← Nederland

Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2019 (Maastricht)

Obsah (6)Artikel 87§ 5§ 9§ 27§ 8a§ 11

Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2019DE RAAD VAN DE GEMEENTE MAASTRICHT, gezien het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 9 oktober 2018, organisatieonderdeel BCC-Concernzaken, no.

artikel 1.8.6 van de tarieventabel ten behoeve van een rijks-, provinciale of gemeentedienst of van een waterschap. Op aanvraag, en uiterlijk drie maanden na aanvangsdatum van het evenement, worden geen leges geheven voor bepaalde activiteiten ten behoeve van evenementen van sociaal-culturele instellingen (zie begripsbepalingen art. 1) waarvan de opbrengsten aangewend worden om de continuïteit van de eigen activiteiten te waarborgen. De aanvrager van het evenement dient op het aanvraagformulier aan te geven dat de organisatie en het evenement voldoen aan deze voorwaarden. De in het tweede lid bedoelde vrijstelling geldt voor de volgende in de tarieventabel opgenomen bepalingen: Artikel 1.19 (aanvraag ontheffing geluidshinderverordening) Artikel 3.1.4 (aanvraag ontheffing als

artikel 35 Drank- en Horecawet) Artikel 3.2.1 (vergunning voor het houden van een evenement, art.3.1 en art.8.1 Evenementenverordening) Voor een ontheffing in de zin van artikel 4.5.2 APV (kamperen buiten kampeercentrum) Voor een vergunning in de zin van artikel 2.1.4.1 APV (loopwedstrijd / wielerwedstrijd) Op aanvraag, en uiterlijk drie maanden na aanvangsdatum van het evenement, worden geen leges geheven voor bepaalde activiteiten ten behoeve van evenementen georganiseerd door sociaal-culturele instellingen (zie begripsbepalingen art 1) naar rato van dat deel van de netto-opbrengst van het evenement dat naar een goed doel gaat. Hiertoe dient voorafgaand aan het evenement een lijst van commerciële deelnemers te worden overlegd en een beschrijving van het evenement èn een verklaring door de organisatie van het evenement overlegd te worden waaruit blijkt dat de gehele of gedeeltelijke netto-opbrengst naar de goede doelen zullen worden overgemaakt. De in het vierde lid bedoelde vrijstelling geldt voor de volgende in de tarieventabel opgenomen bepalingen: Artikel 1.19 (aanvraag ontheffing geluidshinderverordening) Artikel 3.1.4 (aanvraag ontheffing als

artikel 35 Drank- en Horecawet) Artikel 3.2.1 (vergunning voor het houden van een evenement, art.3.1 en art.8.1 Evenementenverordening). Voor een ontheffing in de zin van artikel 4.5.2 APV (kamperen buiten kampeercentrum) Voor een vergunning in de zin van artikel 2.1.4.1 APV (loopwedstrijd / wielerwedstrijd) Leges die betrekking hebben op activiteiten die plaatsvinden in het kader van campagnevoering voor verkiezingen van publiekrechtelijke lichamen, worden niet geheven aan deelnemende partijen, mits deze activiteiten niet eerder dan 6 maanden vóór de betreffende verkiezingen plaatsvinden. De leges die betrekking hebben op art. 1.19.1 van de tarieventabel, worden niet geheven voor het organiseren van een betoging in de zin van artikel 2.1.2.2.APV. Artikel5Maatstaven van heffing en tarieven De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als

artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en verwezenlijking van het project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten, zoals

artikel 2.10, derde lid, van de Crisis- en herstelwet. Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt, met uitzondering van Titel 2, Hoofdstuk 3. Artikel6Wijze van heffing De leges worden geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. Artikel7Termijnen van betaling In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving

artikel 6: mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. Artikel8Kwijtschelding De regelgeving inzake de kwijtschelding is vastgelegd in de Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen. Artikel9Vermindering of teruggaaf Gehele of gedeeltelijke vermindering of teruggaaf van leges voor een in de bij deze verordening behorende tarieventabel omschreven dienst kan worden verleend op een aanvraag als

artikel 242 van de Gemeentewet en overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in die tarieventabel opgenomen bepaling. Artikel10Overdracht van bevoegdheden Het college is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening, indien de wijzigingen: van zuiver redactionele aard zijn; een gevolg zijn van nieuwe of gewijzigde rijksregelgeving die in werking treedt binnen drie maanden na de officiële bekendmaking van de inwerkingtreding ervan in het Staatsblad of de Staatscourant en het de volgende hoofdstukken of onderdelen van titel 1 van de tarieventabel betreft:

  1. hoofdstuk 16 (kansspelen) een en ander voor zover met deze wijzigingen niet reeds bij het vaststellen of latere wijziging van deze verordening bij raadsbesluit rekening is gehouden. Artikel11Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de leges. Artikel12Overgangsrecht De Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2018 van 14 november 2017 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel13Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
  2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari
  3. Artikel14Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Legesverordening fysieke diensten Maastricht
  4. Aldus besloten door de raad der gemeente Maastricht in zijn openbare vergadering van 13 november
  5. De Griffier, J. Goossens De Voorzitter, J.M. Penn-te Strake Tarieventabel behorende bij de ‘Legesverordening fysieke diensten Maastricht
  6. Titel 1 Algemene dienstverlening Hoofdstukken 1 tot en met 7 maken geen deel uit van deze verordening en tarieventabel 2019 2019 Hoofdstuk 8 Vastgoedinformatie 1.8.1 Het tarief voor de raadpleging van de bij de sector ruimte berustende vergunningen, tekeningen en bestemmingsplannen bedraagt, voor ieder kwartier of gedeelte daarvan: € 21,95 1.8.2 Het tarief voor het op verzoek van belanghebbenden verlenen van hulp bij de raadpleging, bedoeld onder 1.8.1, bedraagt, voor elk kwartier of gedeelte daarvan: € 21,95 1.8.3 Het tarief voor het maken van kopieën van tekeningen, vergunningen en bestemmingsplannen bedraagt, voor elk kwartier of gedeelte daarvan: € 21,95 1.8.4 Het tarief voor een afdruk van een straatwandtekening in het kader van het beschermd stadsgezicht bedraagt: € 427,95 1.8.5 Het tarief voor het verstrekken van informatie uit het gemeentelijke beperkingenregister of de gemeentelijke beperkingenregistratie,

artikel 5, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen, dan wel tot het verstrekken van een aan die registratie ontleende verklaring, als

artikel 9, eerste lid, onder c, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen, bedraagt: € 10,65 1.8.6 Het tarief voor het verstrekken van informatie uit Kadaster OnLine bedraagt: € 7,10 1.8.7 Het tarief voor een abonnement op lijsten van straatnamen en huisnummeringen bedraagt: € 302,65 1.8.8 Het tarief voor een abonnement op lijsten van ingeschreven bouwactiviteiten bedraagt: € 37,30 Hoofdstuk 10 en 11 maken geen deel uit van deze verordening en tarieventabel Hoofdstuk 12 Leegstandwet analoge aanvraag digitale aanvraag 1.12 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 1.12.1 tot het verlenen van een vergunning tot tijdelijke verhuur van leegstaande woonruimte als

artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet 1.12.1.1 voor één woning: € 210,90 € 191,75 1.12.1.2 voor 2 tot en met 10 woningen: € 626,55 € 569,60 1.12.1.3 voor 11 tot en met 25 woningen: € 720,55 € 655,05 1.12.1.4 voor 26 tot en met 50 woningen: € 767,50 € 697,75 1.12.1.5 voor meer dan 50 woningen: € 971,60 € 882,90 1.12.2 tot het verlengen van een vergunning tot tijdelijke verhuur van woonruimte als

artikel 15, negende lid, van de Leegstandwet € 195,75 € 178,00 Hoofdstuk 14 Markten analoge aanvraag digitale aanvraag 1.14.1 Het tarief voor het in behandeling nemen van een eerste c.q. nieuw verzoek om op de wachtlijst(en)/sollicitantenlijsten van gegadigde voor de dag- en weekmarkt(

  1. en)geplaatst te worden ingevolge de vigerende “Marktverordening Maastricht" bedraagt. € 38,25 € 34,80 1.14.2 Het tarief voor het in behandeling nemen van een verzoek om de inschrijving op de wachtlijst(
  2. en)van gegadigden voor de dag- en weekmarkt(
  3. en)met een kalenderjaar te verlengen, ingevolge de vigerende “Marktverordening Maastricht" bedraagt: € 19,10 € 17,35 Hoofdstuk 15 Winkeltijden analoge aanvraag digitale aanvraag 1.15.1 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een ontheffing op grond van de vigerende Winkeltijdenwet en/of een ontheffing op grond van de Verordening winkeltijden Maastricht 2015, bedraagt: € 39,60 € 36,00 1.15.2 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een ontheffing voor een avondwinkel op grond van de vigerende Winkeltijdenwet en/of artikel 6 van de Verordening Winkeltijden Maastricht 2015, bedraagt: € 123,75 € 112,50 Hoofdstuk 16 Kansspelen analoge aanvraag digitale aanvraag 1.16.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag ter zake een aanwezigheidsvergunning als

artikel 30b van de Wet op de kansspelen en artikel 3 van het speelautomatenbesluit: 1.16.1.1 voor één kansspelautomaat, voor 4 jaar: (€ 56,50 per kalenderjaar) € 226,00 n.v.t. 1.16.1.2 voor iedere volgende kansspelautomaat voor 4 jaar: (€ 34,00 per kalenderjaar) € 136,00 n.v.t. 1.16.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning als

artikel 3 van de Wet op de kansspelen (loterijvergunning) € 46,00 € 41,80 1.16.3 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning en tot het exploiteren of doen exploiteren van een speelgelegenheid als

artikel 2 van de vigerende Verordening speelautomatenhallen en speelautomaten Maastricht 2001, exclusief de aanwezigheidsvergunning, bedraagt de beschikking per jaar: € 1.354,35 n.v.t. 1.16.3.1 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een reeds verleende vergunning, als

1.16.3, bedraagt: € 227,80 n.v.t. 1.16.3.2 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een reeds verleende vergunning, als

1.16.3, die een wijziging van de leidinggevende(n) inhoudt, bedraagt voor de eerste leidinggevende: € 36,15 n.v.t. 1.16.3.3 voor iedere volgende leidinggevende: € 18,10 n.v.t. Hoofdstuk 17 Telecommunicatie analoge aanvraag digitale aanvraag 1.17.1 Het tarief ter zake het in behandeling nemen van een melding in verband met het verkrijgen van instemming omtrent tijdstip, plaats en werkwijze van uitvoering van werkzaamheden als

artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet, c.q. een aanvraag als

artikel 4 en volgende van de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2016 gemeente Maastricht, bedraagt: € 371,50 € 337,75 1.17.2 Dit tarief wordt, indien het betreft werkzaamheden in tegel-, klinker- en sierbestratingen, alsmede gesloten verhardingen, voor zover de werkzaamheden plaatsvinden in of op openbare gemeentegrond, per strekkende meter sleuf verhoogd met: € 1,55 € 1,40 1.17.3 Dit tarief wordt, indien het betreft werkzaamheden in bermen, groenstroken en dergelijke, voor zover de werkzaamheden plaatsvinden in of op openbare gemeentegrond, per strekkende meter sleuf verhoogd met: € 1,55 € 1,40 1.17.4 Dit tarief wordt, indien met betrekking tot een melding overleg moet plaatsvinden tussen gemeente, andere beheerders van openbare grond en de aanbieder van het netwerk, verhoogd met: € 123,80 € 112,55 1.17.5 De verwijderingsbijdrage als

artikel 13 lid 5 van de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2016 gemeente Maastricht bedraagt, per strekkende meter kabel: € 3,80 € 3,40 Hoofdstuk 18 Verkeer en vervoer analoge aanvraag digitale aanvraag 1.18.1 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag om toepassing van artikel 9 van de Wegenwet (het onttrekken van een weg aan het openbaar verkeer) bedraagt: € 91,00 n.v.t. 1.18.2 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing op grond van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 van de gesloten-verklaring milieuzone, bedraagt: 1.18.2.1 voor een dagontheffing: € 28,35 n.v.t. 1.18.2.2 voor een ontheffing voor de duur van maximaal een kalenderjaar: € 283,50 n.v.t. 1.18.3 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag om vergunning tot het plaatsen - ten behoeve van bouw-, onderhouds- en/of sloopwerk - van bouwmaterialen, werktuigen, keten, loodsen, (rol)steigers, schuttingen, (materiaal)containers e.d. bedraagt: € 92,60 € 84,20 1.18.3.1 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag die wordt ingediend binnen de formele aanvraag termijn bepaald in artikel 1.3 van de Algemene plaatselijke verordening en - na beoordeling van de ambtenaar - binnen een kortere periode getoetst en behandeld kunnen worden, bedraagt: 1.18.3.1.1 tussen 1 en 3 weken: € 141,70 € 128,80 1.18.3.1.2 binnen 1 week: € 190,75 € 173,45 1.18.3.2 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlenging of wijziging van een al verleende vergunning bedraagt: € 46,05 € 41,85 1.18.3.3 Indien het plaatsen van een opstal een (gedeeltelijke) wegafsluiting noodzaakt, worden bovenvermelde leges verhoogd met: € 54,80 n.v.t. 1.18.3.3 Bij het verzoek tot verlenging van een (gedeeltelijke) wegafsluiting: € 27,40 n.v.t. 1.18.4 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een ontheffing op grond van het reglement Verkeersregels en Verkeerstekens, bedraagt: (vermeerderd met tarief genoemd in artikel 1.18.8 en 1.18.8 en 1,18.11 en 1.18.13) € 18,95 n.v.t. 1.18.5 Het tarief voor het in behandeling nemen en/of het verstrekken van een duplicaat van een ontheffing op grond van het reglement Verkeersregels en Verkeerstekens in verband met een gewijzigd kenteken, verlies, vermissing of diefstal - per ontheffingsbewijs, bedraagt: € 18,95 n.v.t. 1.18.6 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een ontheffing van de Wegenverkeerswet voor het houden van oriëntatieritten, auto‑ rally's bedraagt: € 45,60 € 45,25 1.18.7 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor het verkrijgen van een ontheffing als

artikel 87 van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 voor zover noodzakelijk voor en direct samenhangend met de uitvoering van bijzondere transporten, bedraagt per verzoek, per transport: € 55,20 n.v.t. 1.18.8 Het tarief van een ontheffingsbewijs bij een aanvraag van een ontheffing als

Artikel 87

van RVV 1990 bedraagt per kalenderjaar: (Door het bevoegd gezag kan ontheffing worden verleend van de artikelen 3, eerste lid, 4, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 8, 10, 23, eerste lid, 24, 25, 26, 42, 43, 46, 53, 61b, alsmede artikel 62 voor zover het betreft de verkeerstekens C1, C2, C4, C6 tot en met C21, C22a, D2, D4 tot en met D7, E1 tot en met E3, F7 en de verkeerstekens genoemd in de artikelen 73, 76, 77, 78, 81 en 98 – waaronder blauwe zone) € 60,25 n.v.t. 1.18.9 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een parkeervergunning zoals

de vigerende Verordening Parkeerregulering en Parkeerbelastingen, bedraagt: (vermeerderd met het jaartarief vergunning ingevolge de voormelde verordening) € 18,95 n.v.t. 1.18.10 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een parkeervergunning bij een kentekenwijziging of tot het verlenen van een duplicaat als

de vigerende Verordening Parkeerregulering en Parkeerbelastingen ten gevolge van verlies, diefstal of vermissing, bedraagt: € 18,95 n.v.t. 1.18.11 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot de afgifte van een jaarontheffing voor 'kabelbedrijven' op grond van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 in combinatie met een jaarvergunning voor het parkeren op vergunninghoudersplaatsen en parkeerapparatuurplaatsen als

de vigerende "Verordening Parkeerregulering en parkeerbelastingen" voor het verrichten van storingswerkzaamheden aan of op de openbare weg, bedraagt per kalenderjaar: € 498,90 n.v.t. 1.18.12 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag inzake exploitatie Toeristisch Vervoer Maastricht bedraagt: 1.18.12.1 voor gemotoriseerd vervoer: Jaarlijks vermeerderd met leges ontheffing RVV (cf vigerende Verordening). € 644,70 n.v.t. 1.18.12.2 voor ongemotoriseerd vervoer: Jaarlijks vermeerderd met leges ontheffing RVV (cf vigerende Verordening). € 399,15 n.v.t. 1.18.13 Het tarief voor het verlenen van een vergunning voor het laden en lossen op betaalde- en vergunninghoudersplaatsen met een maximale parkeerduur van 15 minuten bedraagt per kalenderjaar Maximaal 3 ontheffingen per hotel op grond van de nota “Parkeren bij Hotels”: Indien geen plaatsen beschikbaar en te beoordelen door gemeente, eventuele aanleg bij nacalculatie. € 767,50 n.v.t. 1.18.14 Het tarief voor de digitale bezoekersregeling bedraagt € 18,95 24,10 1.18.15 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een ontheffing als

artikel 22, lid 1, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen bedraagt: € 191,35 n.v.t. 1.18.16 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag om verstrekking van een landelijke gehandicaptenkaart bedraagt, 1.18.16.1 in geval van een standaard, uitgebreid, verkort, afgebroken of vervallen geneeskundig onderzoek: het factuurbedrag onafhankelijke keuringsdienst, vermeerderd met de leges voor de behandeling: € 48,25 n.v.t. 1.18.16.2 zonder geneeskundig onderzoek de leges voor de behandeling: € 48,25 n.v.t. 1.18.17 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een individuele gehandicaptenparkeerplaats bedraagt, exclusief de kosten voor de aanleg van deze plaats: € 266,50 n.v.t. 1.18.18 Het tarief voor het verstrekken van een landelijke gehandicaptenkaart c.q. duplicaat tengevolge van vermissing, diefstal of verlies bedraagt: € 27,25 n.v.t. Hoofdstuk 19 APV en Diversen analoge aanvraag digitale aanvraag Geluid 1.19.1 Het tarief voor een aanvraag tot het verkrijgen van een ontheffing als

artikel 2 van de vigerende geluidhinderverordening gemeente Maastricht, bedraagt per dag, per locatie: € 145,70 € 132,50 met een maximum van: € 564,75 € 525,90 Terrassen 1.19.2 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een terras bedraagt per beschikking: € 123,70 € 112,45 1.19.2.1 Indien ter zake van de aanvraag van een vergunning voor het exploiteren van een terras advies van de welstandscommissie moet worden ingewonnen, wordt dit tarief verhoogd met: € 68,20 n.v.t. 1.19.2.2 Het tarief voor een verzoek voor het overschrijven van een terrasvergunning, gedurende de looptijd van bedoelde vergunning, van de geregistreerde exploitant naar de nieuwe exploitant bedraagt: € 39,60 € 36,00 Uitstallingsplan 1.19.3 Het tarief voor het in behandeling nemen van een initiatief uitstallingsplan cf. vigerend uitstallingenbeleid bedraagt: € 253,50 € 230,45 Ligplaatsen 1.19.4 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een ligplaatsvergunning zoals

de Verordening Woonschepen Zuid-Willemsvaart 2007 bedraagt: € 118,60 n.v.t. 1.19.4.1 Het tarief voor aanpassingen, toevoegingen en weigeringen in lopende vergunningen als

1.19.4 bedraagt: € 41,85 n.v.t. 1.19.4.2 Het tarief voor overschrijving van lopende vergunningen als

1.19.4 van de vergunninghouder naar rechtverkrijgende, bedraagt: € 41,85 n.v.t. Vuurwerk 1.19.5 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning als

artikel 2.6.2 van de Algemene plaatselijke verordening (het aanwezig houden van vuurwerk voor particulieren) bedraagt per beschikking: € 484,35 € 436,00 Standplaatsen 1.19.6 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het geven van een beschikking voor het verkopen of te koop aanbieden aan de weg (vaste standplaats), als

artikel 5.2.3. van de Algemene plaatselijke verordening (inname standplaats), bedraagt: voor het eerste jaar € 198,00 € 179,95 1.19.6.1 Voor de verlenging: € 39,60 € 36,00 1.19.6.2 Voor het wijzigen van de vergunning: € 39,60 € 36,00 1.19.7 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning voor productinformatie en/of ideële groeperingen (incidentele standplaats), als

artikel 5.2.3. van de Algemene plaatselijke verordening (inname standplaats), bedraagt het tarief van de beschikking: € 39,60 € 36,00 Titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving / omgevingsvergunning Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen 2.1.1.1 Onder de bouwkosten wordt in deze titel verstaan een raming van de bouwkosten exclusief BTW op basis van het product van de eenheidsprijzen voor het uit te voeren werk en de inhoud c.q. oppervlakte c.q. lengte van het bouwwerk, conform de door de heffingsambtenaar vast te stellen regeling vaststellen bouwkosten ten behoeve van de leges, die ter inzage ligt bij het GemeenteLoket. Voor bouwwerken die niet passen binnen het regime van vaststelling van bouwkosten op basis van de ‘Regeling vaststellen bouwkosten ten behoeve van de leges’ geldt de aannemingssom exclusief omzetbelasting,

paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012) (zie bijlage 1 bij de Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2018), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de kosten die voortvloeien uit aangegane verplichtingen ten behoeve van de fysieke realisatie (het bouwen) van de bouwwerken, exclusief omzetbelasting, welke als bijlage deel uitmaakt van de door de gemeenteraad vastgestelde verordening (zie bijlage 2 bij de Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2018). Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in deze titel onder bouwkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft. 2.1.1.2 Onder een bouwinitiatief/principeverzoek wordt verstaan een als zodanig door de verzoeker kenbaar gemaakt plan dat tenminste bestaat uit de bescheiden die nodig zijn voor het beoordelen van de (bouw)activiteit en dan met name op de onderdelen zoals

artikel 2.10, lid 1, sub c en d van de Wabo (bestemmingsplan en welstand). 2.1.1.3 Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 2.1.2 In deze titel voorkomende begrippen die in de Wabo zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als bij of krachtens de Wabo bedoeld. 2.1.3 In deze titel voorkomende begrippen die niet nader in de Wabo zijn omschreven en die betrekking hebben op activiteiten waarvoor het toetsingskader in een ander wettelijk voorschrift is uitgewerkt, hebben dezelfde betekenis als in dat wettelijk voorschrift bedoeld. Hoofdstuk 2 Vooroverleg/beoordeling conceptaanvraag/principeverzoek 2.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 2.2.1 tot het houden van vooroverleg in verband met het verkrijgen van een indicatie of een voorgenomen project in het kader van de Wabo vergunbaar is 30% van de leges zoals deze bij een daadwerkelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor het project zouden worden vastgesteld. 2.2.2 Tot het beoordelen van een conceptaanvraag om een omgevingsvergunning/principeverzoek: 30% van de leges zoals deze bij een daadwerkelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor het project zouden worden vastgesteld. 2.2.2.1 Indien voor de behandeling van het onder 2.2.1. genoemde verzoek een advies of, op verzoek van de aanvrager een hernieuwd advies, wordt gevraagd van de welstandscommissie wordt het onder 2.2.1 genoemde tarief verhoogd met een overeenkomstig artikel 2.3.1.2 vastgesteld bedrag. 2.2.2.2 Indien binnen 26 weken na het verkrijgen van deze beoordeling een op basis van het ingediende bouwinitiatief/principeverzoek een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend, wordt: 90% van de op grond van artikel 2.2.2 betaalde leges daarmee verrekend. 2.2.3 In afwijking van 2.2.1 geldt voor het in behandeling nemen van een bouwinitiatief/principeverzoek tot het uitsluitend verkrijgen van een toets over bestemmingsplan en stedenbouwkundige bepalingen van de bouwverordening indien er geen sprake is van planologisch strijdig gebruik als

artikel 2.1, lid 1, sub c van de Wabo (schriftelijke verklaring geen strijd bestemmingsplan / bevestiging bestemming toegestaan), een tarief van: € 74,60 2.2.4 Het tarief voor het in behandeling nemen van een verzoek tot wijziging van het vigerende bestemmingsplan in verband met het voornemen een omgevingsvergunning aan te vragen voor een met de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan strijdige bouwactiviteit c.q. een verzoek de kaders of randvoorwaarden vast te stellen voor de herontwikkeling van een locatie in afwijking van het geldende bestemmingsplan bedraagt: € 2.413,05 2.2.5 Het tarief voor het in behandeling nemen van een verzoek tot wijziging van het vigerende bestemmingsplan in verband met het voornemen een omgevingsvergunning aan te vragen voor een met de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan strijdige bouwactiviteit c.q. een verzoek de kaders of randvoorwaarden vast te stellen voor de herontwikkeling van een locatie in afwijking van het geldende bestemmingsplan in combinatie met toepassing van artikel 76a van de Wet geluidhinder, in verband met het inwinnen van een milieudeskundig advies en het toekennen van een hogere waarde, bedraagt: € 2.821,80 Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning 2.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een project bedraagt: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk. In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd. 2.3.1 Bouwactiviteiten Op andere wijze Digitaal via OLO 2.3.1.1 Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als

artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten: 2.3.1.1.1 indien de bouwkosten minder dan € 50.000 bedragen, per € 500: € 19,30 Geen differentiatie waarbij een minimum geldt van: € 171,50 € 119,10 2.3.1.1.2 indien de bouwkosten € 50.000 tot € 250.000 bedragen: € 1.932,10 € 1.723,25 vermeerderd met, voor elke € 500 waarmee het bedrag aan bouwkosten de € 50.000 overstijgt: € 18,40 Geen differentiatie 2.3.1.1.3 indien de bouwkosten € 250.000 tot € 500.000 bedragen: € 9.286,55 € 8.762,80 vermeerderd met, voor elke € 500 waarmee het bedrag aan bouwkosten de € 250.000 overstijgt: € 17,50 Geen differentiatie 2.3.1.1.4 indien de bouwkosten € 500.000 tot € 1.000.000 bedragen: € 18.033,60 € 16.986,05 vermeerderd met, voor elke € 500 waarmee het bedrag aan bouwkosten de € 500.000 overstijgt: € 16,70 Geen differentiatie 2.3.1.1.5 indien de bouwkosten € 1.000.000 tot € 2.500.000 bedragen: € 34.742,00 € 33.694,45 vermeerderd met, voor elke € 500 waarmee het bedrag aan bouwkosten de € 1.000.000 overstijgt: € 16,10 Geen differentiatie 2.3.1.1.6 indien de bouwkosten € 2.500.000 tot € 5.000.000 bedragen: € 82.981,70 € 81.934,15 vermeerderd met, voor elke € 500 waarmee het bedrag aan bouwkosten de € 2.500.000 overstijgt: € 15,45 Geen differentiatie 2.3.1.1.7 indien de bouwkosten € 5.000.000 tot € 10.000.000 bedragen: € 160.238,50 € 159.190,95 vermeerderd met, voor elke € 500 waarmee het bedrag aan bouwkosten de € 5.000.000 overstijgt: € 14,95 Geen differentiatie 2.3.1.1.8 indien de bouwkosten € 10.000.000 of meer bedragen: € 310.038,15 € 308.990,60 vermeerderd met, voor elke € 500 waarmee het bedrag aan bouwkosten de € 10.000.000 overstijgt: € 14,70 Geen differentiatie Welstandstoets 2.3.1.2 Indien ter zake de aanvraag om vooroverleg, een principeverzoek of een omgevingsvergunning het inwinnen van een advies of op verzoek van de aanvrager een hernieuwd advies van de welstandscommissie of ambtelijke toetsing voor het onderdeel bouwactiviteiten en voor het onderdeel (onderhoud) monument en slopen als

artikel 2.1, eerste lid, onder a en / of f van de Wabo noodzakelijk is, wordt het onder 2.3.1.1 genoemde tarief per behandeling verhoogd met: 2.3.1.2.1 indien de bouwkosten minder dan € 50.000 bedragen: € 63,25 2.3.1.2.2 indien de bouwkosten € 50.000 tot € 250.000 bedragen: € 111,25 2.3.1.2.3 indien de bouwkosten € 250.000 tot € 500.000 bedragen: € 194,65 2.3.1.2.4 indien de bouwkosten € 500.000 tot € 1.000.000 bedragen: € 340,60 2.3.1.2.5 indien de bouwkosten € 1.000.000 tot € 2.500.000 bedragen: € 596,10 2.3.1.2.6 indien de bouwkosten € 2.500.000 tot € 5.000.000 bedragen: € 1.043,20 2.3.1.2.7 indien de bouwkosten € 5.000.000 tot € 10.000.000 bedragen: € 1.825,60 2.3.1.2.8 indien de bouwkosten € 10.000.000 of meer bedragen: € 3.194,75 Achteraf ingediende aanvraag 2.3.1.3 Onverminderd het bepaalde in subonderdeel 2.3.1.1 en 2.3.1.2 bedraagt het tarief, indien de in dat subonderdeel bedoelde aanvraag wordt ingediend na aanvang of gereedkomen van de bouwactiviteit: 150% van de op grond van het betreffende onderdeel verschuldigde leges. Aanlegactiviteiten 2.3.2 Voor het in behandeling nemen van een aanvraag ter zake een omgevingsvergunning als

art 2.1 lid 1 sub b van de Wabo (ten behoeve van een aanlegactiviteit) een bedrag van € 341,05 Planologisch strijdig gebruik ongeacht of er wel of geen sprake is van een bouwactiviteit 2.3.3 Indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als

artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, al dan niet in combinatie met een bouwactiviteit als

artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.1, en het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten: 2.3.3.1 juncto art. 2.12, lid 1, sub a, van de Wabo (BEOORDELING afwijking) bedragen € 194,15 Verhoogd met: 2.3.3.2 juncto art. 2.12, lid 1, sub a, onder 1 van de Wabo (BEOORDELING binnenplanse afwijking) bedragen € 146,70 2.3.3.3 juncto art. 2.12, lid 1, sub a, onder 2 van de Wabo (BEOORDELING buitenplanse kleine afwijking of tijdelijke afwijking) bedragen: € 293,35 2.3.3.3.1 juncto art. 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wabo (BEOORDELING projectbesluit) bedragen: bouwkosten en/of aanlegkosten minder dan € 500.000: € 4.430,80 2.3.3.3.2 juncto art. 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wabo (BEOORDELING projectbesluit) bedragen: bouwkosten en/of aanlegkosten vanaf € 500.000 tot € 2.000.000: € 6.210,95 2.3.3.3.3 juncto art. 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wabo (BEOORDELING projectbesluit) bedragen: bouwkosten en/of aanlegkosten meer dan € 2.000.000: € 8.874,55 2.3.3.4 De leges voor het in behandeling nemen van een verzoek om planologische toets, om te beoordelen of het gebruik ten behoeve van woningsplitsing en/of kamerverhuur past binnen de voorschriften van het bestemmingsplan, een bedrag van per locatie. € 160,25 Beoordeling aanvullende gegevens analoge aanvraag digitale aanvraag 2.3.4 Onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3 bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van aanvullende gegevens die worden ingediend nadat de in dat onderdeel bedoelde aanvraag al in behandeling is genomen: € 46,00 € 41,80 In gebruik nemen of gebruiken bouwwerken in relatie tot brandveiligheid 2.3.5 Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als

artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten, 2.3.5.1 voor het ingebruiknemen van een bouwwerk in de zin van artikel 2.2, lid 1 sub a Besluit omgevingsrecht, 2.3.5.1.1 tot maximaal 50 personen: € 3.180,90 2.3.5.1.2 voor meer dan 50 personen: € 5.160,70 2.3.5.2 voor het ingebruiknemen van een bouwwerk in de zin van artikel 2.2, lid 1 sub b Besluit omgevingsrecht, 2.3.5.2.1 tot maximaal 100 personen: € 3.180,90 2.3.5.2.2 voor meer dan 100 personen: € 5.160,70 2.3.5.3 Indien de aanvraag zoals

2.3.5 gelijktijdig met een aanvraag om een omgevingsvergunning als

artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo wordt gedaan (samenloop bouwactiviteit), wordt het in artikel 2.3.5 genoemde tarief verminderd met: 75% 2.3.5.4.1 Indien bij de oplevering van de bouwwerkzaamheden blijkt dat het gebruik van een verleende omgevingsvergunning in marginale zin afwijkt: - uitgangspunten blijven gehandhaafd, - indeling en gebruik veranderen niet wezenlijk (minder dan 10%) - compartimentering en brandveiligheidsinstallaties wijzigen niet in concept, - gelijkwaardigheidsprincipe wijzigt niet, en - bij administratieve wijzigingen, en derhalve een nieuwe omgevingsvergunning moet worden verleend, wordt het in artikel 2.3.5 genoemde tarief verminderd met: 80% 2.3.5.4.2 Indien het gebruik van de verleende omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als

artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo wordt het in artikel 2.3.5 genoemde tarief verminderd met: 60% 2.3.5.4.3 Het tarief voor een aanvraag zoals

2.5.1 en 2.5.2, die niet rechtstreeks voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk 6 en 7 van het Bouwbesluit 2012 en dus uitsluitend kan worden verleend op basis van artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 (gelijkwaardigheid), wordt vermeerderd met: 50% 2.3.6 Activiteiten met betrekking tot monumenten of beschermde stads- of dorpsgezichten 2.3.6.1 Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning voor onderhoudswerkzaamheden betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een beschermd monument als

artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo, of artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo, een vergunning of ontheffing is vereist, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten: € 74,60 2.3.6.2 Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning voor een Rijksmonument betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een beschermd monument als

artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo, of artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo, waarvoor de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed geen afzonderlijk advies verstrekt, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten: € 371,70 2.3.6.3 Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning voor een Rijksmonument betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een beschermd monument als

artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo, of artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo, waarvoor aan de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed een afzonderlijk advies verstrekt, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten: € 1.099,30 Achteraf ingediende aanvraag 2.3.6.4 Onverminderd het bepaalde in subonderdeel 2.3.6.1, 2.3.6.2 en 2.3.6.3 bedraagt het tarief, indien de in dat subonderdeel bedoelde aanvraag wordt ingediend na aanvang of gereedkomen van de activiteit met betrekking tot een beschermd monument: Van de op grond van het betreffende onderdeel verschuldigde leges. 150% Sloopactiviteiten anders dan bij monumenten of in beschermd stads- of dorpsgezicht 2.3.7 Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald,

artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten: € 203,10 2.3.7.1 Indien het slopen waarvoor een omgevingsvergunning (sloopactiviteit) wordt gevraagd tevens vergunningplichtig is ingevolge art. 2.1 lid 1 sub f, g en h van de Wabo wordt het onder 2.3.6.1 tot en met 2.3.6.3 genoemde tarief eenmalig verhoogd met een bedrag van € 203,10 2.3.8 Uitweg/inrit 2.3.8.1 Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning betrekking heeft op het maken, hebben, veranderen of veranderen van het gebruik van een uitweg als

artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten: € 184,80 Alarminstallatie 2.3.8.2 Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning betrekking heeft op het in, op of aan een onroerende zaak hebben van een alarminstallatie die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan produceren, waarvoor ingevolge artikel 2.4.16 van de Algemene plaatselijke verordening (alarminstallaties) een vergunning of ontheffing is vereist, als

artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten: € 28,75 Stookverbod 2.3.8.3 Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning betrekking heeft op het verkrijgen van een ontheffing als

artikel 5.5.1, derde lid van de Algemene plaatselijke verordening (verbod vuur te stoken), bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten: € 63,80 2.3.9 Kappen 2.3.9.1 Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning betrekking heeft op het vellen of doen vellen van houtopstand, waarvoor op grond van de Bomenverordening een vergunning is vereist, als

artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten: € 54,90 2.3.9.2 Handelsreclame 2.3.9.2.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft het verkrijgen van een omgevingsvergunning als

artikel 2.2 lid 1 sub h van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten: € 80,20 2.3.9.2.2 Indien ter zake de behandeling van een aanvraag als

2.3.10A.1 een advies van de welstandscommissie wordt ingewonnen, wordt het tarief in 2.3.10A.1 genoemde tarief verhoogd met: € 40,10 2.3.10 Projecten of handelingen in het kader van de Wet natuurbescherming (bescherming van een Natura 2000-gebied) 2.3.10.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het realiseren van projecten of andere handelingen met gevolgen voor habitats en soorten in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied als

artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming, waarvoor Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg een verklaring van geen bedenkingen dient te geven of te weigeren ingevolge artikel 2.27, lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht: 2.3.10.2 het van toepassing zijnde tarief zoals opgenomen in paragraaf 2.6 van de vigerende Tarieventabel behorende bij de vigerende Legesverordening van de Provincie Limburg inzake het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor het realiseren van projecten of andere handelingen met gevolgen voor habitats of soorten in of nabij een Natura 2000-gebied als

artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming. Dit tarief bedraagt: 2.3.10.2.1 a. Landbouw en overige € 2.605,20 2.3.10.2.2 b. Industrie € 12.941,10 2.3.10.2.3 c. Infrastructuur € 19.403,75 Voor zover deze tarieven door Provinciale Staten van de Provincie Limburg zijn gewijzigd zijn de vigerende tarieven van kracht. 2.3.11 Leges in het kader van de Wet natuurbescherming worden niet geheven voor: 2.3.11.1 Het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning in het kader van projecten of andere handelingen met gevolgen voor habitats of soorten in of nabij een Natura 2000-gebied betrekking hebbende op evenementen en het beheer van een Natura-gebied. Omgevingsvergunning in twee fasen 2.3.12 Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning op verzoek in twee fasen plaatsvindt, als

artikel 2.5, eerste lid, van de Wabo, bedraagt het tarief: 2.3.12.1 voor het in behandeling nemen van de aanvraag ter zake een beschikking met betrekking tot de eerste fase: het bedrag dat voortvloeit uit toepassing van de tarieven in dit hoofdstuk voor de activiteiten waarop de aanvraag voor de eerste fase betrekking heeft; 2.3.12.2 voor het in behandeling nemen van de aanvraag ter zake een beschikking met betrekking tot de tweede fase: het bedrag dat voortvloeit uit toepassing van de tarieven in dit hoofdstuk voor de activiteiten waarop de aanvraag voor de tweede fase betrekking heeft. 2.3.13 Beoordeling bodemrapport Onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, indien krachtens wettelijk voorschrift voor de in dat onderdeel bedoelde aanvraag een bodemrapport wordt beoordeeld: 2.3.13.1 Voor het opstellen van een Programma van Eisen en/of opstellen van een Plan van Aanpak € 660,00 2.3.13.2 Voor de beoordeling van een of meerdere archeologische rapportages € 800,00 2.3.14 Advies 2.3.14.1 Onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, indien een daartoe bij wettelijk voorschrift aangewezen bestuursorgaan of andere instantie advies moet uitbrengen over de aanvraag of het ontwerp van de beschikking op de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld. 2.3.14.2 Indien een begroting als

subonderdeel 2.3.14.1 is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. 2.3.15 Verklaring van geen bedenkingen 2.3.15.1 Onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, indien een daartoe bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorgaan een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend, als

artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo: € 196,05 2.3.15.1.1 indien een ander bestuursorgaan een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld. 2.3.15.1.2 Indien een begroting als

subsubonderdeel 2.3.15.1.2 is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. 2.3.16 Duurzame voorzieningen 2.3.16.1 Onder het begrip 'duurzame voorziening' wordt verstaan: - het plaatsen van isolerend glas; - het plaatsen van een collector voor warmteopwekking; - het plaatsen van een collector voor elektriciteitsopwekking. 2.3.16.2 Voor het treffen van duurzame voorzieningen aan gebouwen worden geen leges bouwactiviteiten zoals

2.3.1.1 geheven. Hoofdstuk 4 Vermindering (vervallen) Hoofdstuk 5 Teruggaaf 2.5.1 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten 2.5.1.1 Als een aanvrager zijn aanvraag ter zake een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten, als

de onderdelen 2.3.1, 2.3.2, 2.3.6 en 2.3.7, intrekt terwijl deze reeds in behandeling is genomen door de gemeente, bestaat op verzoek van de aanvrager aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: 50% 2.5.1.1.1 van de op grond van artikelen 2.3.1, 2.3.2, 2.3.6 en 2.3.7 verschuldigde leges, en: 100% 2.5.1.1.2 Voor de op grond van de artikelen 2.1.3 t/m 2.1.9 verschuldigde leges, voor zover ter zake de aanvraag een of meer van de in deze artikelen genoemde procedures zijn gevolgd, wordt geen teruggaaf verleend. 2.5.1.2 Indien voor afgifte van een omgevingsvergunning als

art. 2.1 lid 1 sub d van de Wabo de aanvraag ter zake de omgevingsvergunning wordt ingetrokken wordt op een desbetreffend verzoek van de aanvrager: 50% van de op grond van art. 2.3.5 verschuldigde leges aan de aanvrager gerestitueerd. 2.5.1.3 Indien voor afgifte van een omgevingsvergunning als

art. 2.3.8.1 de aanvraag ter zake de omgevingsvergunning wordt ingetrokken wordt op een desbetreffend verzoek van de aanvrager 70% van de op grond van art. 2.3.5 verschuldigde leges aan de aanvrager gerestitueerd. 2.5.2 Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten 2.5.2.1 Als de gemeente een verleende omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-activiteiten als

de onderdelen 2.3.1.1, intrekt op aanvraag van de vergunninghouder, dan wel op grond van het feit dat niet binnen de in art. 2.33 lid 2 sub a van de Wabo gestelde termijn na het verlenen van de omgevingsvergunning een aanvang met de bouwwerkzaamheden is gemaakt, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges, mits deze aanvraag is ingediend binnen twee jaren na verlening van de vergunning en van de vergunning geen gebruik is gemaakt. De teruggaaf bedraagt: 50% van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges. 2.5.3 Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten 2.5.3.1 Als de gemeente een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-activiteiten als

de onderdelen 2.3.1.1, weigert, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: 50% van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges. 2.5.3.2 Als de gemeente een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit activiteiten als

onderdeel 2.3.8.2 weigert, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: 70% van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges. 2.5.3.3 Onder een weigering

onderdeel 2.5.3.1 wordt mede verstaan een vernietiging van de beschikking waarbij de vergunning is verleend bij rechterlijke uitspraak. 2.5.4 Geen teruggaaf legesdeel advies of verklaring van geen bedenkingen 2.5.4.1 Van de leges verschuldigd op grond van de onderdelen 2.3.14 en 2.3.15 wordt geen teruggaaf verleend. 2.5.5 Teruggaaf leges bij melden start en gereedmelding 2.5.5.1 Indien de vergunninghouder op de voorgeschreven wijze voldoet aan de verplichting om de start van de werkzaamheden alsmede de ingebruikname van het bouwwerk te melden, vindt er ten aanzien van de reeds betaalde leges een teruggaaf plaats van: € 10,65 2.5.6 Restitutiebepaling bij weigering omgevingsvergunning Wet natuurbescherming 2.5.6.1 Indien een omgevingsvergunning, die voorziet in projecten of andere handelingen met gevolgen voor habitats en soorten in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied, door de Gemeente wordt geweigerd, als gevolg van het weigeren van een verklaring van geen bedenkingen met betrekking tot dit onderdeel door Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg, vindt restitutie door de Gemeente aan de aanvrager plaats van: 75% van de geheven leges van de aanvrager. 2.5.7 Restitutie bij intrekking aanvraag Wet natuurbescherming 2.5.7.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning, die voorziet in projecten of andere handelingen met gevolgen voor habitats en soorten in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied, door de aanvrager wordt ingetrokken alvorens daarop door de Gemeente is beschikt, vindt restitutie door de Gemeente aan de aanvrager als volgt plaats: 2.5.7.1.1 indien het verzoek tot intrekking is gedaan binnen zes maanden na datum van ontvangst van de aanvraag bij de Gemeente, vindt restitutie door de Gemeente aan de aanvrager plaats van 50% van de geheven leges van de aanvrager. 2.5.7.1.2 indien het verzoek tot intrekking is gedaan zes maanden na datum van ontvangst van de aanvraag bij de Gemeente, vindt restitutie plaats door de Gemeente aan de aanvrager 25% van de geheven leges van de aanvrager. 2.5.8 Tarief als gevolg van het buiten behandeling laten van de aanvraag om een omgevingsvergunning 2.5.8.1 Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals

hoofdstuk 3 van titel 2 op grond van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling wordt gelaten, bedraagt het verschuldigde tarief: € 250 2.5.8.2 In afwijking van het gestelde in artikel 2.5.8.1: wanneer het tarief lager is dan € 250,00 is dat lagere tarief verschuldigd. 2.5.9 Tarief als gevolg van gebleken vergunningsvrije activiteit 2.5.9.1 Als bij de behandeling van een aanvraag om omgevingsvergunning blijkt dat de activiteit in zijn geheel vergunningsvrij kan worden uitgevoerd, bedraagt het verschuldigde tarief: € 100 Hoofdstuk 6 Intrekking omgevingsvergunning (vervallen) Hoofdstuk 7 Wijziging omgevingsvergunning als gevolg van wijziging project 2.7 Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het bouwen in afwijking van een verleende omgevingsvergunning, het bouwwerk waarvoor vergunning is verleend nog niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.12 van de bouwverordening gereed is gemeld en nog niet in gebruik is genomen, wordt, voor zover van toepassing, het bedrag van de leges overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 2.1.1 vastgesteld, met dien verstande dat als bouwkosten gelden de bouwkosten van het bouwplan waarop de aanvraag betrekking heeft verminderd met de bouwkosten van het bouwplan waarvoor vergunning is verleend. Het vorenstaande vindt geen toepassing indien de afwijking zodanig is dat in feite van een nieuw bouwplan moet worden gesproken. Van een nieuw bouwplan is in ieder geval sprake indien de gevraagde omgevingsvergunning niet kan worden verleend dan nadat ontheffing is verleend van planologische bepalingen, of indien ter zake de bouwactiviteit tevens een vergunning is vereist als

artikel 2.1 lid 1 sub f van de Wabo (monumenten). Hoofdstuk 8 Bestemmingswijzigingen zonder activiteiten 2.8.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het vaststellen van een bestemmingsplan als

artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening 2.8.1.1 (bouw)kosten minder dan € 500.000: € 7.806,25 2.8.1.2 (bouw)kosten vanaf € 500.000 tot € 2.000.000: € 9.586,40 2.8.1.3 (bouw)kosten meer dan € 2.000.000: € 12.249,95 2.8.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het wijzigen van een bestemmingsplan als

Afdeling 3

.6, artikel 3.30 eerste lid onder a, van de Wet ruimtelijke ordening.

2.8.2.1 (bouw)kosten minder dan € 500.000: € 4.641,55 2.8.2.2 (bouw)kosten vanaf € 500.000 tot € 2.000.000: € 5.828,30 2.8.2.3 (bouw)kosten meer dan € 2.000.000: € 6.446,71 € 6.888,30 Hoofdstuk 9 Bouwvergunning eerste of tweede fase op grond van oude wetgeving (vervallen) Hoofdstuk 10 Overig 2.10.1 Indien uit hoofde van enig voorschrift publicatie en/of tervisielegging nodig is, wordt voor het publiceren en ter visie leggen van een activiteit het voor die activiteit geldende tarief eenmalig verhoogd met: € 123,00 2.10.2 Voor het in behandeling nemen van een melding tot wijziging van de tenaamstelling van een vergunning, als

artikel 2.25 lid 2 Wabo, een bedrag van € 21,10 2.10.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een andere, in deze titel niet benoemde beschikking: € 41,85 Titel 3 Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn en niet vallend onder titel 2 Hoofdstuk 1 Horeca 3.1 Het tarief bedraagt voor: analoge aanvraag digitale aanvraag 3.1.1 het in behandeling nemen van een aanvraag ter zake een vergunning op grond van artikel 3 (en, indien van toepassing, artikel 4) van de Drank- en Horecawet per beschikking op aanvraag: Het tarief is ook verschuldigd wanneer de beschikking een weigering betreft, ook wanneer een weigering voorvloeit uit het niet tijdig aanleveren (conform door gemeente Maastricht gestelde termijn(en)) van bij de ontvangst van de aanvraag ontbrekende stukken. € 598,35 € 544,20 3.1.1.2 het in behandeling nemen van een aanvraag tot de bijschrijving op de DHW-vergunning van een leidinggevende 3.1.1.2.1 voor de eerste leidinggevende: € 138,15 € 125,60 3.1.1.2.2 voor iedere volgende leidinggevende: € 46,00 € 41,85 3.1.2 het in behandeling nemen van een aanvraag ter zake van een vergunning tot het exploiteren van een openbare inrichting als

artikel 2.3.1.2 lid 1 van de Algemene plaatselijke verordening (droge horecavergunning) bedraagt per beschikking op aanvraag: € 598,35 € 544,20 3.1.2.2 het in behandeling nemen van een aanvraag tot bijschrijving op de vergunning van de bedrijfsleider en/of beheerder: 3.1.2.2.1 voor de eerste leidinggevende: € 138,15 € 125,60 3.1.2.2.2 voor iedere volgende leidinggevende: € 46,00 € 41,85 tot een maximum van: € 506,55 € 460,50 3.1.3.3 voor het weigeren van een exploitatievergunning Droge Horeca (APV 2.3.1.2 lid 1) op grond van het bestemmingsplan € 138,15 € 125,60 3.1.4 het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als

artikel 35 van de Drank- en Horecawet: € 19,10 € 17,35 Hoofdstuk 2 Organiseren evenementen of markten analoge aanvraag digitale aanvraag 3.2.1 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor het houden van een evenement zoals

artikel 3.1 van de Evenementenverordening gemeente Maastricht 2016 (en zoals nadien gewijzigd), met inbegrip van de aanvragen voor het houden van een wedstrijd, niet zijnde de wedstrijden als

de WVW 1994, bedraagt per hieruit voortkomende beschikking: € 94,00 € 85,50 3.2.1.1 Indien de behandeling van een aanvraag voor het houden van een evenement een bezoekersaantal groter dan of gelijk aan 500 per dag en/of van drie dagen of meer betreft, bedraagt het tarief per beschikking: € 140,35 € 127,60 3.2.1.2 Het tarief voor de melding - en ná de melding, de annulering - van een evenement in gebouwen met een gebruiksvergunning, bedraagt per beschikking: € 76,65 € 69,70 3.2.1.3 Het tarief voor het wijzigen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning voor een reeds aangevraagd evenement, indien de aanvraag gewijzigd wordt gedurende de behandeling ervan, bedraagt per beschikking: € 94,00 € 85,50 3.2.1.4 Het tarief voor een vergunning voor wielertoertochten en/of wielerwedstrijden bedraagt per beschikking: € 49,75 € 45,25 3.2.1.5 Eenmalige bijdrage, indien uitvoeringsregeling evenementen van toepassing is: € 39,70 n.v.t. Hoofdstuk 3 Seksbedrijven analoge aanvraag digitale aanvraag 3.3.1 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning als

artikel 3.2.1, lid 1 van de Algemene plaatselijke verordening (seksinrichtingenvergunning) bedraagt: € 690,75 € 627,90 3.3.2 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot de bijschrijving op de vergunning van de bedrijfsleider en/of beheerder bedraagt: 3.3.2.1 voor de eerste leidinggevende: € 138,15 € 125,60 3.3.2.2 voor iedere volgende leidinggevende: € 46,00 € 41,85 tot een maximum van: € 506,55 € 460,50 Hoofdstuk 4 Smart-, headshops analoge aanvraag digitale aanvraag 3.4.1 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning als

artikel 2.3.1a.2 van de Algemene plaatselijke verordening (Smart-, headshop) bedraagt: € 598,35 € 544,20 3.4.2 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot de bijschrijving op de vergunning van de bedrijfsleider en/of beheerder bedraagt: 3.4.2.1 voor de eerste leidinggevende: € 138,15 € 125,60 3.4.2.2 voor iedere volgende leidinggevende: € 46,00 € 41,85 tot een maximum van: € 506,55 € 460,50 3.4.3 voor het weigeren vaneen vergunning voor een smart/head/growshop als

artikel 2.3.1a.2 van de APV op grond van het bestemmingsplan € 138,15 € 125,60 Hoofdstuk 5 Beleidsregels / toetsingscriteria ontheffingen nachtzaken analoge aanvraag digitale aanvraag 3.5 Het tarief voor: 3.5.1 het in behandeling nemen van een aanvraag tot een ontheffing voor het exploiteren van een nachtzaak voor een periode van vijf jaar, of het verlenen van een proefontheffing van 12 maanden, bedraagt: € 920,00 € 836,35 3.5.2 het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlengen van een proeftijd als

3.5.2, bedraagt: € 385,80 € 350,70 3.5.3 het in behandeling nemen van een aanvraag tot een aanpassing in de nachtontheffing, na een wijziging in de ondernemersvorm van de vergunninghouder in de zin van artikel 29, eerste lid, Drank- en horecawet, bedraagt: € 250,55 € 227,80 3.5.4 het in behandeling nemen van een aanvraag tot een verlenging van een vijfjarige vergunning van een nachtzaak, welke zonder nadere advisering en/of werkzaamheden zonder meer verlengd kan worden, bedraagt: € 250,55 € 227,80 Hoofdstuk 6 In titel 1 en 3 niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking analoge aanvraag digitale aanvraag 3.6 Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een andere, in deze titel niet benoemde vergunning of ontheffing of tot het nemen van een andere beschikking, bedraagt: € 46,00 € 41,80 Aldus besloten door de raad der gemeente Maastricht in zijn openbare vergadering van 13 november

  1. De Griffier, J. Goossens De Voorzitter, J.M. Penn-te Strake Bijlage 1 bij Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2019 Besluit vaststelling Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012) Geldend van 01-03-2012 t/m heden Besluit vaststelling Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012) De Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Overwegende dat het wenselijk is de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken te herzien; Besluiten: Vast te stellen de in de bijgaande bijlage 1 vervatte Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken
  2. Deze beschikking zal in de Staatscourant worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 19 januari 2012 De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.W.E. Spies De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, M.J.M. Verhagen Bijlage 1 Tekst van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012) Hoofdstuk I. Algemeen §
  3. Aanduidingen, begripsbepalingen Verstaan wordt onder: de aannemer: de natuurlijke of rechtspersoon, aan wie het werk is opgedragen; de aannemingssom: het bedrag, waarvoor de aannemer zich heeft verbonden het werk tot stand te brengen, de omzetbelasting daarin niet begrepen; het bestek: de beschrijving van het werk, de daarbij behorende tekeningen, de voor het werk geldende voorwaarden, de nota van inlichtingen en het proces-verbaal van aanwijzing; bouwstoffen: de in het werk te brengen materialen, voorwerpen, onderdelen, installaties of onderdelen daarvan, grond van allerlei soort en dergelijke; dag: kalenderdag; de opdrachtgever: de natuurlijke of rechtspersoon, die het werk opdraagt; de overeenkomst: de tussen opdrachtgever en aannemer tot stand gekomen overeenkomst van aanneming van werk; UAV: deze Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012; het werk: het uit te voeren werk, technische installatiewerk of de te verrichten levering; werkdag: een kalenderdag, tenzij deze valt op een algemeen of ter plaatse van het werk erkende, of door de overheid dan wel bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst voorgeschreven rust- of feestdag, vakantiedag of andere niet individuele vrije dag. Indien in het bestek een afzonderlijke termijn is gesteld, binnen welke een deel van het werk moet worden opgeleverd, wordt voor de toepassing van de §§ 6, vierde lid, 8, 8a, 9, 10, 11, 12, 42 en 44 dat deel als een afzonderlijk werk aangemerkt. Indien in het bestek een afzonderlijke termijn is gesteld, binnen welke de uitvoering van het werk tot een bepaalde stand moet zijn gevorderd, voordat de oplevering plaats vindt, is het bepaalde in de §§ 8, 8a, 9 en 42 van overeenkomstige toepassing. Indien aan de totstandkoming van de overeenkomst geen aanbesteding is voorafgegaan, wordt voor de toepassing van de §§ 2, tweede lid, 6, elfde en dertiende lid, 48, tweede lid, en 49, tweede lid, in plaats van ‘de dag van aanbesteding’ gelezen ‘de dag van de prijsaanbieding van de aannemer’. Bij meerjarige onderhoudswerken, opgedragen voor een bepaalde som per jaar wordt, indien sprake is van ‘aannemingssom’ of van ‘termijn van betaling’, bedoeld de aannemingssom per jaar of de termijn van betaling van het betrokken onderhoudsjaar. §
  4. Van toepassing zijnde voorschriften, tegenstrijdige bepalingen De bepalingen van de UAV gelden voor zover daarvan in het bestek niet uitdrukkelijk is afgeweken. Tot het bestek behoren mede, als waren zij er letterlijk in opgenomen, de op het werk van toepassing verklaarde technische normvoorschriften zoals deze drie maanden voor de dag van aanbesteding luiden. Op de overeenkomst is van toepassing het Nederlandse recht. Indien onderdelen van het bestek onderling tegenstrijdig zijn, wordt, tenzij een andere bedoeling uit het bestek voortvloeit, de rangorde daarvan bepaald aan de hand van de volgende regels: een nieuw geschreven of getekend document gaat voor een oud geschreven of getekend document; de beschrijving gaat voor een tekening; een bijzondere regeling gaat voor een algemene regeling; met dien verstande, dat regel a gaat voor de regels b en c, en regel b voor regel c.Indien toepassing van deze regels geen uitkomst biedt, wordt de tegenstrijdigheid, met inachtneming van de billijkheid, uitgelegd ten nadele van degene door of namens wie het bestek is opgesteld. Het in het vierde lid bepaalde laat onverlet de verplichting van de aannemer om de directie te waarschuwen in geval van een klaarblijkelijke tegenstrijdigheid tussen onderdelen van het bestek. Hoofdstuk II. Vertegenwoordiging van partijen §
  5. Directie De opdrachtgever is gerechtigd een of meer personen aan te wijzen om als directie op te treden of de directie bij te staan dan wel als zodanig aangewezen personen door anderen te vervangen. Indien de opdrachtgever niet een of meer personen wil aanwijzen om als directie op te treden, is hij verplicht hiervan vóór de uitvoering van het werk schriftelijk mededeling te doen aan de aannemer. Indien door het niet aanwijzen of niet vervangen van een of meer personen om als directie op te treden meer van de aannemer wordt verlangd dan redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, heeft hij recht op bijbetaling. De opdrachtgever geeft van elke aanwijzing als

het eerste lid, indien deze niet reeds in het bestek is gedaan, en van elke wijziging of intrekking daarvan, onverwijld schriftelijk kennis aan de aannemer. Zolang en voor zover de opdrachtgever niet schriftelijk aan de aannemer van het tegendeel doet blijken, vertegenwoordigt de directie de opdrachtgever in alle zaken het werk betreffende. In de gevallen echter, waar in de UAV uitdrukkelijk de opdrachtgever is genoemd, is alleen deze bevoegd. Indien meer dan één persoon als directie is aangewezen, wordt ieder der aangewezen personen geacht de directie te vertegenwoordigen. De directie oefent het toezicht uit op de uitvoering van het werk en op de naleving van de overeenkomst. Personen, die zijn aangewezen om de directie bij te staan, binden deze in zoverre het tegendeel niet schriftelijk aan de aannemer is medegedeeld. De directie is bevoegd te bepalen, dat door haar aan te duiden werkzaamheden niet mogen worden uitgevoerd dan in tegenwoordigheid van de directie of van door haar aangewezen personen. Indien en zolang de opdrachtgever van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, treedt hij daar, waar in de UAV sprake is van de directie, in haar plaats. §

  1. Gevolmachtigde van de aannemer De aannemer is te allen tijde gerechtigd één of meer personen aan te wijzen om hem in zaken het werk betreffende te vertegenwoordigen. De aanwijzing door de aannemer van personen die hem in zaken het werk betreffende zullen vertegenwoordigen, moet geschieden met gebruikmaking van een volmacht overeenkomstig Bijlage A van de UAV. Ditzelfde geldt bij wijziging van bedoelde volmacht. Een door de aannemer gewaarmerkt afschrift van de volmacht wordt onverwijld aan de directie verschaft. De aanwijzing van iedere gevolmachtigde geschiedt voor het werk of voor een bepaald gedeelte ervan. Hoofdstuk III. Algemene verplichtingen van partijen §
  2. Verplichtingen van de opdrachtgever De opdrachtgever zorgt er voor, dat de aannemer tijdig kan beschikken: over de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke toestemmingen, die voor de opzet van het werk volgens het bestek vereist zijn; over het terrein of het water, waarop of waarin het werk moet worden uitgevoerd; over de benodigde tekeningen en andere gegevens; over de verstrekkingen, die de opdrachtgever ingevolge de overeenkomst doet.Indien de aard van het werk hiertoe aanleiding geeft, houdt de directie vóór de aanvang van het werk een bouwbespreking met de aannemer en de leidingbeheerders, waarbij de aannemer wordt ingelicht omtrent de juiste ligging van de zich in of nabij het werk en het werkterrein bevindende ondergrondse kabels en leidingen en waarbij wordt vastgesteld wat daarmee moet geschieden. Indien de directie deze bouwbespreking niet houdt, zal de aannemer vóór de aanvang van het werk om het houden van die bespreking verzoeken. De directie zal aan dit verzoek gevolg geven. De opdrachtgever draagt de verantwoordelijkheid voor de door of namens hem voorgeschreven constructies en werkwijzen, daaronder begrepen de invloed die daarop door de bodemgesteldheid wordt uitgeoefend, alsmede voor de door of namens hem gegeven orders en aanwijzingen. Indien bouwstoffen of hulpmiddelen, die de opdrachtgever ter beschikking heeft gesteld, gebreken mochten hebben, is de opdrachtgever aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade. De opdrachtgever is aansprakelijk voor de functionele ongeschiktheid: a. van door hem voorgeschreven bouwstoffen; b. van bouwstoffen, die bij een door hem voorgeschreven leverancier moeten worden betrokken, tenzij de aannemer een keuzemogelijkheid had met betrekking tot deze bouwstoffen. Onder de functionele ongeschiktheid van bouwstoffen wordt verstaan het naar hun aard niet geschikt zijn van deze bouwstoffen voor het doel waarvoor zij blijkens het bestek zijn bestemd. (Vervallen). Indien wettelijke voorschriften of beschikkingen van overheidswege hogere eisen aan het werk stellen dan in de overeenkomst is bepaald, zullen wijzigingen van het werk, welke nodig zijn om aan die eisen te voldoen, worden verrekend als meer werk. De opdrachtgever zal het aan de aannemer toekomende volgens de in de overeenkomst gestelde regelen voldoen. Indien het bouwterrein, de uit het werk komende oude bouwstoffen of de door de opdrachtgever ter beschikking gestelde bouwstoffen verontreinigd zijn, wordt de aard en de omvang daarvan, voor zover voor de uitvoering van het werk van belang, in het bestek vermeld. De opzet van het werk zal zodanig zijn, dat daardoor schade aan personen, goederen of milieu zoveel mogelijk wordt beperkt. §
  3. Verplichtingen van de aannemer De aannemer is verplicht het werk uit te voeren naar de bepalingen van de overeenkomst zonder aanspraak op verrekening, bijbetaling of schadevergoeding te kunnen doen gelden dan in de gevallen, waarin dat bepaaldelijk voorgeschreven of kennelijk bedoeld is. Hij is verplicht al datgene te verrichten, wat naar de aard van de overeenkomst door de wet, de billijkheid of het gebruik wordt gevorderd of tot een behoorlijke aanwending der bouwstoffen behoort. De aannemer is verplicht het werk uit te voeren volgens de door de directie te verstrekken en de door haar goed te keuren tekeningen. Hij is verplicht de orders en aanwijzingen op te volgen, die hem door de directie worden gegeven. De verplichtingen van de aannemer omvatten mede: de levering van de nodige bouwstoffen en het verrichten van de nodige werkzaamheden; de beschikbaarstelling van gereedschap, materieel, hulpmaterialen, hulpstoffen, hulpwerken en andere hulpmiddelen, nodig voor de uitvoering van het werk en het verrichten van de nodige hulpwerkzaamheden; de betaling van precario, kosten van aansluiting van hulpleidingen en dergelijke. Het werk en de uitvoering daarvan zijn voor rekening van de aannemer met ingang van de datum van aanvang of zoveel eerder als de aannemer ingevolge § 7, tweede lid, met het werk begint, tot en met de dag waarop het werk overeenkomstig het bepaalde in § 10, eerste of tweede lid, als opgeleverd wordt beschouwd. Onder het werk en de uitvoering daarvan worden mede begrepen de voorbereiding, de aanvoer van bouwstoffen, de uitvoering van hulpwerken, de doelmatigheid en capaciteit van werktuigen en gereedschappen. De uitvoering van het werk moet zodanig zijn, dat de totstandkoming van het werk overeenkomstig de volgens § 8, eerste lid, in het bestek voorgeschreven termijn verzekerd is. De wijze van uitvoering van het werk moet zodanig zijn, dat voor de opdrachtgever dan wel voor derden geen nodeloze hinder is te duchten. De aannemer dient het werk zodanig uit te voeren, dat daardoor schade aan personen, goederen of milieu zoveel mogelijk wordt beperkt. Onvoldoend werk wordt binnen een door de directie in billijkheid te stellen termijn tot haar genoegen door de aannemer verbeterd of vernieuwd. Deze verbetering of vernieuwing geschiedt op kosten van de aannemer, tenzij het onvoldoend werk het gevolg is van een omstandigheid die voor rekening van de opdrachtgever komt. De aannemer is aansprakelijk voor schade aan met het werk in verband staande werken van de opdrachtgever en aan andere werken en eigendommen van de opdrachtgever, voor zover deze door de uitvoering van het werk is toegebracht en is toe te rekenen aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de aannemer, zijn personeel, zijn onderaannemers of zijn leveranciers. De aannemer vrijwaart de opdrachtgever tegen aanspraken van derden tot vergoeding van schade, voor zover deze door de uitvoering van het werk is toegebracht en is toe te rekenen aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de aannemer, zijn personeel, zijn onderaannemers of zijn leveranciers. De aannemer zorgt voor de tijdige verkrijging van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke toestemmingen, die hij nodig heeft of wenst, voor zover zij niet behoren tot die, waarvoor de opdrachtgever ingevolge het bepaalde in § 5, eerste lid, sub a zorg draagt. De aannemer wordt geacht bekend te zijn met de voor de uitvoering van het werk van belang zijnde wettelijke voorschriften en beschikkingen van overheidswege, voor zover deze op de dag van aanbesteding in werking zijn getreden. De aan de naleving van deze voorschriften en beschikkingen verbonden gevolgen zijn voor zijn rekening. De gevolgen van de naleving van voorschriften van bijzondere aard zijn voor rekening van de aannemer, tenzij redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat hij deze voorschriften niet behoefde te kennen. In dit laatste geval heeft hij aanspraak op bijbetaling. De gevolgen van de naleving van wettelijke voorschriften of beschikkingen van overheidswege, die na de dag van aanbesteding in werking treden, komen voor rekening van de opdrachtgever, tenzij redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aannemer die gevolgen reeds op de dag van aanbesteding had kunnen voorzien. Indien echter in de overeenkomst bepalingen zijn opgenomen betreffende de verrekening van wijzigingen van lonen en sociale lasten of van prijzen, huren en vrachten, komen de gevolgen daarvan slechts voor rekening van de opdrachtgever, indien en voor zover zulks uit die bepalingen voortvloeit. Indien de constructies, werkwijzen, orders en aanwijzingen,

§ 5

, tweede lid, dan wel de bouwstoffen of hulpmiddelen,

§ 5

, derde lid, klaarblijkelijk zodanige fouten bevatten of gebreken vertonen, dat de aannemer in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou handelen door zonder de directie daarop te wijzen tot uitvoering van het desbetreffende onderdeel van het werk over te gaan, is hij voor de schadelijke gevolgen van zijn verzuim aansprakelijk. Het in dit lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de in § 5, vierde lid, en deze paragraaf, zevenentwintigste lid, bedoelde gevallen. Indien de aannemer meent, behalve op de aannemingssom, op de vergoeding van de omzetbelasting en op de verrekening ingevolge de §§ 35 tot en met 39, nog andere aanspraken jegens de opdrachtgever te hebben, geeft hij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk aan deze kennis en in elk geval op zodanig tijdstip dat de directie de ter zake nodige gegevens kan verzamelen. Aan het verzamelen van die gegevens verleent de aannemer zijn medewerking. De opdrachtgever of de directie kan van de aannemer nadere inlichtingen verlangen omtrent de door hem kenbaar gemaakte aanspraken. De aannemer zorgt voor orde en veiligheid op het werk. Hij zorgt tevens voor een zodanige verlichting, dat een goede uitvoering van het werk gewaarborgd is. Wanneer bij de uitvoering van het werk voorwerpen of stoffen worden aangetroffen, waarvan redelijkerwijs geacht kan worden dat deze schade kunnen toebrengen aan personen, goederen of milieu, brengt de aannemer dit onmiddellijk ter kennis van de directie. Hij neemt terstond, zo mogelijk in overleg met de directie, de door de omstandigheden vereiste veiligheidsmaatregelen. De aannemer is verplicht alle onbekwame dan wel ongeschikte personen, die van zijnentwege of vanwege een onderaannemer of leverancier op het werk aanwezig zijn, op verlangen van de directie onverwijld daarvan te doen verwijderen. De aannemer moet gedurende de uitvoering van het werk op of in de nabijheid van de plaats, waar het wordt uitgevoerd, aanwezig zijn, tenzij de directie zulks onnodig oordeelt of een gevolmachtigde hem overeenkomstig § 4 vertegenwoordigt. De aannemer zorgt er voor, dat bij de uitvoering van het werk, tenzij hijzelf of zijn gevolmachtigde ter plaatse is, steeds een persoon aanwezig is, die de opdracht heeft orders of aanwijzingen van de directie op te volgen en deze onverwijld aan hem of zijn gevolmachtigde over te brengen. De aannemer verleent toegang tot het werk en het werkterrein aan de personen, die door de opdrachtgever of de directie tot toegang zijn gemachtigd, voor zover hij daartegen geen redelijke bezwaren heeft. Behalve het te werk gestelde personeel en uit anderen hoofde bevoegde personen mag de aannemer andere personen op het werk en het werkterrein toelaten voor zover de opdrachtgever of de directie daartegen geen redelijke bezwaren kenbaar maakt. De aannemer zorgt er voor, dat de directie en door de directie aangewezen personen, voor zover fabrieksgeheim zich daartegen niet verzet, vrije toegang hebben tot de terreinen, fabrieken, werkplaatsen en loodsen, zowel van de aannemer als van onderaannemers en leveranciers, waar werkzaamheden ten behoeve van het werk worden verricht of voor het werk bestemde bouwstoffen zijn opgeslagen, teneinde de werkzaamheden respectievelijk de bouwstoffen te inspecteren. Indien uit hoofde van fabrieksgeheim vrije toegang als

het voorgaande lid niet of niet ten volle kan worden gegeven, moet hiervan kennis worden gegeven: bij de inschrijving, indien de bevoegdheid tot het verlenen van vrije toegang bij de aannemer berust; bij de aanvraag tot goedkeuring van de betrokken onderaannemer of leverancier, indien de bevoegdheid bij een van hen berust.Een kennisgeving als bedoeld onder a zal niet worden aangemerkt als een aan de inschrijving verbonden voorwaarde. Indien twee of meer personen tezamen een werk hebben aangenomen, zijn zij hoofdelijk voor de gehele uitvoering daarvan aansprakelijk. Zij zijn verplicht een van hen schriftelijk aan te wijzen om hen in alle opzichten te vertegenwoordigen. De aannemer mag het werk niet geheel of ten dele aan een ander overdragen zonder schriftelijke goedkeuring van de opdrachtgever. De aannemer kan bepaalde onderdelen van het werk in onderaanneming laten uitvoeren, mits voor de keuze van deze onderdelen en van de daarvoor in te schakelen onderaannemers de schriftelijke goedkeuring van de directie is verkregen; deze goedkeuring zal niet mogen worden onthouden op onredelijke gronden. De aannemer blijft niettemin jegens de opdrachtgever voor die onderdelen ten volle verantwoordelijk. Indien door of namens de opdrachtgever het inschakelen van een bepaalde onderaannemer of leverancier is of wordt voorgeschreven, is de aannemer voor wat het presteren van die onderaannemer of leverancier betreft jegens de opdrachtgever tot niet meer gehouden dan tot datgene, waartoe de aannemer die onderaannemer of leverancier kan houden krachtens de voorwaarden door deze gehanteerd en zoals deze door de opdrachtgever zijn aanvaard of goedgekeurd. Indien de voorgeschreven onderaannemer of leverancier niet, niet tijdig of niet deugdelijk presteert en de aannemer het redelijkerwijs nodige heeft gedaan om nakoming en/of schadevergoeding te verkrijgen, zal de opdrachtgever de voor de aannemer ontstane meerdere kosten aan hem vergoeden, voor zover deze hem niet zijn vergoed door de onderaannemer of leverancier. Daartegenover zal de aannemer, op eerste verzoek van de opdrachtgever, aan deze zijn vordering op de voorgeschreven onderaannemer of leverancier cederen tot aan het door de opdrachtgever aan hem vergoede bedrag. Indien onderdelen van het werk in onderaanneming worden uitgevoerd, zal de aannemer de onderaannemer volledig inlichten omtrent de bepalingen van het bestek, die bij het desbetreffende onderdeel van belang kunnen zijn, en omtrent de wijze van uitvoering. Orders en aanwijzingen betreffende die onderdelen zullen door de directie uitsluitend aan de aannemer worden kenbaar gemaakt en zullen door deze aan de onderaannemer worden doorgegeven, tenzij de aannemer na overleg met de onderaannemer schriftelijk verzoekt bedoelde orders en aanwijzingen tevens rechtstreeks aan de onderaannemer mede te delen. De aannemer is verplicht ter zake van de overeenkomst in Nederland domicilie te hebben voor zover hij niet reeds in Nederland is gevestigd. Hoofdstuk IV. Aanvang, uitvoeringsduur, oplevering §

  1. Datum van aanvang Als datum van aanvang zal worden aangemerkt de vijfde werkdag na de dag waarop de aannemer het werk is opgedragen. Tenzij in het bestek anders is bepaald, staat het de aannemer vrij, behoudens bezwaar van de directie, ook vóór de datum van aanvang met het werk te beginnen. §
  2. Uitvoeringsduur, uitstel van oplevering De termijn, binnen welke het werk moet worden opgeleverd, wordt in het bestek uitgedrukt: hetzij in een aantal werkbare werkdagen; hetzij in een aantal kalenderdagen, -weken of -maanden; hetzij door een bepaalde dag te noemen. Indien een termijn is uitgedrukt in een aantal werkbare werkdagen, worden werkdagen, respectievelijk halve werkdagen, als onwerkbaar beschouwd, wanneer daarop door omstandigheden buiten de aansprakelijkheid van de aannemer gedurende ten minste vijf uren, respectievelijk ten minste twee uren, door het grootste deel van de arbeiders of machines niet kon worden gewerkt. Als de oplevering van het werk zou moeten geschieden op een dag die geen werkdag is, geldt de eerstvolgende werkdag als de overeengekomen dag van oplevering. De termijn, binnen welke het werk moet worden opgeleverd, kan door de opdrachtgever worden verlengd, hetzij eigener beweging, hetzij op een daartoe strekkend verzoek van de aannemer. Een verzoek van de aannemer om termijnverlenging zal slechts in overweging kunnen worden genomen, indien dit schriftelijk geschiedt en – behoudens ontheffing door de directie – ten minste veertien dagen voor het verstrijken van de termijn bij de directie is bezorgd. Indien door overmacht, door voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden, of door het door of namens de opdrachtgever aanbrengen van bestekswijzigingen dan wel van wijzigingen in de uitvoering van het werk, niet van de aannemer kan worden gevergd dat het werk binnen de overeengekomen termijn wordt opgeleverd, heeft hij recht op termijnverlenging. § 8a. Beproeving Beproeving van het technische installatiewerk of een of meer onderdelen daarvan vindt plaats, indien dit is overeengekomen. De beproeving geschiedt door de aannemer in aanwezigheid van de directie en dient om vast te stellen of het technische installatiewerk, of het desbetreffende onderdeel daarvan, op het gebied bestreken door de beproeving, voldoet aan hetgeen is overeengekomen voor zover dit op het tijdstip van de beproeving mogelijk is. Aannemer en directie stellen in onderling overleg het tijdstip van de beproeving vast. Indien aannemer en directie niet komen tot gemeenschappelijke vaststelling van het tijdstip van de beproeving, stelt de aannemer dit tijdstip vast en geeft van dit tijdstip ten minste acht dagen tevoren schriftelijk kennis aan de directie. Ten behoeve van de beproeving stelt de aannemer voor zijn rekening het nodige materieel en het personeel voor de bediening daarvan beschikbaar. De kosten van de voor de beproeving benodigde hoeveelheid water en energie zijn voor rekening van de opdrachtgever. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vijf dagen na de beproeving, stelt de aannemer een rapport op waarin het beproevingsresultaat is opgenomen, alsmede, indien zulks is overeengekomen, een meetstaat die de meetresultaten en andere relevante gegevens vermeldt. Door de ondertekening van dit in tweevoud op te maken rapport door de aannemer en de directie staan de resultaten van de beproeving vast. Indien de directie tijdens de beproeving niet aanwezig is geweest, staan de resultaten van de beproeving vast door de enkele vermelding daarvan in het rapport. Indien op grond van de beproeving is vastgesteld dat het technische installatiewerk, op het gebied bestreken door de beproeving, niet voldoet aan hetgeen is overeengekomen, zal, nadat de aannemer de nodige verbeteringen heeft aangebracht, de beproeving worden herhaald. Op deze herhaalde beproeving zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in dit geval de kosten voor water en energie, benodigd voor de beproeving, voor rekening van de aannemer zijn. Indien op grond van de beproeving is vastgesteld dat het technische installatiewerk, op het gebied bestreken door de beproeving, voldoet aan hetgeen is overeengekomen en het technische installatiewerk ook overigens is voltooid, vindt opneming van het technische installatiewerk plaats zoals

§ 9. § 9.

Opneming en goedkeuring De opneming van het werk geschiedt op schriftelijke, tot de directie gerichte aanvrage van de aannemer, waarin deze mededeelt op welke dag het werk naar zijn oordeel voltooid zal zijn. De directie kan genoegen nemen met een mondelinge mededeling, welke in het dagboek of weekrapport,

§ 27, wordt aangetekend.

De opneming geschiedt zo spoedig mogelijk en in de regel binnen acht dagen na de in het eerste lid bedoelde dag. De dag en het tijdstip van opneming worden aan de aannemer tijdig en zo mogelijk ten minste drie dagen tevoren schriftelijk medegedeeld. De directie kan verlangen, dat de aannemer of zijn gevolmachtigde bij de opneming tegenwoordig is. Nadat het werk is opgenomen, wordt aan de aannemer binnen acht dagen schriftelijk medegedeeld, of het al dan niet is goedgekeurd, in het laatste geval met opgaaf van de gebreken, die de redenen voor de onthouding van de goedkeuring zijn. Wordt het werk goedgekeurd, dan wordt als dag van goedkeuring aangemerkt de dag waarop de desbetreffende mededeling aan de aannemer is verzonden. Met toestemming van de aannemer kan, in plaats van de schriftelijke mededeling

het vorige lid, worden volstaan met een overeenkomstige aantekening in het dagboek of weekrapport, met vermelding van de datum der aantekening. Alsdan wordt, indien het werk wordt goedgekeurd, als dag van goedkeuring aangemerkt de dag waarop de desbetreffende aantekening is geplaatst. Wordt niet binnen acht dagen na de opneming een schriftelijke mededeling, of het werk al dan niet is goedgekeurd, aan de aannemer verzonden dan wel, in het geval

het vierde lid, een overeenkomstig aantekening in het dagboek of weekrapport geplaatst, dan wordt het werk geacht op de achtste dag na de opneming te zijn goedgekeurd. Geschiedt de opneming niet binnen vijftien dagen na de in het eerste lid bedoelde dag, dan kan de aannemer bij aangetekende brief een nieuwe aanvrage tot de directie richten, met verzoek het werk binnen acht dagen op te nemen. Voldoet de directie niet aan dit verzoek, dan wordt het werk geacht op de achtste dag na de verzending van die brief te zijn goedgekeurd. Kleine gebreken, die gevoeglijk vóór een nog volgende betalingstermijn kunnen worden hersteld, zullen geen reden tot onthouding van goedkeuring mogen zijn, mits zij een eventuele ingebruikneming niet in de weg staan. De aannemer is gehouden de in dit lid bedoelde gebreken zo spoedig mogelijk te herstellen. Met betrekking tot een heropneming na onthouding van goedkeuring vinden de bovenvermelde bepalingen overeenkomstige toepassing. Bij een heropneming zullen andere gebreken dan die, welke overeenkomstig het zevende lid aan de aannemer zijn opgegeven, alleen dan reden tot hernieuwde onthouding van goedkeuring kunnen zijn, indien zij eerst na de voorafgegane opneming aan de dag zijn getreden. § 10. Oplevering Het werk wordt als opgeleverd beschouwd, indien het overeenkomstig het bepaalde in § 9 is of geacht wordt te zijn goedgekeurd. De dag, waarop het werk is of geacht wordt te zijn goedgekeurd, geldt als dag waarop het werk als opgeleverd wordt beschouwd. Indien in het bestek is voorgeschreven dat de aannemer de opdrachtgever bedienings- en onderhoudsvoorschriften zal verstrekken met betrekking tot het technische installatiewerk, overhandigt hij deze op het tijdstip van ingebruikneming van het technische installatiewerk, of van het desbetreffende onderdeel daarvan, dan wel uiterlijk op de dag waarop het technische installatiewerk als opgeleverd wordt beschouwd. Indien in het bestek is voorgeschreven dat de aannemer de opdrachtgever revisietekeningen met betrekking tot het technische installatiewerk zal verstrekken, overhandigt hij deze uiterlijk drie maanden na de dag waarop het technische installatiewerk als opgeleverd wordt beschouwd. Indien de aannemer niet een aanvrage om opneming als

§ 9

, eerste lid, tot de directie heeft gericht, doch de opdrachtgever het werk voltooid acht, kan deze de aannemer zulks schriftelijk mededelen. De vijfde dag na de verzending van deze mededeling geldt dan als dag waarop het werk als opgeleverd wordt beschouwd. De opdrachtgever kan het werk, voordat dit voltooid is, of een al dan niet voltooid onderdeel daarvan, in gebruik nemen of doen nemen mits de ingebruikneming een voldoende voortgang van het werk niet in gevaar brengt. De opdrachtgever gaat hiertoe niet over dan nadat hij dit schriftelijk aan de aannemer heeft medegedeeld en hij deze heeft gehoord en een opneming, dan wel – indien het een technisch installatiewerk betreft – een beproeving en opneming als

§ 8avan het in gebruik te nemen werk of onderdeel daarvan heeft plaatsgevonden.

Indien door de ingebruikneming meer wordt verlangd van de aannemer dan redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, zal dit worden verrekend als meer werk. Indien door de ingebruikneming schade aan het werk ontstaat komt deze schade niet voor rekening van de aannemer. Door de in dit lid bedoelde ingebruikneming en opneming wordt het werk, dan wel dat onderdeel, niet als opgeleverd beschouwd. Voor technische installatiewerken geldt dat indien in het bestek een onderhoudstermijn als

§ 11

is voorgeschreven, door de in dit lid bedoelde ingebruikneming de onderhoudstermijn onmiddellijk ingaat na de dag van ingebruikneming. §

  1. Onderhoudstermijn Indien in het bestek een onderhoudstermijn is voorgeschreven, gaat deze termijn in onmiddellijk na de dag waarop het werk overeenkomstig het bepaalde in § 10, eerste of tweede lid, als opgeleverd wordt beschouwd. De aannemer is gehouden gebreken, welke in de onderhoudstermijn aan de dag treden, te herstellen, met uitzondering echter van die, waarvoor de opdrachtgever op grond van § 5, tweede lid de verantwoordelijkheid draagt of waarvoor hij op grond van § 5, derde of vierde lid, aansprakelijk is. Onder de in dit lid bedoelde gebreken vallen niet die gebreken die het gevolg zijn van onjuist of onzorgvuldig gebruik dan wel gekwalificeerd kunnen worden als normaal te verwachten slijtage als gevolg van het feitelijke gebruik. Het in het tweede lid bedoelde herstel geschiedt voor rekening van de aannemer, tot genoegen van de directie en binnen een door haar in billijkheid te stellen termijn. In de onderhoudstermijn optredende schade aan het werk is voor rekening van de opdrachtgever, met uitzondering echter van die schade, welke het gevolg is van door de aannemer verricht onvoldoend werk. In het laatste geval is het bepaalde in het derde lid van overeenkomstige toepassing. Indien de aannemer zich desgevraagd verbindt tot herstel van niet voor zijn rekening komende gebreken of schade aan het werk, geschiedt de verrekening daarvan als meer werk. Na afloop van de onderhoudstermijn zal het werk wederom worden opgenomen om te constateren, of de aannemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan, waarbij wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in §
  2. §
  3. Aansprakelijkheid van de aannemer na de oplevering Na de dag, waarop het werk overeenkomstig het bepaalde in § 10, eerste of tweede lid, als opgeleverd wordt beschouwd, is de aannemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen aan het werk. Het in het eerste lid bepaalde lijdt uitzondering indien sprake is van een gebrek: dat toe te rekenen is aan de aannemer en dat bovendien ondanks nauwlettend toezicht tijdens de uitvoering dan wel bij de opneming van het werk als

§ 9

, tweede lid, door de directie redelijkerwijs niet onderkend had kunnen worden en waarvan de aannemer binnen een redelijke termijn na de ontdekking mededeling is gedaan. (Vervallen). De rechtsvordering uit hoofde van een gebrek waarvoor de aannemer krachtens het tweede lid aansprakelijk is, is niet ontvankelijk indien zij wordt ingesteld na verloop van: vijf jaren na de in het eerste lid bedoelde dag, of tien jaren na de in het eerste lid bedoelde dag, indien het werk geheel of gedeeltelijk is ingestort of dreigt in te storten dan wel ongeschikt is geraakt of ongeschikt dreigt te geraken voor de bestemming waarvoor het blijkens de overeenkomst bedoeld is en dit slechts kan worden verholpen of kan worden voorkomen door het treffen van zeer kostbare voorzieningen. Indien in het bestek een onderhoudstermijn is voorgeschreven, treedt voor de toepassing van deze paragraaf de dag na het verstrijken van die termijn in de plaats van de in het eerste lid bedoelde dag en wordt onder opneming van het werk verstaan: de opneming genoemd in § 11, zesde lid. Hoofdstuk V. Wijziging tijdstippen van uitvoering, schorsing, beëindiging in onvoltooide staat § 13. Wijziging tijdstippen van uitvoering De directie is bevoegd: indien in het bestek een onderhoudstermijn als

§ 11

, eerste lid, is voorgeschreven, de uitvoering van ondergeschikte werkzaamheden tot in die onderhoudstermijn te verschuiven; bij meerjarig onderhoud de uitvoering van werken, waartoe de aannemer in een bepaald jaar verplicht is, in een ander jaar binnen de duur van dit onderhoud te verlangen. Indien het voorafgaande aanleiding tot verrekening geeft, wordt daarvoor overeenkomstig het bepaalde in § 36 een regeling getroffen. § 14. Schorsing van het werk en beëindiging van het werk in onvoltooide staat De opdrachtgever is bevoegd de uitvoering van het werk voor het geheel of voor een gedeelte te schorsen. In spoedeisende gevallen is de directie, hangende de beslissing van de opdrachtgever, voorlopig tot zodanige schorsing bevoegd. Gedurende de schorsing is de aannemer verplicht: in overleg met de directie gepaste maatregelen te nemen ter voorkoming en beperking van schade, die aan het werk zou kunnen ontstaan; na te laten zowel hetgeen schade aan het werk ten gevolge zou kunnen hebben als hetgeen de latere voortzetting zou kunnen bemoeilijken. Voorzieningen, die de aannemer ten gevolge van de schorsing moet treffen, worden als meer werk met hem verrekend. Schade, die de aannemer ten gevolge van de schorsing lijdt, wordt hem vergoed. Indien de schorsing langer dan één maand duurt, kan de aannemer bovendien vorderen, dat een evenredige betaling voor het uitgevoerde gedeelte van het werk plaats heeft. Daarbij wordt rekening gehouden met de nog niet verwerkte bouwstoffen, voor zover deze in verband met het bepaalde in § 19 eigendom van de opdrachtgever zijn geworden. Nog niet verwerkte voor keuring gereed zijnde bouwstoffen worden op verzoek van de aannemer eerst nog gekeurd. Indien de schorsing van het gehele werk langer duurt dan zes maanden, is de aannemer bevoegd het werk in onvoltooide staat te beëindigen. De opdrachtgever is bevoegd de aannemer op te dragen het werk in onvoltooide staat te beëindigen. Wanneer door voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden de uitvoering van het werk gedurende meer dan twee maanden ononderbroken is vertraagd, is de aannemer bevoegd het werk in onvoltooide staat te beëindigen. In de gevallen

het zesde, zevende en achtste lid zal de opdrachtgever zo spoedig mogelijk na de beëindiging het werk overnemen. De aannemer is tot aan de overneming van het werk door de opdrachtgever gehouden de in het derde lid bedoelde verplichtingen na te komen. De aannemer heeft alsdan recht op de aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten. Aanspraken van de aannemer en de opdrachtgever op hetgeen overigens ter zake van de overeenkomst verschuldigd is blijven onverlet. Hoofdstuk VI. Werkterrein, reclame §

  1. Werkterrein Indien in het bestek oppervlakten van grond of water als werkterrein zijn aangeduid, heeft de aannemer daarover de kosteloze beschikking, zolang de uitvoering van het werk dit nodig maakt. Gebruik van ander terrein of water als werkterrein is voor rekening van de aannemer. De directie wijst aan, na overleg met de aannemer, welke gedeelten van het werkterrein in gebruik mogen worden genomen als opslagplaatsen en voor de plaatsing van keten, loodsen, hulpwerken en andere hulpmiddelen. De aannemer kan vóór de aanvang van het werk schriftelijk vorderen, dat de toestand van het werkterrein zo goed mogelijk wordt vastgesteld, in welk geval de opneming door de directie in samenwerking met en voor rekening van de aannemer ten spoedigste plaats vindt. Indien daarbij afwijkingen ten opzichte van de in het bestek omschreven toestand aan het licht komen, is het bepaalde in § 29, derde lid, van toepassing. Na gebruik en uiterlijk bij de oplevering moet het werkterrein naar genoegen van de directie zoveel mogelijk weder in de oorspronkelijke toestand worden opgeleverd. §
  2. Afsluiting, reclame Indien de opdrachtgever afsluiting van het werk en het werkterrein nodig oordeelt, wordt de wijze van afsluiting in het bestek omschreven. De opdrachtgever heeft het recht om na overleg met de aannemer op schuttingen en afrasteringen, welke dienen ter afsluiting van het werk of het werkterrein, alsmede elders op het werkterrein of aan het werk reclame of andere kennisgevingen aan te brengen. Aan de aannemer is het evenwel toegestaan op een deel van die plaatsen aanduidingen van zijn naam en bedrijf aan te brengen, mits plaats, uiterlijk en afmetingen hiervan door de directie zijn goedgekeurd. Hetzelfde kan door de directie op een door tussenkomst van de aannemer gedaan verzoek aan onderaannemers en leveranciers worden toegestaan. Hoofdstuk VII. Bouwstoffen §
  3. Verwerking van bouwstoffen Met inachtneming van § 5, derde en vierde lid, alsmede § 6, zevenentwintigste lid, staat de aannemer in voor de goede hoedanigheid van de bouwstoffen, voor de geschiktheid voor hun bestemming en het voldoen aan de gestelde eisen, alsmede voor de tijdige levering. Indien en voor zover in het bestek is bepaald dat bouwstoffen gekeurd moeten worden, mag de aannemer deze niet verwerken voordat deze zijn goedgekeurd. De directie kan verlangen, dat goedgekeurde bouwstoffen ook nadat zij zijn verwerkt alsnog worden vervangen, indien daaraan na de keuring nog gebreken worden geconstateerd. Deze vervanging geschiedt voor rekening van de opdrachtgever en wordt als meer werk verrekend, onverminderd het recht van de aannemer op schadevergoeding, indien daartoe gronden zijn. Indien echter het gebrek redelijkerwijs niet door de directie had kunnen worden onderkend en het gebrek aan de aannemer kan worden toegerekend, komt deze vervanging voor rekening van de aannemer. De directie is bevoegd een bewijs van oorsprong van bouwstoffen te verlangen. Indien de directie zulks goed vindt, zal de aannemer in plaats van met een fabrieksnaam aangeduide bouwstoffen andere mogen leveren, mits van overeenkomstige hoedanigheid. De directie onthoudt de goedkeuring niet op onredelijke gronden. §
  4. Keuring van bouwstoffen Indien en voor zover in het bestek is bepaald dat bouwstoffen door de directie worden gekeurd, worden deze in geval van goedkeuring zo nodig gemerkt. Door de opdrachtgever ter beschikking gestelde bouwstoffen worden geacht te zijn goedgekeurd. Indien voorgeschreven is dat bouwstoffen moeten worden geleverd met een kwaliteitsverklaring afkomstig van een door de Raad voor de Accreditatie erkende certificatie-instelling, wordt in het kader van de keuring volstaan met een uitwendige visuele beoordeling. De kwaliteitsverklaring wordt door de aannemer ter gelegenheid van de beoordeling door de directie aan haar ter beschikking gesteld. Ten behoeve van de keuring moeten de monsters en bouwstoffen tijdig op het werk of in de werkplaatsen worden aangevoerd. Zolang de directie zulks nodig oordeelt, blijven door de aannemer ingediende monsters onder haar berusting; zij zijn evenwel voor zijn rekening en blijven voor hem toegankelijk. De aannemer verleent bij de keuring, alsmede bij het merken van goedgekeurde bouwstoffen, de nodige hulp en stelt daartoe personeel en eenvoudige hulpmiddelen ter beschikking. De aannemer is bevoegd bij de keuring aanwezig te zijn of zich te doen vertegenwoordigen; de directie kan dit van hem verlangen. De directie is bevoegd bouwstoffen door derden te doen onderzoeken; de hieraan verbonden kosten zijn voor rekening van de opdrachtgever, behoudens het bepaalde in het zesde lid, onder d. Voor rekening van de aannemer komen de kosten van: het beschikbaar stellen van de voor de keuring nodige bouwstoffen; het brengen van de bouwstoffen in een voor de keuring geschikte samenstelling en vorm; de emballage en de verzending van elders te keuren bouwstoffen; het in het vijfde lid bedoelde onderzoek, indien dit tot afkeuring leidt, tenzij het een bouwstof betreft, in het bestek aangeduid met een fabrieksnaam, of waarvan de leverancier door of namens de opdrachtgever is aangewezen; de in het twaalfde lid bedoelde herkeuring, indien de deskundige de afkeuring handhaaft. De in het vorige lid bedoelde kosten worden zo nodig overeenkomstig § 42, zesde lid, verrekend. De keuring geschiedt – ter keuze van de directie – op het werk, in de middelen van vervoer of elders, zo spoedig mogelijk na aanvoer of gereedkoming. Indien, ondanks een door de directie ontvangen schriftelijk verzoek van de aannemer om bouwstoffen te keuren, uiterlijk op een in dat verzoek vermeld redelijk tijdstip de schriftelijke mededeling van de uitslag van de keuring niet door de aannemer is ontvangen, worden die bouwstoffen geacht te zijn goedgekeurd. Onder een schriftelijk verzoek en onder een mededeling als in dit lid bedoeld wordt mede verstaan een aantekening in het dagboek of weekrapport,

§ 27

. Verzoekt de aannemer om keuring op een andere plaats dan door de directie is voorgeschreven, dan wordt dat niet geweigerd, indien toestaan niet in strijd is met de belangen van een goede hoedanigheid van het werk en van doeltreffende controle en mits de aannemer de hogere kosten ervan voor zijn rekening neemt. Waardevermindering en verlies van voor de keuring gebezigde bouwstoffen worden aan de aannemer niet vergoed. Ingeval van afkeuring van bouwstoffen kan zowel de directie als de aannemer vorderen, dat een in onderlinge overeenstemming getrokken monster uit die bouwstoffen tot na de beslechting van het uit die afkeuring mogelijk voortvloeiend geschil wordt bewaard. Deze monsters worden door beiden gewaarmerkt. De bewaring geschiedt op een in onderlinge overeenstemming te bepalen plaats. De aannemer heeft de bevoegdheid om ingeval van afkeuring van bouwstoffen herkeuring aan te vragen door een in overeenstemming met de opdrachtgever aan te wijzen deskundige, aan wiens uitspraak partijen ook in een later geschil gebonden zijn. Afgekeurde bouwstoffen worden zo spoedig mogelijk afgezonderd en van het werk verwijderd, ook indien zij reeds mochten zijn verwerkt. § 19. Eigendom van bouwstoffen Alle voor het werk bestemde bouwstoffen worden – zonder dat de opdrachtgever daardoor aansprakelijk wordt voor betalingen aan leveranciers of andere rechthebbenden – eigendom van de opdrachtgever, zodra zij zijn goedgekeurd en de aannemer door overlegging van (een) verklaring(en) volgens het bij de UAV behorende bijlage B heeft aangetoond, dat de leveranciers en eventuele andere rechthebbenden afstand doen van alle aanspraken op die bouwstoffen ten behoeve van de opdrachtgever. Geen overdracht van eigendom aan de opdrachtgever als

het eerste lid wordt geacht te hebben plaats gevonden: indien een schuldeiser van de opdrachtgever beslag legt op de in het eerste lid bedoelde bouwstoffen; indien de opdrachtgever failliet wordt verklaard of hem surseance van betaling wordt verleend en het werk door de curator dan wel door de opdrachtgever en diens bewindvoerders niet wordt voortgezet. Het in dit lid bepaalde lijdt nochtans uitzondering met betrekking tot die bouwstoffen, welke de opdrachtgever aan de aannemer heeft betaald. Na voltooiing van het werk overgebleven bouwstoffen worden aan de aannemer teruggegeven en als niet geleverd beschouwd, behoudens toepassing van § 36, achtste lid. §

  1. Zorg voor bouwstoffen De aannemer draagt zorg voor de goedgekeurde en de door de opdrachtgever ter beschikking gestelde bouwstoffen, alsmede voor de uit het werk komende bouwstoffen. Verlies, vermissing of beschadiging van deze bouwstoffen is voor zijn rekening, behoudens het bepaalde in §
  2. §
  3. Oude bouwstoffen Tenzij het bestek anders bepaalt, blijven de uit het werk komende oude bouwstoffen eigendom van de opdrachtgever. (Vervallen). (Vervallen). De aannemer is niet verantwoordelijk voor de hoedanigheid van uit het werk komende bouwstoffen, voor zover achteruitgang van die hoedanigheid niet aan hem is toe te rekenen. §
  4. Garantie voor een onderdeel Het bepaalde in deze paragraaf is van toepassing, tenzij het bestek anders bepaalt. Indien in het bestek is vermeld dat één of meer onderdelen van het werk moeten worden gegarandeerd, zal de aannemer op eerste aanzegging van de opdrachtgever zo spoedig mogelijk de tijdens de garantieperiode optredende gebreken voor zijn rekening herstellen. Gebreken in de zin van deze bepaling zijn gebreken, waarvan de opdrachtgever aannemelijk maakt dat die met grote mate van waarschijnlijkheid moeten worden toegeschreven aan een omstandigheid, die aan de aannemer kan worden toegerekend. Indien in het bestek is vermeld dat een onderdeel van het werk door een onderaannemer of een leverancier moet worden gegarandeerd, draagt de aannemer zorg voor het verstrekken van de garantie door de onderaannemer of leverancier aan de opdrachtgever. Indien deze garantie niet door de onderaannemer of leverancier wordt verstrekt, wordt een dienovereenkomstige garantie door de aannemer verstrekt. Een op grond van deze paragraaf overeengekomen garantie geldt vanaf het gereedkomen of de levering van het gegarandeerde onderdeel gedurende de in het bestek genoemde periode. Hoofdstuk VIII. Hulpmiddelen §
  5. Loodsen en andere hulpmiddelen De verplichtingen van de aannemer met betrekking tot het ter beschikking stellen, onderhouden, en verwijderen van loodsen en/of directieverblijf en andere hulpmiddelen worden in het bestek omschreven. (Vervallen). (Vervallen). §
  6. Hulpmiddelen van de opdrachtgever Indien aan de aannemer het gebruik van gebouwen, terreinen en hulpmiddelen van de opdrachtgever is opgedragen of vergund, komen het onderhoud en het herstel, zolang het gebruik duurt, voor rekening van de aannemer. Ingeval van verloren gaan door het in het eerste lid bedoelde gebruik, is hij verplicht tot vergoeding van de schade. Zodra het in gebruik genomene voor de uitvoering van het werk niet meer nodig is, stelt de aannemer het, zoveel doenlijk in gelijke staat als hij het heeft ontvangen, weer ter beschikking van de opdrachtgever en bergt de hulpmiddelen op door of namens hem aan te wijzen plaatsen op. §
  7. Gezonken materieel Indien ten behoeve van het werk in gebruik zijnde hulpmiddelen, zoals vaartuigen en werktuigen, dan wel voor het werk bestemde bouwstoffen gezonken zijn in wateren, welke bij de opdrachtgever in eigendom of beheer zijn, is de aannemer verplicht ze met inbegrip van lading en toebehoren te lichten en te verwijderen. Hij is in de gevallen,

het eerste lid, verplicht dadelijk de vereiste aanduiding en verlichting aan te brengen, zo spoedig mogelijk de eerste maatregelen tot lichting, zoals het onderdoor brengen van kettingen, te nemen en de lichting in zo kort mogelijke tijd te voltooien. De in de voorgaande leden bedoelde werkzaamheden geschieden op kosten van de aannemer, tenzij het in het eerste lid bedoelde zinken is veroorzaakt door een omstandigheid die voor rekening van de opdrachtgever komt. Hoofdstuk IX. Uitvoering §

  1. Algemeen tijdschema, werkplan De aannemer stelt zo spoedig mogelijk een op de aard van het werk afgestemd algemeen tijdschema op. In dit algemene tijdschema wordt duidelijk aangegeven op welke wijze, in welke volgorde, met welk materieel en met welke hulpmiddelen de aannemer voornemens is het werk en zijn onderdelen uit te voeren alsmede welke tijdsduur hij voor elk onderdeel nodig acht. Tevens wordt daarin aangegeven op welke tijdstippen de aannemer ten behoeve van de voortgang van het werk en de volgorde van de onderdelen ervan zal dienen te beschikken over datgene waarvoor de opdrachtgever of de directie volgens de overeenkomst dient te zorgen. Het algemene tijdschema dient te voldoen aan de eisen, die ten aanzien van de uitvoering van het werk in de overeenkomst zijn gesteld, en wordt door de aannemer van een behoorlijke toelichting voorzien. De aannemer legt het algemene tijdschema, gedateerd en ondertekend, in tweevoud aan de directie ter goedkeuring over, uiterlijk op de vijftiende werkdag na de dag waarop hem het werk is opgedragen onderscheidenlijk de directie om een algemeen tijdschema heeft verzocht. De directie beslist zo spoedig mogelijk omtrent de goedkeuring van het algemene tijdschema en deelt haar beslissing, in elk geval uiterlijk op de tiende werkdag, nadat zij het heeft ontvangen, schriftelijk aan de aannemer mede. De goedkeuring wordt slechts aan het algemene tijdschema onthouden, indien uit de inhoud daarvan blijkt, dat niet aan de uit de overeenkomst voortvloeiende eisen wordt voldaan. Ingeval van goedkeuring worden de beide exemplaren van het algemene tijdschema ook door de directie gedateerd en ondertekend, waarna een van de exemplaren aan de aannemer wordt toegezonden. In geval het algemene tijdschema niet wordt goedgekeurd, wordt de aannemer met de redenen hiervan schriftelijk in kennis gesteld. De aannemer legt in dat geval zo spoedig mogelijk, doch binnen tien werkdagen, een nieuw algemeen tijdschema, waarbij met de bezwaren van de directie rekening is gehouden, ter goedkeuring aan de directie over. Ten aanzien van de beslissing op het nieuwe algemene tijdschema is het derde lid van overeenkomstige toepassing. Het algemene tijdschema geldt als een leidraad voor de aannemer en verzwaart de voor hem uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet. De goedkeuring door de directie van het algemene tijdschema en daarin onder haar goedkeuring aangebrachte wijzigingen ontheffen de aannemer niet van zijn verplichtingen om het werk naar de uit de overeenkomst voortvloeiende eisen uit te voeren en tijdig te voltooien. Indien van de aannemer wordt verlangd, dat hij in plaats van of naast het in deze paragraaf bedoelde algemene tijdschema een gedetailleerd werkplan aan de directie overlegt, wordt zulks, onder vermelding van de aan dit werkplan te stellen eisen, in de overeenkomst vermeld. Voor zover de overeenkomst niet anders vermeldt, is het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid alsdan van overeenkomstige toepassing. Wijzigingen door de directie in het goedgekeurde algemene tijdschema of gedetailleerde werkplan aangebracht geven de aannemer aanspraak op bijbetaling, indien van hem meer wordt verlangd dan redelijkerwijs van hem kan worden gevergd. §
  2. Dagboek, lijsten, rapporten, verslagen van bouwvergaderingen De directie maakt weekrapporten op. Hierin worden onder meer aantekeningen opgenomen betreffende: de vordering en de stand van het werk; de onwerkbare dagen en het verleende uitstel van oplevering; de aan- en afvoer en goedkeuring van bouwstoffen; de aan- en afvoer van materieel en hulpmiddelen; bestekswijzigingen, meer en minder werk, verwerkte hoeveelheden en stelposten; opneming, goedkeuring en oplevering van het werk; de verstrekking van tekeningen; voorvallen betreffende de veiligheid en/of gezondheid van personen. De in het eerste lid bedoelde aantekeningen worden telkens uiterlijk op de vijfde werkdag na het verstrijken van de werkweek, waarop zij betrekking hebben, opgenomen in het weekrapport, dat terstond na het opmaken door de directie wordt ondertekend. Het door de directie ondertekende weekrapport wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op de vijftiende werkdag na het verstrijken van de werkweek, waarop het betrekking heeft, aan de aannemer ter ondertekening voorgelegd. Aan de aannemer wordt afschrift van de weekrapporten verstrekt. Indien de aannemer zich met de inhoud van het weekrapport kan verenigen, tekent hij dit voor akkoord uiterlijk op de vijfde werkdag, nadat het hem is voorgelegd. Indien de aannemer zich met de inhoud van het weekrapport niet kan verenigen, ondertekent hij dit eveneens uiterlijk op de vijfde werkdag, nadat het hem is voorgelegd, doch onder toevoeging van een aantekening, waaruit blijkt tegen welke gedeelten en om welke redenen hij bezwaar heeft. Ingeval de directie niet alleen weekrapporten opmaakt maar ook een dagboek bijhoudt, is op dit dagboek het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat geen afschrift van het dagboek aan de aannemer wordt verstrekt, tenzij deze daarom verzoekt. Indien dit in de overeenkomst is voorgeschreven of na de opdracht door de directie wordt verlangd, verstrekt de aannemer telkens uiterlijk op de vijfde werkdag na het verstrijken van een werkweek een op die week betrekking hebbende, door hem gedateerde en ondertekende lijst, bevattende opgaven omtrent het personeel en voorts zodanige verdere mededelingen als door de directie worden gewenst. Indien ten behoeve van het werk buiten het werkterrein werkzaamheden worden verricht, kan de directie vorderen, dat de aannemer daaromtrent uiterlijk op de vijfde werkdag na het verstrijken van een werkweek een door hem ondertekend rapport in tweevoud bij haar indient. In dit rapport worden aantekeningen als in het eerste lid bedoeld en betrekking hebbend op de in voornoemde werkweek verrichte werkzaamheden opgenomen. Indien is overeengekomen dat tijdens de uitvoering van het werk bouwvergaderingen worden gehouden, maakt de directie daarvan verslagen. De verslagen worden zo spoedig mogelijk aan de aannemer ter ondertekening voorgelegd. Indien de aannemer zich met de inhoud van het verslag niet kan verenigen, wordt aan het verslag een aantekening toegevoegd waaruit blijkt tegen welke gedeelten en om welke reden hij bezwaar heeft. Het verslag wordt in de daarop volgende bouwvergadering vastgesteld. §
  3. Afbakening, peilingen en opmetingen De aannemer zal voor zijn rekening: het werk uitzetten en de vereiste profielen en bakens stellen; ten behoeve van afbakening, peilingen en opmetingen geschikt personeel en hulpmiddelen, als: roei- en peilboten, meetinstrumenten, bakens, enz., ter beschikking van de directie stellen; de gedane uitzetting en afbakening in goede staat onderhouden, zolang de directie dit nodig oordeelt. §
  4. Verschillen in afmetingen of in de toestand van bestaande werken en terreinen Indien de in de beschrijving van het werk vermelde afmetingen niet overeenkomen met die, voorkomende op de tekening, is de aannemer verplicht de door hem geconstateerde afwijking ter kennis te brengen van de directie, opdat deze, zo zij zulks nodig acht, kan besluiten van de in § 2, vierde lid, bedoelde rangorde af te wijken. Een zodanig besluit van de directie wordt als een bestekswijziging aangemerkt. Indien de in het bestek aangegeven afmetingen niet overeenkomen met die, voorkomende in de werkelijkheid, is de aannemer verplicht de door hem geconstateerde afwijking ter kennis te brengen van de directie, teneinde met deze overleg te plegen omtrent hetgeen moet geschieden om, gelet op de afwijking, het werk juist uit te voeren. De gebleken afwijking geeft, afgezien van de verrekening van meer en minder werk, welke uit het bestek mocht voortvloeien, de aannemer aanspraak op bijbetaling, indien die afwijking van zodanige aard is, dat de gevolgen daarvan redelijkerwijs niet voor zijn rekening dienen te komen. Verschillen tussen de tijdens de uitvoering blijkende toestand van bestaande gebouwen, werken en terreinen enerzijds en de in het bestek aangeduide toestand anderzijds geven, afgezien van de verrekening van meer en minder werk, welke uit het bestek mocht voortvloeien, de aannemer aanspraak op bijbetaling, indien die verschillen van zodanige aard zijn, dat de gevolgen daarvan redelijkerwijs niet voor zijn rekening dienen te komen. Overigens dr

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.