Obsah (7)
Artikel2Artikel3Artikel6Artikel7Artikel8Artikel9Artikel12Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) jo, Bijlage II, artikel 4 Besluit omgevingsrecht (Bor). 1.Inleiding De aanleiding voor het voorliggende kruimelgevallenbeleid is de wijziging in het Beslu
. - buiten de bebouwde kom, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 5 meter, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, b. De oppervlakte niet meer dan 150 m².
Artikel2
een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a.niet hoger dan 5 meter, en b.de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
Artikel3
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 10 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; Akkoord onder de voorwaarden dat: • Er sprake is van een erfafscheiding tot een hoogte van 2 m, en o Het gedeelte voor de voorgevel dat niet aansluit aan het achtererf niet hoger is dan 1 meter, en o Het gedeelte voor de voorgevel dat aansluit aan het achtererf tot ten hoogste één meter vanaf de grond een dichte constructie, dan wel open constructie, en het gedeelte opgetrokken tot maximaal twee meter een open constructie heeft, of o Het geheel een open constructie heeft, en o De erfafscheiding voldoet aan hetgeen verbeeld is op bijlage 1, tekening D, E en F. • Er sprake is van een vlaggenmast, en o er zich maximaal 3 vlaggenmasten op een perceel bevinden, en o een vlaggenmast binnen de bebouwde kom niet hoger wordt dan 6 m, en o een vlaggenmast buiten de bebouwde kom niet hoger wordt dan de bestaande bebouwing op het betreffende perceel. • Er sprake is van een lantaarnpaal of lichtmast, en o een lantaarnpaal binnen de bebouwde kom niet hoger wordt dan 6 m, en o een lantaarnpaal buiten de bebouwde kom niet hoger wordt dan de bestaande bebouwing op het betreffende perceel; o een lichtmast op een sportpark van maximaal 10 meter hoog • Er sprake is van een carport, en o deze niet hoger wordt dan de vloer van de eerste bouwlaag met een maximum van 3 m, en o geheel in het zij- of achtererf gebied is gelegen, en o een totale oppervlakte heeft van maximaal 20 m², en o de carport minimaal 2m uit het openbaar toegankelijk gebied is gelegen • Er sprake is van reclame, en o De maximaal 6 m hoog is, en o Het totaal oppervlak niet meer bedraagt dan 3 m² • Voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, is
. Artikel4 een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw dan wel de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard; Akkoord onder de voorwaarden dat: • Er sprake is van een dakkapel of dakvenster waarbij o De oppervlakte van een hellend dakvlak voor maximaal 25% wordt doorbroken • Er sprake is van een dakopbouw op het hoofdgebouw, en o Het een verlenging van het voordakvlak betreft, en o Het een verlenging van een dakvlak bij een rijwoning betreft, en o Het een verlening van een zadeldak betreft, en o de verlenging de gehele breedte van het voordakvlak en geen zijdakvlak betreft, en o de verlenging maximaal 1 m naar achteren betreft, en o de dakhelling niet meer is dan 40°, en o het hoofdgebouw niet meer dan 2 bouwlagen heeft, en o de nieuwe nokhoogte niet meer dan 10 meter bedraagt. • Voor overige dakkapellen, dakopbouwen of gelijksoortige uitbreiding dan wel de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard is
. Artikel5 een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m;
Artikel6
een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998
Artikel7
een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;
Artikel8
het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;
Artikel9
Het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers; • Er sprake is van een aan-huis-gebonden beroep bij een woning en/of in een bijgebouw, en o het oppervlak ten behoeve van die activiteiten maximaal 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw met een maximum van 50 m2 bedraagt, en o de activiteiten door de bewoners van het hoofdgebouw zelf worden uitgeoefend, en o indien voor de activiteiten extra parkeerplaatsen en/of laad- en losplaatsen nodig zijn, dienen deze op eigen terrein te worden gerealiseerd, tenzij in de omgeving in parkeren en/of laden en lossen kan worden voorzien, en o er geen sprake is van een prostitutiebedrijf, en o het gebruik niet gepaard gaat met horeca en/of detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken activiteiten, en o de activiteiten vallen onder milieucategorie 1 uit bijlage 1 van de VNG-publicatie “ Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009). • Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectenrapportage. • Voor overige gebruikswijzigingen is
. Artikel10 het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen; b. de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstuctiewet concentratiegebieden, c. de bewoners op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en d. de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was; Akkoord Artikel11 ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste 10 jaar. • Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectenrapportage. • Voor overige gebruikswijzigingen is
Artikel12
Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders blijven bevoegd om af te wijken van deze regeling wanneer die voor één of meer belanghebbenden gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. In een dergelijk geval zal een aparte gemotiveerde beoordeling plaatsvinden. Artikel14Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de dag na de bekendmaking. Artikel15Titel Dit besluit kan worden aangehaald als het ‘Beleid kruimelgevallen’. Burgemeester en wethouders van de gemeente Katwijk,de secretaris,de burgemeester,3.Toelichting Stedenbouwkundige onderbouwing
- een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 5 meter, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, b. De oppervlakte niet meer dan 150 m²; Het is onwenselijk om een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in iedere situatie toe te staan, daarvoor is het maximaal toegestane volume te groot. Individuele toetsing is nodig, waarbij de zichtbaarheid en de situering ten opzichte van andere bouwwerken onder andere een rol spelen. Het straatbeeld wordt voor een belangrijk deel bepaald door de voorgevelrooilijn. Door het toestaan van een erker, wordt deze voorgevelrooilijn doorbroken. Omdat een te grote doorbreking een ongewenst straatbeeld veroorzaakt, mogen deze beperkt van omvang zijn. Stedenbouwkundig is het onwenselijk dat de beperkingen in deze beleidsregels van bijbehorende bouwwerken wordt overschreden. De reden hiervoor is dat het ondergeschikte karakter van de erfbebouwing ten opzichte van het hoofdgebouw en de minimale openheid van het erf anders niet blijven behouden. Een wijziging in de bestaande dakhelling van een hoofdgebouw heeft impact op het straatbeeld en de verschijningsvorm van het hoofdgebouw. Om een aantasting van het karakteristieke straatbeeld en de architectonische verschijningsvorm van het hoofdgebouw te voorkomen worden een maximale dakhelling en bijbehorende voorwaarden gehanteerd. Dakterrassen en balkons worden alleen toegestaan op een aan- of uitbouw dan wel een aangebouwd bijgebouw om de ruimtelijke impact op de omgeving te beperken. Er wordt een maximale hoogte van een borstwering van 1 meter gehanteerd, zodat een dakterras of balkon een ondergeschikt karakter behoudt en wordt voorkómen dat deze worden vormgegeven als een extra bouwlaag.
- een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, van het Bor, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 5 meter, en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; Het is onwenselijk om de uitbreiding van een infrastructurele of openbare voorziening in iedere situatie toe te staan, op de manier waarop het nu in artikel 3 is omschreven. Daarvoor is het maximaal toegestane volume te groot.
- een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 10 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²; Een bouwwerk geen gebouw zijnde of een gedeelte van een bouwwerk is een heel ruime categorie. Voor de meest voorkomende bouwwerken geen gebouw zijnde (erfafscheiding, vlaggenmasten, lantaarnpalen en lichtmasten , carports en reclame) zijn voorwaarden gegeven. Een schutting, muur of hekwerk die hoger is dan één meter markeert scherp de overgang tussen de openbare ruimte en het eigen domein. Die harde overgang tast de beeldkwaliteit aan. Door toepassing van een doorzichtige constructie, eventueel begroeid met planten (klimop e.d.) wordt een minder harde overgang bewerkstelligd maar wordt de privacy van bewoners voldoende gewaarborgd. Het is vanuit stedenbouwkundig oogpunt onwenselijk om woningen geheel af te schermen. Dit geeft een onaangenaam straatbeeld. Daarom mag de erfafscheiding voor de voorgevel niet hoger worden dan 1 meter. De stedenbouwkundige impact van een vlaggenmast en/of lantaarnpaal is gering. Voor de hoogte van de vlaggenmast/lantaarnpaal is binnen de bebouwde kom aangesloten bij de hoogte die vergunningvrij is toegestaan. Buiten de bebouwde kom wordt voor de hoogte aangesloten bij de aanwezige bebouwing, zodat de vlaggenmast/lantaarnpaal qua hoogte in afstemming met de aanwezige bebouwing kan worden gerealiseerd. Het is vanuit stedenbouwkudig oogpunt onwenselijk dat carports voor de voorgevel uitsteken. Dit geeft al snel een rommelig straatbeeld. Ze dienen daarom geheel op het zij- of achtererf te liggen. Het is vanuit stedenbouwkundig oogpunt onwenselijk dat reclame een grote impact heeft op het straatbeeld. Bij grotere reclame-uitingen is vanwege de impact op het straatbeeld maatwerk nodig. De overige worden individueel getoetst.
- een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw dan wel de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard; Voor dakkapellen geldt dat zij in de regel vergunningvrij zijn. Dit betekent dat op de meeste dakkapellen geen stedenbouwkundige eisen kunnen worden gesteld. Hierop uitgezonderd zijn alle dakkapellen in het voordakvlak en in naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde achter- en zijdakvlakken. Omdat het wenselijk is dat deze dakkapellen een ondergeschikt karakter hebben, is de dakdoorbreking van deze dakkapellen beperkt. Door een verlenging van het voordakvlak met een meter naar achteren wordt het straatbeeld niet aangetast. Doordat deze verlenging alleen is toegestaan bij hoofdgebouwen bestaande uit één of twee bouwlagen, blijft de verhouding voorgevel en dakvlak bewaard.
- een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m; Het is onwenselijk om een antenne installatie in iedere situatie toe te staan. Hiervoor is individuele toetsing nodig waarbij de zichtbaarheid van het openbaartoegankelijk gebied een rol speelt.
- een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998 Het is onwenselijk om een warmtekrachtkoppeling installatie in iedere situatie toe te staan. Hiervoor is individuele toetsing nodig. De installatie is bij voorkeur niet zichtbaar vanaf openbaar toegankelijk gebied
- een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen; Het is onwenselijk om een dergelijke installatie in iedere situatie toe te staan. Hiervoor is individuele toetsing nodig. De installatie is bij voorkeur niet zichtbaar vanaf openbaar toegankelijk gebied
- het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied; Het is onwenselijk om het gebruik van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied in iedere situatie toe te staan. Hiervoor is individuele toetsing nodig, waarbij gekeken wordt de inpassing van het gebruik in zijn omgeving.
- het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers; Het is onwenselijk om dergelijk gebruik in iedere situatie toe te staan. Hiervoor is individuele toetsing nodig waarbij de impact van een dergelijk gebruik op zijn omgeving een rol speelt, denk daarbij aan parkeren.
- het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen; b. de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstuctiewet concentratiegebieden, c. de bewoners op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was; Het permanent gebruiken van een recreatiewoning die al sinds 31 oktober 2003 onafgebroken bewoond wordt heeft weinig ruimtelijke impact.
- ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste 10 jaar. Het is onwenselijk om dergelijk gebruik in iedere situatie toe te staan. Hiervoor is individuele toetsing nodig waarbij de impact van een dergelijk gebruik op zijn omgeving een rol speelt, denk daarbij aan parkeren. 4.Bijlagen Bijlage 1: Tekening D Tekening E Tekening F