het aanbod aan algemene voorzieningen in Almelo. Een voorbeeld hiervan is het uitbreiden van dagbestedingsactiviteiten bij welzijnsinstellingen voor inwoners met (lichtere) beperkingen. Hierdoor kan een beroep op een op het individu toegesneden voorziening worden uitgesteld of mogelijk worden voorkomen. Maar belangrijker is dat hierdoor inwoners met beperkingen niet langer zijn aangewezen op de specifiek voor hen georganiseerde dagbestedingsactiviteiten die alleen met een indicatie toegankelijk zijn. Deze transformatie draagt bij aan het idee van de inclusieve samenleving dat het doel is van het VN Verdrag inzake rechten van personen met een handicap. Hoofdstuk1:Algemene bepalingen 1.1 Begripsbepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen Voor de betekenis van de gebruikte begrippen wordt verwezen naar de begripsbepalingen in de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Almelo. Indien nodig worden de gehanteerde begrippen nader toegelicht en gedefinieerd in de beleidsregels. 1.2 Toeleiding en toegang tot voorzieningen Artikel1.2Toegang voorzieningen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1. Het college regelt in de beleidsregels op welke wijze in samenspraak met de ondersteuningsvrager, eventueel na vragen van advies aan een door het college aangewezen adviesinstantie, wordt vastgesteld of deze voor een op het individu toegesneden voorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, of jeugdhulp in aanmerking komt. 2. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 1.2.1 Toeleiding en toegang algemeen In de procedure voor toegang en toeleiding zijn de uitgangspunten van het beleidsplan ‘Samen mee(

  1. r)doen, vanuit vijf transities naar één transformatie’ verwerkt. Zo is de procedure gericht op individuele maatwerkoplossingen bij ondersteuningsvragen. In de procedure worden ondersteuningsvragers zo veel mogelijk aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid. Alleen als dit noodzakelijk is, wordt ondersteuning via een op het individu toegesneden voorziening ingezet. De procedure van toegang en toeleiding kenmerkt zich door effectief samenwerken en resultaatgerichte oplossingen. Dat vertaalt zich naar ondersteuningsplannen die de oorzaak aanpakken, omdat er maatwerk en indien mogelijk en gewenst het ‘5x-zo’ principe (zo dichtbij, snel, kort, licht en zorgvuldig mogelijk) is toegepast. De procedure voor toeleiding en toegang bestaat uit vier onderdelen, namelijk: a. melding, b. onderzoek, c. aanvraag en d. besluitvorming. Termijnen De termijn van melding tot en met het besluit op een aanvraag in de Wmo 2015 is in principe bepaald op maximaal 8 weken (namelijk 6 weken voor de onderzoeksfase gevolgd door 2 weken voor de beslissing op een aanvraag). Voor voorzieningen in het kader van de Jeugdwet zijn de termijnen niet gegeven in de wet zelf en geldt dus de redelijke termijn voor het beslissen op aanvragen op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens constante jurisprudentie bedraagt deze termijn in het algemeen ook 8 weken. Voor de uniformiteit in de procedure voor toeleiding en toegang is voor voorzieningen op grond van de Jeugdwet dezelfde benadering gekozen als de meer gedetailleerde regeling in de Wmo 2015. In de Wmo 2015 is geregeld dat de onderzoeksfase (van melding tot afronding van het onderzoek) maximaal zes weken mag duren. Het onderzoek, bij voorkeur via een keukentafelgesprek, kan leiden tot het indien van een aanvraag voor een op het individu toegesneden voorziening. De aanvraag kan worden ingediend nadat het onderzoek is afgerond. Tussen het afronden van het onderzoek en het ontvangen van het aanvraagformulier (datum waarop formeel de aanvraag is ingediend) kan, bijvoorbeeld door het niet onmiddellijk verzenden van het aanvraagformulier door de ondersteuningsvrager, enige tijd zitten. Deze tijd wordt niet in mindering gebracht op de beslistermijn. De besluitvormingsfase is alleen van toepassing als er een besluit moet komen op een aanvraag voor een op het individu toegesneden voorziening. De termijn tussen het indienen van de aanvraag (na ontvangst van het aanvraagformulier) en het besluit is maximaal twee weken. In de praktijk kan tijdens het onderzoek blijken dat er meer tijd nodig is om tot een goede beoordeling van de situatie te komen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als moet worden gewacht op informatie van derden, en als, in het geval van een woningaanpassing, niet duidelijk is of de noodzakelijke vergunningen wel kunnen worden afgegeven. In overleg met de ondersteuningsvrager kan dan afgeweken worden van de onderzoekstermijn van maximaal zes weken. Dit dient wel schriftelijk te worden vastgelegd. Ook kan de beslistermijn, bij wijze van uitzondering op grond van artikel 4:14 Awb, één keer met een redelijke termijn worden verlengd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de gegevens op het aanvraagformulier afwijken van de informatie die is gegeven tijdens het (keukentafel)gesprek. Indien van de standaardtermijnen wordt afgeweken, moet de ondersteuningsvrager worden geïnformeerd. Hieronder worden de onderdelen nader toegelicht. a. Melding Een melding begint met een eerste contact. Bij dit contact met het Klant Contact Centrum (KCC) of de Centrale intake maatschappelijke ondersteuning en beschermd wonen Twente (Cimot) moet worden beoordeel of er mogelijk sprake is van een melding of dat er sprake is van een vraag om advies of informatie Het KCC is het centrale meldpunt voor ondersteuningsvragers, het sociale netwerk of dienst- en hulpverleners voor vragen op het gebied van welzijn, zorg, inkomensondersteuning, wonen en jeugdhulp. Daarnaast kan door professionals (onder andere huisartsen, kinderartsen, wijkverpleegkundigen) direct contact worden opgenomen met deskundige medewerkers over de verschillende ondersteuningsvormen en voorzieningen in het sociale domein. Het Cimot is het meldpunt voor ondersteuningsvragen op het gebied van beschermd wonen en maatschappelijke opvang (de zogenaamde centrumgemeentetaken) en tijdelijk beschermend wonen lvb. Voor ondersteuningsvragers die in mogelijk in aanmerking komen voor de voorziening beschermd wonen geldt dat aanbieders die de ondersteuning verlenen rechtstreeks een melding kunnen doen via een digitaal meldingsformulier. Tijdens het contact wordt beoordeeld of de vraag om informatie of advies direct afdoende en naar tevredenheid kan worden beantwoord. Bij twijfel of als uit het contact blijkt dat er een onderzoek moet plaatsvinden, wordt de melding geregistreerd. Het onderzoek kan bestaan uit: 1 een telefonisch onderzoek tijdens het (eerste) contact waarna een verwijzing volgt naar bijvoorbeeld een andere voorziening (bijvoorbeeld een algemene voorziening); 2 een uitgebreid onderzoek waarin beoordeeld wordt welke voorziening toereikend en passend is, het zogenaamde (keukentafel)gesprek. In het eerste geval (telefonisch onderzoek) wordt de melding wel geregistreerd maar wordt geen ondersteuningsplan geschreven. In het tweede geval krijgt de ondersteuningsvrager (als deze zelf het contact heeft gezocht) of degene voor wie ondersteuning wordt gevraagd een regisseur toegewezen. Als regisseur kunnen optreden een wijkcoach, een consulent zorg of een medewerker Wmo. Dit onderzoek mondt uit in een ondersteuningsplan. Onafhankelijke cliëntondersteuning Bij de registratie van de melding wordt de ondersteuningsvrager gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. De onafhankelijke cliëntondersteuner staat de ondersteuningsvrager met raad en daad bij en helpt mee de vraag te verduidelijken. De cliëntondersteuner maakt geen deel uit van het proces van toeleiding en toegang en heeft geen rol in de besluitvorming. De onafhankelijke cliëntondersteuner is een goed opgeleide vrijwilliger die ervaring heeft met belangenbehartiging en een goede kennis heeft van de verschillende voorzieningen en ondersteuningsmogelijkheden binnen het sociale domein. Mantelzorgers en ouders/verzorgers van jeugdigen Als er sprake is van een mantelzorgsituatie, dan wordt deze mantelzorger nadrukkelijk betrokken bij het proces van toegang en toeleiding. Tijdens de melding zal dan ook beoordeeld moeten worden of er sprake is van een vorm van mantelzorg. Indien dat het geval is, zal de ondersteuningsvrager gevraagd worden of de mantelzorger ook bij het gesprek aanwezig kan zijn. Overigens geldt hetzelfde voor een jeugdige die zich meldt met een ondersteuningsvraag: in dat geval zal doorgaans ook gevraagd worden of de ouders of verzorgers bij het gesprek aanwezig kunnen zijn. b. Onderzoek Het onderzoek heeft als doel de ondersteuningsvraag te verhelderen, maar meer nog het samen met de ondersteuningsvrager verkennen van de mogelijkheden, kansen en wensen waardoor de zelfredzaamheid en het kunnen deelnemen aan de maatschappij kunnen worden vergroot. Voor het verhelderen van de vraag en het zoeken naar een adequate oplossing kan het nodig zijn een (medisch) advies in te winnen bij een externe adviesinstantie of adviseur. In het proces wordt tevens gekeken naar mogelijkheden waarmee de mantelzorger(
  2. s)of de ouder(
  3. s)of verzorger(
  4. s)langer of beter in staat zijn (mantel)zorg te verlenen. (Keukentafel)gesprek De regisseur voert één of meerdere (keukentafel)gesprekken met de ondersteuningsvrager (die daarbij kan worden ondersteund door de onafhankelijke cliëntondersteuner, mantelzorger, ouder of andere belangenbehartiger) en stelt op basis daarvan een ondersteuningsplan op. Het ondersteuningsplan is tevens een schriftelijke weergave van het (keukentafel)gesprek. Tijdens het gesprek wordt uitgebreid gekeken naar het functioneren van de ondersteuningsvrager op de verschillende leefgebieden. Uitgangspunt is immers integrale dienstverlening. Steeds wordt beoordeeld of de ondersteuningsvrager zelf (eigen kracht) in staat is de ondersteuning te organiseren of met de hulp van het sociale netwerk. Indien dat niet het geval is, wordt gekeken naar de verschillende voorzieningen, waarbij de op het individu toegesneden voorziening als vangnet dient. Dat wil zeggen dat deze voorziening alleen wordt verstrekt als andere voorzieningen niet toereikend zijn om in de noodzakelijke ondersteuning te voorzien. Bij andere voorzieningen moet worden gedacht aan een algemene of algemeen gebruikelijke voorziening of een voorziening op grond van een andere wet. (Medisch) advies Om de ondersteuningsbehoefte helder te krijgen is het soms nodig advies in te winnen bij een onafhankelijk deskundige. Eén van de deskundigen die kan worden ingeschakeld is een medisch adviseur (keuringsarts). Bij twijfel over de (mate van) beperkingen of als een voorziening mogelijk invaliderend kan werken, zal een medisch adviseur (keuringsarts) moeten worden ingeschakeld. Dit is ook het geval als niet duidelijk is of het inzetten van een op het individu toegesneden voorziening medisch noodzakelijk is vanwege de ondervonden beperkingen. Een onafhankelijk oordeel van de medisch adviseur is noodzakelijk als een aanvraag om medische redenen waarschijnlijk moet worden afgewezen. Ondersteuningsplan De regisseur en de ondersteuningsvrager formuleren na het verhelderen van de vraag en de mogelijkheden, kansen en wensen, de resultaten die bereikt zouden moeten worden met de ondersteuning. De ondersteuning(svormen) en het beoogde resultaat worden vastgelegd in het ondersteuningsplan. De ondersteuning(svormen) kunnen bestaan uit ondersteuning die op eigen kracht kan worden gerealiseerd of met behulp van het sociale netwerk, andere voorzieningen of op het individu toegesneden voorzieningen of een combinatie van deze. Als er sprake is van een op het individu toegesneden voorziening (behalve een toekenning in het kader van de Jeugdwet, zie hiervoor hoofdstuk 5) zal er door of namens het college een besluit moeten worden genomen nadat de ondersteuningsvrager hiervoor een aanvraag heeft ingediend. Indien het resultaat alleen kan worden bereikt met een op het individu toegesneden voorziening, zal ook aan de orde moeten komen in welke vorm, in natura of een persoonsgebonden budget, deze verstrekt kan worden (zie hiervoor hoofdstuk 3). Ook zal, als hiervan sprake is, moeten worden gemeld dat er een inkomensafhankelijke eigen bijdrage wordt opgelegd. Uitvoering ondersteuningsplan Tijdens het (keukentafel)gesprek wordt, indien de ondersteuning bestaat uit een op het individu toegesneden voorziening, beoordeeld bij welke (zorg)aanbieder het beoogde resultaat het best kan worden bereikt. De ondersteuningsvrager wordt actief begeleid naar deze (zorg)aanbieder; er is dus sprake van een warme overdracht, waarbij het ondersteuningsplan gedeeld kan worden met de (zorg)aanbieder. Het zorgplan (trajectplan, hulpverleningsplan of iets dergelijks) van de aanbieder zal moeten aansluiten bij de resultaten die geformuleerd zijn in het ondersteuningsplan. In het plan van de aanbieder zullen de resultaten verder worden uitgewerkt. Indien de voorkeur uit gaat naar ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget moet het zorgplan voordat het besluit wordt genomen, worden overgelegd. Het zorgplan wordt in het kader van het waarborgen van de kwaliteit van de geboden ondersteuning betrokken bij de besluitvorming. Gecontracteerde aanbieders die zorg in natura mogen leveren, zijn op grond van het contract gebonden aan het leveren van kwalitatief goede ondersteuning en het opstellen van een zorgplan. Een toets vooraf is bij ondersteuning in natura dan ook niet nodig. Evaluatie De beoogde resultaten die in het ondersteuningsplan zijn geformuleerd, worden periodiek door de regisseur in samenspraak met de ondersteuningsvrager geëvalueerd. Een evaluatie vindt sowieso plaats als de ondersteuning eindigt en de ondersteuningsvrager te kennen heeft gegeven nog ondersteuning nodig te hebben. De evaluatie kan leiden tot bijstelling van het ondersteuningsplan, maar ook als de afgesproken en vastgelegde resultaten door de aanbieder niet worden bereikt tot een wisseling van aanbieder. Het evaluatieplan maakt onderdeel uit van het ondersteuningsplan. c. Aanvraag Tijdens de onderzoeksfase (zie hiervoor onder b.) wordt beoordeeld of de ondersteuning moet bestaan uit een op het individu toegesneden voorziening. Als dat het geval is, zal, voordat een besluit kan worden genomen, er een aanvraag moeten worden ingediend door de ondersteuningsvrager. Dit kan pas nadat het onderzoek is afgerond en de ondersteuningsvrager gewezen is op de voorwaarden die samenhangen met het verstrekken van een op het individu toegesneden voorziening. Tussen het afronden van het onderzoek en het daadwerkelijk aanvragen van de op het individu toegesneden voorziening(
  5. en)kan enige tijd zitten. Als aanvraagdatum wordt aangemerkt de datum waarop het aanvraagformulier is ontvangen. Vanaf de datum van ontvangst van het aanvraagformulier gaat de termijn van twee weken om een besluit te nemen lopen. d. Besluitvorming Indien uit het ondersteuningsplan blijkt dat het beoogde resultaat zou moeten worden bereikt met een op het individu toegesneden voorziening, moet de oplossing getoetst worden aan de Wmo 2015 of de Jeugdwet (waaronder de verordening en de beleidsregels). Na toetsing geeft het college, indien nodig, een beschikking af ten aanzien van de op het individu toegesneden voorziening(en). Voor de inhoud van de beschikking wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van deze beleidsregels. In hoofdstuk 5 wordt aangegeven aan welke eisen een beschikking moet voldoen en welke inhoudelijke elementen deze bevat. Spoed en crisis Onvermijdelijk zullen er zich situaties voordoen waarbij direct handelen is vereist: bijvoorbeeld in die gevallen waarin de veiligheid van een ingezetene in het geding is. De gangbare, hiervoor beschreven, procedure zal dan opzij moeten worden geschoven. Door de betrokken organisaties is bij de toeleiding en toegang een spoedprocedure in het leven geroepen. Bij gebruik van de spoedprocedure kunnen direct, zonder een uitgebreide onderzoek, de noodzakelijke acties worden ondernomen. In situaties waarin sprake is van (een vermoeden van) kindermishandeling of huiselijk geweld, kan 24 uur per dag gedurende 7 dagen in de week een beroep worden gedaan op Veilig Thuis Twente (voorheen Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en Steunpunt Huiselijk Geweld). Veilig Thuis Twente kan adviseren bij vermoedens van mishandeling en huiselijk geweld en registreert de meldingen. Naast de hiervoor genoemde mogelijkheid om Veilig Thuis Twente in te schakelen, zijn met betrekking tot de zorgstructuur samenwerkingsafspraken gemaakt over escalatie. In deze samenwerkingsafspraken is de doorzettingsmacht van de gemeente geregeld als een situatie ontspoort of dreigt te ontsporen. Daarnaast worden in het calamiteitenprotocol werkafspraken gemaakt over het omgaan met calamiteiten. 1.2.2 Toegang via huisartsen en kinderartsen Met huisartsen en kinderartsen zijn afspraken gemaakt over de toeleiding en toegang tot voorzieningen in het kader van de Jeugdwet. Daar waar geen of niet in overwegende mate sprake is van onderliggende medische problematiek, worden jeugdigen (en ouders) verwezen naar het centrale meldpunt of meldt de huis- of kinderarts de jeugdige bij het centrale meldpunt. Vervolgens wordt het proces doorlopen zoals hiervoor beschreven. Nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden, worden de bevindingen (en eventueel geboden ondersteuning) gemeld bij de huis- of kinderarts. Hoofdstuk2:Soorten voorzieningen 2.1 Voorzieningen Artikel2.1Voorzieningen 1. De op het individu toegesneden voorzieningen op grond van de Wmo 2015 bestaan uit voorzieningen die gericht zijn op: a. het bevorderen of in stand houden van de zelfredzaamheid of de mogelijkheid om te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en zo lang mogelijk in eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen, of b. het leveren van een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de ondersteuningsvrager in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2. De op het individu toegesneden voorzieningen op grond van de Jeugdwet bestaan uit voorzieningen die gericht zijn op: a. het bevorderen van het zelfstandig functioneren en het kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, b. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid, en c. het ondersteunen van en hulp en zorg aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van problemen, stoornissen en beperkingen van de jeugdige of opvoedingsproblemen van ouders. 3. Het college regelt in de beleidsregels welke op het individu toegesneden voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid en welke algemene voorzieningen op grond van de Jeugdwet beschikbaar zijn. 2.1.1 Voorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Hieronder wordt een niet limitatieve opsomming gegeven van de op het individu toegesneden voorzieningen en het resultaat dat met het verstrekken van de voorziening wordt beoogd. Deze voorbeelden van voorzieningen komen pas in beeld als andere oplossingen en voorzieningen onvoldoende kunnen bijdragen aan het bevorderen of in stand houden van de zelfredzaamheid of de mogelijkheid om te kunnen deelnemen aan de maatschappij. Niet de voorziening maar het te bereiken resultaat staat centraal. Dit betekent dat er ruimte is voor pilots en experimenten onder de voorwaarde dat met de experimentele voorzieningen dezelfde resultaten bereikt kunnen worden als met hieronder genoemde meer traditionele voorzieningen. Ook mogen de experimentele voorzieningen niet duurder zijn dan de meer traditionele voorzieningen. Beleidsregel 2.1-1 Voorzieningen Wmo De volgende op het individu toegesneden voorzieningen kunnen bij wijze van voorbeeld worden verstrekt: a. Ondersteuning zelfstandig leven b. Ondersteuning maatschappelijke deelname c. Ondersteuning mantelzorg door kortdurend verblijf d. Huishoudelijke ondersteuning e. Ondersteuning zelfstandig wonen f. Ondersteuning mobiliteit Hieronder wordt per voorziening aangegeven wat onder de voorziening wordt verstaan en wat het beoogd resultaat zou kunnen zijn van het verstrekken van de voorziening. a. Ondersteuning zelfstandig leven De voorziening ondersteuning zelfstandig leven bestaat uit de oude Awbz functies individuele begeleiding en het deel van de functie persoonlijke verzorging waarvoor de gemeente na de decentralisatie verantwoordelijk is geworden. Het gaat om het deel van de persoonlijke verzorging dat samenhangt met het zich niet kunnen verzorgen in verband met cognitieve beperkingen. Voor het overige deel is de functie persoonlijke verzorging overgeheveld naar de Zorgverzekeringswet. Doel van de voorziening Ondersteuning zelfstandig leven is het bevorderen of in stand houden van de zelfredzaamheid door ondersteuning te bieden bij praktische vaardigheden (zoals boodschappen doen en koken, omgaan met geld, zichzelf te verzorgen), sociale vaardigheden en aanbrengen van een dagstructuur. Het resultaat van het inzetten van deze voorziening kan zijn dat, indien mogelijk, de ondersteuningsvrager in staat is op de kortere dan wel langere termijn om: • zelfstandig of thuis te blijven wonen; • te voorzien in de eerste levensbehoeften; • taken uit te voeren rondom het huis; • de eigen algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zo veel mogelijk zelf te verrichten; • gezond te leven en hiernaar te handelen (voeding en beweging); • zichzelf te verzorgen; • de financiële situatie gezond te houden; • op een passende manier voor zichzelf op te komen; • zinvol invulling te geven aan de dag; • stabiel te functioneren en te participeren in de samenleving; • besluiten te nemen; • ook kan tot de resultaten behoren dat de omgeving van de cliënt in staat is met (de gevolgen van) de beperking van de cliënt om te kunnen gaan Let op: de opsomming is niet limitatief. Indien een ontwikkeling naar meer zelfredzaamheid vanwege de beperkingen (bijvoorbeeld bij progressieve aandoeningen) van de ondersteuningsvrager niet mogelijk is, kan het resultaat ook worden geformuleerd in termen van het zo goed en langdurig mogelijk in stand houden van bovenstaande activiteiten. b. Ondersteuning maatschappelijke deelname De voorziening Ondersteuning maatschappelijke deelname is vergelijkbaar met de oude Awbz functie begeleiding groep. Deze voorziening kan meer gericht zijn op het ontlasten van mantelzorgers, waardoor zij de zorg van een naaste langer kunnen volhouden, dan het bevorderen van deelname aan het maatschappelijk verkeer. De voorziening heeft verder als doel ondersteuning te bieden bij een zinvolle invulling van de dag en het mogelijk maken sociale contacten aan te gaan. Voor sommige ondersteuningsvragers (met name mensen met een lichte verstandelijke beperking en psychische stoornissen) zal moeten worden beoordeeld of trajecten gericht op arbeidsinschakeling op grond van de Participatiewet mogelijk een oplossing zijn. Het resultaat van de voorziening Ondersteuning maatschappelijke deelname zou kunnen zijn dat ondersteuningsvragers in staat worden gesteld om: • mensen te ontmoeten door sociale activiteiten buitenshuis; • deel te nemen aan activiteiten ter ontspanning (recreatief); • deel te nemen aan activiteiten die de zelfredzaamheid kunnen vergroten; • deel te nemen aan arbeidsmatige activiteiten; • werknemersvaardigheden aan te leren; • routine en structuur voor de dag aan te brengen. Hierboven wordt een niet limitatieve opsomming gegeven. Een ander resultaat van het inzetten van Ondersteuning maatschappelijke deelname zou ook kunnen zijn het voorkomen van verwaarlozing of een opname. Ook kan het resultaat gericht zijn op de mantelzorger(s). Door de inzet van Ondersteuning maatschappelijke deelname kan de mantelzorger worden ontlast waardoor degene die verzorgd moet worden langer thuis of zelfstandig kan blijven wonen. Indien noodzakelijk wordt ook vervoer van en naar de plaats waar deze vorm van ondersteuning wordt geboden, toegekend. Dit kan het geval zijn als de ondersteuningsvrager niet op eigen kracht of niet met de hulp van het sociale netwerk deze plaats kan bereiken. Twee niveaus ondersteuning zelfstandig leven en maatschappelijke deelname Ondersteuning zelfstandig leven en ondersteuning maatschappelijke deelname kennen elk twee niveaus, weergegeven met de cijfers 1 en 2. Met Ondersteuning zelfstandig leven en maatschappelijke deelname 1 wordt ondersteuning op basisniveau bedoeld. De meer intensieve vormen van ondersteuning vallen onder Ondersteuning zelfstandig leven 2 en maatschappelijke deelname 2. Bij Ondersteuning zelfstandig leven en maatschappelijke deelname 1 is de ondersteuningsvrager zelf in staat om hulp of ondersteuning te vragen en heeft inzicht in het functioneren op de verschillende leefgebieden. De ondersteuning is voornamelijk gericht op stimuleren, toezicht en helpen bij waardoor de ondersteuningsvrager in staat is om zijn of haar (sociale) leven zelfstandig vorm te geven maar bij sommige activiteiten steun nodig heeft. Doorgaans hoeven taken niet te worden overgenomen, bijvoorbeeld bij de dagelijkse routine. Het woord doorgaans betekent hier dat de ondersteuning in voorkomende gevallen wel kan richten op het overnemen van taken door een professional. Voor Ondersteuning maatschappelijke deelname geldt nog dat de ondersteuning structuur biedt en een adequate invulling geeft aan de dag. Het gaat bij Ondersteuning zelfstandig leven 1 om planbare zorg. De ondersteuningsvrager is zich ervan bewust dat begeleiding op vaste dagen en tijdstippen langs komt om de ondersteuning te verlenen. De ondersteuningsvraag kan worden uitgesteld. Mocht er een ad hoc situatie ontstaan dan weet de cliënt hier zelf mee om te gaan of brengt dit in bij de volgende afspraak met de begeleiding Bij Ondersteuning zelfstandig leven en maatschappelijke deelname 2 is de ondersteuning onder andere gericht op het aanleren van vaardigheden om op (langere) termijn meer zelfstandig te kunnen functioneren. Ondersteuning wordt geboden aan ondersteuningsvragers die zelf niet in staat zijn tot het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van beslissingen, het regelen van eenvoudige dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme). Ook als er sprake is van communicatieproblemen omdat niet begrepen wordt wat anderen zeggen of omdat de ondersteuningsvrager moeite heeft zich uit te drukken kan dit niveau van ondersteuning worden ingezet. De ondersteuning kan zich ook richten op het (tijdelijk) overnemen tot en met het aanleren van taken door een professional. Het kan dan vooral gaan om ondersteuning bij voor de cliënt complexere activiteiten. Dit kán ook voor eenvoudige taken gelden. In de ondersteuning wordt er rekening mee gehouden dat mogelijk meer interventies nodig zijn vanwege bijvoorbeeld gedragsproblemen. Bij Ondersteuning zelfstandig leven 2 gaat het om zowel planbare als niet planbare zorg. De cliënt heeft naast één of meerdere vaste dagen en tijdstippen begeleiding ook ondersteuning nodig wanneer zich een ad hoc situatie voordoet. De cliënt heeft dan direct ondersteuning nodig (telefonisch/oproepbaar). c. Ondersteuning mantelzorg door kortdurend verblijf Ondersteuning mantelzorg door kortdurend verblijf is vergelijkbaar met de oude Awbz functie kortdurende verblijf. Het doel van deze voorziening is het bieden van ondersteuning aan de mantelzorger(
  6. s)door tijdelijk verblijf (inclusief dagbesteding) buitenshuis van degene die van zorg afhankelijk is, mogelijk te maken. Het resultaat moet dan ook zijn dat de mantelzorger wordt ontlast waardoor ondersteuningsvrager langer thuis of zelfstandig kan blijven wonen. Bij de zorgaanbieder waar de cliënt kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Het kortdurend verblijf omvat in ieder geval bed, bad, maaltijden (3 per dag) en verblijf. Kortdurend verblijf is geen integrale voorziening. Ondersteuning maatschappelijke deelname en Ondersteuning zelfstandig leven moeten apart worden geïndiceerd. Als ook verpleging of persoonlijke verzorging noodzakelijk is, moet een indicatie op grond van de Zorgverzekeringswet worden verkregen. De ondersteuningsvrager in principe zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van eigen vervoer of van hulp uit het eigen netwerk. Is de ondersteuningsvrager hiertoe niet in staat, dan wordt het vervoer geïndiceerd en door de aanbieder georganiseerd. De omvang van KDV is 1, 2 of 3 etmalen per week; afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de ondersteuningsvrager of diens mantelzorger(s). Er is een maximum van 3 etmalen (72 uur) per week gesteld omdat het logeren betreft. Bij meer dan 3 etmalen in een instelling is er sprake van opname waarvoor een intramurale indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) moet worden gesteld. Het is denkbaar dat hierop in specifieke situaties een uitzondering kan worden gemaakt om bijvoorbeeld verblijf van een week mogelijk te maken, zodat de mantelzorger(
  7. s)op vakantie kan/kunnen gaan. Een belangrijke voorwaarde bij kortdurend verblijf is dat de ondersteuningsvrager geen beroep kan doen op een vorm van respijtzorg op grond van zijn of haar zorgverzekering. Als richtlijn voor Ondersteuning maatschappelijke deelname wordt uitgegaan van 2 dagdelen per etmaal. Indien individuele begeleiding noodzakelijk is kan Ondersteuning zelfstandig leven geïndiceerd worden (denk aan 1 op 1 begeleiding bij eten of bepaalde activiteiten). Beoordeeld moet dan worden hoeveel ondersteuning en welke vorm van ondersteuning nodig is tijdens het kortdurend verblijf. Hiervoor kan geen algemene richtlijn worden gegeven. d. Huishoudelijke ondersteuning Het doel van huishoudelijke ondersteuning is de ondersteuningsvrager zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving ondersteuning te bieden bij huishoudelijke taken waardoor zij (beter) in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, het voeren van een gestructureerd huishouden en deelname aan het maatschappelijk verkeer. Huishoudelijke ondersteuning kent één basismodule en 5 aanvullende modules: • Module extra hygiëne; • Module wasverzorging; • Module regie; • Module maaltijdverzorging; • Module zorg voor minderjarige kinderen. Het schoonhouden of schoonmaken van de buitenkant van de woning zoals het ramen lappen aan de buitenkant, maakt geen deel uit van de huishoudelijke ondersteuning. Van de ondersteuningsvrager wordt medewerking gevraagd om de ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Dit betekent dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt aan het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning, het voorkomen van grote verzamelingen en het opruimen van de woning zodat het schoonmaken zo efficiënt mogelijk uitgevoerd kan worden. Bij het definiëren van de normen (activiteiten en frequentie) per module is gebruik gemaakt van het CIZ protocol en verschillende onderzoeken. Zo is gebruik gemaakt van: • Onderzoek “Norm huishoudelijke ondersteuning in Twente” van HHM van 10 februari 2017; • Verdiepend onderzoek prestatie wassen en strijken van HHM uit 2017; • Onderzoek “Maatstaf hulp bij het huishouden Gemeente Amsterdam” van 28 februari 2017 Basismodule Het resultaat van de basismodule huishoudelijke ondersteuning is dat de ondersteuningsvrager beschikt over een schoon en leefbaar huis. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. De basismodule heeft betrekking op de woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning en die daadwerkelijk dagelijks in gebruik zijn. In het algemeen zijn dit de volgende woonruimtes: • Woonkamer; • Slaapkamer(s), in gebruik bij de ondersteuningsvrager en huisgenoten; • Badkamer; • Toilet; • Keuken; • Verkeersruimten (hal, overloop, bijkeuken); • Trap, mits één van de hierboven genoemde ruimten zich op een andere etage bevinden. Overige, niet in gebruik zijnde, ruimtes worden in principe niet schoongemaakt. Per woonruimte wordt aangegeven welke activiteiten met welke frequentie moeten worden verricht om het resultaat schoon en leefbaar huishouden te behalen. Het type woning, de grootte van de woning of het aantal bewoners hebben geen invloed op de frequentie van de activiteiten. De activiteiten en frequenties die vallen onder de basismodule zijn uitgewerkt in tabel 1 en 2 van bijlage 5. Aanvullende modules Wanneer als gevolg van objectiveerbare (medische) beperkingen de ondersteuningsvrager onvoldoende ondersteund worden door de basismodule bij het realiseren van een schoon en leefbaar huis of als er een ander noodzakelijk resultaat behaald moet worden, kunnen er aanvullende modules ingezet worden. Module extra hygiëne Het resultaat van de module extra hygiëne is dat de ondersteuningsvrager beschikt over een schoon en leefbaar huishouden waarbij het huis wordt schoon gehouden met een hogere frequentie omdat: • In verband met medische en/of fysieke beperkingen (bijvoorbeeld bij COPD) een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is en een hoger niveau van schoon moet worden bereikt dan het algemeen aanvaard basisniveau van schoon. Deze beperkingen dienen objectief medisch aantoonbaar te zijn. • In verband met medische en/of fysieke beperkingen het huis sneller vervuilt (bijvoorbeeld door gebruik van noodzakelijke hulpmiddelen). Deze beperkingen dienen objectief medisch aantoonbaar te zijn; • Door de aanwezigheid van kinderen onder de 12 jaar het huis sneller vervuilt. Deze extra vervuiling dient door de ouders in redelijkheid tot het noodzakelijke beperkt te worden, maar kan aanleiding zijn aanvullende module toe te kennen. De grootte van een huishouden is in het algemeen geen aanleiding om de aanvullende module extra hygiëne toe te kennen. Ook de aanwezigheid van dieren (uitgezonderd hulphonden e.d.) zijn, in het algemeen, geen aanleiding voor het toekennen van deze aanvullende module. De extra werkzaamheden die hieruit voortvloeien behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de ondersteuningsvrager. De module extra hygiëne is qua activiteiten gelijk aan de basismodule. De frequentie wordt per ondersteuningsvrager op basis van maatwerk vastgesteld. Module wasverzorging Het resultaat van de module wasverzorging is dat de ondersteuningsvrager beschikt over voldoende schone en draagbare kleding en linnen- en/of beddengoed voor het volledige huishouden. De module wasverzorging kan worden ingezet als het een ondersteuningsvrager niet lukt om zijn kleding, linnen- of beddengoed zelfstandig op orde en schoon te houden. Het is mogelijk dat de was op een centrale locatie uitgevoerd wordt. Wanneer dit niet het geval is mag verwacht worden dat de ondersteuningsvrager beschikt over een wasmachine. Als die er niet is, behoort het aanschaffen van een wasmachine tot de verantwoordelijkheid van de ondersteuningsvrager. Verwacht mag worden dat er alles aan gedaan wordt de ondersteuning zoveel mogelijk te beperken. Bijvoorbeeld door het aanschaffen van een wasdroger of het kopen van kleding die niet gestreken hoeft te worden. Alleen in uitzonderingssituaties wordt ondersteuning geboden bij het strijken. Van de ondersteuningsvrager wordt tevens verwacht dat al het mogelijke wordt gedaan om het ontstaan van extra was te beperken. Bijvoorbeeld door het gebruik van incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten. De activiteiten en de frequenties die vallen onder de module wasverzorging zijn genormeerd in tabel 3 van bijlage 5. Van de norm kan worden afgeweken als vaker moet worden gewassen vanwege: • Fysieke beperkingen zoals incontinentie, nachtzweten, speekselvloed; • Andere medische aandoeningen zoals bij bedlegerigheid; • Omvang en samenstelling van het huishouden (waaronder kinderen jonger dan 16 jaar). Module regie Het doel van de module regie is dat ondersteuning wordt geboden bij dagelijkse organisatie van het huishouden. Het resultaat is dat de ondersteuningsvrager langer zelfstandig kan wonen. Deze module kan worden ingezet als in redelijkheid niet meer van de ondersteuningsvrager verwacht kan worden dat deze zelfstandig beslissingen neemt ten aanzien van zijn huishouden of als disfunctioneren dreigt als gevolg van bijvoorbeeld dementie. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf. Ook kan sprake zijn van een grote mate van afhankelijkheid van huisgenoten. Hierdoor wordt de ondersteuningsvrager zowel binnens- als buitenshuis belemmerd in zijn zelfstandig functioneren. De module kan ook worden ingezet voor het aanleren van huishoudelijke taken. Ondersteuning wordt dan voor de maximale duur van 6 weken ingezet voor het bieden van advies, instructie en voorlichting. Bij deze module worden niet alleen huishoudelijke taken overgenomen, maar heeft de helpende bij deze module ook taken op het gebied van aansturing en regie. Daarbij geldt voor de helpende een extra verantwoordelijkheid ten aanzien van het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid. Bewaken of het nog verantwoord is dat de ondersteuningsvrager zelfstandig woont, is daarom onderdeel van deze module. Ook kan de ondersteuning bestaan uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden. Bij de module regie moet worden overwogen of een andere maatwerkvoorziening, zoals ondersteuning zelfstandig leven, meer passend is. Een afweging die hierbij gemaakt moet worden is of de ondersteuning alleen gericht is op het huishouden of dat er ook ondersteuning op andere gebieden noodzakelijk is. Wanneer de ondersteuning gericht is op het toezien en stimuleren en er aanwezigheid gewenst is tijdens de uitvoering van de huishoudelijke taken dan kan deze ondersteuning vanuit de module regie worden uitgevoerd. Wanneer ook ondersteuning op andere gebieden noodzakelijk is en tevens gericht is op het plannen, stimuleren en organiseren van de huishoudelijke taken dan zal ondersteuning zelfstandig leven in het algemeen meer passend zijn. De module regie wordt in principe niet verstrekt in combinatie met de voorziening ondersteuning zelfstandig leven. De activiteiten en de frequenties die vallen onder de module regie zijn genormeerd in tabel 4 van bijlage 5. Module maaltijdverzorging Deze module zal vanwege het in ruime mate voorhanden zijn van algemene voorzieningen (maaltijdenservice, boodschappendiensten en boodschappenbus) alleen in uitzonderingssituaties worden verstrekt. Het resultaat van de module maaltijdverzorging is dat de ondersteuningsvrager kan beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden voor het volledige huishouden. Onder de module maaltijdverzorging valt zowel het doen van de boodschappen als de maaltijdbereiding en het klaarzetten en opruimen van de maaltijd. Deze module wordt ingezet wanneer de ondersteuningsvrager zelf of met hulp van zijn sociale netwerk, niet in staat is te zorgen voor de dagelijkse maaltijden. De maaltijdbereiding en het klaarzetten en opruimen ervan kan vallen onder huishoudelijke ondersteuning, ondersteuning zelfstandig leven of de functie persoonlijke verzorging in de Zorgverzekeringswet. Dit hangt af van welke vorm van ondersteuning nodig is. Dit geldt voor zowel de broodmaaltijden als de warme maaltijden. Daar waar ondersteuningsvragers nog zelfstandig kunnen eten en dit uit eigen beweging ook doen, valt de maaltijdbereiding onder huishoudelijke ondersteuning. Als ondersteuningsvragers weliswaar zelfstandig kunnen eten, maar gestimuleerd moeten worden om ook daadwerkelijk te gaan eten en toegezien moet worden op inname van de maaltijd, valt de maaltijdbereiding en het klaarzetten en opruimen ervan onder ondersteuning zelfstandig leven. Persoonlijke verzorging (Zvw) kan worden geïndiceerd als een ondersteuningsvrager niet langer in staat is zelf te eten of als zelf eten, bij bijvoorbeeld slikproblemen, een gevaar van verstikking kan opleveren. De ondersteuningsvrager moet dan gevoed worden. Het uitgangspunt bij broodmaaltijden is dat deze 1x per dag gemaakt worden. Broodmaaltijden die in de ochtend gemaakt zijn, kunnen tot ’s avonds in de koelkast bewaard en gegeten worden. Voor broodmaaltijden kan niet worden verwezen naar een voorliggende voorziening. Er zijn wel aanbieders van broodmaaltijden (denk aan bakkers) maar dit betreffen de meer luxe en uitgebreide ontbijten en lunches. Dit kan dan ook niet worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening omdat dit het gangbare bestedingspatroon van ondersteuningsvragers ver te boven zal gaan. Eigen keuzes, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt wordt aangeboden, waardoor extra reizen nodig is of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, resulteert niet in extra ondersteuning voor boodschappen doen. De activiteiten en de frequenties die vallen onder de module maaltijdverzorging zijn genormeerd in tabel 5 van bijlage 5. Van de norm kan voor wat betreft de frequenties worden afgeweken in geval van: • Huishouden met meer dan 4 personen; • Thuiswonende kinderen jonger dan 12 jaar. Module zorg voor minderjarige kinderen Het doel van de module zorg voor minderjarige kinderen is dat door de geboden ondersteuning de dagelijkse zorg voor minderjarige kinderen is gegarandeerd. Het resultaat is dat het gezinsverband kan worden gehandhaafd. Het zorgen voor kinderen is een taak van ouders en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door een beperking niet of moeilijk in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van één van de ouders, de andere ouder deze zorg daar waar mogelijk overneemt. Een eventuele maatwerkvoorziening is er voor ouders die door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor minderjarige, gezonde kinderen. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een structurele oplossing. Aan de hand van de criteria in de Verordening Kinderopvang om voor een sociaal medisch indicatie in aanmerking te komen, wordt beoordeeld of deze module wordt ingezet bij een cliënt. Deze module wordt afgegeven met een maximale duur van drie maanden om ouders/verzorgers de mogelijkheid te bieden een structurele oplossing te vinden. Van hen mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de persoon aanspraak kan maken op ondersteuning via de zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo 2015. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat. De activiteiten die vallen onder de module zorg voor minderjarige kinderen zijn: • Naar bed brengen en uit bed halen • Wassen en kleden • Eten en drinken geven • Babyvoeding • Luier verschonen • Naar school/kinderopvang brengen. De frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd, worden op maat vastgesteld. e. Ondersteuning zelfstandig wonen De woonvoorzieningen (Wmo oud) vallen na het inwerkingtreden van de Wmo 2015 onder Ondersteuning zelfstandig wonen. Het doel van deze voorziening is het in stand houden van de zelfredzaamheid door ondersteuning te bieden bij het langer zelfstandig en veilig thuis kunnen blijven wonen. Daarnaast kan het doel zijn het bevorderen of in stand houden van de mogelijkheid om sociale contacten te kunnen blijven onderhouden met ouder(
  8. s)of kind(eren) door het bezoekbaar maken van een woning. Het resultaat van de inzet van deze voorziening zou moeten zijn dat de ondersteuningsvrager langer zelfstandig kan blijven wonen door het realiseren van aanpassingen in de woning of langer zelfstandig kan blijven wonen door te verhuizen naar een andere meer geschikte woning gelet op de beperkingen van betrokkene. Een verhuizing naar een andere woning is aan de orde als de huidige woning niet adequaat aangepast kan worden of als een woningaanpassing, gelet op de omstandigheden van de ondersteuningsvrager, niet doelmatig is en er binnen een afzienbare termijn een aangepaste of eenvoudig aanpasbare woning voorhanden is. Het resultaat van het bezoekbaar maken van de woning is dat ouders (of kinderen) het kind (of de ouder) met beperkingen thuis ontvangen waardoor degene met beperkingen deze sociale contacten kan blijven onderhouden. f. Ondersteuning mobiliteit Onder Ondersteuning mobiliteit vallen de oude Wmo vervoersvoorziening en rolstoelen. Het bevorderen of in stand houden van de zelfredzaamheid en de mogelijkheid om te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer door ondersteuning te bieden bij vervoer of verplaatsingen is het doel van de deze voorziening. Het resultaat van de inzet van de voorziening Ondersteuning mobiliteit is gericht op: • het vergroten van de mogelijkheden sociale contacten aan te gaan en te onderhouden • zo zelfstandig mogelijk voort te bewegen Naast vervoermiddelen (onder andere scootmobielen, aangepaste tweewielers en driewielfietsen) kan onder voorwaarden een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten worden toegekend voor verplaatsingen in de direct woon- of leefomgeving. Er moet dan in ieder geval om medische redenen geen gebruik kunnen worden gemaakt van het openbaar vervoer of het collectief vervoer. Bij hoge uitzondering kan een financiële tegemoetkoming voor verplaatsingen buiten de directe woon- en leefomgeving worden toegekend. Dit kan alleen als de cliënt in een sociaal isolement dreigt te geraken als gevolg van het wegvallen van de bovenregionale contacten en deze contacten uitsluitend zijn te handhaven door middel van persoonlijke bezoeken. Bovendien moet er voor het onderhouden van deze bovenregionale contacten geen gebruik kunnen worden gemaakt van een bovenregionaal vervoerssysteem (Valys). Speciaal voor teamsporters met een ernstige (lichamelijke) beperking bestaat er de vervoersregeling van Special Heroes. Daardoor kan door het hele land gezamenlijk getraind worden en aan competities bij een sportbond worden deelgenomen. De sportvervoersregeling wordt gefinancierd door VWS. Special Heroes kent de vervoerregeling toe op basis van criteria en voorwaarden. Transvision is het vervoersbedrijf dat het sportvervoer uitvoert. 2.1.2 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang (centrumgemeentetaken) Bij de hiervoor genoemde voorzieningen is het doel het bevorderen of in stand houden van de zelfredzaamheid en/of de mogelijkheid om te kunnen deelnemen aan de maatschappij. Met de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 worden gemeenten ook verantwoordelijk voor de voorziening beschermd wonen. Hierbij is beschermd wonen gedefinieerd als wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Vooralsnog is, via een bestuurlijke afspraak, voor de uitvoering van de voorziening beschermd wonen gekozen voor de centrumgemeenteconstructie zoals we die al kenden voor de opvang. Dit betekent dat in Twente de gemeenten Enschede en Almelo verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van beschermd wonen en opvang. Voor de vrouwenopvang (opvang na huiselijk geweld) is alleen Enschede aangewezen als centrumgemeente. Ten aanzien van beschermd wonen zijn op regionaal niveau afspraken gemaakt. De afspraken (over de uitvoering en de inzet van middelen) zijn opgenomen in een convenant en de beleidsmatige uitgangspunten zijn opgenomen in een beleidskader beschermd wonen. Daarnaast is er een gedragscode opgesteld voor aanbieders van de voorziening beschermd wonen. Voor de opvang zijn de landelijk geldende uitgangspunten opgenomen in de model-beleidsregels landelijke toegankelijkheid en regiobinding maatschappelijke opvang (zie bijlage 4). Het beleidskader beschermd wonen is opgenomen in bijlage 3 van deze beleidsregels. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat de gemeente Almelo deels andere keuzes heeft gemaakt dan vermeld in het beleidskader. Zo is in Almelo de voorziening beschermd wonen aangemerkt als een op het individu toegesneden voorziening (in plaats van de in het beleidskader vermelde algemene voorziening). Een consequentie hiervan is dat voor beschermd wonen zo nodig een persoonsgebonden budget kan worden verstrekt. Indien er sprake is van conflicterende uitgangspunten zijn de beleidsregels van de gemeente Almelo leidend en worden de uitgangspunten genoemd in het beleidskader terzijde geschoven. Voor beschermd wonen is een afwijkend overgangsrecht van toepassing. De bestaande indicaties gelden nog minimaal gedurende vijf jaar na inwerkingtreding van de Wmo 2015. Hoewel in de wet wordt aangegeven dat beschermd wonen een intramurale voorziening is, zien we in de praktijk dat de verschillende functies die deel uit maken van beschermd wonen (begeleiding individueel, begeleiding groep, persoonlijke verzorging en soms verpleging) vaak extramuraal worden verzilverd. Voor inwoners die voor 1 januari 2015 een indicatie voor beschermd wonen hadden, blijft de huidige indicatie op grond van het overgangsrecht bestaan. Voor inwoners met psychische stoornissen of psychiatrische aandoeningen die voor het eerst een beroep doen op deze maatwerkvoorziening zal worden beoordeeld of een combinatie van andere maatwerkvoorzieningen (ondersteuning zelfstandig leven en ondersteuning maatschappelijke deelname) voldoende compensatie bieden. Als dat het geval is, wordt niet de voorziening beschermd wonen maar een combinatie van verschillende maatwerkvoorzieningen toegekend. Beleidsregel 2.1-2 Voorzieningen beschermd wonen en opvang De volgende voorzieningen op het gebied van beschermd wonen en opvang kunnen worden verstrekt: a. Maatschappelijke opvang b. Beschermd wonen a. Maatschappelijke opvang Het betreft hier de oude Wmo functie opvang. Het doel van deze voorziening is het tijdelijk bieden van onderdak en ondersteuning aan personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de maatschappij. Het resultaat van de inzet van deze voorziening is dat de ondersteuningsvrager op kortere termijn in staat is, om al dan niet met ondersteuning, veilig zelfstandig te wonen. Uitgangspunt is voor maatschappelijke opvang is regiobinding. Degene die op opvang is aangewezen, wordt opgevangen in de regio waar de voorwaarden voor een succesvol traject voor de cliënt optimaal zijn of waar de cliënt aantoonbare binding heeft . Indien hierover geen duidelijkheid ontstaat, is de centrumgemeente van aanmelding de aangewezen centrumgemeente die de cliënt toelaat tot de maatschappelijke opvang. De centrumgemeente waarbij de voorwaarden optimaal zijn of aantoonbare binding is, is de aangewezen centrumgemeente die de cliënt toelaat tot de maatschappelijke opvang. Voor de beoordelingscriteria wordt verwezen naar bijlage 4 model-beleidsregels landelijke toegankelijkheid en regiobinding maatschappelijke opvang. In deze model-beleidsregels is ook een regeling opgenomen met betrekking tot de overdracht van dak- en thuislozen van de ene naar de andere centrumgemeente. b. Beschermd wonen Beschermd wonen is een gedecentraliseerde Awbz voorziening. Het doel van deze voorziening is het bieden van onderdak, toezicht en ondersteuning aan personen die vooralsnog niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de maatschappij. Het resultaat zou moeten zijn dat de ondersteuningsvrager op kortere dan wel langere termijn in staat is zelfstandig te wonen, zonder zichzelf te verwaarlozen, overlast te veroorzaken en gevaar op te leveren voor zichzelf of de omgeving. Veelal zal dit alleen bereikt kunnen worden door ondersteuning te blijven bieden ook als betrokkene zelfstandig is gaan wonen. De voorziening beschermd wonen kan bestaan uit de volgende voorzieningen: • Ondersteuning maatschappelijke deelname (dagbesteding inclusief vervoer van en naar de dagbesteding); • Ondersteuning zelfstandig leven (persoonlijke verzorging, individuele begeleiding en toezicht); • Verpleging; • Verblijf. De voorzieningen worden indien noodzakelijk toegekend. Zo wordt ondersteuning maatschappelijke deelname alleen verstrekt indien voorliggende voorzieningen (onder andere vrijwilligerswerk of dagbesteding binnen een algemene voorziening niet adequaat, passend of toereikend is). De voorziening verpleging kan worden toegekend als er in verband met de psychiatrische aandoening medicijnen moeten worden toegediend of andere (psychiatrisch) verpleegkundige handelingen moeten worden verricht. De voorziening ondersteuning zelfstandig leven maakt altijd deel uit van de voorziening beschermd wonen. Hierin zijn twee varianten mogelijk: 1 Standaard begeleiding, persoonlijke verzorging en toezicht 2 Intensieve begeleiding, persoonlijke verzorging en permanent toezicht Bij permanent toezicht wordt verondersteld dat de zorgaanbieder op elk moment van de dag weet waar de ondersteuningsvrager verblijft. Bovendien wordt van de zorgaanbieder dan verwacht dat deze direct ingrijpt als de ondersteuningsvrager een gevaar vormt voor zichzelf of de omgeving of overlast veroorzaakt. Onder voorwaarden kan aan aanbieders beschermd wonen de stimuleringstoeslag scheiden wonen en zorg worden toegekend. Deze stimuleringstoeslag bedraagt voor 2016 maximaal € 6.000 per ondersteuningsvrager. De toeslag wordt in 2017 en 2018 in twee stappen van € 1.000 verlaagd naar € 4.000. Daarnaast kan in uitzonderingssituaties aan aanbieders die aan ondersteuningsvragers met een dubbeldiagnose hoog complexe zorg verlenen een toeslag worden toegekend. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om ondersteuningsvragers met een psychiatrische aandoening in combinatie met een verstandelijke beperking of een psychiatrische aandoening en een lichamelijke beperking waarvoor opname in een verpleeghuis noodzakelijk is. Deze toeslag bedraagt maximaal € 5.000 per ondersteuningsvrager. Voor elk van de hierboven genoemde voorzieningen is een maximum tarief vastgesteld. Deze zijn opgenomen in bijlage 1: Tarieven op het individu toegesneden voorzieningen. Voor de berekening van het persoonsgebonden budget verwijzen we naar beleidsregel 3.2-1. Afwezigheidsdagen beschermd wonen Ondersteuningsvragers kunnen om verschillende redenen gedurende een kortere of langere tijd geen gebruik kunnen of willen maken van de voorziening beschermd wonen met verblijf. Omdat het hier doorgaans om zeer kwetsbare ondersteuningsvragers gaat, moet worden beoordeeld of ondersteuning wel voldoende is gewaarborgd en of sommige vormen van ondersteuning wel beschikbaar moeten blijven tijdens de periode van afwezigheid. Dit zal met name het geval zijn als de ondersteuningsvrager op vakantie wil gaan. In andere gevallen, bijvoorbeeld bij een gedwongen opname of detentie, zal niet zozeer de noodzaak tot ondersteuning centraal staan maar zal meer het beschikbaar houden van een plaats binnen de instelling voor beschermd wonen voor de ondersteuningsvrager moeten worden beoordeeld. Vanwege de beperkte capaciteit binnen deze instellingen en de vraag naar beschermd wonen met verblijf, kan een plaats niet onbeperkt onbezet blijven. De hoofdregel is dan ook dat een plaats maximaal drie maanden wordt vrijgehouden voor de ondersteuningsvrager. In overleg met de aanbieder kan door het Cimot worden bepaald dat, in het belang van de ondersteuningsvrager, bij wijze van uitzondering de termijn van drie maanden moet worden verlengd of sommige vormen van ondersteuning beschikbaar moeten blijven tijdens de periode van afwezigheid. Beleidsregel 2.1-3 Melding afwezigheidsdagen beschermd wonen Gelet op het belang van ondersteuning voor de specifieke doelgroep die voor beschermd wonen met verblijf in aanmerking komt en het beperkte aantal intramurale plaatsen bij aanbieders van beschermd wonen, moet een afwezigheid van de ondersteuningsvrager van twee aaneengesloten weken of meer worden gemeld bij het Cimot. Beschermend wonen licht verstandelijk beperkten Als gevolg van de extramuralisering van de zorgzwaartepakketten, de invoering van de Wlz en de Wmo 2015 komen alleen mensen die blijvend zijn aangewezen op permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid in aanmerking voor de Wlz. Andere ondersteuningsvragen vallen onder de Wmo 2015. Dit geldt ook voor inwoners die tijdelijk zijn aangewezen op een beschermende woonomgeving om een problematische situatie te stabiliseren of om zich te ontwikkelen richting zelfstandig wonen. Voor beschermend wonen licht verstandelijk beperkten moet worden voldaan aan alle vier kenmerken: • de ondersteuningsvrager is meerderjarig (18 jaar of ouder). • er is een (vermoeden van een) licht verstandelijke beperking, dat wil zeggen een IQ tussen de 50 en 85 met een beperkt sociaal aanpassingsvermogen en bijkomende problematiek. • er is behoefte aan een beschermende woonomgeving om verslechtering van de situatie te voorkomen en/of verbetering te bereiken. Ambulante begeleiding en dagbesteding zijn hiervoor onvoldoende. De ondersteuningsvrager heeft een woonomgeving nodig waar toezicht en begeleiding aanwezig of in de nabijheid is. • Deze beschermende woonomgeving is tijdelijk nodig, of er kan nog niet worden vastgesteld dat de behoefte aan toezicht blijvend is. Een afwijzing voor een Wlz-indicatie kan dit onderstrepen, maar hoeft niet persé aanwezig te zijn. Het beoordelen van de omvang en de noodzaak van de ondersteuningsbehoefte vertoont enige gelijkenis met de voorziening beschermd wonen. Mogelijk is er ook sprake van een overlap in beide doelgroepen omdat de bijkomende problematiek ook kan bestaan uit psychische stoornissen. Voor de toeleiding en de toegang tot deze voorziening wordt dan ook aangesloten bij het systeem dat gehanteerd wordt voor de voorziening beschermd wonen. Dit geldt ook voor de financieringssystematiek en de daaraan ten grondslag liggende bedragen waarbij ten aanzien van de bedragen soms mogelijk maatwerk moet worden geboden. Dit betekent dat de bedragen vermeld in bijlage 1 onder beschermd wonen ook van toepassing zijn op de voorziening beschermend wonen. Beschermend wonen licht verstandelijk beperkten is een tijdelijke voorziening. Indien blijkt dat de ondersteuningsvrager permanent aangewezen is op toezicht, zal een indicatie op grond van de Wlz moeten plaatsvinden. Bij een combinatie van de grondslagen psychische stoornis/psychiatrische aandoening en licht verstandelijk gehandicapt is de laatste grondslag leidend omdat deze beperking per definitie blijvend is. Ondersteuningsvragers met een lichte verstandelijke beperking en een psychische stoornis/psychiatrische aandoening komen dan ook in eerste instantie in aanmerking voor beschermend wonen licht verstandelijk beperkten. Alleen wanneer vast staat dat de ondersteuningsvrager blijvend is aangewezen op toezicht, vanwege de psychische stoornis of psychiatrische aandoening, kan de voorziening beschermd wonen worden toegekend. Beschermend wonen licht verstandelijk beperkten is geen centrumgemeentetaak. Ondersteuningsvragers die voldoen aan de hierboven beschreven criteria moeten dan ook worden verwezen naar de gemeente van herkomst. 2.1.2 Voorzieningen Jeugdwet Vrijwillig en gedwongen kader De op het individu toegesneden voorzieningen in het kader van de Jeugdwet kunnen worden onderscheiden in voorzieningen binnen het vrijwillig en het gedwongen kader. Vrijwillig wil zeggen dat de jeugdige en de ouders het nut en de noodzaak inzien van de ondersteuning en ook meewerken aan het bereiken van het tijdens het onderzoek geformuleerde resultaat. Gedwongen betekent dat ook zonder toestemming van de jeugdige en/of de ouders een voorziening kan worden getroffen. Te denken hierbij valt aan een jeugdbeschermingsmaatregel (als bijvoorbeeld de veiligheid van de jeugdige in het geding
  9. is)of jeugdreclassering (als de jeugdige in aanraking is gekomen met justitie). Voorzieningen in het gedwongen kader worden opgelegd na onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Het daaropvolgende advies wordt voorgelegd aan de kinderrechter die op basis van dit advies een uitspraak doet. Indien de uitspraak luidt dat er een maatregel in het kader van de jeugdbescherming of jeugdreclassering moet worden opgelegd dan zal de kinderrechter een gecertificeerde instelling aanwijzen die de maatregel uitvoert. Het college kan niet besluiten tot het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering: de maatregelen en de procedure worden dan ook niet beschreven in de verordening of verder uitgewerkt in de beleidsregels. Voor de maatregelen en de procedure wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van de Jeugdwet. 2.1.2.1 Voorzieningen vrijwillig kader De gemeente is verantwoordelijk voor de toegang tot de voorzieningen binnen het vrijwillig kader. Voor deze voorzieningen in het kader van de Jeugdwet gelden dezelfde algemene uitgangspunten als voor de voorzieningen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Hieronder wordt dan ook een niet limitatieve opsomming gegeven van voorzieningen die op basis van de Jeugdwet verstrekt kunnen worden en het resultaat dat met het verstrekken van de voorziening wordt beoogd. Beleidsregel 2.1-3 Voorzieningen Jeugdwet De volgende op het individu toegesneden voorzieningen kunnen bij wijze van voorbeeld worden verstrekt: a. Ondersteuning zelfstandig leven b. Ondersteuning maatschappelijke deelname c. Behandeling d. Persoonlijke verzorging e. Ondersteuning mantelzorg door kortdurend verblijf f. Jeugd GGZ basis (generalistische GGZ) g. Jeugd GGZ specialistisch (specialistische GGZ) h. Gespecialiseerde jeugdhulp i. Pleegzorg (vrijwillig) De voorzieningen worden hieronder nader toegelicht. a. Ondersteuning zelfstandig leven Het doel van de voorziening Ondersteuning zelfstandig leven (vergelijkbaar met de oude Awbz functie begeleiding individueel) is het bevorderen of in stand houden van het zelfstandig functioneren door ondersteuning te bieden bij praktische vaardigheden (zoals boodschappen doen en koken, plannen huiswerk maken, omgaan met geld) en sociale vaardigheden, maar ook het ondersteunen van de omgeving om met de beperkingen van de jeugdige om te gaan. Voor de te behalen resultaten wordt verwezen naar de beschrijving Ondersteuning zelfstandig leven onder beleidsregel 2.1-1 voorzieningen Wmo. Ook kan het resultaat van deze vorm van ondersteuning gericht zijn op de ouder(s)/verzorger(s). De voorziening wordt dan verstrekt om de ouder in staat te stellen (handvatten te geven) om met de beperkingen van de jeugdige om te gaan waardoor deze langer thuis kan blijven wonen. b. Ondersteuning maatschappelijke deelname Bevorderen of in stand houden van de mogelijkheid om te kunnen deelnemen aan de maatschappij is het doel van deze voorziening. Met ondersteuning maatschappelijke deelname wordt ondersteuning geboden bij een zinvolle invulling van de dag en het aangaan van sociale contacten. De voorziening kan ook worden verstrekt om mantelzorgers te ontlasten. Voor de te behalen resultaten wordt verwezen naar de beschrijving van Ondersteuning maatschappelijke deelname onder beleidsregel 2.1-1 voorzieningen Wmo. Een ander resultaat kan zijn dat de ouder(s)/verzorger(
  10. s)word(t)(
  11. en)ontlast waardoor de jeugdige langer thuis kan blijven wonen. Indien noodzakelijk wordt ook vervoer van en naar de plaats waar deze vorm van ondersteuning wordt geboden, toegekend. Dit kan het geval zijn als de jeugdige niet op eigen kracht of niet met de hulp van de ouder(s)/verzorger(
  12. s)deze plaats kan bereiken. Twee niveaus ondersteuning zelfstandig leven en maatschappelijke deelname Net als bij de volwassen variant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning kennen de voorzieningen Ondersteuning zelfstandig leven en ondersteuning maatschappelijke deelname voor jeugdigen elk twee niveaus, weergegeven met de cijfers 1 en 2. Met Ondersteuning zelfstandig leven en maatschappelijke deelname 1 wordt ondersteuning op basisniveau bedoeld. De meer intensieve vormen van ondersteuning vallen onder Ondersteuning zelfstandig leven en maatschappelijke deelname 2. Voor het onderscheid tussen de niveaus wordt verwezen naar paragraaf 2.1.1. c. Behandeling Alleen jeugdigen met een (licht) verstandelijke beperking komen in aanmerking voor de voorziening behandeling in het kader van de Jeugdwet. Doel is het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag. Het resultaat zou moeten zijn dat de jeugdige met een (licht) verstandelijke beperking nieuwe vaardigheden leert of gedrag aanleert waardoor de zelfredzaamheid wordt vergroot en de maatschappelijke deelname wordt bevorderd. Indien noodzakelijk wordt ook vervoer van en naar de plaats waar deze vorm van ondersteuning wordt geboden, toegekend. Dit kan het geval zijn als de jeugdige niet op eigen kracht of niet met de hulp van de ouder(s)/verzorger(
  13. s)deze plaats kan bereiken. Naschoolse dagbehandeling licht verstandelijke beperkten met ernstig probleemgedrag Er moet sprake zijn van dusdanige gedragsproblematiek van het kind dat een intensieve interventie buiten de gezinssituatie noodzakelijk is. Tevens is er een verstoorde draaglast/draagkracht verhouding binnen het gezin. Deze verhouding is dermate verstoord dat specifieke behandeling nodig is om tot een positieve ontwikkeling te kunnen komen. Doel van de dagbehandeling is gericht op de ontwikkeling van het kind, op het vergroten van de zelfredzaamheid, beheersing van de gedragsproblematiek en voorkomen van een uithuisplaatsing. Daarnaast is het doel voor de ouder(
  14. s)het inzicht in de problematiek van hun kind te vergroten, handreikingen geven voor de opvoeding van het kind, en de draagkracht binnen het gezin te vergroten. Het programma vindt plaats in groepsverband met daarbinnen individuele leertrajecten, met een structuur biedend klimaat. Het programma wordt aangeboden in aansluiting op schooltijden. Een deel van deze doelgroep zit op de scheidslijn van Jeugdwet en Wet langdurige zorg (Wlz). Als blijkt dat de jeugdige blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid nodig heeft, wordt in overleg met ouders/verzorgenden bekeken of de jeugdige in aanmerking komt voor de Wlz. d. Persoonlijke verzorging Het doel van de voorziening persoonlijke verzorging is het bevorderen of in stand houden van de zelfredzaamheid door het bieden van persoonlijke zorg op het gebied van de dagelijkse levensverrichtingen (opstaan, douchen, toiletgang, aankleden). Wanneer meer sprake is van ‘aansturen’ dan van ‘overnemen’ is de voorziening ondersteuning zelfstandig aan de orde. Het resultaat van deze voorziening kan zowel op de jeugdige als op de ouder(s)/verzorger(
  15. s)gericht zijn. Enerzijds gaat het dan om de zelfredzaamheid van de jeugdige in stand te houden, anderzijds om het ontlasten van de ouder(s)/verzorger(
  16. s)waardoor de jeugdige mogelijk langer thuis kan blijven wonen. e. Ondersteuning mantelzorg door kortdurend verblijf Het bieden van ondersteuning aan ouder(s)/verzorger(
  17. s)is het doel van de voorziening ondersteuning mantelzorg door kortdurend verblijf. Door tijdelijk verblijf (inclusief dagbesteding) buitenshuis, van de jeugdige die van zorg afhankelijk is, mogelijk te maken, worden de ouder(s)/verzorger(
  18. s)in staat gesteld op adem te komen. Het resultaat van deze voorziening is dan ook dat ouder(s)/verzorger(
  19. s)worden ontlast waardoor de jeugdige langer thuis kan blijven wonen. Ondersteuning mantelzorg door kortdurend verblijf is uitgebreid beschreven onder beleidsregel 2.1-1 voorzieningen Wmo. Voor deze voorziening geldt in afwijking van de beschrijving onder 2.1-1 dat als persoonlijke verzorging noodzakelijk is dit valt onder de voorzieningen Jeugdwet. Indien verpleging noodzakelijk is tijdens het kortdurend verblijf zal een beroep moeten worden gedaan op de Zorgverzekeringswet. Indien noodzakelijk wordt ook vervoer van en naar de plaats waar deze vorm van ondersteuning wordt geboden, toegekend. Dit kan het geval zijn als de jeugdige niet op eigen kracht of niet met de hulp van de ouder(s)/verzorger(
  20. s)deze plaats kan bereiken. f. Jeugd GGZ basis (generalistische GGZ) Het doel is het behandelen van jeugdigen met lichte tot matige, niet-complexe psychische problemen of jeugdigen met stabiele chronische problematiek. De zorgvraagzwaarte bepaalt welke zorg iemand krijgt (door middel van intake bij de GGZ-aanbieder). Daarbij is ruimte voor verschillende behandelcomponenten zoals diagnostiek, eHealth en consultatie van een specialist. Het resultaat van behandeling is dat de jeugdige in staat is om te gaan met de psychische problematiek en deze te hanteren binnen de eigen leefomgeving (stabilisatie). g. Jeugd GGZ specialistisch (specialistische GGZ) Het doel en het resultaat van de specialistische GGZ is gelijk aan die van de generalistische GGZ. De specialistische GGZ behandelt echter jeugdigen met ernstige, complexe of vaker terugkerende klachten (eventueel in klinische setting). h. Gespecialiseerde jeugdhulp Het doel van de gespecialiseerde jeugdhulp is het hanteerbaar maken van opgroei- en opvoedingsproblemen voor jeugdigen en hun ouder(s)/verzorger(
  21. s)Het kan hier gaan om ambulante zorg, semi-residentiële en/of residentiële zorg. Het resultaat kan zijn dat ouder(s)/verzorger(
  22. s)in staat zijn om de regie te voeren (zelf de opvoeding vormgeven, problemen signaleren, hulp vragen wanneer nodig) over hun eigen leven en opvoedsituatie. Het resultaat kan ook zijn dat de jeugdige kan omgaan met de problematiek en deze kan hanteren binnen de eigen leefomgeving. i. Pleegzorg (vrijwillig) Als er problemen met kinderen zijn in een gezin, wordt altijd eerst gekeken of deze thuis opgelost kunnen worden. Kan dat niet, dan is pleegzorg de eerste keus. Het is de opvangvorm die het dichtst bij de natuurlijke gezinssituatie blijft. Het doel van pleegzorg is dat de ouders zelf de opvoeding weer op zich nemen. Als blijkt dat dit onmogelijk is, nemen pleegouders de opvoeding van het kind voor langere tijd op zich. Hierbij worden pleegouders ondersteund. De relatie met de eigen ouders blijft voor kinderen echter altijd van belang. Het resultaat van pleegzorg kan zijn dat: het contact tussen ouder(
  23. s)en kind intact blijft of wordt hersteld Ouders in staat worden gesteld weer de regie te voeren (zelf de opvoeding vormgeven, problemen signaleren, hulp vragen wanneer nodig) over hun eigen leven en opvoedsituatie de jeugdige kan omgaan met de problematiek en deze hanteren binnen de eigen leefomgeving. 2.1.2.2 Voorzieningen gedwongen kader Kenmerkend voor deze voorzieningen is dat de toegang niet bepaald wordt door de gemeente. De procedure die gevolgd moet worden om tot het treffen van deze voorziening te komen, is uitgebreid in de Jeugdwet beschreven. Hier wordt dan ook volstaan met het beschrijven van de voorziening. Het is overigens niet zo dat de gemeente bij deze voorzieningen helemaal buitenspel staat. Immers als door bijvoorbeeld het sociale wijkteam wordt geconstateerd dat een voorziening in het gedwongen kader noodzakelijk is, kan het college een verzoek doen aan de Raad voor de Kinderbescherming om de situatie te onderzoeken. In sommige situaties waarbij een verzoek moet worden gedaan ter verkrijging van een machtiging (waaronder ook een voorwaardelijke of een spoedmachtiging) voor gesloten jeugdhulp, moet het college rechtstreeks het verzoek indienen bij de kinderrechter (zie hoofdstuk 6 van de Jeugdwet). De afspraken met de Raad voor de Kinderbescherming zijn vormgegeven in een protocol. Wanneer de Raad na onderzoek besluit om geen maatregel te vragen, deelt de Raad voor de Kinderbescherming dit schriftelijk mee aan de verzoeker en het Stedelijk Jeugdoverleg. Desgewenst zal de Raad de uitkomst van zijn onderzoek aan deze verzoeker toelichten. Via de procesmanager kan de casus voorgelegd worden aan de burgemeester. De burgemeester heeft de mogelijkheid om de zaak via de Raad voor te leggen aan de kinderrechter voor een oordeel over de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel. Dit dient binnen twee weken te gebeuren. Na een advies van de Raad voor de Kinderbescherming kan de (kinder)rechter onderstaande voorzieningen treffen: a. Jeugdreclassering b. Jeugdbescherming c. JeugdzorgPlus a. Jeugdreclassering De jeugdreclassering heeft als doel dat de jongere niet opnieuw met politie of justitie in aanraking komt. Resultaten van de inzet van jeugdreclassering kunnen zijn dat: • de jeugdige komt niet opnieuw met politie of justitie in aanraking • de jeugdige leert om te gaan met de problematiek en deze te hanteren binnen de eigen leefomgeving. b. Jeugdbescherming Doel van een jeugdbeschermingsmaatregel is kinderen en jongeren te beschermen tegen invloeden die voor hun zo negatief uitwerken dat hun ontwikkeling in gevaar komt. Resultaat zou moeten zijn dat: • Ouders (weer) in staat zijn de regie te voeren (zelf de opvoeding vormgeven, problemen signaleren, hulp vragen wanneer nodig) over hun eigen leven en opvoedsituatie. • Jeugdige kan omgaan met de problematiek en deze hanteren binnen de eigen leefomgeving. c. JeugdzorgPlus Doel van JeugdzorgPlus is jongeren met zeer ernstige gedragsproblemen succesvol te laten terugkeren in de samenleving. Het gaat om jongeren die door de rechter 'onder toezicht' zijn gesteld. Het resultaat van de inzet van JeugdzorgPlus zou moeten zijn dat de Jeugdige kan omgaan met de problematiek en deze hanteren binnen de eigen leefomgeving. 2.1.3 Algemene voorzieningen In paragrafen 2.1.1 en 2.1.2 is uitgebreid ingegaan op de op het individu toegesneden voorzieningen (Jeugdwet en Wmo 2015), maar ook beschermd wonen en opvang. Naast deze voorzieningen kent de gemeente Almelo algemene voorzieningen die op een adequate wijze in de ondersteuningsbehoefte kunnen voorzien. Het kenmerk van deze algemene voorzieningen is dat deze (vrijwel) drempelloos toegankelijk zijn. Voor de toegang tot deze voorzieningen is geen besluit van het college vereist. De uitvoeringskosten, voor zo ver het de toeleiding naar en de toegang tot deze algemene voorzieningen betreft, zijn dan ook zeer laag. De algemene voorzieningen zullen op termijn dan ook worden uitgebouwd. Hieronder wordt een niet uitputtend overzicht van algemene voorzieningen gegeven. Overzicht algemene voorzieningen Voorzieningen jeugd • Kinder-, tiener- en jongerenwerk (Scoop) • Opvoedondersteuning (Loes-loket, functie gaat op in sociale wijkteams) • Schoolmaatschappelijk werk (functie gaat op in sociale wijkteams) Voorzieningen alle leeftijden • Onafhankelijke cliëntondersteuning (Almelo Sociaal) • Dagactiviteiten (licht) verstandelijk gehandicapten (De Klup) • Activiteiten georganiseerd in wijkcentra • Mantelzorgondersteuning Voorzieningen volwassenen • Licht ambulante hulp (Scoop en maatschappelijk werk) • Dagactiviteiten ouderen (Scoop) • Thuisadministratie (Scoop) • Vervoers- en oppasdienst (Steunpunt Mantelzorg Almelo) • Vrijwillige ouderenadviseur (Cosbo) 2. 2 Criteria verstrekking op het individu toegesneden voorziening 2.2.1 Doelgroepen Artikel 2.2 Criteria 1. Een ondersteuningsvrager komt in aanmerking voor een op het individu toegesneden voorziening als: a. deze behoort tot de doelgroep van de Wmo 2015 respectievelijk de Jeugdwet, en b. eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of andere voorzieningen geen adequate oplossing bieden voor de ondervonden problemen of beperkingen. 2. Als een op het individu toegesneden voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 3. De doelgroepen van de Wmo 2015 en de Jeugdwet zijn nader gedefinieerd in de Beleidsregels. Het uitgebreid tot in de detail beschrijven van de criteria om voor een op het individu toegesneden voorziening in aanmerking te komen, verhoudt zich niet goed tot het uitgangspunt om meer ruimte te creëren voor de professional om, in samenspraak met degene die ondersteuning behoeft, te zoeken naar een adequate oplossing of adequate ondersteuning. Volstaan wordt met het beschrijven van de doelgroepen die op grond van de Jeugdwet en de Wmo 2015 mogelijk in aanmerking kunnen komen voor een op het individu toegesneden voorziening en een aantal basis- en aanvullende criteria. Daarnaast worden de uitsluitingsgronden nader toegelicht. Om te bepalen of iemand tot de doelgroep behoort van de Wmo 2015 of de Jeugdwet moet worden gekeken naar de woonplaats en in het geval van de voorzieningen op grond van de Jeugdwet naar de leeftijd. Daarnaast is niet onbelangrijk dat er sprake moet zijn van specifieke problemen of beperkingen die worden ondervonden en waarvoor in het kader van de beide wetten ondersteuning kan worden geboden. 2.2.1.1 Woonplaats In het algemeen geldt dat alleen ingezetenen van de gemeente Almelo in aanmerking komen voor een op het individu toegesneden voorziening; voor jeugdigen is de woonplaats van de ouders of degene(
  24. n)die het gezag over de jeugdige uitoefende(
  25. n)bepalend. Er zijn echter uitzonderingen: • voor beschermd wonen en opvang (Wmo 2015) geldt dat iedere ingezetene van Nederland in aanmerking kan komen voor deze voorzieningen. Als het gezag over de jeugdige berust bij een instelling (instellingsvoogdij) of bij een pleegoudervoogd is de woonplaats van degene die voorafgaand aan de voogdij door de instelling of pleegouder het gezag uitoefende bepalend. 2.2.1.2 Leeftijd Voor een op het individu toegesneden voorziening in het kader van de Jeugdwet geldt dat de doelgroep in het algemeen beperkt is tot degenen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. Hierop zijn enkele uitzonderingen: • noodzakelijk voortzetten of hervatten (binnen 6 maanden na beëindiging van de jeugdhulp die voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar was aangevangen) van de jeugdzorg; • voortzetting jeugdhulp na de leeftijd van 18 jaar in verband met arbeidsmarkttoeleiding; • bij gebruik van de verwijsindex risicojongeren (VIR); • bij toepassing van het jeugdstrafrecht. In bovenstaande situaties kan, totdat de leeftijd van 23 jaar is bereikt, een voorziening in het kader van de Jeugdwet worden verstrekt. Dit geldt niet voor voorzieningen waarvoor op basis van andere wettelijke regelingen vanaf de leeftijd van 18 jaar aanspraak kan worden gemaakt. Dit geldt onder andere voor de op het individu toegesneden voorzieningen op grond van de Wmo 2015 (zie beleidsregel 2.1-1) maar ook de voorzieningen op grond van de Zorgverzekeringswet. 2.2.1.3 Specifieke problemen of beperkingen In de Wmo 2015 wordt de doelgroep afgebakend tot ingezetenen die in verband met een beperking, chronisch psychische of psychosociale problemen niet voldoende zelfredzaam zijn of niet in staat zijn tot participatie. Voor de voorziening beschermd wonen is de doelgroep verder beperkt tot ingezetenen die in verband met psychische of psychosociale problemen of licht verstandelijke beperkingen in combinatie met ernstige gedragsstoornissen niet in staat zijn zich zelfstandig te handhaven in de samenleving. Voor de voorziening opvang geldt dat de ingezetene niet in staat is zich te handhaven in de maatschappij en de thuissituatie moet hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. De doelgroep in het kader van de Jeugdwet is minder afgebakend. Jeugdigen en ouders vallen onder de werking van de Jeugdwet als er bij de jeugdige sprake is van: • (chronisch) psychische problemen, stoornissen en aandoeningen; • psychosociale problemen; • gedragsproblemen; • verstandelijke beperkingen; • lichamelijke beperkingen; • somatische aandoeningen; • zintuigelijke beperkingen. Of als er bij de ouder(
  26. s)sprake is van: • opvoedingsproblemen. Waar in de Wmo 2015 duidelijk een link wordt gelegd met beperkingen en stoornissen is dat in de Jeugdwet niet het geval: gedrags- en opvoedingsproblemen zijn wat dat betreft rekbare begrippen en breed uit te leggen. Dit betekent dat de gemeente ten aanzien van jeugdigen een zeer uitgebreide verantwoordelijkheid heeft. Als problemen worden ondervonden als gevolg van verminderde mobiliteit zal onderzocht moeten worden of ondanks de beperkingen geen gebruik kan worden gemaakt van het openbaar vervoer of van (algemene) voorzieningen dichter bij huis die ondanks de beperkingen zonder op het individu toegesneden voorzieningen wel bereikbaar zijn. In het algemeen geldt binnen Almelo dat de afstand tussen woonadres en bushalte maximaal 400 meter bedraagt. Indien vastgesteld wordt dat een ondersteuningsvrager in 20 minuten meer dan 400 meter kan lopen, is geen sprake van een beperking waarvoor een op het individu toegesneden voorziening in het kader van ondersteuning mobiliteit noodzakelijk is. Voor de Wmo voorzieningen in het kader van ondersteuning zelfstandig wonen en ondersteuning mobiliteit geldt bovendien dat de beperkingen blijvend moeten zijn. Verstrekking van een voorziening vindt alleen plaats als dit langdurig nodig is. Een uitzondering op deze hoofdregel kan worden gemaakt voor roerende voorzieningen en vervoermiddelen als geen of niet langer gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid tot het lenen van deze voorzieningen en middelen bij een thuiszorgwinkel. Dit kan het geval zijn als de revalidatie na een operatie langer duurt dan 26 weken. Echter bij sommige thuiszorgorganisaties of ledenverenigingen en ziektekostenverzekeraars is een langere leentermijn van toepassing. Ook kan in individuele gevallen een uitzondering worden gemaakt voor vervoermiddelen die alleen gehuurd kunnen worden bij een thuiszorgwinkel. Dit kan het geval zijn als het vervoermiddel noodzakelijk is om te kunnen deelnemen aan de maatschappij of om de zelfredzaamheid te vergroten en de huur van het vervoermiddel (gedurende een langere periode) niet in het bestedingspatroon van de ondersteuningsvrager past. Indien een uitzondering op de hoofdregel wordt gemaakt en de voorziening bij wijze van uitzondering toch wordt verstrekt, wordt de voorziening altijd in bruikleen dus in natura verstrekt. Een persoonsgebonden budget is in deze situatie niet aan de orde. 2.2.2 Op het individu toegesneden voorziening als vangnet Eigen kracht De op het individu toegesneden voorziening is aan de orde als andere oplossingen niet adequaat zijn. De beoordeling of andere oplossingen dan de op het individu toegesneden voorziening voldoende soelaas bieden om de zelfredzaamheid te vergroten of de maatschappelijke deelname te bevorderen, vindt plaats in overleg met de ondersteuningsvrager. Hierbij wordt steeds gekeken of de ondersteuningsvrager zelf, op eigen kracht, een oplossing kan realiseren. Wanneer het vermogen om zelf oplossingen te bedenken voor de eigen problemen (eigen kracht) ontoereikend is, wordt beoordeeld of en hoe dit vermogen om zelf oplossingen te bedenken voor de ondervonden problemen door de ondersteuningsvrager vergroot kan worden. Bij het aanspreken van de eigen kracht moet dan ook meer gedacht worden aan het versterken of aanleren van de vaardigheden (bijvoorbeeld het leren ordenen van de administratie of het leren koken) dan aan iets materieels (het beschikken over een aanmerkelijk inkomen of vermogen). Bij het op eigen kracht kunnen realiseren van een oplossing mag niet worden gekeken naar de financiële positie van de ondersteuningsvrager. De financiële positie wordt beoordeeld bij het opleggen van de eigen bijdrage. Gebruikelijke hulp, mantelzorg en hulp uit sociale netwerk Als op eigen kracht geen oplossing kan worden gerealiseerd, wordt gekeken of binnen het sociale netwerk (waaronder gebruikelijke hulp en mantelzorg) voorzien kan worden in de ondersteuningsbehoefte. Ten aanzien van gebruikelijke hulp zijn nadere regels gesteld (beleidsregels 2.2-1 tot en met 2.2-3). Bij de beoordeling of een beroep kan worden gedaan op het sociale netwerk zal ook moeten worden beoordeeld of er geen overbelasting dreigt te ontstaan of dat er al sprake is van overbelasting van personen uit het sociale netwerk. Tijdens het onderzoek (zie hoofdstuk 1) zal dan ook een netwerkanalyse moeten plaatsvinden. Beleidsregel 2.2-1 Gebruikelijke hulp Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de normale dagelijkse hulp die de partner en andere huisgenoten ( waaronder kinderen ) geacht worden elkaar te bieden omdat ze een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden. Het niet gewend zijn om huishoudelijke , ondersteunende (toezicht en begeleiding) en verzorgende taken uit te voeren, is geen reden om van deze regel af te wijken. Beleidsregel 2.2-2 Gebruikelijke hulp begrensd in tijd De gebruikelijke hulp is begrensd in tijd voor de werkende en/of de studerende partner of huisgenoot. Zij worden geacht in ieder geval 11,5 uren per week aan huishoudelijke, ondersteunende en verzorgende taken te kunnen uitvoeren. Bij huisgenoten onder de 18 jaar moet rekening worden gehouden met de leeftijd voor wat betreft het uitvoeren van huishoudelijke en verzorgende taken. Beleidsregel 2.2-3 Hulp ouders aan kinderen Als het gaat om de hulp van ouders aan kinderen kan voor gebruikelijke hulp een onderscheid worden gemaakt naar de leeftijd van het kind, waarbij de gebruikelijke hulp voor kinderen tot 4 jaar vrijwel onbegrensd is en de gebruikelijke hulp voor kinderen vanaf 12 jaar langzaam afneemt naar het aantal uren per week in de vorige beleidsregel: • tot 4 jaar is het kind volledig op de hulp van de ouders aangewezen; • van 4 tot 12 jaar is het kind voor wat betreft het toezicht en begeleiding bij de ontwikkeling nog volledig op de ouders aangewezen maar bij de persoonlijke verzorging is nog maar beperkt hulp nodig en de dagbesteding bestaat uit het volgen van onderwijs (tot 25 uur per week); • van 12 tot 18 jaar is geen voortdurend toezicht meer nodig en er is geen hulp meer nodig bij de persoonlijke verzorging; wel is nog begeleiding nodig bij ontplooiing en ontwikkeling en de dagbesteding bestaat uit het volgen van onderwijs. Dezelfde leeftijdsgrenzen gelden voor de voorzieningen in het kader van ondersteuning mobiliteit: • tot 4 jaar is het kind volledig op de hulp van ouders aangewezen en heeft het geen zelfstandige vervoersbehoefte; • van 4 tot 12 jaar kan er bij het kind sprake zijn van een beperkte vervoersbehoefte, de ondersteuning wordt hierop afgestemd; • vanaf 12 jaar kan er sprake zijn van een zelfstandige vervoersbehoefte. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Van een andere orde is de vraag of in de ondersteuningsbehoefte kan worden voorzien door algemeen gebruikelijke voorzieningen. Kenmerkend voor een dergelijke voorziening is dat deze: niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking; in de reguliere handel verkrijgbaar is; in prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten; past in het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van de ondersteuningsvrager, ook al heeft deze een inkomen op minimumniveau. Vrijwel alle tweewielers (met uitzondering van een elektrische fiets voor jongeren jonger dan 16 jaar), auto(accessoires) en de kosten van het gebruik van een auto, verbeteringen aan, in of bij een woning kunnen worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk. Hierop zijn enkele uitzonderingen mogelijk (zie beleidsregel 2.2-4). Soms is hieraan een afschrijvingstermijn gekoppeld (zie beleidsregel 2.2-5). Ook als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt een verhuizing waarbij de ondersteuningsvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen Beleidsregel 2.2-4 Verstrekking algemeen gebruikelijke voorziening Een algemeen gebruikelijke voorziening kan bij wijze van uitzondering als een op het individu toegesneden voorziening worden aangemerkt en verstrekt als de ondersteuningsvrager niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van de voorziening. Hiervan is in ieder geval sprake als : • het inkomen van de ondersteuningsvrager door de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening, rekening houdend met de afschrijvingstermijn, minder gaat bedragen dan de voor de ondersteuningsvrager geldende bijstandsnorm, tenzij • een vergelijkbare voorziening tot het gangbare bestedings- en gebruikspatroon van een persoon met een minimuminkomen behoort. Beleidsregel 2.2-5 Afschrijvingstermijnen Voor een woningaanpassing in de vorm van een aanbouw, keuken en badkamer geldt een afschrijvingstermijn van 10 jaren en voor alle overige voorzieningen in het kader van ondersteuning zelfstandig wonen en ondersteuning mobiliteit geldt een afschrijvingstermijn van 7 jaren. Algemene voorziening Als geen beroep kan worden gedaan op de eigen kracht of het sociale netwerk en in de ondersteuningsbehoefte kan ook niet worden voorzien door middel van een algemeen gebruikelijke voorziening, moet beoordeeld worden of een algemene voorziening toereikend kan zijn. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn te vinden in paragraaf 2.1.4. Indien de inschatting is dat de cliënt redelijkerwijs gebruik kan maken van een algemene voorziening, maar de cliënt bedenkingen heeft, kan een proefperiode worden overwogen. Gedurende deze periode kan de cliënt wennen aan de algemene voorziening. Als in of na deze periode blijkt dat de algemene voorziening geen oplossing biedt voor de ondervonden problemen of beperkingen, vindt opnieuw een gesprek met de ondersteuningsvrager plaats. Andere voorzieningen Mocht een algemene voorziening niet toereikend of niet beschikbaar zijn, dan zal moeten worden bekeken of er mogelijk aanspraak kan worden gemaakt op andere voorzieningen dan voorzieningen in het kader van de Jeugdwet of de Wmo 2015. Deze andere voorzieningen zijn vrijwel altijd voorliggend aan de op het individu toegesneden voorzieningen. Te denken valt hierbij aan voorzieningen in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz), maar ook op voorzieningen op grond van de Participatiewet (re-integratie in plaats van arbeidsmatige dagbesteding) en Wet passend onderwijs. Indien nu tijdens het onderzoek blijkt dat alleen in de ondersteuningsbehoefte kan worden voorzien door het verstrekken van een op het individu toegesneden voorziening, zal moeten worden beoordeeld welke voorziening of samenstel van voorzieningen het beste kan bijdragen aan het beoogde resultaat. Voorzieningen gericht op het versterken van de eigen kracht (bijvoorbeeld een vaardigheidstraining die overigens ook binnen een algemene voorziening kan worden vormgegeven) geniet daarbij de voorkeur boven het overnemen van taken. 2.2.3 Goedkoopst adequate voorziening Alleen de goedkoopst adequate voorzieningen kunnen in principe worden verstrekt. Adequaat betekent dat de voorziening bruikbaar en toereikend moet zijn en dat de voorziening kwalitatief goed en veilig is. Niet adequaat is een verhuizing naar woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden. Ook is een vervoermiddel niet adequaat als door functiebeperkingen deelname aan het verkeer onverantwoord is of als de ondersteuningsvrager niet zelfstandig gebruik kan maken van het vervoermiddel. Een ondersteuningsvrager die een duurdere voorziening wenst dan de goedkoopst adequate voorziening, betaalt de meerkosten zelf. Bij vervoer van en naar dagbesteding (ondersteuning maatschappelijke deelname) kan dit betekenen dat de meerkosten van het vervoer, als wordt gekozen voor dagbesteding buiten de directe leefomgeving terwijl er een toereikende en passende vorm van dagbesteding in de directe leefomgeving voorhanden is, voor eigen rekening van de ondersteuningsvrager komt. 2.3 Aanvullende criteria 2.3.1 Ondersteuning vermijdbaar en voorzienbaar Artikel 2.3 Aanvullende criteria 1. Een ondersteuningsvrager komt niet in aanmerking voor een op het individu toegesneden voorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie als: a. de noodzaak tot ondersteuning vermijdbaar was, en b. de voorziening voorzienbaar was en maatregelen konden worden getroffen om de hulpvraag overbodig te maken; c. de melding is gedaan op een zodanig moment dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning niet kan plaats vinden. 2. Als een op het individu toegesneden voorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze alleen verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, a. tenzij de eerder verstrekte voorziening niet opzettelijk door eigen toedoen verloren is gegaan; b. tenzij de veroorzaakte kosten worden betaald, of c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een adequate oplossing biedt in de ondersteuningsbehoefte. Als redelijkerwijze door de ondersteuningsvrager is te voorzien dat het handelen of juist het nalaten leidt tot een beroep op ondersteuning, kan de gevraagde voorziening worden afgewezen. Vermijdbaar Onder vermijdbaar wordt in ieder geval verstaan het niet als een goed huisvader omgaan met een verstrekte voorziening. De op het individu toegesneden voorzieningen worden, tenzij het diensten betreft en tenzij in de beschikking anders bepaald, in bruikleen verstrekt. Als de (in bruikleen) verstrekte voorziening niet goed wordt onderhouden (nalaten) en daardoor eerder technisch afgeschreven dan gebruikelijk is (zie afschrijvingstermijnen in beleidsregel 2.2-5), komt de ondersteuningsvrager in principe niet voor een nieuwe voorziening in aanmerking. Voorzienbaar Onder voorzienbaar wordt in ieder geval verstaan een verhuizing naar een, gelet op de beperkingen van betrokkene, niet adequate woning (door dit handelen kon betrokkene voorzien aangewezen te raken op een voorziening in het kader van ondersteuning zelfstandig wonen). Een voorziening wordt dan niet verstrekt, omdat de ondersteuningsvrager ook had kunnen verhuizen naar een adequate woning. Hetzelfde geldt als een ondersteuningsvrager, zonder het college daarvan in kennis te stellen, kiest voor een dure in plaats van een passende en toereikende betaalbare voorziening (bijvoorbeeld een woningaanpassing in plaats van een verhuizing naar een gelijkvloerse woning). Tijdig melden Van de ondersteuningsvrager wordt verwacht dat deze zich tijdig meldt met een vraag voor ondersteuning. Het college moet vervolgens een onderzoek doen naar de ondersteuningsbehoefte en de wijze waarop de ondersteuning wordt vormgegeven. In het algemeen kan ondersteuning dan ook pas worden geboden op het moment dat er een besluit is genomen op de aanvraag. Alleen als achteraf nog te bepalen is dat de reeds ingezette ondersteuning noodzakelijk en de goedkoopst adequate vorm van ondersteuning is, kan worden afgeweken van de hoofdregel dat ondersteuning niet met terugwerkende wordt toegekend. 2.3.2 Vervanging voorziening In artikel 2.3 lid 2 gaat het om een voorziening die volledig verloren is gegaan of economisch gezien niet meer verantwoord gerepareerd kan worden. De hoofdregel is dat een voorziening alleen kan worden verstrekt als deze is afgeschreven; hiervoor geldt minimaal de termijn genoemd in beleidsregel 2.2-5. Hierop zijn enkele uitzonderingen mogelijk: bijvoorbeeld als de voorziening is vernield of beschadigd door derden. Er moet dan echter wel aangifte zijn gedaan bij de politie. Ook als de voorziening door eigen toedoen niet meer te gebruiken is, kan, als de schade door de ondersteuningsvrager wordt vergoed, opnieuw een voorziening worden verstrekt. Voor berekening van de schade wordt verwezen naar beleidsregel 2.3-1. Indien de voorziening niet langer adequaat is, zal opnieuw moeten worden beoordeeld of en in welke vorm ondersteuning moet worden geboden. In dat geval worden uiteraard geen kosten in rekening gebracht bij de ondersteuningsvrager. Beleidsregel 2.3-1 Berekening schadebedrag De schade wordt, als de voorziening door eigen toedoen niet meer te gebruiken is, gesteld op : • (10 jaar -x jaar )/10 jaar * nieuwwaarde van de voorziening die verloren is gegaan, waarbij • de restwaarde (ook als de voorziening ouder is dan 9 jaar) minimaal 10% van de nieuwwaarde bedraagt. De hierboven vermelde 10 jaar is gelijk aan de afschrijvingstermijn die gehanteerd wordt bij het volledig verloren gaan van de voorziening en x is gelijk aan het aantal volle jaren dat verstreken is vanaf de aanschafdatum van de voorziening. Hoofdstuk3:Vorm verstrekking voorziening 3.1 Verstrekking in natura, financiële tegemoetkoming en persoonsgebonden budget Artikel3.1Keuzevrijheid 1. Een op het individu toegesneden voorziening kan worden verstrekt in natura, als financiële tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget. 2. Het college regelt in de beleidsregels in welke vorm en onder welke voorwaarden een op het individu toegesneden voorziening wordt verstrekt. 3. Het college regelt in de beleidsregels aan welke voorwaarden professionele aanbieders moeten voldoen om bij deze aanbieders ondersteuning met een persoonsgebonden budget te mogen inkopen; in ieder geval worden voorwaarden gesteld aan: a. de financiële administratie van de aanbieder; b. het optreden van de aanbieder als belangenbehartiger van de ondersteuningsvrager; c. het zorgplan van de aanbieder. Natura Bij een voorziening in natura koopt de gemeente de voorziening in en zorgt dat deze aan de ondersteuningsvrager geleverd wordt. Financiële tegemoetkoming Een verstrekking in de vorm van een financiële tegemoetkoming vindt plaats als sprake is van een forfaitaire tegemoetkoming. Een financiële tegemoetkoming kan alleen worden toegekend als de ondersteuningsvrager het voorstel steunt. Het kan hierbij gaan om een financiële tegemoetkoming: • in de vervoerskosten (Ondersteuning mobiliteit); • in de verhuis- en inrichtingskosten (Ondersteuning zelfstandig wonen); • in de kosten van het bezoekbaar maken van een woning (Ondersteuning zelfstandig wonen). Persoonsgebonden budget Bij een persoonsgebonden budget kent het college een budget toe aan de ondersteuningsvrager. De ondersteuningsvrager kan daarmee zelf de benodigde ondersteuning inkopen. De Sociale Verzekeringsbank voert voor de gemeente de betaling van de geleverde ondersteuning uit (het zogenaamde trekkingsrecht). Niet alle vormen van ondersteuning kunnen worden ingekocht met een persoonsgebonden budget. Daarnaast worden er voorwaarden gesteld aan de inkoop van de ondersteuning en de bekwaamheid van de ondersteuningsaanvrager. Dit wordt hieronder nader uitgewerkt. Een beperkt aantal vormen van ondersteuning lijken minder geschikt voor inkoop met een persoonsgebonden budget als voor het beheer hiervan niet kan worden teruggevallen op het sociale netwerk of een vertegenwoordiger. Denk hierbij aan: • Beschermd wonen; • Ondersteuning maatschappelijke deelname of ondersteuning zelfstandig leven op grond van een cognitieve beperking. In deze situaties dient terughoudend te worden omgegaan met het verstrekken van een persoonsgebonden budget. Uitgesloten van inkoop met een persoonsgebonden budget zijn de volgende voorzieningen: • De op het individu toegesneden voorzieningen in het gedwongen kader (Jeugdwet); • Behandeling (Jeugdwet); • Voorzieningen tweedelijns GGZ (Jeugdwet); • Collectief vervoer. Ook als onmiddellijk een voorziening moet worden getroffen (spoed- en crisiszorg) kan dat niet in de vorm van een persoonsgebonden budget. 3.1.1 Voorwaarden persoonsgebonden budget Er zijn drie voorwaarden waar ondersteuningsvragers en de voorzieningen aan moeten voldoen, wil aanspraak kunnen worden gemaakt op een persoonsgebonden budget, namelijk: • moet op eigen kracht voldoende in staat zijn (of met hulp sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger) tot een redelijke waardering van zijn belangen en moet de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze kunnen uitvoeren; • zal moeten motiveren dat de op het individu toegesneden voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, door hem niet passend wordt geacht (Jeugdwet) of tot een gelijkwaardig of beter resultaat leidt dan zorg in natura (Wmo 2015); • waarborg dat de op het individu toegesneden voorzieningen, van goede kwaliteit (veilig, doeltreffend en cliëntgericht) is; Deze voorwaarden worden hieronder verder uitgewerkt. 3.1.1.1 Bekwaamheid van de ondersteuningsvrager Om ondersteuning te kunnen inkopen met een persoonsgebonden budget moet de ondersteuningsvrager zelfstandig tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat zijn. De ondersteuningsvrager zal dan ook moeten kunnen aangeven welke problemen worden ondervonden, hoe deze zijn ontstaan en welke ondersteuning deze denkt nodig te hebben. Ook wordt van de ondersteuningsvrager verwacht dat deze de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde wijze kan uitvoeren. Bij deze taken kan gedacht worden aan het kiezen van geschikte aanbieder, het aangaan van een contract, het in de praktijk aansturen van de zorgverlener en het bijhouden van een juiste administratie. Bij jeugdigen onder de 16 jaar zijn het de ouders die over de bekwaamheid moeten beschikken om zorg in te kopen. Bij jeugdigen tussen de 16 en 18 jaar kan het echter voorkomen dat de jeugdige zelf het contract aangaat. Hiervoor is de bekwaamheid in relatie tot de zorginkoop aan de orde geweest. Daarnaast moet de ondersteuningsvrager in staat zijn de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Vanaf 1 januari 2015 geldt een trekkingsrecht: het budget wordt niet rechtstreeks aan de ondersteuningsvrager overgemaakt maar aan de Sociale Verzekeringsbank. Het budget kan en mag alleen besteed worden voor de overeengekomen vorm van ondersteuning en wordt betaalbaar gesteld na het overleggen van facturen of declaraties aan de zorgverlener. De ondersteuningsvrager moet inzicht hebben in de gefactureerde of gedeclareerde bedragen en zal hierover verantwoording moeten kunnen afleggen. Daarnaast moet de ondersteuningsvrager in staat zijn om aan te geven of de resultaten die werden beoogd met de inkoop van de ondersteuning ook zijn behaald en of de kwaliteit van de geboden ondersteuning voldoende is. Het oordeel van de gemeente is leidend als het gaat om de bekwaamheid. Mocht de gemeente van oordeel zijn dat de ondersteuningsvrager (dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger) niet bekwaam is dan kan de gemeente het persoonsgebonden budget weigeren. Dat is een beslissing waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Niet bekwaam, wel een persoonsgebonden budget? Van onbekwaamheid wordt uitgegaan als de ondersteuningsvrager: • handelingsonbekwaam is; • als gevolg van onder andere dementie, een verstandelijke beperking, niet aangeboren hersenletsel of psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie; • problemen ondervindt als gevolg van verslaving; • problemen ondervindt als gevolg van schulden; • eerder misbruik heeft gemaakt van een persoonsgebonden budget; • eerder gefraudeerd heeft. Indien de ondersteuningsvrager zelf onbekwaam is het persoonsgebonden budget te beheren dan mag het budgetbeheer worden uitgevoerd door een professionele budgetbeheerder of een persoon uit de directe vertrouwde omgeving, die niet de zorgverlener is. Een professionele budgetbeheerder beschikt over een keurmerk goedgekeurd pgb-bureau van het Keurmerkinstituut. Dit keurmerk is ontwikkeld in samenspraak met Per Saldo (belangenvereniging van mensen met een persoonsgebonden budget). De kosten voor het beheer van het persoonsgebonden budget worden niet vergoed. Het beheer van het budget mag ook worden uitgevoerd door een persoon uit de directe vertrouwde omgeving, die niet de zorgverlener is. In verband met het kunnen toetsen (via de Basis Registratie Personen) in welke relatie de budgetbeheerder staat tot de ondersteuningsvrager is de kring van personen beperkt die als budgetbeheerder mogen optreden. Als budgetbeheerder mogen optreden: • partner van de ondersteuningsvrager (gehuwd, geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract geregistreerd bij gemeente) • familie in de eerste graad van de ondersteuningsvrager (ouders of kinderen); • familie in de tweede graad (grootouders, broers of zussen). Uiteraard geldt voor de budgetbeheerder uit de directe sociale omgeving dat deze bekwaam moet zijn. De eisen die gesteld worden aan de ondersteuningsvrager, als deze zelfstandig het persoonsgebonden budget beheert, gelden ook voor personen uit de directe vertrouwde omgeving die het budgetbeheer uitvoeren. 3.1.1.2 Motivering door ondersteuningsvrager Op grond van de Wmo 2015 dient door de ondersteuningsvrager gemotiveerd te worden dat deze een op het individu toegesneden voorziening in de vorm van een persoonsgebonden wil ontvangen. De ondersteuningsvrager moet motiveren dat de ondersteuning die wordt ingekocht met een persoonsgebonden budget minimaal tot een gelijkwaardig of een beter resultaat leidt dan de ondersteuning die in natura wordt verstrekt. De motivering in het kader van de Jeugdwet dient nog krachtiger te zijn: door de ondersteuningsvrager moet gemotiveerd worden dat het bestaande aanbod van zorg in natura niet passend is en dat daarom een persoonsgebonden budget gewenst wordt. Met de argumentatie moet duidelijk worden dat de aanvrager zich voldoende heeft georiënteerd op de voorziening in natura. 3.1.1.3 Waarborgen kwaliteit voorziening De kwaliteit van voorziening die met een persoonsgebonden budget wordt ingekocht, moet zijn gewaarborgd. Hiervoor gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor voorzieningen die in natura worden verstrekt. De kwaliteitseisen voor de op het individu gerichte voorzieningen in het kader van de Jeugdwet zijn geregeld in de wet zelf (zie hoofdstuk 4 Jeugdwet). Voor de op het individu gerichte voorzieningen in het kader van de Wmo zijn de kwaliteitseisen te vinden in hoofdstuk 7 van de beleidsregels. Deze kwaliteitseisen komen grotendeels overeen met de kwaliteitseisen genoemd in de Jeugdwet. De kwaliteitseisen die gesteld worden aan de voorzieningen die in natura worden verstrekt, gelden in principe ook voor voorzieningen die worden ingekocht met een persoonsgebonden budget. Zo zal de voorziening, als deze wordt ingekocht met een persoonsgebonden budget, in ieder geval veilig, doeltreffend en cliëntgericht moeten zijn. Als een inwoner met zijn persoonsgebonden budget een professionele zorgaanbieder inschakelt, is het in ieders belang dat deze aanbieder zich niet aan kwaliteitskaders kan onttrekken. Ook bij een persoonsgebonden budget dient kwalitatief goede zorg en ondersteuning te worden verleend. Daarom zijn de kwaliteitseisen zoals gehanteerd bij de aanbesteding ondersteuning in het kader van de Jeugdwet en Wmo 2015 ook van toepassing op professionele zorgaanbieders die worden ingeschakeld bij een persoonsgebonden budget. Deze professionele aanbieders dienen in ieder geval personeel in te schakelen die voldoen aan de opleidingseisen zoals opgenomen in bijlage 6. Een persoonsgebonden budget kan in voorkomende gevallen worden gebruikt om ondersteuning in te kopen bij personen uit het sociale netwerk. Overigens moet dit ook dan wel verantwoord zijn en moet ook dan een bijdrage worden geleverd aan, zo mogelijk, het vergroten van de zelfredzaamheid en het bevorderen van de maatschappelijke deelname. Voorkomen moet worden dat, als de zorg wordt geleverd door een persoon uit het sociale netwerk, er een te sterke afhankelijkheidsrelatie ontstaat als gevolg van de inkoop van de voorziening door middel van een persoonsgebonden budget. Om de kwaliteit van de geboden ondersteuning op langere termijn te kunnen waarborgen, mag een zorgverlener (zowel een professional als een persoon uit het sociale netwerk) structureel maximaal 48 uur ondersteuning verlenen aan ondersteuningsvragers. Zorgverleners die langere werkweken maken, lopen een groot afbreukrisico door overbelasting en daardoor gezondheidsproblemen. De continuïteit van de ondersteuning, de veiligheid en de kwaliteit komen dan in het geding. Bij zorgverleners die in dienst zijn van aanbieders geldt hetzelfde, maar hier wordt bescherming geboden via de Arbeidstijdenwet. De Arbeidstijdenwet kent overigens ook een maximum van structureel 48 uur per week werken. 3.1.1.4 Eisen aan de aanbieder Aan de aanbieder worden algemene, zorginhoudelijke en administratieve eisen gesteld. Alleen als aan deze eisen wordt voldaan, mag een ondersteuningsvrager bij deze aanbieder ondersteuning met een persoonsgebonden budget inkopen. Door het voldoen aan deze eisen kan worden voorkomen dat de ondersteuningsvrager met een terugvordering van het persoonsgebonden budget wordt geconfronteerd omdat het persoonsgebonden budget niet is aangewend voor het doel waarvoor deze is verstrekt. In dit licht moet ook de eis ten aanzien van het niet toestaan van het behartigen van de belangen van de ondersteuningsvrager door een zorgaanbieder worden gezien. Naast de hierboven genoemde eisen, moet de professionele aanbieder beschikken over een AGB-code. Een AGB-code is niet nodig als de ondersteuning wordt verleend door een persoon in het sociale netwerk (waarvoor het laagste pgb-tarief geldt). Algemene eisen Om te voorkomen dat de zorgaanbieder, als direct belanghebbende, invloed heeft op het (keukentafel)gesprek en door een niet geheel juiste voorstelling van zaken ondersteuning (of een zwaardere vorm van ondersteuning of een grotere omvang van ondersteuning) wil bewerkstelligen, wordt het gesprek met de ondersteuningsvrager niet gevoerd in het bijzijn van de zorgaanbieder. Het alternatief is dat de ondersteuningsvrager wordt gewezen op de mogelijkheid van onafhankelijke cliëntondersteuning via Almelo Sociaal. Ook mag de aanbieder niet optreden als beheerder van het persoonsgebonden budget. Van aanbieders en zorgverleners wordt verwacht dat zij voorbeeldgedrag tonen in de communicatie en andere contacten met onder andere medewerkers die belast zijn met de toeleiding en toegang tot voorzieningen. Elementaire fatsoensnormen en correcte omgangsvormen dienen in acht te worden genomen om gewenst gedrag bij ondersteuningsvragers te stimuleren. Maatschappelijke deelname en met name het bevorderen hiervan is één van de doelen van de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Jeugdwet. Een basisvoorwaarde om te kunnen deelnemen aan de maatschappij is juist het fatsoenlijk en correct kunnen omgaan met anderen. Door het niet fatsoenlijk of niet correct omgaan met anderen kan de aanbieder bij ondersteuningsvragers ongewenst gedrag in de hand werken waardoor deelname aan de maatschappij mogelijk wordt belemmerd in plaats van bevorderd. Ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget kan dan worden geweigerd. Eisen aan administratie Naast het voeren van een deugdelijke financiële administratie waaruit de inkomsten en uitgaven van de zorgaanbieder blijken, moet ook een deugdelijke cliëntenadministratie worden gevoerd. Uit de cliëntenadministratie moet tenminste blijken op welke tijdstippen/dagdelen de ondersteuningsvrager ondersteuning heeft ontvangen en de duur van deze ondersteuning. De administratie moet op ons verzoek onmiddellijk kunnen worden overgelegd. Door eisen te stellen aan de administratie van de zorgaanbieder kan worden voorkomen dat geen ondersteuning of veel minder ondersteuning wordt geboden dan verantwoord is. Zorgplan Om te kunnen bepalen of de met een persoonsgebonden budget in te kopen voorziening of ondersteuning kwalitatief verantwoord is, wordt voorafgaand aan de toekenning van het persoonsgebonden budget beoordeeld of het zorgplan garanties biedt op een verantwoorde kwaliteit van de te leveren voorziening of ondersteuning. In het zorgplan komen in ieder geval de volgende aspecten aan de orde: • welke activiteiten op welk moment worden ingezet om de afgesproken resultaten met degene die ondersteuning nodig heeft te behalen; • de deskundigheid van de professionele zorgverlener, blijkend uit opleiding en ervaring; • vervanging van de zorgverlener bij ziekte of verlof indien de ondersteuning wordt geboden door een professionele zorgaanbieder die aangeeft te voldoen aan alle eisen die ook van toepassing zijn op gecontracteerde aanbieders. Ten aanzien van de deskundigheid van de professionele zorgverlener wordt verwezen naar paragraaf 7.2.3 Eisen aan de beroepskracht. Een zorgverlener wordt niet aangemerkt als professional indien niet voldaan wordt aan de eisen genoemd in paragraaf 7.2.3. Verklaring omtrent gedrag Om de veiligheid van ondersteuningsvragers te waarborgen moet degene die de ondersteuning levert, beschikken over een verklaring omtrent gedrag. De verklaring omtrent gedrag is ook verplicht gesteld voor bestuurders van zorgorganisaties. Alleen als de ondersteuning wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk, kan ervoor worden gekozen geen verklaring omtrent gedrag te eisen. Bij directe familie (familie in de eerste of tweede graad) zal dit eerder het geval zijn dan bij personen die verder van de ondersteuningsvrager af staan (denk aan kennissen) die de ondersteuning leveren. De verklaring omtrent gedrag moet zijn afgegeven uiterlijk zes maanden voordat de zorgverlener voor de eerste keer in Almelo aan een ondersteuningsvrager ondersteuning gaat verlenen. Ondersteuningsplan Bij het beoordelen van de kwaliteit wordt meegewogen of de met het persoonsgebonden budget in te kopen op het individu toegesneden voorzieningen in alle redelijkheid geschikt zijn om de met de ondersteuningsvrager afgesproken resultaten te behalen. Om de kwaliteit te borgen wordt, indien een op het individu toegesneden voorziening met een persoonsgebonden budget wordt ingekocht, in het ondersteuningsplan inzichtelijk gemaakt: • bij wie of welke aanbieder de ondersteuning wordt ingekocht, • op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid, en • hoe de veiligheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid van de ondersteuning is gewaarborgd. Tenzij de ondersteuning wordt geleverd door een persoon uit het sociale netwerk, moet de ondersteuning worden geleverd door personen die kunnen handelen overeenkomstig de professionele standaard. 3.1.2 Weigeren persoonsgebonden budget In de vorige paragrafen zijn al enkele weigeringsgronden aangegeven. Het persoonsgebonden budget wordt ook geweigerd als: • blijkt dat de ondersteuningsvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; • de ondersteuningsvrager, de zorgaanbieder en/of de voorziening niet voldoet aan de aan het toekennen van een persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden; • de ondersteuning wordt ingekocht bij een zorgaanbieder die in het verleden aan ondersteuningsvragers te weinig zorg of ondersteuning heeft geleverd waardoor het afgesproken resultaat niet werd bereikt en het persoonsgebonden budget van de ond

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.