Verordening van Provinciale Staten van de provincie Gelderland, gewijzigd vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Gelderland houdende regels omtrent subsidie voor het plattelandsontwikkelingsprogramma (Verordening POP 3 subsidies provincie Gelderland, mei 2018)Bekendmaking van het besluit van 22 mei 2018– zaaknummer 2018-005637 tot wijziging van een regeling GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND Verordening POP3 Subsidies provincie Gelderland, wijzigingen van mei 2018 Hoofdstuk1Algemeen Artikel1.1definities In deze regeling wordt verstaan onder: afschrijvingskosten: de kosten van afschrijving zoals bedoeld in artikel 69 lid 2 van Verordening (EU) Nr. 1303/2013; bijdrage in natura: bijdrage als bedoeld in artikel 69 lid 1 van Verordening (EU) Nr. 1303/2013; bruto jaarloon: het in enig jaar aan een werknemer betaalde salaris, inclusief een niet-prestatie gebonden eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende CAO of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief (overige) vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten; grondgebruiker: gebruikgerechtigde van de grond; inpassingsmaatregelen: maatregelen die noodzakelijk zijn om eventuele negatieve neveneffecten van de herverkaveling tegen te gaan; Kaderbesluit nationale EZ-subsidies: regeling van 1 januari 2009, Stb. 2008, 499, gewijzigd per 1 juli 2016, Stb. 2016, 56; landbouwer: een natuurlijk persoon of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, van wie het bedrijf zich bevindt binnen het territoriale toepassingsgebied van de verdragen als omschreven in artikel 52 VEU in samenhang met de artikelen 349 en 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU), en die een landbouwactiviteit uitoefent; landbouwbedrijf: alle eenheden op het grondgebied van Nederland die voor landbouwactiviteiten worden gebruikt en door een landbouwer worden beheerd; landbouwactiviteiten: primaire productie van landbouwproducten alsmede handel in landbouwproducten, als bedoeld in bijlage 1 VwEU; netto inkomsten: instroom van kasmiddelen die gebruikers genereren door rechtstreeks te betalen voor de door middel van de gesubsidieerde activiteit verstrekte goederen, zaken of diensten, minus alle operationele kosten en de kosten voor de vervanging van uitrusting met een korte levensduur die in de overeenkomstige periode zijn gemaakt. Besparingen op operationele kosten die gerealiseerd worden door de gesubsidieerde activiteit worden als netto inkomsten gerekend, tenzij de besparingen teniet worden gedaan door een evenredige verlaging van een eventuele exploitatiesubsidie; niet-productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming; ELFPO: het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling als bedoeld in Verordening (EU) Nr. 1305/2013 Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies: regeling van 1 juli 2015, Stcrt, 2015, 18094; Vo (EU) 1303/2013: Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad; Vo (EU) 1305/2013: Verordening (EU) Nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad; Vo (EU) 651/2014:Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard Vo (EU) 702/2014: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard; voorbereidingskosten: kosten van handelingen ter voorbereiding van de subsidiabele activiteit(
- en)waar subsidie voor wordt aangevraagd, waaronder het maken van het projectplan. Vo (EU) 2020/2220: Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot vaststelling van een aantal overgangsbepalingen voor steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in de jaren 2021 en 2022 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft de middelen en toepassing in de jaren 2021 en 2022 en van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de middelen en verdeling van die steun voor de jaren 2021 en 2022. Artikel1.2toepassingsbereik 1.Subsidie op grond van deze regeling wordt slechts verstrekt voor activiteiten waarvan de resultaten aantoonbaar ten goede komen aan het platteland of de agrarische sector van Gelderland. 2.Tot het platteland van Gelderland behoort het gehele grondgebied van Gelderland met uitzondering van aaneengesloten woonkernen met meer dan 30.000 inwoners. Artikel1.3openstelling 1.Gedeputeerde Staten kunnen een openstellingsbesluit vaststellen. 2.Gedeputeerde Staten stellen per openstellingsbesluit vast: één of meerdere subsidieplafonds; per plafond een periode waarbinnen een aanvraag om subsidie moet zijn ontvangen. 3. In het openstellingsbesluit kunnen Gedeputeerde Staten nadere regels stellen met betrekking tot de kostentypen als bedoeld in artikel 1.12 die voor subsidie in aanmerking komen. 4. In het openstellingsbesluit kunnen Gedeputeerde Staten tevens nadere regels stellen met betrekking tot: de categorieën van activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen; de thema’s waarop een activiteit betrekking moet hebben; de categorieën van begunstigden; de kostensoorten die voor subsidie in aanmerking komen; de geografische begrenzing van de openstelling; een drempel met betrekking tot de subsidiabele kosten; de minimale of maximale hoogte van de subsidie; de gegevens of bescheiden die bij de aanvraag om subsidie , voorschot, wijziging of vaststelling overgelegd moeten worden; de wijze van indienen van een verzoek om subsidie, voorschot , wijziging of vaststelling; het indienen van een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten; het verstrekken van voorschotten; overige verplichtingen die aan een subsidieontvanger kunnen worden opgelegd. 5. Gedeputeerde Staten kunnen een vast bedrag aan subsidiabele kosten per activiteit vaststellen. Artikel1.4POP3 steun 1.POP3 steun bestaat uit ELFPO-middelen en middelen van nationale overheden, tenzij in een openstellingsbesluit anders is bepaald. 2.De in het eerste lid bedoelde middelen van nationale overheden bestaan uit provinciale middelen, of middelen van andere overheden. 3.Gedeputeerde Staten stellen in een openstellingsbesluit vast welke gedeelten van de in het eerste lid bedoelde steun met de openstelling beschikbaar worden gesteld. 4.De in deze regeling genoemde subsidiepercentages bestaan voor 50% uit steun afkomstig uit het ELFPO en voor 50% uit nationale overheidsfinanciering, tenzij in een openstellingsbesluit anders is bepaald. Artikel1.5doelgroep vervallen Artikel1.6samenwerkingsverbanden 1.Indien bij of krachtens deze regeling is bepaald dat een subsidie kan worden verstrekt aan een samenwerkingsverband, komen in geval van samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid slechts voor subsidie in aanmerking samenwerkingsverbanden: waarvan de deelnemers natuurlijke personen of rechtspersonen, ieder met een andere eigenaar en niet in eigendom van een deelnemende natuurlijke persoon, zijn, en die voldoen aan de concurrentieregels zoals die gelden krachtens de artikelen 206 tot en met 210 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad. 2.Indien een aanvraag namens de deelnemers aan een samenwerkingsverband wordt ingediend bevat de aanvraag om subsidie tevens: een door alle partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst van de deelnemende partijen, waarin onder meer door alle partijen wordt verklaard dat iedere partij hoofdelijk aansprakelijk is voor onverschuldigd betaalde subsidiebedragen; de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen bevattende de baten en de lasten van de deelnemende partijen. gegevens waaruit blijkt dat de penvoerder is aangewezen door de deelnemende partijen aan het samenwerkingsverband om de aanvraag om subsidie in te dienen. 3.Ingeval een subsidie wordt verstrekt aan een samenwerkingsverband: berusten de verplichtingen die daaruit voortvloeien hoofdelijk op iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband; is de penvoerder verplicht de projectadministratie als bedoeld in artikel 1.17, aanhef en onder f, te voeren en de administratie en daartoe behorende bescheiden te bewaren tot de datum als bepaald in artikel 1.17, aanhef en onder g; kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht hoofdelijk worden teruggevorderd bij iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband. Bij terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen zal de penvoerder van het project als eerste worden aangesproken. Artikel1.7wijze van indienen van en vereisten aan een subsidieaanvraag 1.Een aanvraag om subsidie: wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten; wordt ingediend met gebruik making van de meest recente versie van een door Gedeputeerde Staten beschikbaar gesteld formulier; wordt voorzien van alle verplichte bijlagen. 2.Een aanvraag om subsidie bevat tenminste: een begroting van de kosten; een toelichting op de begroting; een financieringsplan; een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding van de stand van zaken daarvan; een overzicht van inkomsten die met de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden; een projectplan waarin tenminste is opgenomen: de doelstellingen van het project; een probleemanalyse waaruit onder andere de noodzaak van het project en de ter uitvoering van het project te maken kosten blijkt; een beschrijving van de wijze van uitvoering van het project en de te ondernemen activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; de verwachte resultaten van het project; de verwachte realisatietermijn van het project; de wijze waarop de resultaten van het project worden getoetst. 3.Indien de verwachte realisatietermijn van het project langer is dan één jaar bevat de aanvraag om subsidie tevens: een meerjarenbegroting met een liquiditeitsplanning per jaar; een overzicht in de tijd van de te onderscheiden fasen van het project. 4.Indien de aanvraag betrekking heeft op een investering en de investering leidt naar waarschijnlijkheid tot negatieve omgevings-effecten bevat de aanvraag om subsidie een verkenning naar de mogelijke negatieve omgevings-effecten van de investering. 1.7a bewijsstukken 1.Als bewijsstukken van documenten die in het kader van deze regeling moeten worden ingediend, worden geaccepteerd: originele documenten; fotokopieën van originelen; gedigitaliseerde microfiches van originelen; elektronische versies van originelen. 2.Niet originele documenten die in het kader van deze regeling als bewijsstukken worden ingediend, worden slechts geaccepteerd indien de procedure bedoeld in bijlage I van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies is gevolgd. Artikel1.8weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 4:35 Algemene wet bestuursrecht, wordt een subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd indien: voor dezelfde activiteit op grond van dezelfde openstelling en openstellingsperiode, onder hetzelfde plafond, in dezelfde beoordelingsronde reeds subsidie is aangevraagd; voor dezelfde activiteiten en subsidiabele kosten reeds subsidie van 1 euro of meer is verstrekt tot het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of – bedrag; dezelfde activiteiten en subsidiabele kosten reeds anderszins uit de begroting van de Unie gefinancierd zijn; de activiteit niet overwegend plaatsvindt in de provincie Gelderland, tenzij de activiteit of de resultaten ervan aantoonbaar ten goede komt of komen aan ingezetenen van de provincie Gelderland, of de activiteit of de resultaten daarvan aantoonbaar op enigerlei wijze het belang van de provincie Gelderland dient of dienen; met de uitvoering van de activiteit, niet zijnde de uitvoering van voorbereidings-handelingen voor de uitvoering van de activiteit, is gestart voordat de aanvraag om subsidie is ingediend; in het opstellingsbesluit de benodigde nationale overheidsfinanciering als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, niet of niet volledig beschikbaar is gesteld en de aanvraag niet voorzien is van een bijdrageverklaring of een subsidiebeschikking voor de benodigde resterende nationale overheidsfinanciering; een aanvraag minder scoort dan het voorgeschreven minimaal te behalen aantal punten; de aanvrager geen verklaring verstrekt dat er geen sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, lid 18, van Verordening (EU) 651/2014 of artikel 2, lid 14 van VO (EU) 702/2014; ten aanzien van de subsidieaanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering bestaat, volgend op een eerdere beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard. Artikel1.9personeelskosten 1.Personeelkosten worden berekend door het aantal aan het project of de investering bestede uren te vermenigvuldigen met een volgens één van de volgende methodieken berekend tarief: een per medewerker bepaald individueel uurtarief, berekend op basis van bruto jaarloon, vermeerderd met een opslag van 43,5% voor werkgeverslasten, waarna dat bedrag wordt vermeerderd met een opslag van 15% van overheadkosten en dat bedrag vervolgens door 1.720 uur op basis van een 40-urige werkweek wordt gedeeld; een door de minister goedgekeurde integrale kostensystematiek als bedoeld in artikel 12 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies. 2.Personeelskosten zijn subsidiabel tot maximaal 1.720 uur per persoon per jaar bij een 40-urig dienstverband. 3.In geval van een parttime dienstverband, worden de personeelskosten per uur en het maximale aantal uur per persoon per jaar waarvoor personeelskosten subsidiabel zijn naar rato berekend. Artikel 1.9a (vereenvoudigde kostenoptie: personeelskosten) Indien het openstellingsbesluit deze mogelijkheid biedt, kunnen personeelskosten, in afwijking van het bepaalde in artikel 1.9, worden berekend door de kosten, bedoeld in artikel 1.12, eerste lid, onderdelen b tot en met e, voor zover de kosten geen verband houden met de uitvoering van overheidsopdrachten voor werken met een waarde boven het drempelbedrag, genoemd in artikel 4, onderdeel a, van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PbEU 2014, L 94), te vermenigvuldigen met 20%, waarna dat bedrag wordt vermeerderd met een opslag van 15% aan overheadkosten. Artikel1.10kosten aankoop van gronden 1.Indien de kosten voor de aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden subsidiabel zijn gesteld kan subsidie worden verstrekt tot maximaal 10 % van de totale subsidiabele kosten. 2.Indien dit in het openstellingsbesluit wordt bepaald, zijn de kosten van de aankoop van bebouwde of onbebouwde gronden die zijn gelegen in verwaarloosde gebieden of voormalige industriezones subsidiabel tot maximaal 15% van de totale subsidiabele kosten. In het openstellingsbesluit wordt bepaald wanneer er sprake is van verwaarloosde gebieden als bedoeld in dit artikellid. 3.Gedeputeerde Staten kunnen in uitzonderlijke gevallen in een openstellingsbesluit een hoger percentage vaststellen voor de aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden in het kader van activiteiten ten behoeve van milieubehoud. In het openstellingsbesluit wordt bepaald wanneer er sprake kan zijn van gebieden als bedoeld in dit artikellid en welk subsidiepercentage dan gehanteerd zal worden. Artikel1.11berekeningswijze bijdragen in natura 1.Bijdragen in natura kunnen bestaan uit werken, zaken, diensten, grond en onroerende zaken waarvoor geen door facturen of documenten met gelijkwaardige bewijskracht gestaafde contante betalingen zijn verricht. 2.Bijdragen in natura zijn slechts subsidiabel indien: de aan de bijdrage in natura toegekende waarde niet hoger is dan de waarde die gewoonlijk op de desbetreffende markt wordt aanvaard; en er een onafhankelijke beoordeling en verificatie van de waarde van de bijdrage in natura mogelijk is. 3.Indien de bijdrage in natura bestaat uit de verstrekking van gronden of onroerende zaken is de bijdrage, in afwijking van het tweede lid, onderdeel b, slechts subsidiabel indien de waarde is getaxeerd en gecertificeerd door een onafhankelijke gekwalificeerde deskundige of een hiertoe gemachtigde officiële instantie. 4.Bijdrage in natura in de vorm van verstrekking van gronden en overige onroerende zaken is subsidiabel: voor wat betreft gronden: tot maximaal de percentages genoemd in artikel 1.10; voor wat betreft overige onroerende zaken: tot maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten. 5.Indien de bijdrage in natura bestaat uit gronden of onroerende zaken kan een contante betaling worden gedaan met het oog op een huurovereenkomst voor een nominaal bedrag per jaar dat niet meer bedraagt dan € 1,-. 6.Indien de bijdrage in natura bestaat uit onbetaalde arbeid van vrijwilligers is de bijdrage slechts subsidiabel indien de werkelijke arbeidstijd voor de uitvoering van de activiteit gecontroleerd kan worden. 7.De waarde van onbetaalde arbeid van vrijwilligers wordt gewaardeerd op € 22,- per uur. 8.De aan een concrete actie betaalde overheidssteun die bijdragen in natura, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid van dit artikel alsmede onbetaalde eigen arbeid als bedoeld in artikel 1.11a, omvat, is aan het einde van de concrete actie niet hoger dan de totale subsidiabele uitgaven, exclusief deze bijdragen in natura. Artikel 1.11a (onbetaalde eigen arbeid) 1. Onbetaalde eigen arbeid wordt gewaardeerd op € 35,- per uur. 2. Onbetaalde eigen arbeid is slechts subsidiabel indien de werkelijke arbeidstijd voor de uitvoering van de activiteit gecontroleerd kan worden. Artikel1.12subsidiabiliteit van kosten 1.Subsidiabele kosten kunnen slechts bestaan uit de volgende kostentypen: personeelskosten; kosten derden; bijdragen in natura; onbetaalde eigen arbeid; afschrijvingskosten. 2.Subsidiabele kosten komen slechts voor subsidie in aanmerking indien zij zijn gemaakt of geleverd nadat de aanvraag om subsidie is ingediend. 3.Indien in het openstellingsbesluit voorbereidingskosten subsidiabel gesteld zijn, komen voorbereidingskosten gemaakt voor indiening van de aanvraag om subsidie slechts voor subsidie in aanmerking indien zij gemaakt zijn binnen één jaar of een in het openstellingsbesluit vastgelegde termijn voordat de aanvraag om subsidie is ingediend. 4.De in lid 3 bedoelde kosten kunnen uitsluitend bestaan uit : kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs; kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied; kosten van haalbaarheidsstudies. 5.Kosten zijn slechts subsidiabel voor zover de kosten adequaat en noodzakelijk zijn in relatie tot het doel van de activiteit. Artikel1.12aalgemene kosten ten behoeve van investeringen Algemene kosten ten behoeve van investeringen kunnen slechts bestaan uit: kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs; kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied; kosten van haalbaarheidsstudies. Artikel 1.12b (vereenvoudigde kostenoptie: totale overige kosten als percentage van de directe personeelskosten) 1. Indien het openstellingsbesluit deze mogelijkheid biedt, kan het totaal aan overige kosten worden berekend door de totale directe personeelskosten te vermenigvuldigen met 40%. 2. De totale directe personeelskosten als bedoeld in lid 1 worden berekend door de som van de voor iedere medewerker te berekenen directe personeelskosten. 3. De directe personeelskosten per medewerker als bedoeld in lid 2 worden berekend conform artikel 1.9 lid 1 onder a, zonder de opslag voor overheadkosten. 4. De leden 2 en 3 van artikel 1.9 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel1.13niet-subsidiabele kosten 1.Subsidie wordt in ieder geval niet verstrekt voor: kosten die niet aantoonbaar rechtstreeks aan de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft zijn toe te rekenen; kosten die reeds uit andere hoofde zijn gesubsidieerd tot het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of – bedrag; kosten van rente, debetrente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, kosten van juridische advisering of bijstand ten behoeve van gerechtelijke procedures, boetes en sancties; vervangingsinvesteringen; legeskosten, tenzij deze kosten expliciet subsidiabel gesteld worden; reguliere investeringen in de onderneming van de subsidieontvanger; [vervallen] verrekenbare of compensabele BTW; kosten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet voldoen aan de vereisten van goed financieel beheer als bedoeld in artikel 30 van Verordening (EU) 966/2012 (Financieel Reglement); winstopslagen binnen een samenwerkingsverband. 2.Indien de activiteit betrekking heeft op een investering in de landbouw wordt eveneens geen subsidie verstrekt voor de aankoop van: landbouwproductierechten; betalingsrechten; dieren; zaai- en pootgoed van eenjarige gewassen alsmede het planten daarvan. Artikel1.14adviescommissie 1.Gedeputeerde Staten kunnen één of meer adviescommissies instellen. 2.Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden voorgelegd aan een adviescommissie. Artikel1.15honorering subsidieaanvragen 1.Gedeputeerde Staten verdelen het beschikbare subsidieplafond door middel van: rangschikking op basis van selectiecriteria, of; rangschikking op basis van een investeringslijst, of; een geografisch criterium; of een combinatie van de onder a, b of c genoemde methoden. 2.De aanvraag die de meeste punten toegekend heeft gekregen, wordt bovenaan de rangschikkingslijst geplaatst. 3.Aanvragen worden gehonoreerd op volgorde van de rangschikkingslijst, beginnend met de aanvraag die bovenaan die rangschikkingslijst geplaatst is. 4.Indien aanvragen voor subsidie op gelijke plaats zijn gerangschikt en honorering van die aanvragen zou leiden tot een overschrijding van het subsidieplafond, worden de aanvragen gehonoreerd op basis van een door Gedeputeerde Staten vastgestelde procedure. 5.Indien ook na toepassing van de procedure genoemd in het vierde lid, twee of meer aanvragen eenzelfde plaats in de rangschikking hebben en de som van de toe te kennen subsidiebedragen overstijgt het subsidieplafond, dan wordt door middel van loting bepaald welke aanvraag of aanvragen gehonoreerd worden. Artikel1.15arangschikking op basis van selectiecriteria 1.Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden gerangschikt op basis van selectiecriteria, wordt de rangschikking bepaald door het totaal aantal punten dat wordt behaald op basis van de selectiecriteria. 2.Per selectiecriterium kan 0 tot en met 5 punten behaald worden. 3.In aanvulling op artikel 1.3 stellen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit per selectiecriterium een wegingsfactor van 1, 2, 3 of 4 vast. 4.Het aantal punten van een aanvraag wordt bepaald door per selectiecriterium de score te vermenigvuldigen met de aangegeven weging van het criterium en alle zo verkregen punten op te tellen. 5.Tenzij in het openstellingsbesluit een hoger te behalen percentage is bepaald, wordt een aanvraag niet gehonoreerd indien de aanvraag minder dan 60% van het totaal aantal te behalen punten heeft behaald. Artikel1.15brangschikking op basis van een investeringslijst 1.Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt worden op basis van een investeringslijst, wordt de rangschikking bepaald door het aantal punten dat wordt behaald door toepassing van de investeringslijst. 2.In aanvulling op artikel 1.3 stellen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit het aantal te behalen punten per investeringscategorie, de investeringslijst, vast. Artikel1.15crangschikking op basis van een geografisch selectiecriterium 1.Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt worden op basis van een geografisch selectiecriterium, komen projecten slechts in aanmerking indien gelegen in het aangewezen geografisch gebied. Gedeputeerde Staten kunnen in het openstellingsbesluit een nadere prioritering van locaties binnen dit geografisch gebied aanbrengen. 2.Bij rangschikking op basis van een geografisch selectiecriterium kan een aanvullend selectiecriterium gehanteerd worden. 3.Tenzij in het openstellingsbesluit een hogere te behalen score is bepaald, wordt een aanvraag als bedoeld in het tweede lid niet gehonoreerd indien de aanvraag op het aanvullende criterium minder dan 3 punten heeft behaald. Artikel1.16beslistermijn Gedeputeerde Staten beslissen binnen 22 weken na afloop van de periode waarbinnen een aanvraag om subsidie ontvangen moet zijn. Artikel1.16amaximale hoogte subsidie Er wordt niet meer subsidie verleend dan aangevraagd. Artikel1.17verplichtingen 1.De subsidieontvanger is verplicht: de voorschriften uit de Aanbestedingswet in acht te nemen indien de subsidieontvanger aanbestedingsplichtig is op grond van de Aanbestedingswet; te voldoen aan de communicatieverplichtingen zoals omschreven in Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 808/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1305/2013; in geval van investeringen de investering op het moment van indiening van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie gebruiksklaar te hebben; indien er sprake is van een investering in infrastructuur of een productieve investering de investering gedurende vijf jaar na eindbetaling gebruiksklaar in stand te houden, tenzij er sprake is van een investering door een MKB-bedrijf of er sprake is van een investering die leidt tot door een MKB bedrijf gecreëerde banen, in welk geval de instandhoudingsverplichting drie jaar bedraagt; uiterlijk twee maanden na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening te zijn gestart met de uitvoering van de activiteit als beschreven in het projectplan, tenzij in het openstellingsbesluit of in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald; een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor een juist inzicht in de realisatie van de gesubsidieerde activiteiten en voor een juiste subsidieverstrekking, hetgeen inhoudt dat alle inkomsten en alle van toepassing zijnde uitgaven in de administratie zijn vastgelegd met bijbehorende bewijsstukken, als: een sluitende urenadministratie; een deugdelijk en volledig inkoopdossier; bewijsstukken, als onderdeel van de administratie aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en dat daaruit de aard van de geleverde zaken en diensten duidelijk blijkt. de administratie en de daartoe behorende bescheiden te bewaren tot 5 jaar na de datum waarop de vaststellingsbeschikking voor de betreffende subsidie is bekendgemaakt; eenmaal per jaar een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten in te dienen, tenzij in het openstellingsbesluit of in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald; de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht; de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen indien niet, niet tijdig of niet geheel zal worden voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn; medewerking te verlenen aan met het toezicht op deze regeling belaste toezichthouders; vervreemding van de onderneming waaraan subsidie is verstrekt of grond waarop een activiteit waarvoor subsidie is verstrekt betrekking heeft, zo spoedig als mogelijk maar uiterlijk de dag van daadwerkelijke vervreemding bij de subsidieverstrekker te melden. 2.Een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder h, bevat tenminste een beschrijving van: de uitgevoerde activiteiten; de eventuele afwijkingen van het projectplan, alsmede de oorzaak daarvan; de mate waarin de uitgevoerde activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan beschreven doelstellingen; de activiteiten die in het komende jaar uitgevoerd zullen worden; de eventuele maatregelen die genomen worden om een eventuele achterstand in te lopen; de financiële voortgang waarin tenminste is opgenomen: een actueel kostenoverzicht in relatie tot de begroting; een financieringsoverzicht alsmede een overzicht van toegezegde financiering van derden; de financiële planning voor de resterende looptijd van de activiteit. Artikel1.18niet doel gebonden verplichtingen Gedeputeerde Staten kunnen in de subsidiebeschikking aan een subsidieontvanger verplichtingen als bedoeld in artikel 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht opleggen. Artikel1.19verrekening vermogensvoordeel 1.In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd is. 2.De hoogte van de vergoeding is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsidieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale inkomsten dat gedurende de laatste tien jaar de subsidie is geweest. Bij de bepaling van de waarde van de vermogensbestanddelen wordt uitgegaan van hun waarde op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen. 3.De waarde van de onroerende zaken wordt bepaald op basis van hun waarde in het economisch verkeer, vastgesteld door een onafhankelijke deskundige, die daartoe door Gedeputeerde Staten in overleg met de subsidieontvanger wordt aangewezen. 4.De waarde van roerende zaken wordt bepaald op basis van hun boekwaarde, geldmiddelen, waaronder begrepen de banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde. Artikel1.20verrekening netto inkomsten gedurende uitvoering Indien de subsidie betrekking heeft op paragraaf 1, 7 of 8 van hoofdstuk 2, of op hoofdstuk 3 worden netto inkomsten die tijdens de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden als bedoeld in artikel 65, lid 8, van Vo (EU) 1303/2013, overeenkomstig genoemd artikel in mindering gebracht op de subsidiabele kosten. Artikel1.21verrekening netto inkomsten na uitvoering Indien de subsidie betrekking heeft op paragraaf 1, 7 of 8 van hoofdstuk 2, of op hoofdstuk 3, worden netto inkomsten die na de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden als bedoeld in artikel 61 van Vo (EU) 1303/2013, overeenkomstig genoemd artikel in mindering gebracht op de subsidiabele kosten. Artikel1.22verlaging in verband met het niet voldoen aan de verplichting tot instandhouding van een investering in infrastructuur of een productieve investering 1.Indien de subsidie betrekking heeft op een investering in infrastructuur of een productieve investering verlagen Gedeputeerde Staten de vastgestelde subsidie indien na vaststelling van de subsidie maar binnen de instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel 1.17 lid 1 aanhef en onder d: de productieactiviteit wordt beëindigd of wordt verplaatst naar een locatie buiten het grondgebied van het in de Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden; of een verandering in de eigendom van een infrastructuurvoorziening plaatsvindt waardoor een onderneming, rechtspersoon of een overheidsinstantie een onrechtmatig voordeel behaalt; of een substantiële verandering in de aard, de doelstellingen of de uitvoeringsvoorwaarden plaatsvindt waardoor de oorspronkelijke doelstelling of doelstellingen van de investering of investeringen worden ondermijnd. 2.De verlaging van de subsidie wordt naar rato berekend op basis van de periode waarvoor niet aan de vereisten is voldaan. 3.Het eerste lid is niet van toepassing indien de productiecapaciteit is beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement. Artikel1.23bevoorschotting op basis van realisatie (tussentijdse betalingen) 1.Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag voorschotten op basis van realisatie verlenen, tenzij er sprake is van subsidieverlening op basis van een vast bedrag. 2.Het voorschot wordt verleend op basis van gerealisserde kosten en betalingen. 3.Een aanvraag om een voorschot bevat een verslag omtrent de voortgang als bedoeld in artikel 1.17, aanhef en sub h en bevat voor zover van toepassing: bonnen en betaalbewijzen; bewijsstukken inzake de gemaakte personeelskosten; bewijsstukken inzake geleverde inbreng in natura; bewijsstukken inzake afschrijvingskosten.; bewijsstukken inzake inbreng onbetaalde eigen arbeid; bewijsstukken ten aanzien van de realisatie van de activiteit. 4.Tenzij in het openstellingsbesluit of de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald heeft de aanvraag om een voorschot betrekking op minimaal 25% van de verleende subsidie of minimaal € 50.000,- aan subsidie. 5.Gedeputeerde Staten beslissen binnen 13 weken op een aanvraag om voorschot. Artikel1.24verlagen voorschot 1.Gedeputeerde staten stellen bij de behandeling van een verzoek om voorschot als bedoeld in artikel 1.23 vast welk bedrag op grond van deze regeling, het openstellingsbesluit of de beschikking tot subsidieverlening kan worden verstrekt. 2.Indien het gevraagde bedrag aan voorschot meer dan 10% hoger is dan het onder het eerste lid berekende bedrag, wordt het onder het eerste lid berekende bedrag verlaagd. 3.De verlaging is gelijk aan het verschil tussen het gevraagde bedrag aan voorschot en het onder het eerste lid berekende bedrag. 4.Het voorschot wordt maximaal verlaagd tot nihil. Artikel1.25voorschotten vooruitlopend op realisatie 1.Indien in een openstelling bepaald, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek voorschotten vooruitlopend op realisatie verlenen. 2.Een voorschot vooruitlopend op realisatie kan slechts worden verleend indien er sprake is van investeringsgerelateerde steun of steun voor voorbereiding en uitvoering van samenwerkingsactiviteiten van de lokale groep. 3.Een voorschot vooruitlopend op realisatie kan slechts worden verleend indien er een bankgarantie of een gelijkwaardige garantie voor 100% van het voorschot is gesteld. 4.Een door een overheidsinstantie ter beschikking gestelde garantiefaciliteit wordt beschouwd als gelijkwaardig aan de in het derde lid bedoelde garantie, indien de instantie zich ertoe verbindt het door die garantie gedekte bedrag te betalen wanneer er geen recht op betaling van het voorschot wordt vastgesteld. 5.Een voorschot vooruitlopend op realisatie kan maximaal 50% van de oorspronkelijk verleende subsidie bedragen. 6.Gedeputeerde Staten beslissen binnen 13 weken op een verzoek om een voorschot vooruitlopend op realisatie. Artikel1.26wijzigingsverzoeken 1.Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek de beschikking tot subsidieverlening wijzigen. 2.Een verzoek tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening kan niet worden gehonoreerd indien de wijziging leidt tot een activiteit die op grond van het openstellingsbesluit niet subsidiabel is; leidt tot een lager aantal punten dan het minimum aantal punten dat op grond van het openstellingsbesluit noodzakelijk was om voor subsidie in aanmerking te komen; zou leiden tot een lagere plaats op de rangschikking dan de plaats waarop het subsidieplafond werd bereikt. Artikel1.27subsidievaststelling 1.Subsidieontvanger is verplicht de aanvraag tot subsidievaststelling binnen drie jaar na datum subsidiebeschikking of, indien dat eerder is, uiterlijk op 1 april 2025 in te dienen, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald. 2.De aanvraag om subsidievaststelling bevat een inhoudelijk en financieel verslag en bevat daarnaast voor zover van toepassing: bonnen en betaalbewijzen; bewijsstukken inzake de gemaakte personeelskosten; bewijsstukken inzake geleverde inbreng in natura; bewijsstukken inzake afschrijvingskosten. bewijsstukken inzake geleverde onbetaalde eigen arbeid; bewijsstukken ten aanzien van de realisatie van de activiteit. 3.Bij een aanvraag tot subsidievaststelling wordt mededeling gedaan van alle aan het project gelieerde inkomsten, waaronder mede begrepen eventueel toegekende andere subsidies die op de gesubsidieerde activiteit of activiteiten betrekking hebben. 4.Bij de rekening en verantwoording, bedoeld in artikel 4:45, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maakt de subsidieontvanger een onderverdeling naar de onderscheiden subsidiabele kosten. 5.Het inhoudelijk verslag bevat ten minste: een beschrijving van de activiteiten die in het kader van het project zijn verricht; een evaluatie van de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het projectplan dat onderdeel vormt van de beschikking tot subsidieverlening; de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan, en de wijze waarop de kennis en informatie, bedoeld in onderdeel c, openbaar is of zal worden gemaakt, ingeval is bepaald dat openbaarmaking plaatsvindt; 6.Gedeputeerde Staten beslissen binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling. 7.Indien de aanvraag tot subsidievaststelling tevens een verzoek om uitbetaling van gerealiseerde kosten en betalingen bevat, zijn artikel 1.23, derde lid, en artikel 1.24 van overeenkomstige toepassing. Artikel1.28wettelijke rente bij terugvordering. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente. De rente wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de in de terugvorderingsopdracht voor de begunstigde vastgestelde betalingstermijn, die niet meer dan 60 dagen mag bedragen, en de datum van de terugbetaling dan wel verrekening. Artikel1.29verlagingen 1.Gedeputeerde Staten verlagen de verleende subsidie, het voorschot of de vastgestelde subsidie indien er onregelmatigheden zijn geconstateerd. 2.Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht verstaan die bestaat uit een handeling of een nalaten van een subsidieontvanger waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave. Hoofdstuk2Maatregelen §1Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en demonstraties Artikel2.1.1subsidiabele activiteit 1.Subsidie kan worden verstrekt voor demonstraties, het verzorgen van trainingen, workshops en coaching aan een groep van landbouwondernemers. 2.De activiteiten hebben als doel het informeren over innovaties en modernisering, en de toepassing ervan te bevorderen rond één of meerdere van de volgende thema’s: verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie; beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen; maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik of een meer gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen; klimaatmitigatie; klimaatadaptatie; verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier; behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3, derde lid kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit nadere regels stellen omtrent: de doelgroep; het minimale aantal deelnemende landbouwers; een maximumbedrag dat per deelnemer zal worden vergoed. Artikel2.1.2aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan degene die de opleiding of andere vorm van kennisoverdracht of voorlichting levert. Artikel2.1.3aanvraag 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag om subsidie een omschrijving van de organisatie waaruit blijkt dat de organisatie beschikt over voldoende gekwalificeerd en getraind personeel om de activiteit uit te voeren. 2.Indien het voornemen is om voor deelname aan een kennisoverdrachtsactiviteit bij de deelnemers een bijdrage in rekening te brengen dan dient dit inzichtelijk gemaakt te worden bij de subsidieaanvraag. Artikel2.1.4subsidiabele kosten 1.Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten: kosten voor de inzet van procesbegeleiders en adviseurs; materiaalkosten; kosten voor ruimten en bijbehorende faciliteiten; kosten voor drukwerk, mailings en de inrichting van website(s); kosten van koop of huurkoop van fysieke investeringen die noodzakelijk zijn bij demonstratieactiviteiten; kosten voor projectmanagement en projectadministratie; algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a. 2.In aanvulling op het eerste lid kan subsidie worden verleend voor: voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.12 lid 3 en 4; kosten van koop van tweedehands machines en installaties noodzakelijk voor demonstratieactiviteiten, tot maximaal de marktwaarde van de activa. Artikel2.1.5niet subsidiabele kosten Onverminderd het bepaalde in artikel 1.13 zijn de navolgende kosten niet subsidiabel: kosten voor de ontwikkeling van nieuwe kennis; kosten voor cursussen of stages die deel uitmaken van normale programma's of leergangen van het reguliere onderwijs; Inbreng van eigen uren door landbouwers om als deelnemer aan de kennisoverdrachtsactiviteit deel te nemen. Artikel2.1.6hoogte subsidie De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten. Artikel2.1.7rangschikking 1.Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria: Effectiviteit; Haalbaarheid/kans op succes; Efficiëntie. 2.Onverminderd het eerste lid, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten tevens de innovativiteit als selectiecriterium te hanteren. §2Fysieke investeringen voor innovatie en modernisering van agrarische ondernemingen Artikel2.2.1subsidiabele activiteit 1.Subsidie kan worden verstrekt voor fysieke investeringen voor de bredere uitrol van innovaties binnen de agrarische sector. 2.Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de activiteit betrekking heeft op tenminste één van de volgende thema’s: verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaardestrategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen, meerwaardecreatie; beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen, verminderen van marktfalen; maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik of een meer gesloten kringloop, met als resultaat een emissievermindering van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en bestrijdingsmiddelen en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen zoals water, fosfaat en bodemvruchtbaarheid; klimaatmitigatie zoals vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door een zuiniger energiegebruik, reductie van het gebruik van fossiele energie door omschakeling op hernieuwbare energie, productie van hernieuwbare energie; klimaat adaptatie door het tegen gaan van dan wel het verminderen van de effecten van grotere watertekorten en -overschotten en toenemende verzilting; verbetering van dierenwelzijn en diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier; behoud en versterking van biodiversiteit en omgevingskwaliteit. Artikel2.2.2aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan landbouwers en groepen van landbouwers. Artikel2.2.3subsidiabele kosten 1.Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten: kosten voor bouw of verbetering van onroerende zaken; kosten voor verwerving of leasing van onroerende zaken; kosten voor aankoop van grond. kosten van koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a; kosten voor projectmanagement en projectadministratie. 2.In het openstellingsbesluit kunnen de volgende kosten subsidiabel worden gesteld: kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten of merken; kosten van koop van tweedehands machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; voorbereidingskosten zoals bedoeld in artikel 1.12 lid 3 en 4. artikel2.2.4hoogte subsidie De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten. Artikel2.2.5rangschikking 1.Aanvragen kunnen worden gerangschikt op basis van selectiecriteria of op basis van een investeringslijst. 2.In het openstellingsbesluit wordt kenbaar gemaakt of aanvragen worden gerangschikt op basis van selectiecriteria of op basis van een investeringslijst. 3.Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, gerangschikt worden op basis van selectiecriteria, worden de aanvragen gerangschikt op basis van de volgende criteria: Effectiviteit; Haalbaarheid/kans op succes; Innovativiteit; Efficiëntie. 4.Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt worden op basis van een investeringslijst, vindt rangschikking plaats conform artikel 1.15b. §3fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van jonge landbouwers Artikel2.3.1lijst van investeringen In aanvulling op artikel 1.3 stellen Gedeputeerde Staten een lijst op van fysieke investeringen gericht op verduurzaming van landbouwbedrijven. Deze lijst bevat geen investeringen die alleen of hoofdzakelijk gericht zijn op de verbetering van de rentabiliteit van een landbouwbedrijf. Artikel2.3.2activiteiten 1.Subsidie kan worden verstrekt voor investeringen die zijn opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 2.3.1. 2.In aanvulling op artikel 1.3 kunnen gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit het aantal investeringen waarop een aanvraag voor subsidie betrekking heeft, beperken. 3.Indien de fysieke investering een onroerende zaak betreft, wordt uitsluitend subsidie verstrekt indien: de investering op de grond van het landbouwbedrijf van de subsidieontvanger plaats vindt; of er voor de investering het recht van opstal is verleend indien een derde eigenaar is van de grond waarop de investering plaats vindt. Artikel2.3.3begunstigden 1.Subsidie wordt verstrekt aan jonge landbouwers. 2.Een jonge landbouwer is een persoon die bij het indienen van de aanvraag om subsidie niet ouder is dan 40 jaar, een erkende landbouwkundige opleiding of een gelijkwaardige opleiding afgerond heeft of over ten minste drie jaar werkervaring op een landbouwbedrijf beschikt en die: zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigt; en hetzij alleen hetzij gezamenlijk met andere landbouwers daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over het landbouwbedrijf heeft wat betreft de beslissingen die op het gebied van het beheer, de voordelen en de financiële risico’s worden genomen. 3.Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is sprake als de jonge landbouwer: op basis van de statuten of een schriftelijke door alle maten of vennoten ondertekende overeenkomst tenminste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van bedrijfsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000,-; en ten minste mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering. 4.Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is geen sprake indien: de jonge landbouwer een commanditaire vennoot van het betreffende landbouwbedrijf is; of de schriftelijke overeenkomst als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, door elk der partijen eenzijdig kan worden opgezegd. 5.Indien de investering waarvoor subsidie wordt gevraagd wordt gedaan om te voldoen aan de normen van de Europese Unie voor landbouwproductie, wordt in aanvulling op de voorwaarden gesteld in het tweede lid slechts subsidie verstrekt aan jonge landbouwers die zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigen, uiterlijk 24 maanden na de datum waarop de betrokken landbouwer zich als bedrijfshoofd heeft gevestigd. 6.Onder vestiging als bedoeld in dit artikel wordt verstaan: de datum waarop de aanvrager een handeling of handelingen stelt of voltooit in verband met die vestiging. Artikel2.3.4aanvraag 1.In aanvulling op artikel 1.7, tweede lid, bevat de aanvraag om subsidie: de gemaakte keuze voor de wijze waarop de subsidie berekend wordt; KVK nummer van het landbouwbedrijf; de notariële akte van overdracht van aandelen of van de oprichting van de bv en het aandelenregister of de door alle maten getekende maatschapsakte met vermelding van alle maten; een projectplan als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid aanhef en onder f, waarin opgenomen een beschrijving van de investeringen per categorie waaruit blijkt dat de betreffende investering voldoet aan de omschrijving van de categorie genoemd in de lijst. 2.Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van het landbouwbedrijf onder de verschillende bedrijfshoofden bevat de aanvraag om subsidie tevens een controleverklaring. 3.Gedeputeerde Staten kunnen in aanvulling op artikel 1.3 nadere regels stellen omtrent de in het tweede lid bedoelde controleverklaring. Artikel2.3.5weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd indien er op grond van deze paragraaf reeds een subsidie van 1 euro of meer is verstrekt voor het landbouwbedrijf of er op grond van hoofdstuk 2, titel 6 paragraaf 2 van de Regeling LNV subsidies of de Subsidieregeling jonge Agrariërs van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit reeds een subsidie van 1 euro of meer is verstrekt aan de aanvrager. Artikel2.3.6subsidiabele kosten Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten: kosten voor bouw of verbetering van onroerende zaken; kosten voor verwerving of leasing van onroerende zaken; kosten van koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a; kosten voor projectmanagement en projectadministratie. In het openstellingsbesluit kunnen de volgende kosten subsidiabel worden gesteld: kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten of merken; kosten van koop van tweedehands machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.12 lid 3 en 4. Artikel2.3.7hoogte subsidie 1.De subsidie bedraagt 30% van de subsidiabele kosten indien het landbouwbedrijf volledig bestaat uit jonge landbouwers. 2.Indien er naast jonge landbouwers ook niet-jonge landbouwers bedrijfshoofd zijn in het landbouwbedrijf wordt de subsidie bedoeld in het eerste lid verlaagd met 20% per niet-jonge landbouwer, met een maximum van 80%. 3.Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van het landbouwbedrijf, bedraagt de subsidie in afwijking van het eerste lid , 30% van de subsidiabele kosten vermenigvuldigd met het percentage eigen vermogen van het landbouwbedrijf dat in eigendom is van jonge landbouwers. 4.De subsidie bedraagt maximaal € 20.000,-. 5.Indien toepassing van dit artikel er toe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 10.000,- wordt de subsidie niet verstrekt. 6.In aanvulling op artikel 1.3 kunnen gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit een minimum bedrag per investering vaststellen. Artikel2.3.8rangschikking 1.Gedeputeerde Staten stellen per fysieke investering op de lijst als bedoeld in artikel 2.3.1 een punten aantal vast. 2.Gedeputeerde Staten hanteren het punten aantal als bedoeld in het eerste lid voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15b. 3.Voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15b kunnen Gedeputeerde Staten tevens de bijdrage aan een in een openstellingsbesluit nader omschreven beleidsdoel hanteren. §4investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven Artikel2.4.1subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor: planvorming, draagvlakontwikkeling voor verbetering van de verkavelingsstructuur van landbouwbedrijven en, of de verplaatsing van landbouwbedrijven gericht op verbetering van de landbouwinfrastructuur; de verbetering van de verkavelingsstructuur van landbouwbedrijven; de verplaatsing van landbouwbedrijven gericht op verbetering van de landbouwinfrastructuur; een combinatie van onderdeel a met onderdeel b en, of c. Artikel2.4.2aanvrager Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 wordt verstrekt aan: landbouwers; grondeigenaren die geen landbouwer zijn; pachters; stichtingen voor kavelruil; landbouworganisaties; provincies; waterschappen; gemeenten; natuur- en landschapsorganisaties. §4.1Planvorming / draagvlakontwikkeling Artikel2.4.1.1subsidiabele kosten in geval van planvorming / draagvlakontwikkeling 1.Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 aanhef en onder a wordt verstrekt voor administratieve en juridische kosten. 2.Administratieve en juridische kosten bestaan uit de volgende kosten: kosten voor draagvlakontwikkeling; inhuur van kavelruilcoördinatoren en andere experts; faciliteren aankoop ruilgronden; opstellen en ondersteunen van verkavelingsplannen en verkavelingsprocedures; vacatiegelden voor gebiedscommissies; kadaster- en notariskosten; kosten voor projectmanagement en projectadministratie. Artikel2.4.1.2hoogte subsidie De subsidie bedraagt 100% van de kosten. Artikel2.4.1.3rangschikking 1.Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, kunnen worden gerangschikt op basis van: selectiecriteria; of een geografisch selectiecriterium in combinatie met een beoordeling van de efficiëntie. 2.In het openstellingsbesluit wordt bekend gemaakt of gebruik gemaakt wordt van rangschikking op basis van selectiecriteria of op basis van een geografisch selectiecriterium in combinatie met een beoordeling van de efficiëntie. 3.Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, gerangschikt worden op basis van selectiecriteria, worden de aanvragen gerangschikt op basis van de volgende criteria: Effectiviteit; Haalbaarheid/kans op succes; Urgentie; Efficiëntie. 4.Indien aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt worden op basis van een geografisch selectiecriterium in combinatie met een beoordeling van de efficiëntie, vindt rangschikking plaats conform het bepaalde in artikel 1.15c. §4.2Verbetering van de verkavelingsstructuur van landbouwbedrijven Artikel2.4.2.1subsidiabele kosten Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 aanhef en onder b wordt verstrekt voor de volgende kosten: administratieve en juridische procedurekosten als bedoeld in artikel 2.4.1.1 tweede lid; investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen en de aankoop van ruilgronden; investeringen om kavels beter bewerkbaar of bereikbaar te maken; voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.12 lid 3 en 4. Artikel2.4.2.2subsidiabele kosten voor investeringen 1.Onder investeringen als bedoeld in artikel 2.4.2.1 aanhef en onder b en c worden de volgende kosten verstaan: de kosten van de bouw of verbetering van onroerende zaken; de kosten van de verwerving of leasing van onroerende zaken; de kosten van aankoop van grond; de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a. 2.In het openstellingsbesluit kunnen ten behoeve van investeringen de volgende kosten subsidiabel worden gesteld: de kosten van de koop van tweede hands machines en installaties, indien noodzakelijk voor het project en de kosten aantoonbaar de marktwaarde niet overstijgen; de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken. Artikel2.4.2.3hoogte subsidie De subsidie bedraagt 100% van de kosten als bedoeld in artikel 2.4.2.1 aanhef en sub b; 100% van de subsidiabele kosten van investeringen voor maatregelen als bedoeld in artikel 2.4.2.1 aanhef en sub c; 40% van de subsidiabele kosten van investeringen als bedoeld in artikel 2.4.2.1 aanhef en sub c. Artikel2.4.2.4.rangschikking 1.Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, kunnen worden gerangschikt op basis van: selectiecriteria; of een geografisch selectiecriterium in combinatie met een beoordeling van de efficiëntie. 2.In het openstellingsbesluit wordt bekend gemaakt of gebruik gemaakt wordt van rangschikking op basis van selectiecriteria of op basis van een geografisch selectiecriterium in combinatie met een beoordeling van de efficiëntie. 3.Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, gerangschikt worden op basis van selectiecriteria, worden de aanvragen gerangschikt op basis van de volgende criteria: Effectiviteit; Haalbaarheid/kans op succes; Urgentie; Efficiëntie. 4.Indien aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt worden op basis van een geografisch selectiecriterium in combinatie met een beoordeling van de efficiëntie, vindt rangschikking plaats conform het bepaalde in artikel 1.15c. §4.3Verplaatsing van landbouwbedrijven gericht op verbetering van de landbouwinfrastructuur Artikel2.4.3.1subsidiabele kosten Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 aanhef en onder c wordt verstrekt voor de volgende kosten: administratieve en juridische kosten, als bedoeld in artikel 2.4.1.1 tweede lid; kosten van het demonteren, verhuizen en weer opbouwen van bestaande voorzieningen; investeringen in nieuwe gebouwen of nieuwe voorzieningen op de nieuwe bedrijfslocatie ; investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen; investeringen om individuele kavels beter bewerkbaar of bereikbaar te maken. Artikel2.4.3.2subsidiabele kosten voor investeringen gerelateerd aan de verplaatsing van een landbouwbedrijf 1.Onder kosten van investeringen gerelateerd aan de verplaatsing van een landbouwbedrijf als bedoeld in artikel 2.4.3.1 aanhef en onder b, c, d en e worden de volgende kosten verstaan: de kosten van de bouw of verbetering van onroerende zaken; de kosten van de verwerving of leasing van onroerende zaken; kosten voor aankoop van grond; de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a. 2.In het openstellingsbesluit kunnen de volgende kosten subsidiabel worden gesteld: de kosten van de koop van tweede hands machines en installaties, indien noodzakelijk voor het project en de kosten aantoonbaar de marktwaarde niet overstijgen; de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; voorbereidingskosten, als bedoeld in artikel 1.12, derde en vierde lid. Artikel2.4.3.3hoogte subsidie bij verplaatsing van landbouwbedrijven De subsidie bedraagt voor kosten als bedoeld in artikel 2.4.3.1 aanhef en onder a en d: 100% kosten als bedoeld in artikel 2.4.3.1 aanhef en onder b en c, waarbij de bedrijfsverplaatsing niet leidt tot een verhoging van de productiecapaciteit, de waarde of rentabiliteit van de onderneming: 100%; kosten als bedoeld in artikel 2.4.3.1 aanhef en onder b en c, waarbij de bedrijfsverplaatsing leidt tot een verhoging van de productiecapaciteit, de waarde of rentabiliteit van de onderneming: 40% voor het deel dat leidt tot de verhoging van de productiecapaciteit, de waarde of rentabiliteit van de onderneming; 100% voor het overige deel. kosten van investeringen als bedoeld in artikel 2.4.3.1 aanhef en onder e: 40%. Artikel2.4.3.4rangschikking 1.Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, kunnen worden gerangschikt op basis van: selectiecriteria; of een geografisch selectiecriterium in combinatie met een beoordeling van de efficiëntie. 2.In het openstellingsbesluit wordt bekend gemaakt of gebruik gemaakt wordt van rangschikking op basis van selectiecriteria of op basis van een geografisch selectiecriterium in combinatie met een beoordeling van de efficiëntie. 3.Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, gerangschikt worden op basis van selectiecriteria, worden de aanvragen gerangschikt op basis van de volgende criteria: Effectiviteit; Haalbaarheid/kans op succes; Urgentie; Efficiëntie. 4.Indien aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt worden op basis van een geografisch selectiecriterium in combinatie met een beoordeling van de efficiëntie, vindt rangschikking plaats conform het bepaalde in artikel 1.15c. §5niet-productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur, landschap en hydrologische maatregelen Stikstof Artikel2.5.1subsidiabele activiteit 1.Subsidie kan worden verstrekt voor niet productieve hydrologische maatregelen Stikstof en niet-productieve investeringen voor herstel- of inrichtingsmaatregelen voor natuur, landschap, biodiversiteit. 2.Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor niet productieve hydrologische maatregelen Stikstof en niet-productieve investeringen als bedoeld in het eerste lid, met een aangetoonde directe link met de landbouw. Artikel2.5.2aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan: landbouwers; grondeigenaren; grondgebruikers; landbouworganisaties; natuur- en landschapsorganisaties; provincies; waterschappen; gemeenten; samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen. Artikel2.5.3subsidiabele kosten 1.Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten, voor zover de kosten direct samenhangen met de investering: de kosten van de bouw of verbetering van onroerende zaken; de kosten van verwerving of leasing van onroerende zaken; de kosten van aankoop van grond; de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a; de kosten van projectmanagement en projectadministratie. 2.In het openstellingsbesluit kunnen de volgende kosten subsidiabel worden gesteld: de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; de kosten voor verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; de kosten van koop van tweedehands installaties en machines tot maximaal de marktwaarde van de activa; voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.12 lid 3 en 4. Artikel2.5.4hoogte subsidie De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten. Artikel2.5.5rangschikking 1.Aanvragen die voor subsidie in aanmerkingkomen, kunnen worden gerangschikt op basis van selectiecriteria, op basis van een geografisch selectiecriterium of op basis van een investeringslijst. 2.In het openstellingsbesluit wordt aangegeven of rangschikking plaats zal vinden op basis van selectiecriteria, op basis van een geografisch selectiecriterium of op basis van een investeringslijst. 3.Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, gerangschikt worden op basis van selectiecriteria, worden de aanvragen gerangschikt op basis van de volgende criteria: Effectiviteit; Haalbaarheid/kans op succes; Urgentie; Efficiëntie. 4.Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt worden op basis van een investeringslijst, vindt rangschikking plaats conform artikel 1.15b. 5.Indien aanvragen worden gerangschikt op basis van een investeringslijst kan in het openstellingsbesluit worden bepaald dat aan aanvragers die door middel van een collectief inkoopsysteem een lagere aanschafprijs hebben bedongen een in het openstellingsbesluit bekend gemaakte hoeveelheid extra punten worden toegekend. 6.Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt worden op basis van een geografisch selectiecriterium, vindt rangschikking plaats conform artikel 1.15c. §6niet-productieve investeringen water Artikel2.6.1subsidiabele activiteit 1.Subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve investeringen die betrekking hebben op de inrichting of herinrichting, of transformatie en het beheer van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen. 2.Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor niet-productieve investeringen als bedoeld in het eerste lid, met een directe link met de landbouw. Artikel2.6.2aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan: landbouwers; grondeigenaren; grondgebruikers; landbouworganisaties; natuur- en landschapsorganisaties; provincies; waterschappen; gemeenten samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen. Artikel2.6.3subsidiabele kosten 1.Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten, voor zover de kosten direct samenhangen met de investering: de kosten van de bouw of verbetering van onroerende zaken: de kosten van verwerving of leasing van onroerende zaken; de kosten van aankoop van grond; de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a; de kosten van projectmanagement en projectadministratie. 2.In het openstellingsbesluit kunnen de volgende kosten subsidiabel worden gesteld: de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; de kosten voor verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; de kosten van koop van tweedehands installaties en machines tot maximaal de marktwaarde van de activa; voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.12 lid 3 en 4. Artikel2.6.4hoogte subsidie De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten. Artikel2.6.5rangschikking 1.Aanvragen kunnen worden gerangschikt op basis van selectiecriteria, een geografisch selectiecriterium of een investeringslijst. 2.In het openstellingsbesluit wordt aangegeven of aanvragen gerangschikt worden op grond van selectiecriteria, een geografisch selectiecriterium of een investeringslijst. 3.Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, gerangschikt worden op basis van selectiecriteria, worden de aanvragen gerangschikt op basis van de volgende criteria: Effectiviteit; Haalbaarheid/kans op succes; Urgentie; Efficiëntie. 4.Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt worden op basis van een investeringslijst, vindt rangschikking plaats conform artikel 1.15b. 5.Indien aanvragen worden gerangschikt op basis van een investeringslijst kan in het openstellingsbesluit worden bepaald dat aan aanvragers die door middel van een collectief inkoopsysteem een lagere aanschafprijs hebben bedongen een in het openstellingsbesluit bekend gemaakte hoeveelheid extra punten worden toegekend. 6.Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt worden op basis van een geografisch selectiecriterium, vindt rangschikking plaats conform artikel 1.15c. §7Samenwerking voor innovaties Artikel2.7.1subsidiabele activiteit 1.Subsidie kan worden verstrekt voor: de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.6 lid 1, en het gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op een innovatie, en/of de uitvoering van een innovatieproject. 2.De activiteiten zijn gericht op het praktijkrijp maken van kennis en innovatie alsmede één of meerdere van de volgende thema’s: verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie; beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen; maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik of een meer gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen; klimaatmitigatie; klimaatadaptatie; verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier; behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6, tweede lid en artikel 2.7.2. kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit nadere regels stellen omtrent: de deelnemende partijen in het samenwerkingsverband; het minimale aantal bij het samenwerkingsverband betrokken partijen; het thema waarop de activiteit betrekking heeft. Artikel2.7.2samenwerkingsverband Het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.7.1, eerste lid, bestaat tenminste uit twee partijen die van belang zijn voor het verwezenlijken van de doelstelling(
- en)van het project waarvoor subsidie is aangevraagd en bevat tenminste één landbouwer of een organisatie die landbouwers vertegenwoordigt. Artikel2.7.3aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers van het samenwerkingsverband of de initiatiefnemer van het samenwerkingsverband in wording. Artikel2.7.4aanvraag Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag: een beschrijving van het uit te voeren innovatieve project, inclusief een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen of aan te passen product, proces of procedé; een beschrijving van de verwachte resultaten en van de bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit en het duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren; een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken; een beschrijving van de interne procedures van het samenwerkingsverband waarmee transparante werking en besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee belangenconflicten worden voorkomen. Artikel2.7.5weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd: indien er voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds op grond van hoofdstuk 3 van deze regeling (LEADER) subsidie is verstrekt; voor kosten gericht op de reguliere bedrijfsvoering van bestaande reguliere samenwerkingsactiviteiten; indien steun niet wordt aangevraagd voor een proefproject of de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, processen of technieken in de landbouw- de voedingsmiddelen- of de bosbouwsector; indien de aanvraag niet wordt gedaan door een pas opgericht samenwerkingsverband of netwerk of het niet gaat om een activiteit die nieuw is voor een reeds bestaand samenwerkingsverband of netwerk. Artikel2.7.6subsidiabele kosten 1.Voor de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband en het gezamenlijk formuleren van een projectplan, wordt subsidie verstrekt voor de volgende kosten: kosten voor het werven van deelnemers; kosten voor het netwerken om het project goed te definiëren; kosten voor het opstellen van een projectplan en de samenwerkingsovereenkomst kosten voor projectmanagement en projectadministratie. 2.Voor de uitvoering van een innovatieproject, wordt subsidie verstrekt voor de volgende kosten: coördinatiekosten van het samenwerkingsverband; kosten voor het verspreiden van resultaten van het project; operationele kosten direct verbonden aan de uitvoering van het innovatieproject; kosten voor projectmanagement en projectadministratie. 3.Indien voor de uitvoering van een innovatieproject een fysieke investering wordt gedaan, wordt subsidie verstrekt voor: kosten voor bouw of verbetering van onroerende zaken; kosten voor verwerving of leasing van onroerende zaken; kosten voor aankoop van grond; kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a. 4.In aanvulling op het derde lid en voor zover verband houdend met een fysieke investering in het kader van het project kunnen in het openstellingsbesluit de volgende kosten subsidiabel worden gesteld: kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; kosten van de koop van tweedehands machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.12, lid 3 en 4. Artikel2.7.7niet subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.12, derde lid, kunnen voorbereidingskosten die worden gemaakt voor indiening van een aanvraag met betrekking tot de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.6 lid 1, en het gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op een innovatie, niet subsidiabel worden gesteld. Artikel2.7.8hoogte subsidie 1.Indien de activiteit betrekking heeft op de voortbrenging van landbouwproducten of handel in landbouwproducten bedraagt de hoogte van subsidie: voor kosten als bedoeld in 2.7.6 lid 1: 100% van de subsidiabele kosten; voor kosten als bedoeld in artikel 2.7.6 lid 2: 70% van de kosten; voor kosten als bedoeld in artikel 2.7.6 lid 3 en lid 4: 40% van de subsidiabele kosten voor productieve investeringen; 100% van de subsidiabele kosten voor niet-productieve investeringen. 2.Indien de activiteit geen betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouw producten bedraagt de hoogte van subsidie: 25% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een grote onderneming is; 35% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een middel grote onderneming is; 45% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een kleine onderneming is. 3.De percentages genoemd in het tweede lid, aanhef en onder a tot en met c kunnen worden verhoogd met 15% indien: het samenwerkingsverband bestaat uit tenminste één kleine- of middelgrote onderneming als omschreven in bijlage 1 bij Vo (EU) 651/2014 en geen van de partijen meer dan 70% van de kosten draagt, of een onderzoeks- of onderwijsinstelling aan het samenwerkingsverband deelneemt en deze instelling minimaal 10% van de kosten draagt. Artikel2.7.9rangschikking Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria: Effectiviteit Haalbaarheid/Kans op succes Innovativiteit Efficiëntie Artikel2.7.10verplichtingen aanvrager De subsidieontvanger is verplicht om de resultaten van de activiteit openbaar te maken via het EIP-netwerk als bedoeld in artikel 57, derde lid van Vo (EU) 1305/2013 en andere geëigende netwerken. §8Samenwerking in het kader van het EIP Artikel2.8.1begrippen In deze paragraaf wordt verstaan onder: EIP: het Europees Partnerschap voor innovatie, voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw als bedoeld in artikel 53 Vo (EU) 1305/2013; Operationele groepen: samenwerkingsverbanden die deel uit maken van een EIP, waarbij de groep bestaat uit minimaal twee actoren, waarvan minimaal één landbouwer deel uitmaakt of een organisatie die landbouwers vertegenwoordigt en de groep is gericht op het ontwikkelen, valideren en verfijnen van innovaties. Artikel2.8.2subsidiabele activiteit 1.Subsidie kan worden verstrekt voor: de oprichting van een operationele groep als bedoeld in artikel 1.6 lid 1 jo artikel 2.8.1 aanhef en onder b, en het gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op een innovatie; of de uitvoering van een project door de operationele groep. 2.De activiteiten zijn gericht op het praktijkrijp maken van kennis en innovatie alsmede één of meerdere van de volgende thema’s: verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie; beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen; maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik of een meer gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen; klimaatmitigatie; klimaatadaptatie; verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier; behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3, derde lid kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit nadere regels stellen omtrent: de deelnemende partijen in het samenwerkingsverband; het minimale aantal partijen in het samenwerkingsverband; het thema waarop de activiteit betrekking heeft. Artikel2.8.3aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers aan de operationele groep of de initiatiefnemer van de operationele groep in wording. Artikel2.8.4aanvraag Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag: een beschrijving van het uit te voeren innovatieve project, inclusief een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen of aan te passen product, proces of procedé; een beschrijving van de verwachte resultaten en van de bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit of het duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren; een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken; een beschrijving van de interne procedures van het samenwerkingsverband waarmee transparante werking en besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee belangenconflicten worden voorkomen. Artikel2.8.5weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd indien: er voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds op grond van hoofdstuk 3 van deze regeling (LEADER) subsidie is verstrekt; voor kosten gericht op de reguliere bedrijfsvoering van bestaande reguliere samenwerkingsactiviteiten; de steun niet wordt aangevraagd voor een proefproject of voor de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, processen of technieken in de landbouw- de voedings- of de bosbouwsector; de aanvraag niet wordt gedaan door een pas opgericht samenwerkingsverband of netwerk of het niet gaat om een activiteit die nieuw is voor een reeds bestaand samenwerkingsverband of netwerk. Artikel2.8.6subsidiabele kosten 1.Voor de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband en het gezamenlijk formuleren van een projectplan, wordt subsidie verstrekt voor de volgende kosten: kosten voor het werven van deelnemers; kosten voor het netwerken om het project goed te definiëren; kosten voor het opstellen van een projectplan en de samenwerkingsovereenkomst; kosten voor projectmanagement en projectadministratie. 2.Voor de uitvoering van een innovatieproject, wordt subsidie verstrekt voor de volgende kosten: coördinatiekosten van het samenwerkingsverband; kosten voor het verspreiden van resultaten van het project; operationele kosten direct verbonden aan de uitvoering van het innovatieproject; kosten voor projectmanagement en projectadministratie. 3.Indien voor de uitvoering van een innovatieproject een fysieke investering wordt gedaan, wordt subsidie verstrekt voor: kosten voor bouw of verbetering van onroerende zaken; kosten voor verwerving of leasing van onroerende zaken; kosten voor aankoop van grond. kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; algemene kosten als bedoeld in artikel 1.12a. 4.In aanvulling op het derde lid en voor zover verband houdend met een fysieke investering in het kader van het project kunnen in het openstellingsbesluit de volgende kosten subsidiabel worden gesteld: kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken; kosten van koop van tweedehands machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.12, lid 3 en lid 4. Artikel2.8.7niet subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.12, derde lid, kunnen voorbereidingskosten die worden gemaakt voor indiening van een aanvraag met betrekking tot de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.6 lid 1, en het gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op een innovatie, niet subsidiabel worden gesteld. Artikel2.8.8hoogte subsidie 1.Indien de activiteit betrekking heeft op de voortbrenging van landbouwproducten of handel in landbouwproducten bedraagt de hoogte van subsidie: voor kosten als bedoeld in 2.8.6 lid 1: 100% van de subsidiabele kosten; voor kosten als bedoeld in artikel 2.8.6 lid 2: 70% van de kosten; voor kosten als bedoeld in artikel 2.8.6 lid 3 en lid 4: voor zover in het openstellingsbesluit separaat subsidiabel gesteld: 60% van de subsidiabele kosten voor productieve investeringen door landbouwers; 40% van de subsidiabele kosten voor productieve investeringen door niet landbouwers en productieve investeringen door landbouwers tenzij onderdeel i van toepassing is; 100% van de subsidiabele kosten voor niet-productieve investeringen. 2.Indien de activiteit geen betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouw producten bedraagt de hoogte van subsidie: 25% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een grote onderneming is; 35% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een middel grote onderneming is; 45% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een kleine onderneming is. 3.De percentages genoemd in het tweede lid, aanhef en onder a tot en met c kunnen worden verhoogd met 15% indien: het samenwerkingsverband bestaat uit tenminste één kleine- of middelgrote onderneming als omschreven in bijlage 1 bij Vo (EU) 651/2014 en geen van de partijen meer dan 70% van de kosten draagt, of een onderzoeks- of onderwijsinstelling aan het samenwerkingsverband deelneemt en deze instelling minimaal 10% van de kosten draagt. Artikel2.8.9rangschikking Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria: Effectiviteit; Haalbaarheid/kans op succes; Innovativiteit; Efficiëntie. Artikel2.8.10Verplichtingen aanvrager De subsidieontvanger is verplicht om de resultaten van de activiteit openbaar te maken via het EIP-netwerk als bedoeld in artikel 57, derde lid van Vo (EU) 1305/2013 en andere geëigende netwerken. Hoofdstuk3Leader §1algemeen Artikel3.1.1algemeen 1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: LAG: lokale actiegroep als bedoeld in artikel 34 van Vo (EG) nr. 1303/2013; Lokale ontwikkelingsstrategie (LOS): een vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkelingsstrategie als bedoeld in artikel 33 van Vo (EG) nr. 1303/2013. 2.In een openstellingsbesluit inzake Leader kan door Gedeputeerde Staten afgeweken worden van de artikelen 1.3 en 1.15 van deze verordening. §2capaciteitsopbouw, opleiding en netwerkvorming Artikel3.2.1subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor capaciteitsopbouw, opleiding en netwerkvorming in het kader van de voorbereiding en de uitvoering van de LOS. Artikel3.2.2aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan: de penvoerder van een nieuw op te richten LAG; de penvoerder van een LAG die in de periode 2007-2013 een Leaderstatus hadden; rechtspersonen; ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid. Artikel3.2.3subsidiabele kosten Subsidie wordt verstrekt voor: de kosten van opleidingen van plaatselijke belanghebbenden; kosten van haalbaarheidsstudies of studies over het betreffende gebied; de kosten voor het opstellen van een LOS; kosten van adviseurs voor het opstellen van de LOS; kosten voor het raadplegen van belanghebbenden voor het opstellen van de LOS kosten voor projectmanagement en projectadministratie. Artikel3.2.4hoogte subsidie De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten. Artikel3.2.5selectiecriteria Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 één of meerdere van de volgende criteria: aantal en diversiteit van de betrokken samenwerkingspartners waarmee aangetoond kan worden dat er voldoende draagvlak is voor het initiatief; kwaliteit van het bijgevoegde procesplan waarmee aangetoond kan worden dat de aanvrager in staat is tot het opstellen van een LOS en het oprichten van een LAG; de mate waarin de aangedragen thema’s bijdragen aan de doelen van POP3; de mate waarin de aangedragen thema’s bijdragen aan de doelen van het provinciaal beleid. § 3 Uitvoering van LEADER-projecten Artikel3.3.1.subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van concrete acties die passen binnen de LOS. Artikel3.3.2aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan: publieke rechtspersonen, private rechtspersonen, ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, zoals eenmanszaken, vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen, maatschappen, een LAG, de penvoerder van een LAG samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen. Artikel3.3.3subsidiabele kosten Onverminderd het bepaalde in artikel 1.12 en 1.13 wordt subsidie verstrekt voor alle in het openstellingsbesluit subsidiabel gestelde kosten, voor zover gemaakt ter voorbereiding of uitvoering van projecten die passen binnen de LOS. Artikel3.3.4hoogte subsidie De hoogte van de subsidie wordt bepaald door Gedeputeerde Staten, op basis van een advies daarover door de LAG en, voor zover van toepassing, passend binnen de van toepassing zijnde staatssteunbegrenzingen. Het advies van de LAG dient te zijn gebaseerd op de berekeningsmethode als vastgelegd in de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. Artikel3.3.5subsidievereiste Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie op grond van hoofdstuk 2 is verstrekt; indien het project niet past binnen een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. Artikel3.3.6.selectiecriteria Selectie van de subsidie vindt plaats door de LAG op basis van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. De selectiecriteria zijn daarbij in ieder geval uitgewerkt op basis van de volgende 4 aspecten: De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS; De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER zoals bottom-up, integraal, innovatief, samenwerkend, gebiedsgericht); De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt; De mate van efficiency en doelmatigheid van het project. §4Voorbereiding en uitvoering van samenwerkingsactiviteiten van de lokale groep Artikel3.4.1subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor: de voorbereiding van samenwerkingsactiviteiten met het oog op het opstellen van een samenwerkingsproject en het zoeken van geschikte partners en gebieden daarvoor; de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten; de onder a. en b. bedoelde samenwerkingsactiviteiten kunnen plaats vinden binnen Nederland (inter-territoriale samenwerking) of tussen gebieden in verschillende lidstaten of met gebieden in derde landen (transnationale samenwerking). Artikel3.4.2aanvrager Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan: de penvoerder van de LAG; rechtspersonen; ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen. Artikel3.4.3.subsidievereiste Onverminderd artikel 1.8 wordt subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien het samenwerkingsproject past binnen een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. Artikel3.4.4subsidiabele kosten Subsidie in verband met de voorbereiding van samenwerkingsactiviteiten wordt verstrekt voor de volgende kosten: de kosten van haalbaarheidsstudies voor inter-territoriale of transnationale samenwerking; de kosten voor het opstellen van een projectplan; operationele kosten voor de organisatie van een samenwerkingsproject; reis- en verblijfkosten; kosten voor projectmanagement en projectadministratie. Subsidie in verband met de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten wordt verstrekt voor de volgende kosten: uitvoeringskosten; operationele kosten voor de organisatie van een samenwerkingsproject; reis- en verblijfkosten; kosten voor projectmanagement en projectadministratie. Artikel3.4.5hoogte subsidie De hoogte van de subsidie wordt bepaald door Gedeputeerde Staten, op basis van een advies daarover door de LAG. Het advies van de LAG dient te zijn gebaseerd op de berekeningsmethode als vastgelegd in de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. Artikel3.4.6selectiecriteria Selectie van de subsidie vindt plaats door de LAG op basis van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. De selectiecriteria zijn daarbij in ieder geval uitgewerkt op basis van de volgende 4 aspecten: De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS; De mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER zoals bottom-up, integraal, innovatief, samenwerkend, gebiedsgericht; De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt; De mate van efficiency en doelmatigheid van het project. §5lopende kosten, promotie en voorlichting Artikel3.5.1subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor: beheer van de uitvoering van de LOS; promotie en voorlichting van de LOS. Artikel3.5.2aanvrager Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan: de penvoerder van de LAG; rechtspersonen ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid. Artikel3.5.3.subsidievereiste Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie uitsluitend verstrekt indien het project past binnen een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. Artikel3.5.4subsidiabele kosten a.Subsidie in verband met beheer van de uitvoering van de LOS wordt verstrekt voor de volgende kosten: operationele kosten; opleidingskosten; kosten voor public relations; kosten voor financiële diensten, waaronder begrepen kosten voor bankdiensten en financieringen; kosten voor monitoring en evaluatie; kosten voor projectmanagement en projectadministratie. b.Subsidie in verband met promotie en voorlichting wordt verstrekt voor de volgende kosten: kosten voor het faciliteren van de uitwisseling tussen belanghebbenden; kosten voor het promoten van en verstrekken van informatie over de LOS kosten voor de ondersteuning van potentiële begunstigden bij de ontwikkeling van concrete projecten en het voorbereiden van aanvragen kosten voor projectmanagement en projectadministratie. Artikel3.5.5hoogte subsidie De steun bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van 25% van de totale publieke uitgaven voor de ontwikkelingsstrategie. Hoofdstuk4Slotbepalingen Artikel4.1 1.Met het toezicht op deze regeling zijn belast aangewezen ambtenaren van RVO.nl en de NVWA. 2.Met het toezicht op deze regeling zijn daarnaast belast andere aangewezen ambtenaren van Rijk, provincie, Europese Commissie of Europese Rekenkamer. 3.Gedeputeerde Staten kunnen naast de toezichthouders als bedoeld in het eerste en tweede lid, andere toezichthouders aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de besteding van de verstrekte subsidies en de naleving van aan subsidieontvangers opgelegde verplichtingen. Artikel4.2 1.Op deze verordening is de Algemene subsidieverordening Gelderland 2016 niet van toepassing. Artikel4.3 Gedeputeerde Staten kunnen de bepalingen in deze verordening wijzigen en intrekken. Artikel4.4 1.Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij is geplaatst. 2.Deze regeling wordt aangehaald als Verordening POP 3 subsidies provincie Gelderland, mei 2018. Gepubliceerd te ArnhemGedeputeerde Staten van GelderlandC.G.A. Cornielje - Commissaris van de KoningP.G.G. Hilhorst - secretarisTOELICHTING ALGEMEEN §1. Inleiding §1.1 Algemene inleiding Op grond van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU L 347/487), verder: de POP verordening, heeft Nederland in december 2014 haar Plattelands¬ontwikkelingsprogramma 2014 – 2020 (POP3) bij de Europese Commissie ingediend. Dit programma is op 13 februari 2015 door de Commissie goedgekeurd. Het POP3 programma is primair gebaseerd op voorgenoemde verordening, maar naast deze verordeningen zijn ook enkele andere verordeningen relevant voor het POP3 programma. Het gaat daarbij met name om de Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PbEU L 347) en verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU L347/320) en alle bij genoemde verordeningen behorende uitvoeringsverordeningen en controleverordeningen. Tot slot dient genoemd te worden de Verordening (EU) 2020/2220 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot vaststelling van een aantal overgangsbepalingen voor steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in de jaren 2021 en 2022 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft de middelen en toepassing in de jaren 2021 en 2022 en van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de middelen en verdeling van die steun voor de jaren 2021 en 2022.Hoewel genoemde verordeningen rechtstreeks doorwerken in de Nederlandse rechtsorde, kunnen subsidies op grond van het goedgekeurde POP3 programma slechts worden verstrekt op basis van een door een op nationaal of provinciaal niveau vastgestelde subsidieregeling. De onderhavige provinciale regeling “Regeling POP3 subsidies” vormt, samen met nog vast te stellen openstellingsbesluiten, de wettelijke basis voor het door provincies verstrekken van POP3 subsidies (anders dan subsidies voor agromilieu- en klimaatdiensten). In deze regeling worden in hoofdstuk 1 de in de regeling gehanteerde begrippen en algemene bepalingen gedefinieerd. Daarbij is uitgangspunt dat waar mogelijk is aangesloten bij de definities uit EU-verordeningen. Indien een begrip niet gedefinieerd is, wordt er vanuit gegaan dat de betekenis in het normale spraakgebruik voldoende duidelijk is. In hoofdstuk 2 wordt per door het bestuursorgaan open te stellen maatregel de bij openstelling nader te bepalen en uit te werken voorwaarden en beperkingen weergegeven. In hoofdstuk 3 worden de Leadermaatregelen beschreven en in hoofdstuk 4 volgen de slotbepalingen. De Modelregeling POP is in maart 2018 grondig herzien. Een belangrijke verandering die in de Modelregeling is doorgevoerd ten opzichte van de versie van januari 2017, is de aanpassing van de selectiecriteria. Op grond van het Handboek selectiecriteria zoals in december 2017 goedgekeurd door het Comité van Toezicht POP, zijn de bij de selectie van projecten te hanteren selectiecriteria verder uitgewerkt en aangepast. Een andere herziening is de verduidelijking dat subsidiabele kosten kunnen bestaan uit vier kostentypen (personeelskosten, kosten derden, bijdragen in natura en afschrijvingskosten). Welke soorten kosten (‘kostensoorten’) subsidiabel zijn of kunnen zijn, wordt per maatregel bepaald. Een andere herziening betreft de verdere uitsplitsing/verduidelijking van het onderdeel Infrastructuur (hoofdstuk 2, paragraaf 4). Tot slot zijn er aanpassingen ter verduidelijking of herstel van onjuistheden doorgevoerd. Daarnaast is de Modelregeling in het eerste kwartaal van 2021 herzien vanwege de verlenging van POP3 in de jaren 2021 en 2022 (de transitieperiode oftewel POP3+). Een van de belangrijkste veranderingen is de toevoeging van de vereenvoudigde kostenopties, waarvan het doel is de administratieve last voor zowel de aanvrager als de behandelaar te verminderen. Ook is het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) op 26 oktober 2017 ontstaan door opsplitsing van het ministerie van Economische Zaken (EZ) in het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en het ministerie van LNV. Hierdoor zijn benamingen van nationale regelingen aangepast. Ook zijn er aanpassingen ter verduidelijking of herstel van onjuistheden doorgevoerd. POP3 kent een gelaagde structuur. Op basis van genoemde EU-verordeningen en het goedgekeurde POP-programma is de Regeling POP-subsidies ontwikkeld. Dit betekent dat de EU-verordeningen én de afspraken die bestaan tussen lidstaat Nederland en de Europese Commissie over de uitvoering van POP3 in Nederland (het goedgekeurde POP3 programma), bij eventuele strijdigheid van deze Regeling met een EU-verordening of het POP-programma, voor gaan. §1.2 Openstellingsbesluit De maatregelen opgenomen in deze Regeling POP3 subsidies kunnen door een provincie opengesteld worden door middel van een openstellingsbesluit. In een openstellingsbesluit zal - naast het aanwijzen van onder meer de maatregel(
- en)waarvoor subsidie kan worden aangevraagd, het vaststellen van subsidieplafond(
- s)en het aangeven voor welke kostensoorten subsidie zal worden verleend –aangegeven worden welke wegingsfactoren op de selectiecriteria van toepassing zullen zijn. §1.3 Selectie van projecten door middel van tenders De selectie van projecten zal –vrijwel altijd - plaats vinden via een zogenaamde ‘tender-methode’: alle binnen de in het openstellingsbesluit genoemde tijdvak ingediende projecten worden, indien ze voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden, gescoord. Subsidiabiliteitsvoorwaarden (‘instapeisen’) zijn de voorwaarden waaraan een aanvraag altijd moet voldoen, bijvoorbeeld: als alleen agrarisch ondernemers aan kunnen vragen, wordt een aanvraag die niet van een agrarisch ondernemer afkomstig is, direct op grond van het niet voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarde ‘aanvrager is agrarisch ondernemer’ afgewezen. Aanvragen die voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden, worden gescoord op basis van de selectiecriteria en de weging van die criteria als aangegeven in het openstellingsbesluit. Ten behoeve van de uitvoering van deze procedure kan een selectiecommissie ingesteld worden. Op basis van de procedure ontstaat er een lijst met alle ingediende projecten die aan de subsidiabiliteitscriteria voldoen, voorzien van een score (cijfer). Projecten die meer dan het minimaal voorschreven aantal punten behalen, kunnen voor subsidie in aanmerking komen. Indien de kosten voor het aantal projecten dat voor subsidie in aanmerking komt hoger zijn dan het beschikbare subsidieplafond, wordt subsidie toegekend op basis van de behaalde scores (projecten met hogere scores gaan voor). Indien er meerdere projecten met hetzelfde puntenaantal zijn en niet al die projecten kunnen gehonoreerd worden omdat het subsidieplafond dan overschreden zou worden, dan moet een nadere selectie plaatsvinden. De wijze waarop die nadere selectie plaats zal vinden, wordt in het openstellingsbesluit bekend gemaakt. Vaak zal dan gekeken worden naar het selectiecriterium/de selectiecriteria waaraan het hoogste belang is gehecht. Scoren projecten dan nog altijd gelijk, dan wordt gekeken naar het selectiecriterium/de selectiecriteria waaraan het op één na hoogste belang is gehecht. Zijn er ook na toepassing van de in het openstellingsbesluit bekend gemaakte regels gelijkscorende projecten, dan kan door middel van loting bepaald worden welke projecten uit die groep voor subsidie in aanmerking komen. §2. Maatregelen Het POP3 bestaat voornamelijk uit maatregelen die door de provincies zullen worden uitgevoerd. De volgende voor onderhavige regeling relevante provinciale maatregelen en submaatregelen zijn in het programmadocument van Nederland opgenomen: 1. Maatregel inzake Kennisoverdracht en voorlichting (artikel 14 Verordening (EU) Nr.1305/2013) Het is nodig om voorlichting en andere kennisoverdrachtacties te ondersteunen omdat reeds ontwikkelde (veelal technische) innovaties vaak moeilijk voorbij de eindfase van de innovatiecyclus komen. Zonder deze maatregel blijft grootschalige toepassing van noodzakelijke innovaties uit of wordt deze vertraagd. Dit geldt in het bijzonder wanneer de toepassing van een innovatie niet vanzelfsprekend zelfstandig door het bedrijfsleven en de markt wordt opgepakt. Daarnaast dient de maatregel bij te dragen aan kennisuitwisseling tussen onderzoek en praktijk. Enerzijds voor toepassing van nieuwe wetenschappelijke kennis in de praktijk en anderzijds voor onderzoek dat gestuurd wordt door vragen vanuit de praktijk. 2. Maatregel inzake investeringen (artikelen 17 lid 1 (a), (
- c)en (
- d)Verordening (EU) Nr. 1305/2013) De maatregel bestaat - voor zover door provincies uitgevoerd - uit vijf subsidiemaatregelen: fysieke investeringen nodig voor het ontwikkelen, beproeven en demonstreren van innovaties en voor de brede uitrol van innovaties; fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van jonge landbouwers; investeringen in infrastructuur; niet-productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur, landschap en hydrologische maatregelen stikstof; en niet-productieve investeringen water. Deze maatregelen dragen bij aan het versterken van de levensvatbaarheid van landbouwbedrijven en het concurrentievermogen van de landbouw en bevorderen het gebruik van innovatieve landbouwtechnologieën. Er wordt een link gelegd met duurzaamheid en innovatie door in te spelen op onderwerpen als milieu, klimaat, water, bodembeheer, energie, dier- en plantgezondheid en dierenwelzijn, biodiversiteit en landschap. 3. Maatregel inzake samenwerking (artikel 35 van Verordening (EU) Nr. 1305/2013) Deze maatregel richt zich op samenwerkingen die zijn gericht op het ontwikkelen en valideren van praktische kennis en technologie met een groep van koplopers, die met name resulteert in technische innovatie, productinnovatie, procesinnovatie, organisatie-innovatie, innovatie in businessconcepten en/of uiteindelijk in systeeminnovatie. Deze maatregel bestaat uit de volgende submaatregelen:
(1)samenwerking met betrekking tot proefprojecten en de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, processen en technieken in de landbouw- en de voedingsmiddelensector en
(2)de oprichting en werking van operationele groepen in het kader van European Innovation Partnerships (het EIP) voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw.
- Maatregel inzake LEADER – lokale ontwikkeling (artikelen 32 tot en met 35 van Verordening (EU) Nr. 1303/2013 en artikelen 42 tot en met 44 van Verordening (EU) Nr. 1305/
- De afkorting LEADER staat voor de verbinding tussen acties voor de ontwikkeling van de plattelandseconomie (Liaisons Entre Actions de Développement de l'Économie Rurale). LEADER beoogt bij te dragen aan de plaatselijke ontwikkeling van plattelandsgebieden. De interactie tussen landbouw en samenleving wordt steeds belangrijker. Er ligt een opgave om samen te werken aan de sociaal-economische ontwikkeling van het platteland en aan een duurzaam beheer van de ruimte. De agrarische sector zal zich in moeten zetten voor maatschappelijk draagvlak. De sector moet daarbij invulling geven aan haar “license to produce”. Dat kan bijvoorbeeld door de relatie tussen het platteland en de stad en tussen de boer en de burger te verstevigen. LEADER kan hier een bijdrage aan leveren, want: LEADER heeft een toegevoegde waarde bij projecten waarvoor draagvlak en samenwerking tussen private en publieke partijen een voorwaarde voor succes zijn; LEADER projecten komen ten goede aan de economische ontwikkeling en werkgelegenheid op het platteland, innovaties op agrarische bedrijven, de leefomgeving van de agrarische sector, jonge boeren en hun gezinnen; LEADER kan ondersteunen in ‘krimp’ gebieden waar alle actoren de opgave hebben om samen te werken aan een sociaal en economisch vitaal platteland; LEADER is een krachtige aanpak voor de opgaven voor integrale plattelandsontwikkeling waarbij verschillende belanghebbenden zijn betrokken en de landbouwsector een belangrijke speler is; LEADER sluit goed aan bij de huidige tijdsgeest die vraagt om een actievere inzet van burgers en bedrijven. Het resterende deel van de maatregelen genoemd in het POP3 programma betreft de agromilieu- en klimaatmaatregelen, waarvoor een separate provinciale regeling ontwikkeld is, òf zal door de Minister van LNV worden uitgevoerd. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de maatregelen inzake risicobeheer (artikelen 36 en 37 van de Verordening (EU) Nr. 1305/2013). § 3 Subsidieverlening op basis van selectiecriteria en tendering POP3 subsidie kan slechts worden verstrekt indien verlening van een aangevraagde subsidie een effectief en efficiënt gebruik van overheidsmiddelen is. Om te kunnen bepalen of een te verlenen subsidie effectief en efficiënt zal zijn, zijn selectiecriteria geformuleerd. De in deze regeling opgenomen selectiecriteria per regeling zijn algemeen geformuleerde criteria, die in een openstellingsbesluit nader uitgewerkt en geconcretiseerd zullen worden. Ten behoeve van een eenduidige invulling van de criteria over provincies en maatregelen heen, is een Handboek selectiecriteria ontwikkeld. In dit handboek is opgenomen op welke wijze aan de in deze regeling opgenomen criteria invulling gegeven wordt en welke weging en scores van toepassing zijn. Dit handboek kan worden gezien als een bestendige overheidspraktijk voor de invulling van de selectiecriteria. Het Handboek is te vinden op de website van het Regiebureau POP. Het is niet mogelijk dat niet in deze regeling genoemde selectiecriteria ‘toegevoegd’ worden bij een openstelling: de bij de maatregelen in hoofdstuk 2 opgenomen criteria kunnen bij openstelling wel nader ingevuld of geconcretiseerd worden, maar er kunnen geen extra criteria toegevoegd worden. In geval van LEADER zijn de selectiecriteria waarvan gebruik gemaakt wordt opgenomen in de goedgekeurde Lokale Ontwikkelings Strategie (LOS). Selectie van projecten zal –vrijwel altijd - plaatsvinden door middel van een tender. Alle gedurende een openstellingsperiode ingediende projecten worden – indien de aanvraag volledig is én aan de gestelde subsidiabiliteitscriteria (= eisen waaraan in ieder geval voldaan dient te zijn om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, bijvoorbeeld: een jonge agrariër dient bij aanvraag nog geen 41 jaar te zijn. De aanvraag zal worden afgewezen zonder inhoudelijk naar de aanvraag te kijken, indien de aanvrager niet aan dit criterium voldoet) wordt voldaan - op basis van in het openstellingsbesluit bekend gemaakte selectiecriteria en wegingsfactoren van die selectiecriteria beoordeeld. Zie verder §1.
- De doelgroep van een subsidie is afhankelijk van de maatregel die het betreft en de beleidsmatige doelstellingen die met de subsidieverlening worden nagestreefd. In deze regeling wordt bij veel maatregelen een breed scala aan mogelijke aanvragers genoemd. In een openstelling kan de doelgroep beperkt worden tot die groepen die - gelet op de beleidsmatige doelstellingen die met de betreffende openstelling nagestreefd worden - voor subsidie in het kader van de betreffende openstelling in aanmerking komen. Er kan indien gewenst een selectie van de in deze regeling genoemde doelgroepen plaatsvinden, toevoegen van extra – niet in deze regeling bij de betreffende maatregel genoemde – doelgroepen is niet mogelijk. Om in het kader van een tenderregeling gelijke kansen voor alle aanvragers te garanderen is het noodzakelijk dat bij sluiting van de tender alle voor het beoordelen van de aanvraag noodzakelijke gegevens bekend zijn. Een aanvraag dient te worden ingediend op een door Gedeputeerde Staten beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Daarbij moet altijd het laatst beschikbaar gekomen aanvraagformulier gehanteerd worden. Een inhoudelijk onvolledige aanvraag dient vòòr de sluitingsdatum van de openstellingstermijn aangevuld te zijn om voor beoordeling in aanmerking te komen. Het aanvullen van gegevens die niet noodzakelijk zijn voor een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag (zie verder bij de artikelsgewijze toelichting, artikel 1.7) is vaak wel toegestaan. Het indienen van ‘pro forma’ aanvragen zonder dat inhoudelijke aanvulling van de aanvraag voor de gestelde sluitingsdatum plaatsvindt, is derhalve in het kader van deze regeling niet zinvol. Het is niet mogelijk dat selectiecriteria ‘toegevoegd’ worden bij een openstelling: de bij de maatregelen in hoofdstuk 2 opgenomen criteria kunnen bij openstelling wel nader ingevuld of geconcretiseerd worden, maar er kunnen geen extra criteria toegevoegd worden. Subsidie zal geheel of gedeeltelijk geweigerd worden indien één van de weigeringsgronden van toepassing is. Het kan hierbij gaan om een weigeringsgrond als genoemd in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), of een weigeringsgrond genoemd in artikel 1.8 van deze regeling, of een weigeringsgrond uit het van toepassing zijnde artikel van hoofdstuk 2 of 3 van deze regeling òf van het van toepassing zijnde openstellingsbesluit. § 4 Subsidiabele kosten en bijdragen in natura In de onderhavige regeling worden subsidiabele kosten allereerst onderverdeeld naar kostentypen en daarbinnen naar kostensoorten. Als kostentypen worden onderscheiden kosten van inbreng van personeel, kosten derden, inbreng in natura en afschrijvingskosten. Deze zijn in principe subsidiabel, tenzij in het openstellingsbesluit anders is bepaald. Ten aanzien van kostensoorten wordt per maatregel aangegeven welke kosten subsidiabel gesteld worden of kunnen worden. Sommige kostensoorten zijn alleen onder voorwaarden subsidiabel. Zo mag in bepaalde projecten de kosten voor aankoop van grond, bebouwd of niet-bebouwd, subsidiabel gesteld worden, maar deze kosten zijn – tenzij er sprake is van een uitzonderlijke situatie - voor maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten die in het project gemaakt worden subsidiabel. Met het invoegen van artikel 1.11a is er onderscheid gemaakt tussen bijdragen in natura en inbreng van onbetaalde eigen arbeid. Bijdragen in natura zijn alle in het project ingebrachte bijdragen voor werken, goederen, diensten, grond of onroerende goederen waarvoor geen door facturen en betaalbewijzen of daaraan gelijk te stellen documenten ingediend kunnen worden. Deze bijdragen dienen aan strikte eisen te voldoen, om de hoogte van de uitgaven toch controleerbaar te maken. De waarde die wordt toegekend aan de bijdrage in natura mag niet meer bedragen dan de kosten die gewoonlijk op de desbetreffende markt worden aanvaard. Voor onbetaalde arbeid door vrijwilligers (vrijwilligerswerk) is een standaardtarief bepaald. De totale waarde van bijdrage in natura wordt gemaximeerd (afgetopt). De te verstrekken subsidie bedraagt nooit meer dan de hoogte van de werkelijke kosten die tot een uitgaande kasstroom leiden. Onbetaalde eigen arbeid wordt in artikel 1.11a als afzonderlijk kostentype gedefinieerd en wordt hiermee niet meer als bijdrage in natura beoordeeld. Onbetaalde arbeid telt hiermee niet mee voor de aftopping van de bijdragen in natura, maar wel kan in een openstellingsbesluit de inbreng van onbetaalde eigenarbeid gemaximeerd worden. § 5 Verplichtingen subsidieverkrijgers Subsidieverkrijgers dienen aan alle in het subsidietoekenningsbesluit gestelde verplichtingen te voldoen. In artikel 1.17 worden de algemene verplichtingen weergegeven waaraan – indien de betreffende verplichting op het betreffende project van toepassing is – altijd moet worden voldaan. Naast deze algemene, subsidiegerelateerde, verplichtingen, kunnen ook specifieke verplichtingen opgelegd worden. Op grond van artikel 1.18 kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieverkrijger ook niet doelgebonden verplichtingen opleggen. § 6 Financiële aspecten subsidie Een subsidie geeft een direct financieel voordeel aan de subsidieverkrijger. Naast dit directe financiële voordeel ten gevolge van de subsidie, kan er ook sprake zijn van een financieel voordeel in de vorm van netto inkomsten die tijdens of na het uitvoeren van het project verkregen worden. Ook kan er sprake zijn van een vermogensvoordeel ten gevolge van de subsidie. In sommige gevallen dienen dit soort voordelen verrekend of vergoed te worden. De artikelen 1.19, 1.20 en 1.21 geven daar de voorschriften voor. Wat onder netto inkomsten moet worden verstaan is gedefinieerd in artikel 1.1 sub j. Het gaat hierbij overigens alleen over rechtstreeks gegenereerde netto-inkomsten, waarmee géén rekening is gehouden op het tijdstip van goedkeuring van de actie. Met veel inkomsten, bijvoorbeeld kostenreductie dank zij de investering of inkomsten door het verkopen van bedrijfsgebouwen in het kader van een bedrijfsverplaatsing of het vragen van een bijdrage van agrarisch ondernemers die aan een cursus deel zullen nemen, zal bij de toekenning al rekening gehouden worden. Indien er verrekend zou moeten worden, gelden er verschillende uitzonderingen op het voorschrift tot verrekening. Zo hoeft bijvoorbeeld niet verrekend te worden indien het gaat om een concrete actie waarvan de totale subsidiabele kosten ten hoogste 50.000 euro bedragen. In sommige gevallen dient een uit te betalen subsidie te worden verlaagd. Dit is bijvoorbeeld het geval indien er sprake is van onregelmatigheden. Verlaging is ook na afronding van een project mogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval indien niet wordt voldaan aan de instandhoudingsverplichting: een investering in infrastructuur of een productieve investering dient gedurende 3 of 5 jaar na vaststelling van de subsidie – gebruiksklaar - in stand te worden gehouden. Indien aan deze verplichting niet wordt voldaan, zal de subsidie in principe evenredig verlaagd worden. Een ander financieel aspect betreft de bevoorschotting. Er bestaan twee soorten voorschotten, te weten een voorschot dat voor afronding van een project wordt verstrekt op basis van reeds uitgevoerde onderdelen van het project (‘bevoorschotting op basis van realisatie’) en voorschotten die worden verstrekt vooruitlopend op de uitvoering van een project. Voorschotten op basis van realisatie zijn – in POP-terminologie - tussentijdse betalingen waarbij naast een voortgangsrapportage inzake het project, facturen en betaalbewijzen van de reeds verrichte projectonderdelen, of – indien van toepassing – bewijsstukken ten aanzien van de ingebrachte bijdrage(n) in natura - moeten worden overgelegd. Het voorschot zal worden verlaagd indien bij de aanvraag voor de tussentijdse betaling kosten zijn opgevoerd die niet subsidiabel blijken. Bijvoorbeeld doordat onjuiste facturen en betaalbewijzen overgelegd worden. Bovendien dient op grond van EU-regelgeving een tussentijds voorschot extra te worden verlaagd met het bedrag van de onjuiste facturen en betaalbewijzen, indien het bedrag aan onjuiste facturen en betaalbewijzen meer bedraagt dan 10% van het bedrag aan ingediende facturen en betaalbewijzen van kosten die wel subsidiabel gesteld zijn. Dit betekent dat niet alleen de onjuiste facturen/betaalbewijzen niet worden vergoed, er wordt daarnaast een correctie van de betaling opgelegd ter hoogte van het bedrag dat onjuist gedeclareerd is. Deze maatregel is een verplichting opgelegd door de EU en is er op gericht aanvragers te bewegen voldoende zorgvuldigheid te betrachten bij het indienen van declaraties. Van de verplichte extra correctie van de betalingsaanvraag kan worden afgezien, indien de aanvrager aan kan tonen dat zijn declaratie buiten zijn schuld onjuist was. Overigens is de bepaling inzake het extra verlagen van een betaling òòk van toepassing indien het verzoek om betaling geen verzoek tot tussentijdse betaling betreft, maar een verzoek om eindafrekening indien bij dat verzoek om eindafrekening kosten gedeclareerd worden. Naast tussentijdse betalingen, bestaan er ook voorschotten die worden aangevraagd vooruitlopend op de uitvoering van het project. De EU-regelgeving biedt slechts zeer beperkt mogelijkheden voor dit soort voorschotten. Het is slechts mogelijk dit soort voorschotten te verlenen voor investeringsgerelateerde steun en voor plaatselijke groepen voor zover het daarbij gaat om functionerings- en dynamiseringskosten. Het voorschot kan maximaal 50% van de toegekende overheidsbijdrage bedragen. Een dergelijk voorschot kan slechts worden verleend indien er door de subsidieverkrijger een bankgarantie of daaraan gelijk te stellen zekerheid wordt verstrekt van 100% van het te verlenen voorschot. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING Hoofdstuk 1 Artikel 1.1 Begripsbepalingen In dit artikel zijn de belangrijkste begrippen gedefinieerd die in deze regeling worden gehanteerd. De definities sluiten daar waar mogelijk aan bij de definities zoals gehanteerd in de van toepassing zijnde EU-regelgeving. Mocht er strijdigheid bestaan tussen de definitie van een begrip in de van toepassing zijnde EU-verordeningen en de begripsbepaling in deze regeling, dan wel begrippen niet in de begripsbepalingen van deze regeling gedefinieerd zijn, dan worden de begrippen geacht te zijn gedefinieerd conform de van toepassing zijnde EU-definities. Artikel. 1.2 Toepassingsbereik POP subsidie kan slechts worden verstrekt voor activiteiten die ten goede komen aan een duurzame ontwikkeling van het platteland van Nederland of de agrarische sector. Het gaat hierbij slechts om het deel van Nederland dat in de Europese Unie gelegen is, de overzeese gebieden van Nederland vallen niet onder deze regeling. Onder het platteland van Nederland wordt daarbij verstaan: het grondgebied van Nederland met uitzondering van aaneengesloten woonkernen met meer dan 30.000 inwoners. Woonkernen met meer dan 30.000 inwoners worden geacht ‘stedelijk gebied’ te zijn. Activiteiten worden geacht ten goede te komen aan een duurzame ontwikkeling van het platteland indien de activiteit zelf of de resultaten van de activiteit ten goede komen aan het platteland en/of de agrarische sector. Artikel 1.3 Openstelling In het openstellingsbesluit worden de subsidieplafonds vastgelegd, maar kunnen daarnaast ook de in deze regeling genoemde onderdelen, zoals bijvoorbeeld de doelgroep, de subsidiabele activiteiten of thema’s, subsidiabele kosten, selectiecriteria en vereenvoudigde kostenopties nader ingevuld worden zodat bij openstelling duidelijk is waarvoor in het kader van de openstelling precies subsidie aangevraagd kan worden en hoe aanvragen beoordeeld zullen worden. In het openstellingsbesluit worden de subsidieplafonds vastgelegd, maar kunnen daarnaast ook de in deze regeling genoemde onderdelen, zoals bijvoorbeeld de doelgroep, de subsi