Beleidsregels gemeentelijke uitvaarten gemeente AaltenBurgemeester en wethouders van Aalten; overwegende dat het gewenst is nadere regels vast te stellen voor gemeentelijke uitvaarten; gelet op het bepaalde in de Wet op de lijkbezorging; Besluiten vast te stellen de navolgende Beleidsregels gemeentelijke uitvaarten gemeente Aalten. Beleidsregel 1: De opdracht tot uitvaart wordt uiterlijk op de vierde werkdag na het overlijden gegeven. Beleidsregel 2: Als na melding van overlijden niet duidelijk is of en zo ja, wie opdracht geeft tot lijkbezorging, maakt de gemeente met de uitvaartverzorger de afspraak zorg te dragen voor het verplaatsen van de overledene en alleen de eerste verzorging te realiseren en nog niet de volledige uitvaart. Beleidsregel 3: Het onderzoek naar de eventuele nabestaanden strekt zich bij de gemeente niet verder uit dan tot en met de 2e graad van bloed- en aanverwantschap. Beleidsregel 4: De gemeente verricht geen bovenmatige inspanningen om nabestaanden op te sporen. Beleidsregel 5: De gemeente onderzoekt of er sprake is van een testament. Beleidsregel 6: De gemeente schakelt een notaris in als er sprake is van een testament. Beleidsregel 7: Indien er nabestaanden tot en met de 2e graad van bloed- en aanverwantschap bekend zijn dan verzoekt de gemeente de nabestaanden de uitvaart te verzorgen. Beleidsregel 8: In afwijking van beleidsregel 7 benadert de gemeente geen nabestaanden, die gedetineerd zijn of in het buitenland wonen. Beleidsregel 9: De gemeente kan onderhands aanbesteden bij de keuze van een uitvaartondernemer. Beleidsregel 10: De gemeente geeft de uitvaartondernemer de opdracht te onderzoeken of er sprake is van een naturaverzekering en deze gelden, indien van toepassing, te innen en te verrekenen met de uitvaartfactuur. Beleidsregel 11: De gemeente houdt alleen rekening met de door de overledene vastgelegde wens over de wijze van lijkbezorging voor zover dit begraven, cremeren of ter beschikking stellen van de wetenschap omvat. Beleidsregel 12: De gemeente gaat bij het ontbreken van concrete aanwijzingen over de wens van de overledene over tot begraven. Beleidsregel 13: De gemeente hanteert het uitgangspunt van de Wet op de Lijkbezorging inzake een sobere maar respectvolle lijkbezorging. Beleidsregel 14: De gemeente vergoedt in beginsel de volgende kosten: overbrengen overledene van plaats van overlijden naar mortuarium; huur ‘bewaarplaats’ in mortuarium; ‘kisten’ overledene; aanschaf eenvoudige kist; verzorgen noodzakelijke formaliteiten (zoals verklaring van overlijden); indien nodig rouwauto op de dag van de uitvaart; begraven in algemeen graf, zonder grafmonument; bij crematie: bewaren as in asbus gedurende een maand en asverstrooïng op het terrein van het crematorium. Beleidsregel 15: De gemeente pleegt een huisbezoek als er geen opdracht voor de uitvaart is gegeven door nabestaanden. Beleidsregel 16: De woonruimte van de overledene wordt betreden door twee daartoe gemachtigde ambtenaren van de gemeente, een en ander in overleg met de eventuele verhuurder. Beleidsregel 17: De gemeente beperkt de beheersmaatregelen tot het veiligstellen van bezittingen, waaruit de uitvaart kan worden bekostigd. Beleidsregel 18: De gemeente schakelt een notaris in als er sprake is van bezittingen met een verwachte waarde van meer dan € 5.000,00. Beleidsregel 19: De gemeente maakt gebruik van de bevoegdheid de kosten van de uitvaart te verhalen eerst op de nalatenschap en vervolgens op de nabestaanden. Beleidsregel 20: Het College ziet af van verhaal op nabestaanden indien verhaal een ernstige inbreuk op de levenssfeer van die nabestaande teweegbrengt. Beleidsregel 21: De gemeente verhaalt de kosten, die gemaakt moeten worden om de bezittingen veilig te stellen, op de nalatenschap en/of de nabestaanden. Beleidsregel 22: De gemeente verhaalt de kosten van de uitvaart op de nalatenschap indien de gelden en de bezittingen, die bij de overledene zijn aangetroffen, een onvoldoende waarde vertegenwoordigen. Beleidsregel 23: De gemeente verrekent voor zover mogelijk zelf de kosten van de uitvaart met inkomsten of tegoeden bij banken en verzekeringsmaatschappijen van de overledene. Beleidsregel 23a: Als er sprake is van een onbeheerde nalatenschap, dan gaat de gemeente Aalten zelf over tot invordering en verhaal van kosten van lijkbezorging. Beleidsregel 24: De gemeente Aalten maakt geen gebruik van de bevoegdheid om te verhalen op schoonouders, stiefouders of behuwd kinderen. Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Aalten d.d. 11 september 2018.De secretaris, J. NobelDe burgemeester, A.B. Stapelkamp Bijlage 1Toelichting 1. Inleiding De Wet op de lijkbezorging (Wlb) bevat voorschriften en aanwijzingen over de wijze waarop de lijkbezorging kan en moet plaatsvinden. Ondermeer zijn regels gesteld over lijkschouwing en identificatie, de voorwaarden waaraan begraving of crematie moet voldoen en de termijn waarbinnen begraving of crematie moet plaatsvinden. In de Wlb is ook vastgelegd dat als niemand maatregelen neemt om de lijkbezorging te realiseren, de burgemeester daarvoor verantwoordelijk is en dat de daaraan verbonden kosten voor rekening van de gemeente komen. Dat is geregeld in de artikelen 20 tot en met 22a van de Wlb. Omdat in de Wlb maar weinig is geregeld moet de gemeente zelf invulling geven aan het werkproces rondom de lijkbezorging. De gemeente zal daarbij onder meer moeten bepalen welke inspanningen worden verricht om nabestaanden op te sporen, op welke wijze de uitvaart wordt gerealiseerd en in hoeverre de gemeente maatregelen neemt om de bezittingen van de overledene te beheren en de belangen van nabestaanden te behartigen. Daarover is niets geregeld in de Wlb en moet eigen beleid worden gevoerd. Het is aan de gemeente zelf om op deze punten keuzes te maken, rekening houdend met wettelijke kaders, die het erfrecht ter zake op enkele punten stelt. Deze keuzes worden in het navolgende benoemd en nader toegelicht. Tevens zijn deze beleidskeuzes in bijlage 1 op een rij gezet. Het college is bevoegd tot het stellen van beleidsregels. 1.1 Uitgangspunten lijkbezorging door de gemeente Het uitgangspunt van de Wlb is dat de lijkbezorging primair geen taak van de overheid is, maar een zaak en verantwoordelijkheid van burgers, die zorg dragen voor elkaar. In de eerste plaats zijn de nabestaanden verantwoordelijk voor de uitvaart, hoewel de wetgever erkent dat dit soms ook van vrienden, niet gehuwde partners etc. mag worden verwacht. Om die reden is er nadrukkelijk niet voor gekozen om een specifiek persoon aan te wijzen, die aansprakelijk en verantwoordelijk is voor de lijkbezorging. Evenmin is bepaald wie de meest aangewezen nabestaande zou zijn om de uitvaart te regelen. Pas als werkelijk niemand in de lijkbezorging voorziet, moet de burgemeester daarvoor zorg dragen. Uitgangspunt van de Wlb is dat deze wet primair bedoeld is om de lijkbezorging te regelen van mensen zonder nabestaanden. Zijn er wel nabestaanden, dan moet nagegaan worden of deze bereid zijn opdracht te geven voor de lijkbezorging. Is dat niet het geval, dan is de burgemeester verantwoordelijk. De kosten daarvan komen ten laste van de gemeente, die het wettelijk recht heeft om deze kosten te verhalen op de nalatenschap en de nabestaanden. Leidend principe van de Wlb is dat de gemeente in het belang van de volksgezondheid en openbare orde voor de lijkbezorging zorg draagt en dat nabestaanden de kosten voor hun rekening nemen en deze niet afwentelen op de belastingbetaler. 1.2 Welke gemeente is verplicht de uitvaart te regelen? Als niemand zorg draagt voor de lijkbezorging is de burgemeester verantwoordelijk (artikel 21 eerste lid Wlb). Het komt voor dat eerst wordt nagegaan welke burgemeester feitelijk verplicht is over te gaan tot de lijkbezorging. Het is immers denkbaar dat de overledene ingeschreven stond in een bepaalde gemeente maar in een andere gemeente overleden is. Uitgangspunt van de Wlb is dat de burgemeester van de gemeente die het lijk onder zijn berusting heeft, waar de overledene zich bevindt, op het moment dat niemand opdracht geeft tot het verzorgen van de uitvaart, de verantwoordelijkheid heeft voor de lijkbezorging. Dat kan dus een andere gemeente zijn dan de gemeente waar de overledene woonachtig was (bijvoorbeeld omdat betrokkene in een ziekenhuis elders is overleden). Voor de uitvoering heeft dit wel gevolgen met name als een bezoek aan de woonruimte van de overledene nodig wordt geacht om te achterhalen of er nabestaanden zijn dan wel in het kader van het treffen van beheersmaatregelen. Voor het binnentreden van een woning moet aan de vormvoorschriften van de Algemene wet op het binnentreden worden voldaan. De burgemeester van de gemeente, waar de overledene woonachtig was, moet machtiging verlenen voor het bezoek aan de woonruimte aldaar. De machtiging wordt per geval door de burgemeester verleend. 1.3 Vaststellen doodsoorzaak Doorgaans zal de huisarts of behandelend arts vaststellen dat er sprake is van een natuurlijke dood. In dat geval geeft de burgemeester uitvoering aan zijn wettelijke verantwoordelijkheid als er geen opdracht wordt gegeven voor de uitvaart. Het is echter ook denkbaar dat de arts een niet-natuurlijke dood vaststelt of het overlijden niet evident als natuurlijk of niet-natuurlijk bestempelt (zgn. ‘onverklaard overlijden’). In dat geval dient een gemeentelijk lijkschouwer, een GGD-arts, te worden verzocht onderzoek te doen naar de doodsoorzaak. Door het college van burgemeester en wethouders is een aantal forensisch artsen werkzaam bij de GGD Noord Oost Gelderland benoemd tot gemeentelijk lijkschouwer en zij hebben tot taak vast te stellen of het overlijden ingetreden is door een natuurlijke doodsoorzaak. 2. Van melding tot uitvaart Hoe verloopt het proces van lijkbezorging, welke stappen dient de gemeente te zetten en welke keuzes moeten worden gemaakt? Een melding dat er een overledene is, waarover niemand zich ontfermt, is meestal afkomstig van hulpverleners, zoals huisarts, verpleeg- of verzorgingshuis, ziekenhuis, politie, uitvaartondernemers e.d. Volgens de Wlb moet de melding uiterlijk op de derde dag na het overlijden worden gedaan (artikel 20 Wlb). Direct na de melding worden in beginsel de volgende stappen gezet: vaststellen identiteit overledene; overbrengen overledene naar mortuarium; onderzoek naar nabestaanden; nabestaanden verzoeken de uitvaart te regelen; eventuele beheersmaatregelen; onderzoek naar testament. Beleidsregel 1: De opdracht tot uitvaart wordt uiterlijk op de vierde werkdag na het overlijden gegeven. Toelichting: Omdat na het overlijden de lijkbezorging uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden plaats moet vinden (artikel 16 Wlb), wordt de opdracht tot uitvaart doorgaans uiterlijk op de vierde werkdag na het overlijden gegeven. De beschreven werkzaamheden worden dus binnen die termijn verricht om daarin te kunnen slagen. In artikel 16 Wlb is deze maximale termijn gesteld. Onder bijzondere omstandigheden is het mogelijk om daarvan af te wijken. Om die reden is de wettelijke termijn juist (per 1 januari 2010) verlengd tot zes werkdagen. Formeel is de burgemeester verantwoordelijk voor de uitvoering van de artikelen 20 tot en met 22a Wlb. Deze uitvoering wordt gemandateerd. Het gemeentelijk bevoegdhedenregister is hierop aangepast (mandaat nr. 357). Overigens betreft het bij de uitvoering van de Wlb niet alleen het nemen van besluiten (in de zin van de Algemene wet bestuursrecht), maar ook het verrichten van feitelijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen, waarvoor machtiging c.q. volmacht moet worden verleend. Ook het verlenen van deze machtigingen en volmachten is geregeld met mandaat 357. 2.1 Vaststellen identiteit overledene Veelal is duidelijk wie de overledene is. Is dit niet zo, dan wordt dit onderzocht. Aanwijzingen worden gevonden in documenten of papieren die de overledene bij zich draagt, getuigenverklaringen, vermissingberichten, e.d. Is na een globaal onderzoek nog niet duidelijk wat de identiteit is van de overledene, dan wordt celmateriaal afgenomen door een arts (artikel 21 lid 3 Wlb). De gemeente blijft verantwoordelijk voor de lijkbezorging, ook al kan de identiteit van de overledene niet worden vastgesteld. 2.2 Overbrengen stoffelijk overschot naar mortuarium Beleidsregel 2: Als na melding van overlijden niet duidelijk is of en zo ja, wie opdracht geeft tot lijkbezorging, maakt de gemeente met de uitvaartverzorger de afspraak zorg te dragen voor het verplaatsen van de overledene en alleen de eerste verzorging te realiseren en nog niet de volledige uitvaart. Toelichting: Het is ongewenst om de overledene langere tijd op de plek van overlijden te laten liggen. Vooral bij bepaalde weeromstandigheden en bij overlijden in de openbare ruimte zal het vaak gewenst zijn om het lichaam van de overledene zo spoedig mogelijk te verplaatsen naar een discretere locatie. Als na melding niet duidelijk is of en zo ja, wie opdracht geeft tot lijkbezorging, wordt met de uitvaartverzorger de afspraak gemaakt zorg te dragen voor het verplaatsen van de overledene en in eerste instantie alleen de eerste verzorging (weghalen overledene en conserveren in mortuarium) te realiseren en nog niet de volledige uitvaart. Dat geeft tevens tijd en ruimte voor onderzoek naar de nabestaanden en overleg met hen over de lijkbezorging. 2.3 Binnendringen woning Het is denkbaar dat de burgemeester wordt verhinderd om uitvoering te geven aan de lijkbezorging, omdat de overledene zich in een afgesloten ruimte bevindt waar geen toegang toe bestaat. Om daarin te voorzien is in artikel 21, tweede lid Wlb bepaald, dat als de overledene zich bevindt in een woning en de afgifte en/of de toegang tot die woning wordt geweigerd, de burgemeester (of een ambtenaar van politie) zich zonder toestemming van de bewoner toegang kan verschaffen. De formulering van artikel 21, tweede lid Wlb is in overeenstemming met de Algemene wet op het binnentreden. De weigering tot afgifte van een stoffelijk overschot is strafbaar ingevolge artikel 81, aanhef en onderdeel 2 Wlb. Het verhinderen of belemmeren van een lijkschouwing, dan wel een poging daartoe, is strafbaar ingevolge artikel 80, aanhef en onderdeel 8 Wlb. 2.4 Onderzoek naar nabestaanden Uitgangspunt van de Wlb is dat nabestaanden zorg dragen voor de uitvaart. De Wlb is een ‘vangnet’ als er geen opdracht wordt gegeven, omdat nabestaanden ontbreken of weigeren de uitvaart te regelen. Er wordt dus nagegaan of er nabestaanden zijn voordat de gemeente een taak heeft. Met behulp van team burgerzaken wordt een overzicht gemaakt van de directe nabestaanden. Zij worden zoveel mogelijk telefonisch benaderd met het verzoek zorg te dragen voor de uitvaart. Beleidsregel 3: Het onderzoek naar de eventuele nabestaanden strekt zich bij de gemeente niet verder uit dan tot en met de 2e graad van bloed- en aanverwantschap. Toelichting: Om te bepalen welke nabestaanden het eerst in beeld komen, wordt bij de erfrechtelijke rangorde aangesloten (zie artikel 4:10-12 BW). Het onderzoek naar de nabestaanden strekt zich bij de gemeente Aalten niet verder uit dan tot en met de 2e graad van bloed- en aanverwantschap. Dit in tegenstelling tot het gestelde onder punt 4.2. Het onderzoek naar nabestaanden kan een tijdrovende klus zijn. Per geval wordt bepaald welke inspanningen daarvoor geleverd worden en binnen welk tijdsbestek dat wordt gerealiseerd. Daarbij wordt in ogenschouw genomen dat lijkbezorging uiterlijk binnen zes werkdagen na het overlijden dient plaats te vinden. Ten aanzien van het opsporen en benaderen van nabestaanden zijn in de Wlb geen wettelijke voorschriften vastgelegd. Zoals bij iedere wettelijke taak geldt ook in dit geval dat de gemeente zich moet gedragen als een redelijk handelende overheid en zich aan de algemene beginselen vanbehoorlijk bestuur moet houden In dit verband met name het zorgvuldigheidsbeginsel. Beleidsregel 4: De gemeente verricht geen bovenmatige inspanningen om nabestaanden op te sporen. Toelichting: Blijkt uit de inspanningen van de gemeente en het onderzoek na de melding dat er vermoedelijk geen opdracht zal worden gegeven door een nabestaande, dan geeft de gemeente zelf opdracht in het kader van de Wlb. De inspanningen die worden geleverd voor het opsporen en benaderen van nabestaanden worden geregistreerd, zodat het mogelijk is achteraf verantwoording af te leggen aan bijvoorbeeld alsnog opduikende nabestaanden over de geleverde inspanningen. 2.5 Hoe de nabestaanden te vinden? Naast de BRP en de burgerlijke stand staan de gemeente andere middelen ter beschikking om nabestaanden op te sporen. Ontving de overledene een uitkering of een voorziening van de gemeente, dan kan het uitkeringsdossier wellicht aanknopingspunten opleveren. Andere bronnen zijn: politie, maatschappelijk werk, Centraal testamentenregister, andere uitkeringsinstanties, werkgever, buurtonderzoek, etc. Levert dit onderzoek geen nabestaande op, dan geeft de burgemeester opdracht voor de lijkbezorging. 2.6 Onderzoek naar testament Beleidsregel 5: De gemeente onderzoekt of er sprake is van een testament. Toelichting: De aanwezigheid van een testament wordt onderzocht. Uit het testament kunnen nabestaanden naar voren komen en kan blijken dat er bepaalde vermogensbestanddelen of verplichtingen (legaten) aanwezig zijn, die van belang zijn voor de afwikkeling van de nalatenschap. Bij het Centraal Testamentenregister (CTR) in Den Haag kan (gratis) worden nagegaan of de overledene een testament heeft laten opmaken. Vervolgens wordt die informatie schriftelijk bevestigd. De hiervoor benodigde aanvraagformulieren worden opgevraagd bij het Ministerie van Justitie, directie Bestuurszaken. Bij het aanvraagformulier moet een akte van overlijden worden bijgevoegd. Zie ook: www.centraaltestamentenregister.nl. 2.7 Inschakelen notaris? Beleidsregel 6: De gemeente schakelt een notaris in als er sprake is van een testament. Toelichting: Als er een testament is, wordt een notaris ingeschakeld. Deze is belast met de uitvoering van het testament. Dat kan soms ook met zich meebrengen dat de notaris de uitvaart verzorgt en zorg draagt voor de afwikkeling van de nalatenschap. Kosten, die de gemeente dan heeft gemaakt, kunnen bij de notaris worden verhaald. Blijkt dat de overledene een vermogen nalaat, zonder dat er een testament is, dan wordt in overleg met de notaris besloten hem te belasten met afwikkeling van de nalatenschap en/of de uitvaart. 2.8 Nabestaanden verzoeken de uitvaart te regelen Beleidsregel 7: Indien er nabestaanden tot en met de 2e graad van bloed- en aanverwantschap bekend zijn dan verzoekt de gemeente de nabestaanden de uitvaart te verzorgen. Toelichting: Als na onderzoek blijkt dat er wel nabestaanden zijn, dan worden zij verzocht de uitvaart ter hand te nemen. De gemeente tracht alle nabestaanden tot en met de 2e graad van bloed- en aanverwantschap telefonisch dan wel schriftelijk te benaderen. Hoewel de nabestaanden niet verplicht zijn om de uitvaart te regelen, is het uitgangspunt van de Wlb wel dat de uitvaart een particuliere verantwoordelijkheid is. Nabestaanden kunnen daarop worden gewezen en met klem worden verzocht hun verantwoordelijkheid te nemen. Beleidsregel 8: In afwijking van beleidsregel 7 benadert de gemeente geen nabestaanden, die gedetineerd zijn of in het buitenland wonen. Toelichting: Soms is het niet realistisch nabestaanden te vragen de uitvaart op zich te nemen. Nabestaanden kunnen gedetineerd zijn of in het buitenland woonachtig zijn. De gemeente benadert in dergelijke gevallen de nabestaanden niet en gaat zelf over tot lijkbezorging. Aarzelen nabestaanden om de uitvaart te verzorgen vanwege de financiële consequenties, dan kan eventueel bijzondere bijstand in het vooruitzicht worden gesteld als het gaat om mensen met een laag inkomen. Vanwege de vereiste spoed moeten de nabestaanden snel beslissen over het al dan niet regelen van de uitvaart. Dit dient schriftelijk te worden bevestigd of eventueel via de e-mail en wel binnen twee dagen. Voor een dergelijk korte termijn wordt gekozen, omdat de overledene in beginsel uiterlijk op de zesde werkdag na overlijden begraven of gecremeerd moet zijn. Geven de nabestaanden niet ondubbelzinnig aan dat zij de uitvaart ter hand nemen, dan is de burgemeester verantwoordelijk. Als geen opdracht door de nabestaanden wordt gegeven, dan wordt daarover gerapporteerd. Duiken er na de uitvaart alsnog nabestaanden op, dan worden de kosten waar mogelijk op deze nabestaanden verhaald voor zover de nalatenschap niet toereikend is. 3. Fase 2 - Rondom de uitvaart Als er geen opdracht wordt gegeven voor de uitvaart en de gemeente heeft besloten de uitvaart zelf te verzorgen, dan wordt een uitvaartondernemer verzocht dit ter hand te nemen. De gemeente geeft aan op welke wijze de uitvaart plaatsvindt. 3.1 Welke uitvaartondernemer? Beleidsregel 9: De gemeente kan onderhands aanbesteden bij de keuze van een uitvaartondernemer. In de situatie van gemeente Aalten zal dat een plaatselijke uitvaartondernemer zijn. 3.2 Uitvaartverzekering overledene Beleidsregel 10: De gemeente geeft de uitvaartondernemer de opdracht te onderzoeken of er sprake is van een naturaverzekering en deze gelden, indien van toepassing, te innen en te verrekenen met de uitvaartfactuur. Toelichting: Het is mogelijk dat uit de administratie van de overledene, bijv. bij een huisbezoek in het kader van het veiligstellen van de nalatenschap (zie punt 4.1), blijkt dat de overledene een uitvaartverzekering heeft afgesloten. Is dit een naturaverzekering, dan vraagt de gemeente de uitvaartonderneming deze gelden te innen. Dit doet overigens niets af aan de toepasselijkheid van de Wlb en de mogelijkheden om kosten te verhalen op hetzij de nalatenschap hetzij de nabestaanden. De uitvaartondernemer heeft via het Uitvaartverzekeringenregister (http://www.uitvaartverzekeringsregister.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.