VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN DE AFVALSTOFFENHEFFING 2019Raadsbesluit De raad van de gemeente Boekel; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 6 november 2018; gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. BESLUIT: vast te stellen de VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN DE AFVALSTOFFEN- HEFFING 2019 Artikel1.Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: - grof huishoudelijk afval: afval dat niet in de opdrukzak past en geen gevaar oplevert voor de volksgezondheid; - ‘gebruik maken’: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer. Artikel2.Aard van de belasting en belastbaar feit 1. Onder de naam “afvalstoffenheffing” wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel3.Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk rechtgebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel4.Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar € 176,-. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid bedraagt de belasting voor het ter be¬schikking stellen van een opdrukzak, per rol van 10 opdrukzakken van 60 liter € 15,00 en per rol van 10 opdrukzakken van 30 liter € 7,50. Artikel5.Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel6.Wijze van heffing 1. De belasting, bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt bij wege van aanslag geheven. 2. In afwijking in zoverre van het in het eerste lid bepaalde, wordt de belasting, bedoeld in artikel 4, tweede lid, geheven bij wege van een mondelinge dan wel een schriftelijke gedagtekende kennisgeving. Artikel7.Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht nog volle kalender¬maanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belas¬ting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt. Artikel8.Termijnen van betaling 1. De aanslag(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.