Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda houdende regels omtrent basisregistratie Bestuurlijke boete Wet basisregistratie personenHoofdstuk1:Algemene bepalingen Artikel1:Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: Awb: Algemene wet bestuursrecht. Beleidsregel: de beleidsregel ‘Bestuurlijke boete Wet BRP; een preventief instrument ter ondersteuning van een betrouwbare Basisregistratie Personen’. Briefadresgever: Degene bij wie een briefadres wordt gevestigd en die zich daarbij verplicht om geschriften e.d. aan de briefadresnemer te overhandigen. BRP: basisregistratie personen. Gelegenheidsgever: een burger die bewust toelaat dat iemand op zijn woonadres staat ingeschreven, terwijl de gelegenheidsgever weet dat deze persoon niet op dit woonadres woonachtig is. Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda. Sr: Wetboek van Strafrecht. Wet BRP: Wet basisregistratie personen. Hoofdstuk2:Bevoegdheid van het college Artikel2:Gebruikmaken van de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete 1.Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 4.17 Wet BRP in samenhang met artikel 5:40 Awb. 2.Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien: er geen aangifte van eerste inschrijving, verhuizing of vertrek wordt gedaan; er geen informatie wordt gegeven, er geen geschriften worden overlegd, of indien niet in persoon wordt verschenen; de briefadresgever of hoofd van een instelling niet voldoet aan het geven van informatie of zorgplicht jegens de ingeschrevene of de gemeente Breda; niet wordt voldaan aan de identiteitsplicht; er geen buitenlandse overlijdensakte wordt overlegd; er geen akten of andere brondocumenten worden overlegd; de gelegenheidsgever bewust toelaat dat iemand op zijn woonadres staat ingeschreven, terwijl de gelegenheidsgever weet dat deze persoon niet op dit woonadres woonachtig is; er een aangifte wordt gedaan met overlegging van valse documenten. 3.Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; de overtreder is overleden; aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd. 4.Bij het opleggen van de bestuurlijke boete zal de lichte procedure gevolgd worden. Het college is bevoegd de bestuurlijke boete op te leggen zonder alvorens de burger in de gelegenheid te geven om zijn zienswijze naar voren te brengen. 5.De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt drie jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden. Hoofdstuk3:Hoogte van de bestuurlijke boete Artikel3:Hoogte van de bestuurlijke boete 1.Het college hanteert een standaardboete van 325 euro. Hoofdstuk4:Samenloop met strafbare feiten Artikel4:Samenloop met strafbare feiten 1.Indien de overtreding van de Wet BRP tevens een strafbaar feit oplevert in de zin van het Sr, zal de overtreding strafrechtelijk door het Openbaar Ministerie worden afgedaan. Hoofdstuk5:Inherentie afwijkingsbevoegdheid Artikel5:Inherente afwijkingsbevoegdheid en bijzondere omstandigheden 1.Het college heeft de bevoegdheid om van de beleidsregel af te wijken indien er individuele omstandigheden zijn met een uitzonderlijk karakter die het naar het oordeel van het college noodzakelijk maken dat er geen bestuurlijke boete opgelegd wordt. Het gaat hierbij onder meer om de volgende bijzondere omstandigheden: als de omstandigheden bij het maken van het beleid niet te voorzien zijn; als oplegging van de bestuurlijke boete onevenredig is in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen; en als de persoon op het moment dat hij aan de verplichting moest voldoen verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die het feitelijk onmogelijk maken om aan zijn verplichtingen te voldoen. Aldus vastgesteld op 23 januari 2018,,burgemeester,secretarisToelichting Bepaalde artikelen in de beleidsregel hebben een nadere toelichting nodig. Deze toelichting volgt hieronder. Artikel 2 lid 2 Sub a: Indien een persoon uit het buitenland, die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in gemeente Breda komt wonen (artikel 2.38 Wet BRP), indien een persoon gaat verhuizen van een woning in de gemeente Breda naar een andere woning in de gemeente Breda (artikel 2.39 Wet BRP) of indien een inwoner van de gemeente Breda naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven (artikel 2.43 Wet BRP), dient deze persoon dit te melden bij het college. Sub b: Indien een burger door het college wordt gevraagd om bepaalde inlichtingen te verstrekken, om bepaalde geschriften te overleggen of om in persoon te verschijnen met betrekking tot de gevallen van artikel 2.38 (aangifte van inschrijving), 2.39 (aangifte van verhuizing), 2.40 (ingeval iemand een woonadres in een instelling heeft) en 2.43 (aangifte van vertrek) Wet BRP, zal de burger hieraan moeten voldoen. Sub c: De burger, de briefadresgever of het hoofd van een instelling – zoals bijvoorbeeld instellingen op het gebied van gezondheidszorg, penitentiaire instellingen of instellingen waarin beschermd wonen of opvang wordt verstrekt – kan om de volgende redenen een bestuurlijke boete opgelegd krijgen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.