Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Nuth houdende regels omtrent de heffing en invordering van afvalstoffenheffing Gewijzigde verordening afvalstoffenheffing gemeente Nuth 2018De raad van de gemeente Nuth; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30 oktober 2018 gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet Milieubeheer; besluit vast te stellen de volgende verordening Gewijzigde verordening op de heffing en invordering van Afvalstoffenheffing gemeente Nuth 2018 Artikel1Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a.perceel: een gebouwde onroerende zaak – of een gedeelte daarvan – dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is om als afzonderlijk geheel door een particuliere huishouding te worden gebruikt en ook als zodanig wordt gebruikt. Met perceel wordt gelijkgesteld een stacaravan, een woonboot, een woonwagen en een demontabel zomer- of vakantiehuisje, indien gebruikt door een particuliere huishouding; b.gft-afval: groente, fruit- en tuinafval; c.restafval: huishoudelijk afval niet zijnde gft-afval; d.mini-container: de vanwege de gemeente uitgezette ophaalbakken, waaronder city-bins, onderverdeeld in de verschillende volumina; e.verzamelcontainer: de vanwege de gemeente geplaatste verzamelcontainers, die kunnen worden ontsloten door middel van chipkaarten; f.gebruik maken: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer. Artikel2Belastbaar feit 1.Onder de naam "Afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 2.De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel3Belastingplicht 1.De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt: degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van het perceel; ingeval een gedeelte van een perceel in gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan. Artikel4Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel5Reductie heffing medisch afval 1.De belastingplichtige als bedoeld in artikel 3 komt in aanmerking voor vermindering voor de belasting als bedoeld in hoofdstuk 1, lid 2, 3 en 4 van de in artikel 4 bedoelde tarieventabel, indien belastingplichtige als gevolg van chronische ziekte of handicap of chronische ziekte of handicap van personen die behoren tot zijn of haar huishouden, extra afval moeten aanbieden aan de gemeentelijke inzameldienst. 2.De in het eerste lid bedoelde vermindering bedraagt 60% van de totaal verschuldigde belasting als gevolg van het aantal aangeboden ledigingen of aanbiedingen restafval, dat het gemiddeld aantal ledigingen of aanbiedingen restafval 10 op jaarbasis per huishouden overstijgt, een en ander tot een maximum van € 60,- per belastingtijdvak. 3.De belastingplichtige die in aanmerking wil komen voor vermindering op grond van het eerste lid, dient uiterlijk binnen 6 weken na dagtekening van de opgelegde belasting, zoals bedoeld in het eerste lid, een daartoe strekkend verzoek in te dienen bij de heffingsambtenaar. Bij dit verzoek dient een schriftelijke verklaring van de huisarts of medisch specialist te worden overlegd, waaruit blijkt dat als gevolg van een chronische ziekte of handicap extra afval wordt aangeboden. 4.De vermindering als bedoeld in het eerste en tweede lid vindt plaats na afloop van het betreffende belastingjaar. 5.Er wordt slechts één vermindering per huishouden verleend. Artikel6Belastingstijdvak 1.Met betrekking tot de belasting die per belastingjaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. 2.Met betrekking tot de belasting die per lediging/inworp wordt geheven is het belastingtijdvak gelijk aan een kalenderjaar. Artikel7Wijze van heffing 1.De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag. 2.De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel schriftelijke gedagtekende kennisgeving. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. Artikel8Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.De belasting bedoeld in onderdeel 1 van hoofdstuk 1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.De belasting bedoeld bij de overige onderdelen van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening. 3.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel9Termijnen van betaling 1.Bij niet-automatische incasso: De aanslag moet worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede een maand later. 2.Bij automatische incasso: De aanslag moet worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen tenminste vier en maximaal tien bedraagt. 3.In afwijking van het tweede lid geldt, dat de aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke betaaltermijnen, ingeval het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar een aanslag bevat, het bedrag van deze aanslag hoger is dan € 20.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.