.1 Beleid Het college kan ook ondersteuning ‘op andere passende wijze’ aanbieden, zoals doorverwijzing en bemiddeling richting werk. De belangrijkste voorzieningen zijn in deze verordening geregeld, dit is echter geen limitatieve opsomming. Het is aan het college om voorzieningen zo in te zetten dat deze passend zijn bij de afstand tot de arbeidsmarkt. Om dit te faciliteren kan het college de doelgroep verder indelen in categorieën/stromen en de ondersteuning daarop afstemmen. Re-integratie is altijd maatwerk (vierde lid). Als de inzet van voorzieningen leidt tot economisch voordeel van de betreffende organisatie, kan een inleenvergoeding worden gevraagd. Het college kan dit concretiseren in beleidsregels en/of nadere regels (artikel 6.1). Artikel 2.2 Voorwaarden en verplichtingen voorzieningen Bij de ondersteuning naar de arbeidsmarkt staat het plan van aanpak centraal. Er is niet gekozen voor een gedetailleerde opsomming van alle voorwaarden en verplichtingen die aan voorzieningen kunnen worden verbonden. Het is aan het college overgelaten om dit verder in te vullen. Het college heeft beoordelingsvrijheid (dat is de betekenis van ‘volgens’), uiteraard binnen de wettelijke randvoorwaarden (tweede lid). § 2.2 Specifieke voorzieningen Artikel 2.3 Beschut werk In dit artikel is invulling gegeven aan de verplichting van de gemeenteraad om te bepalen: welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden aangeboden om goed functioneren op een beschutte werkplek mogelijk te maken, en welke voorzieningen worden aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking begint. Het college stelt vast welke voorzieningen noodzakelijk zijn en ingezet gaan worden. Ook dit is een vorm van maatwerk. Artikel 2.4 Werken met behoud van uitkering Werken met behoud van uitkering kan een geschikt instrument zijn om personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt te ondersteunen en zodoende die afstand te verkleinen of in ieder geval te voorkomen dat deze groter wordt. Personen met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt hebben werken met behoud van uitkering niet nodig als re-integratievoorziening (eerste lid). De verschillende vormen van werken met behoud van uitkering zijn hier vermeld, in oplopende afstand tot de arbeidsmarkt. In artikel 1 zijn de betreffende begrippen verder omschreven. Het college kan in beleidsregels en/of nadere regels verder invulling geven aan de verschillende vormen van werken met behoud van uitkering en de voorwaarden en verplichtingen. Artikel 2.5 Persoonlijke ondersteuning Het betreft een voorziening zoals een jobcoach, die de werknemer met beperkingen ondersteunt bij het uitvoeren van het werk. Die begeleiding kan zowel op als buiten de werkplek plaatsvinden. Denk aan het helpen op tijd op te staan, zelfstandig te reizen en het aanleren van omgangsvormen. De begeleiding kan binnen of buiten de organisatie worden georganiseerd. Artikel 2.6 No-riskpolis Onder de ‘no-riskpolis’ wordt verstaan een financiële dekking tegen het risico van ziekte. De loonkosten worden dan deels of geheel vergoed aan de werkgever. Voor werknemers die zijn opgenomen in het doelgroepregister banenafpraak is dit wettelijk geregeld (artikel 29b Ziektewet), voor anderen niet. Het college is bevoegd om voor andere groepen werkzoekenden een ‘no-riskpolis’ te ontwikkelen en aan te bieden. Artikel 2.7 Scholing Onder scholing wordt een breed begrip verstaan: alle vormen die een leerproces in zich dragen kunnen hieronder worden gebracht. Centraal staat dat er kennis, vaardigheden of competenties worden verworven, die de afstand tot de arbeidsmarkt verkleinen of voorkomen dat die afstand groter wordt. Artikel 2.8 Loonkostensubsidie In de Participatiewet is geregeld dat voor personen die het wettelijk minimumloon niet kunnen verdienen, de werkgever loonkostensubsidie kan ontvangen (artikel 10d Participatiewet). In deze verordening is aanvullend geregeld, dat voor de groep die wel in staat is dat inkomen te verdienen, tijdelijk loonkostensubsidie verstrekt kan worden. De loonkostensubsidie vormt dan een in tijd beperkte stimulans voor de werkgever om de betreffende persoon in dienst te nemen. Artikel 2.9 Activeringssubsidies Een financiële prikkel kan ingezet worden om activiteiten richting de arbeidsmarkt te stimuleren. Het kan daarbij gaan om werkaanvaarding (in brede zin) en om scholing. Onder scholing wordt in dit verband ook verstaan het behalen van een inburgeringsdiploma. Jongeren zijn uitgesloten. Een financiële prikkel is bij hen niet aan de orde. Artikel 2.10 Vergoedingen Het gaat hier bijvoorbeeld om reiskostenvergoeding of vergoeding van de aanschaf van kleding of gereedschap. In beginsel komen deze kosten voor rekening van de organisatie waar de activiteiten worden uitgevoerd. Verstrekt deze organisatie geen (toereikende) vergoeding, dan kan worden beoordeeld, of de kosten voor rekening van de gemeente komen. § 2.3 Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie Artikel 2.11 Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de wettelijke verplichting om de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep behoort en de manier waarop de loonwaarde wordt vastgesteld bij verordening te regelen. De loonwaardemeting, ‘Dariuz-Works’, is een gevalideerde methodiek (tweede lid). § 2.4 Tegenprestatatie Artikel 2.12 Voorwaarden tegenprestatie In de Participatiewet staat ‘Meedoen naar vermogen’ centraal. Belanghebbenden kan worden gevraagd actief deel te nemen aan de samenleving, door middel van ‘onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden’ (artikel 9 Participatiewet). Onder reguliere arbeid wordt verstaan de arbeid die niet met voorzieningen, zoals loonkostensubsidie, ondersteund wordt. Artikel 2.13 Het opdragen van een tegenprestatie Personen met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt moeten zich richten op werk. Het leveren van een tegenprestatie staat doorgaans effectief solliciteren in de weg. Daarom gaat dit in de regel niet samen, uitzonderingen daargelaten (eerste lid). Artikel 2.14 Omvang en duur van een tegenprestatie Het college zal aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden de aard, de duur en de omvang van de tegenprestatie moeten bepalen. De omvang van de werkzaamheden en de duur in de tijd moeten daarom in de regel beperkt zijn. HOOFDSTUK 3 Inkomensvoorzieningen § 3.
.1 Indienen verzoek In de artikelen 36 en 36b lid 1 Participatiewet wordt gesproken van het indienen van een verzoek. Om onduidelijkheden te voorkomen bepaalt dit artikel dat het verzoek moet worden gedaan met een door het college vastgesteld aanvraagformulier of langs de digitale weg, die door het college is opengesteld. Een verzoek wordt aangemerkt als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). § 3.2 Individuele inkomenstoeslag In aanvulling op de wettelijke regels in artikel 36 Participatiewet, moet de gemeenteraad in ieder geval bij verordening regels stellen over de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de manier waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen (artikel 8 lid 2 Participatiewet). Omdat in artikel 36 Participatiewet de inkomenstoeslag al uitvoerig is geregeld, worden de aanvullende gemeentelijke regels in deze verordening beperkt gehouden. In beleidsregels en/of nadere regels kan het college verder invulling geven aan wettelijke voorwaarden, bijvoorbeeld de voorwaarde dat ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’ mag bestaan. Artikel 3.2 Langdurig laag inkomen De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger is dan het langdurig lage inkomen van 105% van de toepasselijke bijstandsnorm, zal volgens de rechtspraak niet al te formeel mogen worden beoordeeld. Een zeer geringe en tijdelijke overschrijding van de inkomensgrens zal niet leiden tot het verlies van het recht op de inkomenstoeslag. Artikel 3.3 Hoogte individuele inkomenstoeslag Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, omdat de andere partner uitgesloten is (zie de artikel 11 en 13 Participatiewet), komt de wel rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. § 3.3 Individuele studietoeslag In aanvulling op de regels over de studietoeslag die de wetgever al heeft gesteld in artikel 36b Participatiewet, moet de gemeenteraad bij verordening regels stellen, die in ieder geval betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de studietoeslag (artikel 8, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Omdat in artikel 36b Participatiewet de studietoeslag op zichzelf uitvoerig is geregeld, worden de aanvullende gemeentelijke regels beperkt gehouden. Artikel 3.4 Toekenning en betaling individuele studietoeslag Belangrijke voorwaarde is, dat de student of scholier niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Het college kan dat op verschillende manieren onderzoeken: advies inwinnen bij een externe organisatie, bijvoorbeeld het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het college kan ook een andere instantie om advies vragen. Soms kan het college ook zelf vaststellen of een persoon met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Artikel 3.5 Toekenning en betaling individuele studietoeslag Gekozen is voor een periode van 6 maanden, omdat een persoon doorgaans halfjaarlijks kan starten met een studie of opleiding. Voor de beoordeling of een belanghebbende in aanmerking komt voor een individuele studietoeslag wordt de situatie op de datum van de aanvraag beoordeeld (artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet). Om deze reden is geregeld dat een persoon slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in aanmerking kan komen voor een individuele studietoeslag. Studeert een persoon na die zes maanden nog steeds en voldoet hij aan de voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, dan kan hij opnieuw in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Bij het vaststellen van de hoogte van het normbedrag is als richtlijn gehanteerd dat te verstrekken toeslag zich reëel moet verhouden tot gemiddelde verdiensten uit een bijbaan die met een studie gecombineerd wordt. Is sprake van gehuwden die allebei afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden voor een individuele studietoeslag, dan komen zij afzonderlijk in aanmerking voor een individuele studietoeslag. § 3.4 Meedoenregeling De Meedoenregeling is op grond van artikel 149 Gemeentewet vastgesteld. Met deze regeling wordt door het verminderen en wegnemen van financiële belemmeringen, de maatschappelijke participatie van burgers gestimuleerd. Artikel 3.6 Voorziening In dit artikel is bepaald onder welke voorwaarden een belanghebbende in aanmerking kan komen voor een bijdrage. De regeling kan voor elke activiteit worden aangevraagd, zolang er maar een maatschappelijk element aan verbonden is. De bijdrage kan ook worden besteed aan de kosten van een internetverbinding. Onder ‘in aanmerking te nemen vermogen’ wordt verstaan het vermogen dat onder de vermogensgrenzen blijft van artikel 34, derde lid, Participatiewet. De bijdrage is niet bedoeld voor studerenden, tenzij het een minderjarig kind van een student betreft. Artikel 3.7 Hoogte Meedoenregeling en betaling De bijdrage is persoonsgebonden en niet overdraagbaar. Artikel 3.8 Aanvraag door een instelling Instellingen kunnen als instelling een aanvraag indienen. De bijdrage is dan bedoeld om een activiteit voor deze kinderen te kunnen organiseren. Met een langdurig tijdelijk verblijf moet worden gedacht aan een periode van gemiddeld minstens drie maanden. Het kan voorkomen, dat sommige kinderen korter verblijven, en andere kinderen weer langer. Het verblijf moet ook ononderbroken zijn. Wanneer de kinderen eens een weekend elders verblijven, bijvoorbeeld bij hun eigen ouders, dan kan daar aan worden voorbijgegaan. Het college bepaalt op individuele basis de hoogte en de voorwaarden van de verstrekking. Ten aanzien van de hoogte wordt in beginsel uitgegaan van het gemiddelde aantal kinderen dat in de instelling verblijft. Het is ook mogelijk dat wordt uitgegaan van de maximale opvangcapaciteit van de instelling, wanneer deze capaciteit een groot deel van het jaar volledig wordt benut. De hoogte van de bijdrage bedraagt dan de bijdrage voor één kind maal het aantal kinderen. Artikel 3.9 Verificatie Aanvragen worden achteraf en steekproefsgewijs gecontroleerd. Blijkt dat er ten onrechte een bijdrage is verstrekt, dan kan deze worden ingetrokken en teruggevorderd op grond van Afdeling 4.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht. HOOFDSTUK 4 Afstemming en handhaving § 4.
.1 Horen van belanghebbende Het verlagen van een uitkering is een ingrijpend besluit. Om die reden geldt, dat de belanghebbende eerst in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze (mening) hierover te geven, voordat de uitkering wordt verlaagd. Dit is in lijn met artikel 4:8 Awb. Artikel 4.2 Afzien van verlaging Het opleggen van een verlaging is maatwerk. Om die reden is wettelijk bepaald, dat afgezien wordt van verlaging, als alle verwijtbaarheid ontbreekt (artikel 18, negende lid Participatiewet). In aanvulling daarop is in dit artikel een vervaltermijn geïntroduceerd. In navolging van de regels over (lichte) boetes is gekozen voor een vervaltermijn van één jaar. Artikel 4.3 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging Uitgangspunt is, dat de verlaging werkt vanaf de kalendermaand die volgt op de maand waarin het verlagingsbesluit is bekendgemaakt via een beschikking. Heeft de belanghebbende op dat moment nog aanspraak op een tegoed aan uitkering over een eerdere periode, bijv. omdat de uitkering na afloop van de maand wordt betaald, of omdat een aanvraagprocedure langer heeft geduurd, dan wordt de verlaging met terugwerkende kracht opgelegd en toegepast op die nabetaling. Daarmee wordt lik op stuk mogelijk en dit sluit aan bij de systematiek die voor ‘geüniformeerde’ verplichtingen geldt (zie artikel 4.5 en artikel 18, vijfde lid Participatiewet). Artikel 4.4 Berekeningsgrondslag Algemene bijstand, een IOAW- of IOAZ-uitkering, wordt per kalendermaand toegekend en verstrekt. De verlaging wordt daarom ook berekend over de uitkeringsnorm en toegepast op de maanduitkering. § 4.2 Niet nakomen van verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 4.5 Schending geüniformeerde arbeidsverplichtingen Participatiewet Voor een aantal arbeidsverplichtingen geldt, dat de wetgever de schending daarvan zo ernstig heeft gevonden, dat dit in artikel 18, vierde lid Participatiewet is bestraft met 100% voor minimaal 1 maand. De termijn wordt hier standaard op 1 maand gesteld (eerste lid). De verlaging wordt uitgesmeerd over drie maanden, als er sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals (dreigende) huisuitzetting of afsluiting van gas, water, elektriciteit, waardoor een noodsituatie ontstaat. Artikel 4.6 Schending overige arbeidsverplichtingen Participatiewet, IOAW en IOAZ Voor andere gedragingen dan de in artikel 4.5 bedoelde, geldt dat de omvang van de verlaging afhankelijk is van de zwaarte van de gedraging. In de categorie-indeling is dit tot uitdrukking gebracht. In het eerste lid, onderdeel a. wordt verwezen naar artikel 18, vierde lid Participatiewet. Daarmee wordt gedoeld op de specifieke wettelijk omschreven verplichtingen. Die gaan vóór toepassing van artikel 4.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.