← Nederland

Nadere Regeling Sociaal Domein gemeente Eindhoven (Eindhoven)

Nadere Regeling Sociaal Domein gemeente Eindhoven bijgewerkt met gemeentebladen: 2014, nr 112, nieuwe regeling m.i.v. 01-01-2015 2015, nr 63, aanvulling regeling m.1.v. 01-10-2015 2016, nr 14, wijziging regeling m.i.v. 01-03-2016 2016, nr 19, wijziging regeling m.i.v. 12-04-2016, bij gemeenteblad 2017, nr 48 is deze regeling opgenomen in Verordening Sociaal Domein in plaats van Nadere Regeling Sociaal Domein 2016, nr 45, wijziging regeling met terugwerkende kracht m.i.v. 01-03- 2016. 2016, nr 68, wijziging regeling met terugwerkende kracht m.i.v. 04-01-2016 2016, nr 85, wijziging regeling m.i.v. 01-01-2017 2017, nr 49, wijziging regeling m.i.v. 22-06-2017 2017, nr 12, aanvulling regeling m.i.v. 01-03-2017 2017, nr 73, wijziging regeling m.i.v. 19-10-2017) 2017, nr 99, wijziging regeling m.i.v. 01-01-2018 en 01-03-2018) 2018, nrs 140664, 153769, 153770, wijziging van de regeling m.i.v. 1 juli 2018 2018, nr 231232, wijziging m.i.v. 1 januari 2019 2019, nr 7380, wijzigingen van de regeling met ingang van 1 mei 2019 en met terugwerkende kracht m.i.v. 1 januari 2019 (de pgb-tarieven voor de maatwerkvoorzieningen huishoudelijke ondersteuning en jeugdhulp ambulant specialistisch LVB (midden) vermeld in bijlage 3) en 1 februari 2019 (artikel 4.8, eerste lid onder f sub viii (ondersteuning zelfstandig leven-ADL), en het daarbij behorende pgb-tarief vermeld in bijlage 3). 2019, nr 230111 2019, nr 319872 2021, nr 145615 2021, nr 148412 2021, nr , wijziging regeling m.i.v.13-11-2021 2021, nr , wijzging regeling 2021, nr , wijziging regeling m.i.v. 01-01-2022 Hoofdstuk1.Algemeen Artikel1.1Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze Nadere Regeling worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de Participatiewet, de Wet Inburgering 2021, het Besluit inburgering 2021, de Regeling Inburgering 2021, de Wmo 2015, de IOAW, de IOAZ, het Bbz 2004, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs, het Besluit Jeugdwet en de Verordening SD Eindhoven. 2.In deze Nadere Regeling wordt verstaan onder: het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven; maatschappelijke opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, niet zijnde personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld; regio: een regionaal samenwerkingsverband van gemeenten welke gezamenlijk zorg dragen voor maatschappelijke opvang in de betreffende regio. SVB: Sociale Verzekeringsbank Verordening SD: Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven Wlz: Wet langdurige zorg Hoofdstuk2.Jeugdhulp Artikel2.1Vormen van jeugdhulp (grondslag artikel 2.2 Verordening SD) 1.Het college biedt de volgende individuele voorzieningen aan: behandeling zonder verblijf, waaronder diagnostiek, jeugdhulp ambulant regulier GGZ jeugdhulp ambulant specialistisch GGZ (licht, midden of zwaar) jeugdhulp ambulant specialistische opvoedondersteuning (midden of zwaar) jeugdhulp ambulant specialistisch LVB (midden of zwaar) dagbehandeling jeugd groep (L)VB dagbehandeling jeugd groep O&O dagbehandeling jeugd groep GGZ ix. vaktherapie x .diagnostiek en behandeling van ernstige enkelvoudige dyslexie controle psychofarmaca jeugdmobiliteit, waaronder vervoer, zonder rolstoel vervoer, met rolstoel verblijf, waaronder logeren gezinshuis begeleiding naar zelfstandig wonen (verblijf excl. behandeling) pleegzorg begeleiding jeugd, waaronder zelfstandig leven jeugd - groepsbegeleiding zelfstandig leven jeugd - dagbesteding iii. zelfstandig leven Jeugd - individueel licht iv. zelfstandig leven individueel zelfstandig leven jeugd – persoonlijke verzorging Artikel2.2Toegang jeugdhulp via de gemeente (grondslag artikel 2.3 Verordening SD) 1.Een hulpvraag kan door een jeugdige en/of zijn ouder(

  1. s)digitaal, telefonisch, schriftelijk of in persoon worden gemeld bij het college. 2.Het is niet noodzakelijk om de hulpvraag kenbaar te maken door middel van een aanvraag voor een individuele voorziening. 3.Een aanvraag voor een individuele voorziening dient te worden ingediend middels een door het college ter beschikking gesteld format. 4.In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. Artikel2.3Onderzoek (grondslag artikel 2.3 Verordening SD) 1.Het college onderzoekt, na melding van de hulpvraag of aanvraag voor een individuele voorziening, in samenspraak met de jeugdige en of zijn ouder(
  2. s)en deskundigen, voor zover nodig: de behoefte, persoonskenmerken en de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders; het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; de mogelijkheden van de jeugdige of zijn ouder(
  3. s)om op eigen kracht of met ondersteuning van het sociaal netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden, onder toepassing van het protocol gebruikelijke hulp Jeugdwet (bijlage 2a); de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening; de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; de wijze waarop de individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders; de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb waarbij de jeugdige of zijn ouder(
  4. s)conform artikel 8.1.6 van de wet, in voor hen begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2.Als een familiegroepsplan, als bedoeld in artikel 1.1 van de wet, is opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 3.Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s)over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen om hun persoonsgegevens te verwerken. Artikel2.4Verslag (grondslag artikel 2.3 Verordening SD) Het college verstrekt de jeugdige of zijn ouder(
  5. s)een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3 van deze Nadere Regeling. De jeugdige of zijn ouder(
  6. s)kan zijn opmerkingen of aanvullingen aan dit verslag toevoegen, voordat hij het tekent voor gezien. Artikel2.4aPgb op basis van prijzen en tarieven individuele voorzieningen in natura (grondslag artikel 2.6b, zevende lid en 7.1 Verordening SD) Voor de individuele voorzieningen, die de gemeente in natura beschikbaar heeft, wordt de hoogte van het pgb op basis van bijlage 3 bepaald. Artikel2.4bPgb bij meerdere zorgverleners Indien de cliënt voor de uitvoering van een individuele voorziening gebruik maakt van meerdere zorgverleners dan wordt het pgb voor de individuele voorziening berekend op basis van de verhouding van inzet naar categorie zorgverlener. Artikel2.4cBeschikbaarstelling pgb 1.Het pgb wordt pas ter beschikking gesteld aan de jeugdige of zijn ouder(
  7. s)als het college de zorgovereenkomst conform het format van de SVB of de offerte of factuur heeft geaccepteerd en de hoogte en duur van het pgb heeft vastgesteld middels een beschikking. 2.Vanaf de datum van de beschikking, bedoeld in het vorige lid, wordt het pgb beschikbaar gesteld aan de jeugdige of zijn ouder(
  8. s)voor de duur van de indicatie in het lopend kalenderjaar. Indien de indicatie het kalenderjaar overschrijdt, dan wordt de hoogte van het pgb uiterlijk op 1 november vastgesteld en in december beschikbaar gesteld voor het daaropvolgend kalenderjaar. Artikel2.5Pgb-tarieven zorgaanbieders, zelfstandige zonder personeel en sociaal netwerk (grondslag artikel 2.5 en 2.6 Verordening SD) Vervallen met ingang van 1 juli 2018. Artikel2.6Algemene verplichtingen pgb (grondslag artikel 2.5 en 7.1 Verordening SD) Vervallen met ingang van 1 juli 2018. Hoofdstuk3.Participatie Paragraaf3.1Inkomenstoeslag (grondslag paragraaf 3.3 en artikel 7.1 Verordening SD) Artikel3.1Aanvraag Een aanvraag individuele inkomenstoeslag, als bedoeld in paragraaf 3.3 Verordening SD Eindhoven, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld format. Artikel3.2Zicht op inkomensverbetering Indien de aanvrager of zijn echtgenoot in de 12 maanden, voorafgaand aan de aanvraag van de individuele inkomenstoeslag, twee of meerdere keren de kans heeft gehad om de inkomenssituatie of zicht daarop te verbeteren, dan vervalt het recht op die individuele inkomenstoeslag gedurende 12 maanden vanaf datum aanvraag. Artikel3.3Hoogte inkomenstoeslag 1.Indien er op de peildatum, sprake is van gehuwden en één van beiden voldoet niet aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 3.18 lid 1 van de Verordening SD Eindhoven dan is artikel 3.19 lid 1 sub a van de Verordening SD Eindhoven van toepassing. 2.Bij de vaststelling van de hoogte van het inkomen, bedoeld in artikel 3.17 sub a van de Verordening SD Eindhoven wordt buiten beschouwing gelaten: een eerder verstrekte inkomenstoeslag en/of een premie, als bedoeld in artikel 31 lid 2 sub j van de Participatiewet en/of een onkostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk als bedoeld in artikel 31 lid 2 sub k van de Participatiewet inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31 lid 2 sub n van de Participatiewet 3.Bij toepassing van de indexering worden de bedragen afgerond op € 1,- naar boven. 4.Bij de toepassing van de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31 lid 2 sub n en r van de Participatiewet: gaat het college er per definitie vanuit dat de vrijlating bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; stelt het college het recht op een inkomstenvrijlating ambtshalve vast of, als dit niet mogelijk is, op schriftelijke aanvraag; stelt het college het recht op een inkomstenvrijlating voor personen die freelance of als zelfstandige werken op aanvraag vast. Dit geldt ook voor personen met een Bbz-uitkering (Besluit bijstandsverlening zelfstandigen); bepaalt het college, als dit noodzakelijk is, welke gegevens een uitkeringsgerechtigde voor de vaststelling van het recht op een inkomstenvrijlating moet verstrekken, alsmede de wijze en het tijdstip waarop hij de gegevens moet verstrekken; wordt de inkomstenvrijlating éénmalig per bijstandsperiode toegepast. Artikel3.4WTOS en WSF in referteperiode Indien in de referteperiode van 60 maanden sprake is van een opleiding als bedoeld in de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en scholingskosten of studie op basis waarvan men aanspraak kan maken op Wet studiefinanciering 2000 dan wordt die periode verlengd met de periode van studie. Artikel3.5Inkomsten uit arbeid De inkomsten uit arbeid in de referteperiode worden, voor zover deze lager zijn dan € 1.500,- netto per jaar, buiten beschouwing gelaten. Bij overschrijding van dit bedrag tellen de inkomsten uit arbeid volledig mee voor de vaststelling van de hoogte van het inkomen. Paragraaf3.2Verlaging bijstandsnorm (grondslag artikel 27 Participatiewet) Artikel3.6Verlaging bijstandsnorm bij ontbreken woonlasten 1.Het college verlaagt de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de wet, met 15% van de gehuwdennorm, voor zover de uitkeringsgerechtigde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. 2.Lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden, in elk geval, aanwezig geacht, indien de uitkeringsgerechtigde: geheel of gedeeltelijk geen woonkosten heeft of verblijft in een instelling voor maatschappelijke opvang of zonder woonadres is, als bedoeld in artikel 1 van de Wet basisregistratie personen persoonsgegevens, en aangifte doet van een door het college ter beschikking gesteld briefadres als bedoeld in artikel 1 van die wet. Paragraaf3.3Participatievoorzieningen Artikel3.7Studietoeslag (grondslag artikel 3.14 Verordening SD) 1.Een verzoek om een individuele studietoeslag, als bedoeld in artikel 3.14 van de Verordening SD Eindhoven, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld format. 2.Voor de beoordeling of een persoon in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon kan het college het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen om advies vragen. 3.De individuele studietoeslag wordt ineens ter beschikking gesteld aan de belanghebbende persoon en bedraagt per 6 maanden € 1.236,- bij een leeftijd van 18en 19 jaar € 1.440,- bij een leeftijd van 20 jaar € 1.800,- bij een leeftijd van 21 jaar en ouder. Paragraaf 3.4 (gereserveerd) Artikel 3.8 tijdelijke vermogensvrijstelling compensatievergoeding kinderopvangtoeslagaffaire De compensatievergoeding kinderopvangtoeslagaffaire, zoals bedoeld in artikel 7 onderdeel p sub 8 Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ, wordt gedurende een termijn van drie jaar vanaf dag van ontvangst van de compensatievergoeding door de (belanghebbende) inwoner, niet toegerekend tot het vermogen van (belanghebbende) inwoner bij vaststelling van het recht op en de hoogte van de bijzondere bijstand en collectieve zorgverzekering. Paragraaf 3.5 Inburgering Artikel 3.12 Begripsbepalingen 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. asielstatushouder: de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet inburgering 2021; b. BRP: Basisregistratie Personen; c. COA: Centraal Orgaan opvang asielzoekers; d. gezinsmigranten en overige migranten: de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 19 van de Wet inburgering 2021; e. MAP: module Arbeidsmarkt en Participatie; f. PIP: persoonlijk plan inburgering en participatie; g. PVT: participatieverklaringstraject. Artikel 3.13 De brede intake Het college neemt de brede intake af, zodra de inburgeringsplichtige in de BRP van de gemeente is ingeschreven. Wanneer de inburgeringsplichtige, ook na drie oproepen, niet bij de brede intake verschijnt of onvoldoende medewerking verleent, voltooit het college de intake zonder de inburgeringsplichtige. In dat geval onderzoekt het college de omstandigheden van de inburgeringsplichtige aan de hand van de gegevens die wel bekend zijn, zoals: de uitkomsten van de leerbaarheidstoets, als de inburgeringsplichtige daaraan heeft meegewerkt; voor asielstatushouders de gegevens uit het Taakstellingvolgsysteem (TVS); informatie uit het uitkeringsdossier. Artikel 3.14 PIP Na de afname van de brede intake stelt het college de inburgeringsplichtige in de gelegenheid tot samenspraak over de manier waarop de inburgeringsplichtige aan zijn inburgeringsplicht moet voldoen. Het college verzendt het PIP zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen tien weken na inschrijving in de BRP, als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, aan de inburgeringsplichtige. Artikel 3.15 Passende leerroute inburgeringsplichten en aanbod leerroute asielstatushouders Het college beoordeelt op basis van de gegevens die het COA bij de eventuele voorinburgering heeft verkregen alsmede op basis van de uitkomsten van de brede intake en leerbaarheidstoets welke leerroute voor de inburgeringsplichtige passend is. Van de B1-route wordt enkel afgeweken indien: op basis van leeftijd, leerbaarheid, persoonlijke omstandigheden en motivatie van de inburgeringsplichtige blijkt dat de onderwijsroute een beter passende leerroute is; of door geen of nauwelijks onderwijs in het land van herkomst, lage leerbaarheid of analfabetisme blijkt dat de B1-route niet haalbaar is voor de inburgeringsplichtige, in welk geval de zelfredzaamheidsroute de passende leerroute is. Bij de vaststelling van de leerroute en, voor zover het gaat om asielstatushouders, de intensiteit van de taallessen houdt het college in ieder geval rekening met de arbeidsplicht uit de Participatiewet, de re-integratieplicht uit de Participatiewet en de ondersteuning bij arbeidsinschakeling uit de Participatiewet. Het college stemt de keuze voor een leerroute in ieder geval af op de MAP, het PVT, de (eventuele) maatschappelijke begeleiding en het (eventuele) schuldhulpverleningsplan van aanpak. Het college verstrekt de aanbieder van de leerroute de NAW-gegevens en de gegevens over de leerroute, waaronder intensiteit en de termijn van de leerroute. Artikel 3.16 Participatieverklaringstraject inburgeringsplichten Het PVT bestaat uit meerdere workshops en een activiteit of excursie waarbij het aantal uren voor het volgen van het PVT in ieder geval twaalf bedraagt. De activiteiten worden afgesloten met de ondertekening van de participatieverklaring door de inburgeringsplichtige. De frequentie en duur van het PVT kunnen in het PIP worden afgestemd op de individuele omstandigheden van de inburgeringsplichtige, met dien verstande dat het aantal uren voor het volgen van de PVT twaalf bedraagt. Als de inburgeringsplichtige in het kader van de brede intake PVT-activiteiten heeft verricht, dan brengt het college deze bestede uren in mindering op de urennorm van twaalf uren. Artikel 3.17 MAPinburgeringsplichten Het college houdt bij het vaststellen van de inhoud en het aantal uren van de MAP rekening met de vermogens, capaciteiten, ontwikkelbehoeften en de individuele omstandigheden van de inburgeringsplichtige en de situatie op de lokale arbeidsmarkt. Als de inburgeringsplichtige in het kader van de brede intake MAP-activiteiten heeft verricht, dan kan het college deze bestede uren in mindering brengen op de urennorm van veertig uren als bedoeld in het Besluit inburgering 2021. Bij de vaststelling van de MAP houdt het college in ieder geval rekening met de arbeidsplicht uit de Participatiewet, de re-integratieplicht uit de Participatiewet en de ondersteuning bij arbeidsinschakeling uit de Participatiewet. Het college beoordeelt op basis van het eindgesprek of de inburgeringsplichtige voldoet aan de doelstelling en gestelde urennorm van de MAP. Het college houdt bij deze beoordeling rekening met de capaciteiten en vermogens van de inburgeringsplichtige. Het college bevestigt zo spoedig mogelijk na het eindgesprek aan de inburgeringsplichtige of de MAP is afgerond. Artikel 3.18Voortgangsgesprekken De frequentie van de voortgangsgesprekken wordt vastgesteld op basis van de uitkomsten van de brede intake en afgestemd op de inburgeringsplichtige, met dien verstande dat in het eerste jaar minimaal twee voortgangsgesprekken plaatsvinden. Ter voorbereiding op de voortgangsgesprekken ontvangt en beoordeelt het college de gegevens van de aanbieder van de leerroute wat betreft de voortgang van de leerroute en de aanwezigheid, deelname en inzet van de inburgeringsplichtige. Indien daar, nadat uit het voortgangsgesprek blijkt dat de PIP niet of niet voldoende wordt nageleefd aanleiding toe is, stelt het college een schriftelijk verslag van dit gesprek binnen 4 weken ter beschikking aan de inburgeringsplichtige. Artikel 3.19 Maatschappelijke begeleiding De maatschappelijke begeleiding voor asielstatushouders bevat in ieder geval: ondersteuning en begeleiding bij het regelen van praktische zaken ten aanzien van voorzieningen zoals onder andere wonen, zorg, werk, inkomen, verzekeringen, onderwijs en kennismaking met de lokale woonomgeving; voorlichting over basisvoorzieningen en thema’s zoals onder andere wonen, inkomen, werk, zorg, onderwijs, opvoeding en kennismaking met maatschappelijke organisaties. Artikel 3.20 Overschakelen naar een andere leerroute Het college kan een andere leerroute vaststellen als vanaf de dag na dagtekening van het PIP de termijn zoals genoemd in artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit inburgering 2021 nog niet verstreken is, met dien verstande dat gedurende de gehele inburgeringstermijn de onderwijsroute kan worden gewijzigd in de B1-route. In bijzondere omstandigheden die de inburgeringsplichtige betreffen kan het college van de termijn bedoeld in het eerste lid afwijken. De beoordeling van het college of er onvoldoende voortgang of een grotere voortgang is dan op grond van het PIP was te verwachten, geschiedt aan de hand van de voortgangsgesprekken of de gegevens van de aanbieder van de leerroute over de voortgang van de leerroute en de geleverde inspanningen van de inburgeringsplichtige. Als de beoordeling, bedoeld in het derde lid, daartoe aanleiding geeft, schakelt de inburgeringsplichtige over naar een andere leerroute, past het college het PIP op de benodigde onderdelen aan en verzendt het college dat gewijzigd PIP aan de inburgeringsplichtige. Artikel 3.21 Afschalen Op basis van de uitkomst van een voortgangsgesprek kan het college voor de inburgeringsplichtige die de B1-route volgt, bepalen dat de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal geheel of gedeeltelijk op het niveau A2 worden geëxamineerd. Dit kan alleen na in totaal 600 cursusuren Nederlands als tweede taal en wanneer uit de relevante feiten en omstandigheden blijkt dat de inburgeringsplichtige zich gedurende deze taallessen voldoende heeft ingespannen. Hierover wordt informatie opgevraagd bij de aanbieder van de leerroute die de taallessen verzorgt voordat een besluit wordt genomen. Als de inburgeringsplichtige in het kader van de brede intake cursusuren Nederlands als tweede taal heeft gevolgd, waarvan alfabetiseringsonderwijs onderdeel kan zijn, dan brengt het college deze bestede uren in mindering op de urennorm van 600 uren, genoemd in het eerste lid. Indien daar, op basis van het eerste lid, aanleiding toe is, past het college het PIP op de benodigde onderdelen aan en verzendt het college dat gewijzigde PIP aan de inburgeringsplichtige. Artikel 3.22 Samenloop inburgeringsboete en maatregel Participatiewet Wanneer een inburgeringsplichtige een bijstandsuitkering ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken uit het PIP, waarin de nadruk ligt op het bevorderen van participatie en het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, vindt bij voorkeur verlaging van de uitkering plaats op grond van artikel 18 Participatiewet. Het gaat hierbij om verplichtingen en afspraken anders dan in het aanbod in de MAP. Het college legt voor dezelfde gedraging dan geen bestuurlijke boete op grond van de Wet inburgering 2021 op. Wanneer een inburgeringsplichtige die een bijstandsuitkering ontvangt zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken in het PIP, waarin de nadruk ligt op het vergroten van de taalbeheersing en aan overige afspraken en verplichtingen in het PIP, legt het college bij voorkeur een bestuurlijke boete op grond van de Wet inburgering 2021 op. Het college verlaagt in dat geval voor dezelfde gedraging de bijstandsuitkering niet. Bij de keuze tussen handhaving op grond van de Participatiewet door een verlaging van de uitkering, genoemd in het eerste lid, en handhaving op grond van de Wet inburgering 2021 via een bestuurlijke boete, genoemd in het tweede lid, weegt het college ook af welke wijze van handhaving, rekening houdend met de gevolgen hiervan voor de inburgeringsplichtige, naar haar oordeel het best bijdraagt aan het beoogde effect, te weten het succesvol voltooien van het inburgeringstraject. Hoofdstuk4.Maatschappelijke Ondersteuning Paragraaf4.1Algemeen Artikel4.1Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: Bijdrage in de kosten: de bijdrage als bedoeld in artikel 4.9 ‘Verordening SD Eindhoven; Erkende zorginstelling: een instelling met een HKZ-keurmerk (stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector) of een daarmee vergelijkbaar keurmerk, of een instelling, die een onderaannemer is van een zorginstelling waarmee de gemeente Eindhoven een dienstverleningsovereenkomst betreffende een maatwerkvoorziening heeft gesloten. Paragraaf4.2Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning (grondslag artikel 4.2 Verordening SD) Artikel4.2Melding hulpvraag 1.Een hulpvraag kan door of namens de cliënt digitaal, telefonisch, schriftelijk of in persoon worden gemeld bij het college. 2.Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk danwel digitaal en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek bedoeld in artikel 4.5 van deze Nadere Regeling. 3.In spoedeisende gevallen treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Artikel4.3Cliëntondersteuning Het college wijst de cliënt of zijn gemachtigde en/of zijn mantelzorger vóór het onderzoek, bedoeld in artikel 4.5 van deze Nadere Regeling, op de mogelijkheid gratis gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Artikel4.4Persoonlijk plan 1.Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan, waarin hij de onderwerpen die tijdens het onderzoek aan de orde zullen komen beschrijft en waarin hij aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. 2.Het college stelt de cliënt gedurende veertien dagen na de melding in de gelegenheid het persoonlijk plan te overhandigen. Artikel4.5Onderzoek 1.Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek en wordt gevoerd met de cliënt of zijn gemachtigde en/of zijn mantelzorger. 2.De volgende factoren maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om gebruik te maken van een voorziening op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen en de wijze waarop de verschillende voorzieningen op elkaar worden afgestemd. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; de mogelijke bijdragen in de kosten die cliënt verschuldigd zal zijn. 3.Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4.4 van deze Nadere Regeling aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. 4.Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt of zijn vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. 5.De cliënt of zijn vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor het onderzoek en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. 6.Het college verstrekt de cliënt of zijn vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. De cliënt of zijn vertegenwoordiger kan zijn opmerkingen of aanvullingen aan dit verslag toevoegen voordat hij het tekent voor gezien. 7.Het college wijst de cliënt of zijn gemachtigde op de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 4.6 van deze Nadere Regeling in te dienen. Artikel4.5aOnderzoek bij dak-of thuisloosheid 1.In geval van dak-of thuisloosheid gaat het college, in aanvulling op het bepaalde in artikel 4.5, eerste lid, na wat de woonplaats was van de cliënt voor het ontstaan van zijn dak- of thuisloosheid. 2.Indien het college vaststelt dat de cliënt, voor het ontstaan van dak-of thuisloosheid, woonachtig was in een bepaalde gemeente of regio, niet zijnde de gemeente Eindhoven of een gemeente die deel uitmaakt van de centrumregio Eindhoven, en hierover overeenstemming heeft met de bepaalde gemeente of regio kan het college de uitvoering van het onderzoek overlaten aan de bepaalde gemeente of regio, waarbij voor de overdracht van eventuele informatie artikel 4.5b, vierde lid van toepassing is. 3.Indien het college de woonplaats van de cliënt voor het ontstaan van dak- of thuisloosheid niet vaststelt of kan vaststellen, dan wel de uitvoering van het onderzoek niet wenst te laten uitvoeren door de gemeente of regio, zoals bedoeld in het tweede lid, voert het college het onderzoek uit. Dit geldt ook indien het college niet tot overeenstemming komt met de in het tweede lid bedoelde gemeente of regio. 4.Indien het college het onderzoek in verband met de dak- of thuisloosheid van de cliënt zelf uitvoert, kan zij de in het tweede lid bedoelde gemeente of regio verzoeken om informatie ten behoeve van het onderzoek aan te leveren. 5.In geval van dak- of thuisloosheid, gaat het college, in aanvulling op het bepaalde in artikel 4.5, tweede lid, na: in welke gemeente of regio een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt; of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang naar verwachting vergroten, zoals een sociaal netwerk welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, en/of bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van de cliënt en/of lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten; of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang naar verwachting verkleinen, zoals een sociaal netwerk welke een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en/of actuele criminele activiteiten van de cliënt en/of maatregelen die opgelegd zijn aan de cliënt; 6.Indien, gedurende het onderzoek, blijkt dat een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang mogelijk of waarschijnlijk in een andere gemeente of regio de grootste kans van slagen heeft, dan betrekt het college deze gemeente bij het onderzoek. 7.Het onderzoek, zoals bedoeld in het derde lid, wordt zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen 2 weken uitgevoerd, tenzij er redenen zijn, buiten de invloed van het college, die dit onmogelijk maken. Artikel4.5bOverdracht van cliënt en cliëntgegevens bij maatschappelijke opvang 1.Indien het college, op grond van het in artikel 4.5a, derde lid bedoelde onderzoek, van oordeel is dat de kans van slagen van een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang groter is in een andere gemeente of regio, dan neemt het college, in overleg met de cliënt, contact op met die andere gemeente of regio. 2.Deelt de andere gemeente of regio het oordeel van het college, zoals bedoeld in het eerste lid, dan vindt de overdracht van de cliëntgegevens en de cliënt onverwijld plaats. Dit tenzij met de andere gemeente of regio wordt overeengekomen dat het bijdraagt aan de kans van slagen van een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang, dat deze overdracht later plaatsvindt. 3.Tot aan het moment van daadwerkelijke overdracht van de cliënt blijft het college maatschappelijke opvang bieden, dan wel blijft het college andere maatregelen treffen om op een andere wijze te voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang. 4.Het college draagt bij de overdracht alle noodzakelijke informatie over de cliënt, waaronder het onderzoeksverslag, over aan de andere gemeente of regio, in overleg met de cliënt. 5.Het college maakt met de andere gemeente of regio en de cliënt voorts concrete afspraken over: de datum van overdracht; welke aanbieder de cliënt de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang, dan wel andere ondersteuning die in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang voorziet, zal bieden in de andere gemeente of regio; hoe het vervoer van de cliënt en eventuele reisbegeleiding plaatsvindt. 6.Indien de cliënt weigert medewerking te verlenen aan de in het tweede lid bedoelde overdracht, kan het college overgaan tot weigering van de aanvraag tot een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang. 7.Indien het college, conform het tweede lid, de uitvoering van het onderzoek overgedragen heeft aan een bepaalde gemeente of regio, dan vergewist het college zich van de uitkomsten van het onderzoek. Artikel4.5cVerschil van mening tussen gemeenten bij maatschappelijke opvang 1.Bij verschil van mening tussen het college en de andere gemeente of regio over de vraag welke gemeente of regio verantwoordelijk is voor het bieden van maatschappelijke opvang aan de cliënt spant het college zich maximaal in om tot een oplossing te komen. 2.Indien het college en de andere gemeente of regio niet tot een oplossing komen, kan het college het geschil voorleggen aan de commissie geschillen landelijke toegankelijkheid. 3.In afwachting van het oordeel van de commissie geschillen landelijke toegankelijkheid blijft het college een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang bieden, dan wel op andere wijze voorzien in de behoefte van de cliënt aan opvang. 4.Het college volgt in het geschil het oordeel van de commissie geschillen landelijke toegankelijkheid. Artikel4.6Aanvraag 1.Een cliënt of zijn vertegenwoordiger kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.2, negende lid en 2.3.5 Wmo, schriftelijk indienen bij het college, middels een door het college vastgesteld format. 2.Een door de cliënt of zijn vertegenwoordiger ondertekende schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, als bedoeld in artikel 4.5 en 4.5a van deze Nadere Regeling kan, indien de cliënt dit wenst, worden beschouwd als een aanvraag. Artikel4.7Extern advies Het college vraagt om extern advies als het college dit in het belang van de beoordeling van het onderzoek of aanvraag acht. Paragraaf4.3Maatwerkvoorziening (grondslag artikel 4.3 en 7.1 Verordening SD) Artikel4.8Vormen van maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen 1.Het college biedt maatwerkvoorzieningen aan voor: het voeren van een gestructureerd huishouden, onder toepassing van de protocollen indicatiestelling huishoudelijke ondersteuning (bijlage 1.) en gebruikelijke hulp Eindhoven (bijlage 2.), met als resultaat een schoon en leefbaar huis, een hoger niveau van hygiëne of voorkoming van vervuiling, schone kleding, schoon bedden- en linnengoed, het kunnen beschikken over voldoende levensmiddelen en het kunnen nuttigen van (warme) maaltijden, het organiseren van huishoudelijke taken en kindverzorging. De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning is beschikbaar in natura en in pgb. het wonen in een geschikte woning, waaronder een hulpmiddel in het kader van wonen in natura, een pgb in te zetten voor een hulpmiddel in het kader van wonen, een pgb in te zetten voor een woningaanpassing, een pgb in te zetten voor de verhuiskosten naar een geschikte woning, een pgb in te zetten voor een tijdelijke huisvesting, een pgb in te zetten voor huurderving; het zich verplaatsen in en rond de woning, bestaande uit een rolstoelvoorziening in natura, een pgb in te zetten voor een rolstoelvoorziening, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, waaronder een collectieve vervoersvoorziening, een vervoermiddel in natura, een pgb in te zetten voor een vervoermiddel, een pgb in te zetten voor vervoerskosten, een pgb in te zetten voor de aanpassing van een in eigendom zijnde auto; het ontmoeten van medemensen en het aangaan van sociale verbanden, waaronder een maatwerkvoorziening in natura, een pgb in te zetten voor een maatwerkvoorziening, een pgb in te zetten voor boven regionaal gebruik, een pgb voor een sportvoorziening; ondersteuning bij zelfstandig leven, waaronder een maatwerkvoorziening in natura (middel of zwaar), indien nodig inclusief doventolk, dagbesteding in natura, logeren in natura, ADL een pgb in te zetten voor ondersteuning bij zelfstandig leven (middel, zwaar of extra), een pgb in te zetten voor dagbesteding, een pgb in te zetten voor logeren, een pgb in te zetten voor ondersteuning zelfstandig leven-ADL; ondersteuning bij zelfstandig wonen, waaronder beschermd wonen in natura ondersteuning wonen midden, inclusief wooncomponent in natura ondersteuning wonen midden, exclusief wooncomponent in natura ondersteuning wonen- licht ondersteuning wonen, ambulant, inclusief huisvesting ondersteuning zelfstandig leven plus in natura opvang in natura een pgb in te zetten voor beschermd wonen een pgb in te zetten voor ondersteuning wonen midden, inclusief wooncomponent, een pgb in te zetten voor ondersteuning wonen midden, exclusief wooncomponent , een pgb in te zetten voor ondersteuning wonen- licht een pgb in te zetten voor ondersteuning wonen, ambulant, inclusief huisvesting een pgb in te zetten voor ondersteuning zelfstandig leven plus een pgb in te zetten voor ondersteuning wonen midden, exclusief wooncomponent, in ouderinitiatief, een pgb in te zetten voor ondersteuning wonen plus, exclusief wooncomponent, in ouderinitiatief; ondersteuning bij maatschappelijke deelname en werk, waaronder dagbesteding (middel) in natura een pgb in zetten voor dagbesteding (middel)) mobiliteit, waaronder vervoer, zonder rolstoel, van en naar dagbesteding als bedoeld onder f en h vervoer, met rolstoel, van en naar dagbesteding als bedoeld onder f en h een pgb in te zetten voor vervoer van en naar dagbesteding als bedoeld onder i. en ii. 2.Het college biedt een hulp bij huishouden en basisdagbesteding aan als algemene voorziening. Artikel4.9Woningaanpassing 1.Een maatwerkvoorziening voor een woningaanpassing wordt slechts verstrekt indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. 2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling, mits de gemeente, waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft, verklaart dat haar niet bekend is dat ten behoeve van de cliënt reeds eerder een woning bezoekbaar is gemaakt. 3.De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat. 4.Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het middels een voorziening bewerkstelligen dat de cliënt de woonruimte zelf en enkele, van zijn persoonlijke situatie afhankelijk, essentiële ruimten daarin kan bereiken. 5.Een maatwerkvoorziening voor een gemeenschappelijke ruimte kan slechts bestaan uit het verbreden van toegangsdeuren, het aanbrengen van automatische deuropeners, hellingbanen, het aanleggen van drempelhulpen of vlonders, extra trapleuningen (bij een portiekwoning), een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het woongebouw. 6.Voor keuring, onderhoud en reparatie van een woonvoorziening wordt een pgb verstrekt voor de hieronder opgesomde woonvoorzieningen, indien deze bij een woningaanpassing zijn geplaatst: rolstoelliften sta-plateauliften woonhuisliften balansliften mechanische inrichting voor het in hoogte verstellen van een keukenblok, bad of wastafel elektromechanische openings-en sluitingsmechanismen van deuren toilet voorzien van onderspoel en toiletföhn. Paragraaf4.4Persoonsgebonden budget (pgb) (grondslag artikel 4.7, 4.7b t/m 4.7e en 7.1 Verordening SD) Artikel4.10Wijze vaststelling pgb-tarieven algemeen (geldig met ingang van 1 maart 2018) Vervallen met ingang van 1 juli 2018. Artikel4.10aPgb op basis van prijzen en tarieven maatwerkvoorzieningen in natura Voor de maatwerkvoorzieningen, die de gemeente in natura beschikbaar heeft en voor beschermd wonen in een kleinschalig wooninitiatief, wordt de hoogte van het pgb op basis van bijlage 3 bepaald. Artikel4.10bPgb bij meerdere zorgverleners Indien de cliënt voor de uitvoering van een maatwerkvoorziening gebruik maakt van meerdere zorgverleners dan wordt het pgb voor die maatwerkvoorziening berekend op basis van de verhouding van inzet naar categorie zorgverlener. Artikel4.10cBeschikbaarstelling pgb 1.Het pgb wordt pas ter beschikking gesteld aan de cliënt als het college de zorgovereenkomst conform het format van de SVB of de offerte of factuur heeft geaccepteerd en de hoogte en duur van het pgb heeft vastgesteld middels een beschikking. 2.Vanaf de datum van de beschikking, bedoeld in het vorige lid, wordt het pgb beschikbaar gesteld aan de cliënt voor de duur van de indicatie in het lopend kalenderjaar. Indien de indicatie het kalenderjaar overschrijdt, dan wordt de hoogte van het pgb uiterlijk op 1 november vastgesteld en in december beschikbaar gesteld voor het daaropvolgend kalenderjaar. Artikel4.11Pgb-tarieven zorgaanbieders, zelfstandige zonder personeel en sociaal netwerk Vervallen met ingang van 1 juli 2018. Artikel4.12Pgb voor hulpmiddelen (geldig met ingang van 1 maart 2018) Vervallen met ingang van 1 juli 2018. Artikel4.13Pgb huurderving en verhuiskosten 1.De hoogte van het pgb bij huurderving is gelijk aan de kale huur van de woonruimte, met een maximum van het per maand subsidiabele bedrag als bedoeld in artikel 13 eerste lid onderdeel a Wet op de Huurtoeslag. Het pgb wordt maximaal zes maanden verstrekt, waarbij de eerste maand voor eigen rekening is. 2.Het pgb voor verhuiskosten bedraagt: € 2.281,97 voor een cliënt, die naar een reeds aangepaste woonruimte verhuist en waarbij geen sprake is van een eerste verhuizing naar een zelfstandige woonruimte. € 3801,45 voor de inwoner die op verzoek van het college de woonruimte ontruimt ten behoeve van een cliënt. Artikel4.14Pgb vervoerskosten voor het zich lokaal verplaatsen 1.Het pgb vervoerskosten voor het zich lokaal verplaatsen bedraagt bij het gebruik van: een (eigen) auto/ vervoer derden €1.237,72 per jaar; een bruikleenauto € 797,73 per jaar; al dan niet aangepaste (niet-elektrische) gesloten buitenwagen, 50% van de vergoeding zoals opgenomen in het eerste lid onderdeel b; een taxi € 1.237,72 per jaar op basis van declaraties; een rolstoeltaxi € 1.857,11 per jaar op basis van declaraties; begeleiding bij openbaar vervoer € 638,09 per jaar; de kosten van en voor het aanbrengen van de voorziening in de eigen auto en, indien van toepassing, de keuringskosten van de Rijksdienst voor het Wegverkeer en onderhouds- en reparatiekosten. Voor de bepaling van het pgb is artikel 4.7b Verordening SD van toepassing. 2.In afwijking van het eerste lid bedraagt het pgb voor gebruikers van andere vervoersvoorzieningen zoals scootmobiel, aangepaste fietsen en elektrische buiten rolstoelen, ongeacht de snelheid, maximaal 75% van het gemaximeerde pgb als bedoeld in het eerste lid. 3.Een cliënt, die gebruik kan maken van andere vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, aangepaste fiets en elektrische buiten rolstoel, krijgt maximaal 850 kilometer per jaar in het collectief vraagafhankelijk vervoer. 4.In afwijking van het eerste lid krijgen partners met een gezamenlijke huishouding in totaal maximaal 150% van de normbedragen vergoed. 5.In afwijking van het eerste lid gelden voor kinderen tot 15 jaar de onderstaande vergoedingen: 0 tot 4 jaar geen vergoeding; 4 tot 12 jaar per jaar maximaal 25% van het normbedrag genoemd onder het eerste lid, onderdeel a tot en met f; 12 tot 15 jaar per jaar maximaal 50% van het normbedrag genoemd onder het eerste lid, onderdeel a tot en met f. 6.Het pgb vervoerskosten voor het zich lokaal verplaatsen wordt per kwartaal achteraf ter beschikking gesteld aan de cliënt. Artikel4.15Pgb voor vervoersvoorziening voor bovenregionaal gebruik 1.Cliënt kan voor een vervoersvoorziening, die verder reikt dan het lokaal vervoer, in aanmerking komen als het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door cliënt zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de cliënt noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen; 2.De bovenregionale vervoersbehoefte van cliënt wordt per kalenderjaar in kilometers bepaald. 3.Het pgb wordt per kwartaal achteraf ter beschikking gesteld aan cliënt Artikel4.16Pgb voor een sportvoorziening 1.Cliënt kan in aanmerking komen voor een pgb voor de aanschaf van een sportvoorziening, als sportbeoefening uitsluitend mogelijk is met een sporthulpmiddel. 2.De hoogte van het pgb, als bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan de werkelijke kosten van de sportvoorziening tot een maximum van € 6.601,64 welk bedrag bedoeld is als vergoeding voor de aanschaf-, onderhouds- en reparatiekosten, voor de duur van een periode van vijf jaar. 3.Het college legt in een programma van eisen vast aan welke voorwaarden de sportvoorziening moet voldoen. Artikel4.17Pgb-tarieven voor hulp bij het huishouden Vervallen met ingang van 1 juli 2018. Paragraaf4.5Algemene verplichtingen pgb (grondslag artikel 4.6 en 7.1 Verordening SD) Artikel4.19Algemene verplichtingen pgb Vervallen met ingang van 1 juli 2018. Paragraaf4.6Bijdrage in de kosten (grondslag artikel 4.9 Verordening SD) Artikel4.20Bijdrage in de kosten maatwerkvoorziening in natura of pgb 1.Een cliënt is per maand een bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb verschuldigd aan het college. 2.Voor de berekening van de hoogte van de bijdrage in de kosten wordt aangesloten bij de landelijke berekeningssystematiek van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 3.vervallen per 1 januari 2019. 4.vervallen per 1 januari 2019. 5.De bijdrage in de kosten voor collectief vraagafhankelijk vervoer is € 0,75 per zone tot 1 maart 2020. Vanaf 1 maart 2020 is de bijdrage in de kosten € 0,172 per kilometer plus een opstaptarief van € 0,98. 6.Bij een pgb wordt de bijdrage in de kosten niet ingehouden op het uit te keren pgb-bedrag. Dit betekent dat de cliënt, evenals bij maatwerkvoorzieningen in natura, geld moet reserveren om de bijdrage in de kosten te betalen. Paragraaf4.7Waardering mantelzorgers (grondslag artikel 4.8 Verordening SD) Artikel4.21Jaarlijkse erkenning en waardering mantelzorgers 1.Mantelzorgers komen voor de jaarlijkse blijk van erkenning en waardering in aanmerking, indien zij meer dan 8 uur per week en dan 3 maanden meer dan gebruikelijke zorg verlenen aan een familielid, een vriend of naaste die woonachtig is in de gemeente Eindhoven. 2.De jaarlijkse blijk van erkenning en waardering wordt uitgevoerd door een door het college aan te wijzen instelling en bestaat uit: mantelzorgkoffer, inhoudende informatie over aanbod voor mantelzorgers, mantelzorgpas en deelname aan de collectieve verzekering; gratis passe-partout om tegen een gereduceerd tarief te zwemmen of schaatsen in bepaalde Eindhovense sportcentra; ondersteuning naar behoefte. Paragraaf4.8Bijdrage in de kosten opvang (grondslag artikel 4.3, 4.9, 4.10 en 7.1 Verordening SD) Artikel4.22Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: Basisvoorziening maatschappelijke opvang: een 24-uurs voorziening voor de eerste opvang van een dakloze cliënt exclusief voeding, waarin gewerkt wordt aan stabilisatie en activering en het in samenspraak ontwerpen van een passend vervolgtraject op alle leefgebieden, met als doel uit te stromen naar een passend vervolgtraject. 24-uurs verblijf vrouwenopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, al of niet op een geheim adres, voor vrouwen met of zonder hun kinderen die gevlucht zijn voor huiselijk geweld of dreiging van relationeel geweld. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid en groepsbegeleiding op diverse leefgebieden. Gezinsopvang intramuraal: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer voor dakloze (eenouder)gezinnen met kinderen. De gezinsopvang intramuraa omvat onderdak, een slaapgelegenheid en individuele en groepsbegeleiding op het gebied van wonen, werken, financiën, opvoeding en ondersteunend netwerk. Gezinsopvang ambulant: een door een instelling aan een dakloos (eenouder) gezin met kinderen ter beschikking gestelde woonplek waarbij het gezin: i. zelfstandig woont of in een kleine gemeenschap woont; en ii. specialistische ondersteuning op maat krijgt op het gebied van wonen, financiën, werk/activering, opvoeding en een ondersteunend netwerk gerict op het duurzaam weer zelfstandig wnen en werken; en iii. nog geen regie heeft over een aantal aspecten van het wonen; en iv. een vergoeding voor gebruik van die woonruimte, op grond van een woonbegeleidingsovereenkomst, aan die instelling is verschuldigd en niet rechtstreeks aan een woningcorporatie of particuliere verhuurder. Maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang: een door een instelling aan een dakloze cliënt, die nog geen regie heeft over een aantal aspecten van het wonen, ter beschikking gestelde woonplek waarbij de cliënt: i. zelfstandig woont of in een kleine gemeenschap woont; en ii. specialistische ondersteuning op maat krijgt op het gebied van wonen, financiën, werk/activering, opvoeding en een ondersteunend netwerk gericht op het duurzaam weer zelfstandig wonen en werken; en iii. een vergoeding voor gebruik van die woonruimte, op grond van een woonbegeleidingsovereenkomst, aan die instelling is verschuldigd en niet rechtstreeks aan een woningcorporatie of particuliere verhuurder. Instelling: een rechtspersoon die subsidie van de gemeente Eindhoven ontvangt of is gecontracteerd voor het bieden van een vorm van opvang genoemd in dit artikel onder a tot en met e, bij het verlaten van de thuissituatie door de cliënt, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Artikel4.23Vaststelling hoogte en duur bijdrage in de kosten (grondslag artikel 4.9 Verordening SD) 1.De bijdrage in de kosten is verschuldigd vanaf de dag, waarop cliënt gebruik maakt van een vorm van opvang als bedoeld in artikel 4.22 van deze Nadere Regeling, tot aan de dag van vertrek of de dag dat cliënt woonlasten is verschuldigd vanwege het accepteren van een woning. 2.De bijdrage in de kosten bij gezinsopvang intramuraal, exclusief voeding, bedraagt de eerste 2 maanden van het verblijf, per maand: € 130,00 voor een alleenstaande ouder van 18 tot en met 20 jaar € 200,00 voor een alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder € 226,00 voor gehuwden (van 18 jaar en ouder) met ten laste komende kind(eren) 3.De bijdrage in de kosten bij gezinsopvang intramuraal, exclusief voeding, bedraagt vanaf de 3e maand van het verblijf, per maand: € 169,00 voor een alleenstaande ouder van 18 tot en met 20 jaar € 476,00 voor een alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder € 545,00 voor gehuwden (van 18 jaar en ouder) met ten laste komende kind(eren) 4.De bijdrage in de kosten bij 24-uurs verblijf vrouwenopvang, exclusief voeding, bedraagt voor de eerste 4 maanden van het verblijf, per maand: € 130,00 voor een alleenstaande van 18 tot en met 20 jaar € 130,00 voor een alleenstaande ouder van 18 tot en met 20 jaar € 2000,00 voor een alleenstaande van 21 jaar en ouder € 200,00 voor een alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder. 5.De bijdrage in de kosten bij 24-uurs verblijf vrouwenopvang, exclusief voeding, bedraagt vanaf de 5e maand per maand: € 169,00 voor een alleenstaande van 18 tot en met 20 jaar b. €169,00 voor een alleenstaande ouder van 18 tot en met 20 jaar c. € 476,00 voor een alleenstaande van 21 jaar en ouder d. € 476,00 voor een alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder. 6.De bijdrage in de kosten voor de basisvoorziening Maatschappelijke opvang bedraagt: a. € 5,00 per dag, indien de cliënt een uitkering levensonderhoud op grond van de Participatiewet ontvangt. b. € 5,00 per dag plus 15% van de gehuwdennorm als bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet. 7.In afwijking van het bepaalde in het zesde lid is geen bijdrage in de kosten verschuldigd door cliënten, die jonger zijn dan 21 jaar en een (netto) inkomen hebben dat lager is dan of gelijk aan de van toepassing zijnde norm als bedoeld in artikel 20 eerste lid van de Participatiewet. 8.De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang en voor gezinsopvang ambulant bedraagt: Indien cliënt zelfstandig woont: het huurbedrag dat de instelling ten behoeve van cliënt aan de woningcorporatie is verschuldigd en welk bedrag is vastgelegd in de woonbegeleidingsovereenkomst, Indien cliënt in een kleine gemeenschap woont: de vergoeding voor verblijf die cliënt is verschuldigd aan de instelling en welk bedrag is vastgelegd in de woonbegeleidingsovereenkomst. De totaal door de kleine gemeenschap verschuldigde vergoeding per maand komt overeen met het maandelijks door de instelling aan de woningcorporatie verschuldigde huurbedrag, inclusief een eventuele vergoeding voor zaken en diensten, die verband houden met de bewoning van de woning. Artikel4.24Inning en verrekening bijdrage in de kosten (grondslag artikel 4.9 Verordening SD) 1.Het college int de bijdrage in de kosten per maand. 2.Voor zover mogelijk verrekent het college de verschuldigde bijdrage in de kosten met nog uit te keren (periodieke) betaling(
  9. en)op grond van de Participatiewet en/of nog uit te keren (periodieke) betaling(en)op grond van de Wmo. Artikel4.25Onvoorziene situaties In gevallen waarin deze paragraaf niet voorziet, wordt de hoogte van de bijdrage in de kosten afgestemd op de individuele omstandigheden van de cliënt. Hoofdstuk5.Leerlingenvervoer Artikel 1 Bij aanvraag in te dienen gegevens (grondslag 5.2 Verordening SD) Bij een aanvraag voor leerlingenvervoer dienen in aanvulling op de gegevens van de leerling en de aanvragende ouder/verzorgen ieder geval de volgende gegevens verstrekt te worden: naam, locatie, soort onderwijs huidige school; afstand woning en dichtstbijzijnde toegankelijke school; schooltijden; gegevens van vervoer, in ieder geval zijnde het soort vervoer; vervoersadvies van de school; indien van toepassing, naam en locatie buitenschoolse opvang; indien van toepassing, naam en locatie van stageadres. Ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling die aanspraak willen maken op aangepast vervoer dienen bij de aanvraag een verklaring mee te zenden waarin wordt onderbouwd waarom voor de leerling aangepast vervoer noodzakelijk is. Het college kan verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. Dit kunnen zijn: medische verklaring; werkgeversverklaring. Artikel 2 Berekenen afstand (grondslag 5.5, 5.6 en 5.12 Verordening SD) Voor het bepalen van de afstand tussen het woonadres en het schooladres of het stageadres maakt het college gebruik van de Routenet routeplanner op www.routenet.nl optie kortste route. Artikel 3 Vaststellen reistijd en kosten van openbaar vervoer (grondslag 5.14 en 5:15 Verordening SD) Voor het bepalen van de reisduur en kosten per openbaar vervoer maakt het college gebruik van OV Reisinformatie (www.9292.nl). Indien kortingen of voordeelabonnementen van toepassing zijn, geldt het meest voordelige reisproduct als uitgangspunt. Artikel 3 kilometervergoeding voor de fiets (grondslag 5.14 en 5.16 Verordening SD) De vergoeding voor de fiets is € 0,09 per kilometer. Artikel 4 Declaratie kosten (grondslag 5.14, 5.16 en 5.17 Verordening SD) Uitbetaling van de vergoeding voor het leerlingenvervoer vindt uitsluitend plaats bij inlevering van het originele vervoersbewijs na afloop van de abonnementsperiode of per kwartaal na inlevering van de betaalbewijzen. Het betreft kosten voor openbaar vervoer of de kosten zoals deze toegekend zijn via de beschikking, eigen vervoer of fietsvergoeding. Artikel 5 Adviezen van deskundigen (grondslag 5.7 en 5.13 Verordening SD) Vervoersadviezen mogen op het moment van indienen niet ouder zijn dan 6 maanden. Artikel 6 Ontzegging van toegang tot het aangepast vervoer (grondslag 5.4 Verordening SD) Het college kan een leerling aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is verstrekt, tijdelijk, voor de rest of een deel van het schooljaar definitief de toegang tot dit vervoer ontzeggen, indien bij herhaling is gebleken dat de leerling door verwijtbaar gedrag de orde in de bus verstoort of de veiligheid van de bus en inzittende in gevaar brengt. Het college hanteert daarbij de volgende procedure: Na melding van de klacht bij het college wordt een onderzoek gestart door het college. Daarbij wordt gesproken met het vervoersbedrijf, de chauffeur, de ouders en de school. Blijkt er sprake te zijn van verwijtbaar gedrag dan stuurt het college een waarschuwingsbrief aan de ouders. Het vervoersbedrijf ontvangt hiervan een kopie. Bij een volgende klacht wordt het onderzoek onder a. herhaald en volgt een tweede waarschuwingsbrief door het college aan de ouders. Het vervoersbedrijf ontvangt hiervan een kopie. Na de tweede waarschuwingsbrief volgt een schorsing van de leerling uit het vervoer van één of enkele dagen. Bij een volgende gegronde klacht binnen hetzelfde schooljaar is het college gerechtigd de leerling tijdelijk, tot het einde van het schooljaar of definitief uit het vervoer te verwijderen. De ouders worden hiervan gemotiveerd schriftelijk in kennis gesteld en kunnen tegen dit besluit bezwaar maken. Het college gaat na de ontzegging van de toegang tot het vervoer in gesprek met ouders om tot een passende vervoersoplossing te komen voor de leerling. Artikel 7 Terugvordering van ten onrechte genoten bekostiging (grondslag 5.4 Verordening SD) Ten onrechte ontvangen tegemoetkomingen voor leerlingenvervoer worden door het college teruggevorderd. Indien hiertoe een dringende reden aanwezig is wordt geheel of gedeeltelijk afgezien van terugvordering. Van terugvordering wordt afgezien indien het totaal terug te vorderen bedrag lager is dan € 150,- per schooljaar. Hoofdstuk6.Debiteurenbeleid Paragraaf6.1Algemeen Artikel6.1Algemeen Dit hoofdstuk is van toepassing bij verhaal en terugvordering van bijstandsuitkeringen, terugvordering van maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo en terugvordering van individuele voorzieningen op grond van de Jeugdwet. Paragraaf6.2Herziening, intrekking en terugvordering Artikel6.2Herziening en intrekking Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot herziening/ intrekking van een besluit als bedoeld in de artikelen 53a, zevende lid, 54, derde lid laatste volzin en vierde lid Participatiewet, 17, derde lid laatste volzin en vierde lid Ioaw/Ioaz, 2.3.10 Wmo, 8.1.4 Jeugdwet, 2.7 en 4.14 Verordening SD Eindhoven. Artikel6.3Terugvordering 1.Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering van de kosten van bijstand, uitkering, maatwerkvoorziening of individuele voorziening in situaties als beschreven in de artikelen 58, tweede lid Participatiewet, 25, tweede en derde lid Ioaw/Ioaz, 2.7 Verordening SD Eindhoven en 2.4.1 Wmo. 2.Onder kosten van bijstand of uitkering wordt verstaan: respectievelijk de door de gemeente betaalde loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen waarvoor het college dat de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964, onderscheidenlijk de Wet financiering sociale verzekeringen, inhoudingsplichtige is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premie volksverzekeringen. 3.In bijzondere situaties kan worden afgezien van de verhoging van de vordering met de door de gemeente betaalde loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen, als bedoeld in het tweede lid. Artikel6.4Terugvordering van gezinsleden/echtgenoten (partners) Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 59 Participatiewet en 26 Ioaw/Ioaz. Paragraaf6.3Kwijtschelding bij terugvordering Artikel6.5Afzien van terug-/invordering wegens dringende reden Indien hiertoe een dringende reden aanwezig is wordt geheel of gedeeltelijk afgezien van terugvordering of invordering. Artikel6.6Afzien van terugvordering wegens kruimelbedrag Van het nemen van een terugvorderingsbesluit wordt afgezien indien het totaal terug te vorderen bedrag lager is dan € 150,- en het terug te vorderen bedrag niet het gevolg is van schending van de inlichtingenplicht. Artikel6.7Medewerking aan een schuldregeling 1.Op verzoek van de debiteur kan medewerking worden verleend aan een schuldregeling, waaronder ook wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk kwijtschelden van een vordering van teruggevorderde bijstand, inkomensvoorziening, uitkering, maatwerkvoorziening en individuele voorziening indien: de vordering niet is ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht of de vordering is ouder dan vijf jaar en redelijkerwijs te voorzien is dat degene van wie wordt teruggevorderd niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen en de vordering van de gemeente tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. 2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor een vordering, ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, mits deze ontstaan is vóór 1 januari 2013. 3.Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van invordering treedt niet in werking voordat een schuldregeling, als bedoeld onder het eerste lid tot stand is gekomen. 4.Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van invordering wordt ingetrokken of ten nadele van de debiteur gewijzigd indien: niet binnen twaalf maanden, nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen zoals bedoeld onder het eerste lid of de debiteur zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet of onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid of niet wordt voldaan aan de voorwaarden die aan het afzien van verdere invordering worden verbonden. 5.Afzien van invordering als bedoeld onder het eerste en tweede lid is niet mogelijk ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt of geldleningen bij eigen woning als bedoeld in artikel 50 Participatiewet, behoudens voor zover die niet op dat goed of die goederen verhaald kunnen worden. Artikel6.8kwijtschelding niet-verwijtbare vordering na verloop van drie jaar 1.Ten aanzien van vorderingen welke niet zijn ontstaan als gevolg van schending van een inlichtingenplicht kan op aanvraag van de debiteur sprake zijn van kwijtschelding indien de debiteur: gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan (dan wel in totaal 36 maanden / termijnen heeft betaald), waarbij zijn gemiddelde inkomen in die periode de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan of overeenkomstig de vastgestelde draagkracht was; of gedurende drie jaar jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover eventueel verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; of gedurende drie jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost. 2.De kwijtschelding als bedoeld in het eerst lid vindt enkel plaats indien sprake is van een door het college en debiteur overeengekomen plan van aanpak met betrekking tot de gehele schuldsituatie en mogelijke andere leefgebieden, zoals participatie waaraan de debiteur medewerking verleent. 3.Afzien van verdere invordering als bedoeld in het eerste lid vindt niet plaats ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt of geldleningen bij eigen woning als bedoeld in artikel 50 Participatiewet, behoudens voor zover die niet op dat goed of die goederen verhaald kunnen worden. Artikel6.9Kwijtschelding verwijtbare vordering na verloop van tien jaar Ten aanzien van vorderingen welke zijn ontstaan als gevolg van schending van een inlichtingenplicht is het bepaalde in artikel 6.8 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een termijn van: vijf jaar wordt gehanteerd in plaats drie jaar voor vorderingen ontstaan vóór 1 januari 2013; tien jaar wordt gehanteerd in plaats van drie jaar voor vorderingen ontstaan na 31 december 2012. Paragraaf6.4Verhaal Artikel6.10Verhaal kosten van bijstand en lijkbezorging 1.Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot verhaal van de kosten als bedoeld in de artikelen 61 tot en met 62i Participatiewet en artikel 22 Wet op de lijkbezorging. 2.Voor de berekening van de verhaalsbijdrage gelden de richtlijnen en normen opgenomen in het Tijdschrift voor de Rechterlijke Macht als leidraad. 3.Van het bepaalde in het tweede lid kan worden afgeweken, indien toepassing daarvan onredelijk en/of onbillijk is voor de onderhoudsplichtige. Artikel6.11Indexering verhaalsbijdrage De vastgestelde verhaalsbijdrage wordt jaarlijks met ingang van 1 januari geïndexeerd met het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarmee bedragen voor levensonderhoud worden verhoogd. Als maximum geldt de maximaal verstrekte bruto kosten van bijstand van de maand, waarover de verhaalsbijdrage is verschuldigd. Artikel6.12Afzien opleggen of wijzigen verhaalsbijdrage bij kruimelbedrag 1.Indien de berekende verhaalsbijdrage lager is dan € 50,- per maand wordt afgezien van het opleggen van een verhaalsbijdrage. 2.Indien bij een heronderzoek een verhaalsbijdrage is berekend die minder dan € 50,- per maand ten nadele van de onderhoudsplichtige afwijkt wordt afgezien van het wijzigen van de reeds opgelegde verhaalsbijdrage. Artikel6.13Afzien van verhaal bij dringende reden Indien, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, een dringende reden aanwezig is wordt afgezien van het opleggen van een verhaalsbijdrage. Artikel6.14Afzien van verhaal bij schuldenproblematiek Artikel 6.7, eerste lid aanhef onder b, c en d, tweede, derde en vierde lid is van overeenkomstige toepassing op verhaal van kosten van bijstand, voor zover het betreft verschuldigde verhaalsbedragen, die op het moment van het besluit opeisbaar zijn. Artikel6.15Afzien van verhaal Er wordt afgezien van verhaal op de onderhoudsplichtige indien de onderhoudsplicht reeds is beëindigd en de verhaalsbijdrage over het te verhalen tijdvak niet meer bedraagt dan € 600,- of als de lopende verhaalsbijdrage naar schatting over het gehele tijdvak lager is dan € 600,-. Artikel6.16Kwijtschelding achterstallige verhaalsbijdrage na einde onderhoudsplicht Bij een achterstallige verhaalsbijdrage wordt afgezien van verdere invordering indien de onderhoudsplicht is beëindigd en de debiteur na einde onderhoudsplicht: gedurende 3 jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan (dan wel in totaal 36 maanden / termijnen heeft betaald), waarbij het gemiddelde inkomen van de debiteur in die periode de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtvordering niet te boven is gegaan of overeenkomstig de vastgestelde draagkracht was; of gedurende 3 jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost. Paragraaf6.5Invordering Artikel6.17Verrekening vordering Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot verrekening als bedoeld in de artikelen 58, vierde lid, 60, derde en zesde lid onder a, 60a, vierde lid Participatiewet, 25, vierde lid, 28, derde, zesde onder a, zevende lid en 29, tweede lid Ioaw/Ioaz en 4.15 Verordening SD Eindhoven. Artikel6.18Vaststelling aflossingsbedrag bij niet-actieve debiteur 1.De openstaande vordering dient binnen 6 weken na dagtekening van het besluit tot terugvordering of invordering ineens terugbetaald te worden. 2.Indien betaling ineens binnen 6 weken niet mogelijk is, dan treffen burgemeester en wethouders met de debiteur een zodanige betalingsregeling dat de vordering volledig en binnen een redelijke termijn wordt terugbetaald. 3.Indien een betalingsregeling, als bedoeld in het vorige lid, niet tot stand komt of kan komen, dan vindt een draagkrachtonderzoek plaats. Voor de bepaling van de afloscapaciteit wordt, in elk geval, de beslagvrije voet, als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in acht genomen. Artikel6.18aMaatwerk bij invordering ten aanzien van vorderingen waarbij geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht 1.Indien de debiteur een bijstandsuitkering van de gemeente Eindhoven heeft en als gevolg van arbeidsinschakeling bijstandsonafhankelijk wordt, kan het college de hoogte van de beslagvrije voet verhogen met 50% van het netto inkomen uit arbeid voor zover dit inkomen hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm. Deze verhoging kan nooit meer bedragen dan 50% van het bedrag waarmee de bijstandsnorm wordt overschreden. 2.Het college kan de invordering opschorten gedurende de periode waarin de debiteur naar vermogen, succesvol meewerkt aan een individueel, vastgesteld trajectplan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en economische zelfstandigheid. 3.Bij het niet of onvoldoende meewerken aan een individueel trajectplan als bedoeld in het tweede lid wordt de invordering hervat en worden de termijnen die gedurende het traject zijn verstreken niet meegeteld voor de aflossingsduur voor mogelijke kwijtscheldingen. 4.Bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichtingen en het als gevolg daarvan opleggen van een maatregel wordt de termijn bedoeld in artikel 6.8 verlengd naar vijf jaar. 5.De leden 1 tot en met 4 gelden voor zover sprake is van terugvordering die niet het gevolg is van schending van de inlichtingenplicht. Artikel6.19Beslaglegging Indien de debiteur niet bereid is een minnelijke betalingsregeling te treffen of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt en/of verrekening niet mogelijk is, dan wordt het terugvorderingbesluit c.q. dwangbevel ten uitvoer gelegd, door middel van vereenvoudigd derdenbeslag of ter executie overgedragen aan een incassobureau/gerechtsdeurwaarder. Paragraaf6.6Invorderingskosten en rente Artikel6.20Aanmaning en vergoeding Voor de aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Algemene wet bestuursrecht wordt geen vergoeding in rekening gebracht bij de debiteur. Artikel6.21Dwangbevel en dwangbevelkosten 1.Indien de debiteur de vordering niet binnen de aanmaningstermijn (volledig) heeft betaald dan wel een betalingsregeling heeft getroffen, wordt, voor zover dit wettelijk mogelijk is, een dwangbevel uitgebracht. 2.Het dwangbevel wordt, voor zover dit wettelijk mogelijk is, per post verstuurd. 3.De kosten van het dwangbevel worden in rekening gebracht bij de debiteur. Artikel6.22Rente en incasso-/deurwaarderskosten 1.Burgemeester en wethouders brengen bij verzuim van betaling geen wettelijke rente, als bedoeld in afdeling 4.4.2 van de Algemene wet bestuursrecht, in rekening bij de debiteur. 2.Wordt de vordering ter incasso overgedragen aan een incassobureau/ gerechtsdeurwaarder dan worden de daarmee gemoeide kosten en rente doorberekend aan de debiteur. Paragraaf6.7Debiteurenonderzoeken Artikel6.23Onderzoeksfrequentie Debiteurenonderzoeken worden uitgevoerd op basis van maatwerk, waarbij het te verwachten rendement centraal staat. Hiertoe zijn de volgende richtinggevende profielen benoemd: Categorie Debiteur Onderzoeksfrequentie 1. Debiteuren met een aflossingsverplichting en waarbij door deze aflossingsverplichting de schuld niet binnen 36 maanden wordt afgelost. Plannen zodra duidelijk is dat andere aflossingsverplichting eindigt of het inkomen wijzigt. 2. Debiteuren met een uitgestelde afbetalingsverplichting (tenzij sprake is van werkaanvaarding). Plannen zodra duidelijk is dat andere aflossingsverplichting eindigt of het inkomen wijzigt. 3. Debiteuren die niet aan de vastgestelde aflossingsverplichting voldoen. Direct nadat is vastgesteld dat niet aan de betalingsverplichting wordt voldaan. 4. Debiteuren met onbekend adres of in het buitenland verblijvend. Ad hoc. Indien mogelijk registratie paspoortsignalering. 5. Debiteuren die uitstromen. Tijdens het beëindigingsonderzoek. 6. Verhaalsdebiteuren Bij wijziging inkomen en bij einde onderhoudsplicht. Paragraaf6.8Overgangsregeling Artikel6.24Overgangsregeling 1.Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 december 2015, onder intrekking van het debiteurenbeleid 2011, Gemeenteblad 2011, nr 59. 2.Ten aanzien van een debiteur die op 1 december 2015 een aflossingsverplichting heeft lopen en nakomt, blijven de oude beleidsregels tot 1 juni 2016 van toepassing, tenzij op basis van dit nieuw beleid een voordeel voor hem optreedt ten opzichte van het oude beleid. In dat geval komt de debiteur bij het eerstvolgende heronderzoek in aanmerking voor toepassing van deze nieuwe beleidsregels. Hoofdstuk7.Cliëntenparticipatie/Inspraak en medezeggenschap (grondslag artikel 6.1 Verordening SD) Artikel7.1Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: Cliëntenraad sociaal domein (CRSD): een vaste kern van cliënten Wmo, Jeugdwet, Participatiewet en/of hun wettelijke vertegenwoordigers en een onafhankelijke voorzitter die een continu en zorgvuldige cliënteninbreng borgt bij de beleidsvoorbereiding, -bepaling, -uitvoering, -evaluatie en bij de inkoop Sociaal Domein; Co- creatie: een voor de voorbereiding van beleidsvoorstellen, uitvoeringsplannen, inkoop, evaluaties van beleid en verordeningen samengestelde flexibele werkgroep waaraan, afhankelijk van het onderwerp of beleidsthema, verschillende cliënten en de bij het beleidsvoorstel, verordening of nadere regeling betrokken ambtena(a)r(
  10. en)deelnemen. Artikel7.2Samenstelling CRSD 1.De CRSD bestaat uit minimaal 12 en maximaal 15 leden en een onafhankelijke voorzitter, die ingezetene zijn van de gemeente Eindhoven. 80% is cliënt of wettelijk vertegenwoordiger van een cliënt, 20% kan een belangenbehartiger of andere vertegenwoordiger zijn. 2.De CRSD is een representatieve afspiegeling van de cliënten van de beleidsterreinen in het Sociaal Domein 3.Het college benoemt de leden van de CRSD en de onafhankelijke voorzitter, op voordracht van de zittende leden. Artikel7.3Facilitering 1.Het college draagt zorg voor adequate ondersteuning van de CRSD. De ondersteuning bestaat uit het voeren van het secretariaat en beleidsmatige ondersteuning. 2.Het college stelt vergaderaccommodatie beschikbaar voor alle werkzaamheden van de CRSD. 3.Het college wijst een coördinerend wethouder aan voor cliëntenparticipatie. Artikel7.4Werkbudget 1.Het college stelt jaarlijks, in overleg met de CRSD, een werkbudget en een reële vergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk voor de CRSD beschikbaar. Uitgangspunt bij de vergoeding zijn de regels van de Belastingdienst ten aanzien van vrijwilligersvergoedingen. 2.Het werkbudget is bestemd voor de kosten van: de gezamenlijke en eventuele individuele scholing van leden van de CRSD. de inhuur van externe deskundigheid. deelname aan (landelijke) themabijeenkomsten, conferenties, seminars en congressen werkbezoeken jaarlijkse jaarafsluiting representatiekosten communicatiekosten mogelijkheid om zelf onderzoek te (laten)doen 3.De inzet binnen en voor de CRSD kan worden erkend als een voorziening richting arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 7, eerste lid onderdeel a Participatiewet. 4.De kosten van co-creatie vallen niet onder het werkbudget. Artikel7.5Huishoudelijk reglement De CRSD legt in een huishoudelijk reglement, in elk geval, vast: de zittingsduur van haar leden; de vergaderfrequentie. Artikel7.6Inkoop sociaal domein Het college betrekt tijdig de CRSD bij de opdrachtformulering en evaluatie van (maatwerk)voorzieningen Wmo, Jeugdwet, Participatiewet en overige op het Sociaal Domein betrekking hebbende (maatwerk)voorzieningen. Artikel7.7Advies 1.De CRSD geeft gevraagd en ongevraagd advies aan het college en de gemeenteraad. 2.Het college vraagt de CRSD actief om advies wanneer in het Sociaal Domein: nieuw of aangepast beleid wordt voorbereid of ontwikkeld; beleid wordt bepaald; beleid of uitvoering wordt geëvalueerd; beslist moet worden over veranderingen in de beleidsuitvoering; inkoop sociaal domein. 3.In overleg met de CRSD bepaalt het college periodiek welke thema’s via co-creatie uitgewerkt dienen te worden en de dossiers die ter advisering aangeboden worden aan de CRSD. 4.Bij de planning van de ontwikkeling van dossiers wordt rekening gehouden met de tijd die co-creatie en de advisering door de CRSD vraagt. Wanneer hier niet aan kan worden voldaan brengt het college het betreffende dossier pas na ontvangst van een schriftelijk advies van de CRSD, in routing. 5.Het college vraagt op een zodanig tijdstip schriftelijk advies, dat het uitgebrachte advies van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit 6.Het college geeft, binnen een termijn van 4 weken, een schriftelijke, onderbouwde reactie op het advies als bedoeld in het eerste lid. 7.In- en uitgaande bescheiden betrekking hebbend op gevraagde en/of ongevraagde adviezen aan het college gaan via het secretariaat ten behoeve van de CRSD: secretariaat_CRSD@eindhoven.nl met een ‘CC’ aan de ambtelijk vertegenwoordiger. 8.In-en uitgaande bescheiden betrekkend op gevraagde en/of ongevraagde adviezen aan de gemeenteraad gaan via de griffie: griffie@eindhoven.nl.. Artikel7.8Verslaglegging 1.De CRSD biedt jaarlijks, in februari, met ambtelijke ondersteuning een verslag aan het college waarin, in ieder geval, aandacht wordt besteed aan: het verloop van het co-creatie proces en eventuele aanbevelingen om dit proces te verbeteren; de interne werkwijze van de CRSD, de aangebrachte of te brengen verbeteringen en eventuele aanbevelingen om de CRSD daarbij te faciliteren adviesfunctie van de CRSD en eventuele aanbevelingen om de werkwijze te verbeteren; de samenwerking met de ambtelijke organisatie en aanbevelingen voor een optimalere samenwerking. 2.Indien de CRSD aanleiding ziet voor tussentijds overleg met de door het college aangewezen wethouder of de ambtelijke organisatie, dan zal de ambtelijk vertegenwoordiger de betrokken(
  11. en)hiertoe uitnodigen en, in overleg met betrokken(en), het overleg organiseren. Hoofdstuk8.Slotbepalingen Artikel8.1Onvoorziene omstandigheden In gevallen waarin deze Nadere Regeling niet voorziet, beslist het college. Artikel8.2Inwerkingtreding en overgangsbepaling Deze Nadere Regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015, onder intrekking van: Besluit individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eindhoven

(2014), gemeenteblad 2014, nr 5; Nadere Regeling eigen bijdrage maatschappelijke opvang en vrouwenopvang gemeente Eindhoven 2014, gemeenteblad 2014, nr 55; Artikel8.3Citeertitel Deze Nadere Regeling kan worden aangehaald als ‘’Nadere Regeling SD Eindhoven’’. I. Basisuren schoon en leefbaar huis” Met de inzet van basisuren beschikt de cliënt over een schoon en leefbaar huis. Het huis dient zodanig schoon te zijn dat het niet vervuilt en zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon wordt gerealiseerd. De ondersteuning bestaat uit het leveren van schoonmaakactiviteiten, dus niet opruimen, binnenshuis. Alleen de frequent (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik zijnde kamers worden schoongemaakt. Hieronder valt in ieder geval een woonkamer, slaapvertrekken die dagelijks als zodanig in gebruik zijn, de keuken, sanitaire ruimten (maximaal 1 badkamer en maximaal twee toiletten), gang, en eventueel trap en overloop. Het gaat om de “binnenkant” van het huis inclusief de ramen. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen hier niet onder. Het begrip ‘leefbaar’ staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. De woning dient zodanig schoon te zijn dat het niet vervuilt. Het gaat om een basisniveau van schoon houden. Wat minimaal nodig is wordt gedaan. Dit kan heel praktisch betekenen dat de aanpak niet helemaal voldoet aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van cliënten. De inzet moet in ieder geval in voldoende mate aansluiten bij de persoonlijke situatie van de cliënt. De cliënt krijgt standaard de beschikking over 106,6 uren ondersteuning per jaar (123 minuten per week) om het huis schoon en leefbaar te houden. De cliënt maakt afspraken met de aanbieder over de invulling van deze uren. De basisuren bevatten de basisactiviteiten en incidentele activiteiten. Bij basisuren wordt niet gecorrigeerd voor huishoudens waar minder inzet nodig is. Cliënten waarbij met minder uur ook een schoon en leefbaar huis bereikt kan worden, bijvoorbeeld omdat ze zelf nog enkele taken kunnen oppakken, krijgen nu ‘extra’ uren. Incidentele activiteiten Naast de activiteiten die frequent worden uitgevoerd, zijn er ook zogenaamde incidentele activiteiten te benoemen: activiteiten die niet behoren tot de gangbare standaard activiteiten en zich (ook) kenmerken door een bepaalde mate van uitstelbaarheid. Denk aan het wassen van de vitrage, poetsen van deuren, hoog stoffen, binnenzijde kledingkasten, e.d. Deze activiteiten dragen bij aan het behalen van het resultaat een schoon en leefbaar huis. De tijd die nodig is voor het verrichten van deze activiteiten is dan ook inbegrepen in de hiervoor genoemde basisuren. Indirecte tijd De tijd die huishoudelijke hulpen besteden aan ondersteuning van de cliënt is korter dan de totale tijd die hulpen in de woning van de cliënt aanwezig zijn. Het verschil is indirecte tijd, die hulpen besteden aan aankomst en vertrek, administratie ten behoeve van de huishoudelijke hulp en sociaal contact met de cliënt. Hoewel dit geen directe schoonmaaktijd betreft, is deze wel onderdeel van de totale benodigde tijd omdat huishoudelijke hulpen deze tijd nodig hebben om hun werk te kunnen doen en omdat cliënten de opstart, afstemming met de hulp en het sociaal contact ook belangrijk vinden. De indirecte tijd is dan ook inbegrepen in de hiervoor genoemde basisuren. Resultaat (cluster) Activiteit Frequentie en richttijd (maximaal) Een schoon en leefbaar huis Woonkamer Slaapkamer Keuken Sanitair Hal Basisactiviteiten: stof afnemen midden stof afnemen laag (inclusief plinten) stofzuigen dweilen Incidentele activiteiten: stof afnemen hoog (inclusief bovenop kasten) gordijnen wassen reinigen lamellen / luxaflex ramen binnenzijde deuren/deurposten nat afdoen (de hele deur en deurpost nat afnemen) meubels afnemen (droog/nat, niet alleen de horizontale vlakken maar ook voor-en zijkant, of bijv. leren bank afnemen) radiatoren afnemen Basisactiviteiten: stof afnemen midden stof afnemen laag (inclusief plinten) stofzuigen dweilen bed verschonen Incidentele taken stof afnemen hoog (inclusief bovenop kasten) gordijnen wassen reinigen lamellen / luxaflex ramen binnenzijde deuren/deurposten nat afdoen (de hele deur en deurpost nat afnemen) meubels afnemen (droog/nat, niet alleen de horizontale vlakken maar ook voor-en zijkant, of bijv. leren bank afnemen) radiatoren afnemen Incidentele activiteiten: stof afnemen hoog (inclusief bovenop kasten) gordijnen wassen reinigen lamellen / luxaflex ramen binnenzijde deuren/deurposten nat afdoen (de hele deur en deurpost nat afnemen) meubels afnemen (droog/nat, niet alleen de horizontale vlakken maar ook voor-en zijkant, of bijv. leren bank afnemen) radiatoren afnemen Basisactiviteiten: dweilen keukenblok (buitenzijde) inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventuele tafel, plinten keukenapparatuur los (buitenzijde) prullenbak legen en afval wegbrengen Incidentele activiteiten: gordijnen wassen reinigen lamellen / luxaflex ramen binnenzijde deuren/deurposten nat afdoen (de hele deur en deurpost nat afnemen) Basisactiviteiten: badkamer schoonmaken (sanitaire elementen, vloer, en prullenbak legen, inclusief stofzuigen en dweilen) toilet schoonmaken (inclusief tegels) Incidentele activiteiten: deuren/deurposten nat afdoen (de hele deur en deurpost nat afnemen) radiatoren afnemen tegelwand badkamer afnemen gordijnen wassen ramen binnenzijde reinigen lamellen / luxaflex Basisactiviteiten: stof afnemen midden stof afnemen laag (inclusief plinten) stofzuigen dweilen trap reinigen (droog/nat afnemen of stofzuigen) Incidentele activiteiten: stof afnemen hoog (inclusief bovenop kasten) deuren/deurposten nat afdoen (de hele deur en deurpost nat afnemen radiatoren afnemen In totaal 123 minuten per week/106,6 uren per jaar. Beïnvloedende factor Meerpersoonshuishouden 13% meer directe tijd= 13,1 minuten per week/11,4 uur per jaar. II. Aanvullende uren op maat Er kunnen bepaalde factoren met betrekking tot het huis of het huishouden ervoor zorgen dat in individuele gevallen juist meer tijd nodig is. Een aantal van deze factoren zijn persoonlijke keuzes van de cliënt en hoeven niet automatisch te leiden tot extra tijd. De gevolgen hiervan op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen daarvoor behoort, in de eerste plaats, tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de noodzaak van het hebben van huisdieren of de aanwezigheid van veel (kleine) spullen in de woning (zoals pluche knuffels en beeldjes). We onderscheiden de volgende clusters van aanvullende uren op maat: een hoger niveau van hygiëne of voorkoming van vervuiling schone kleding en schoon bedden- en linnengoed voldoende levensmiddelen en het kunnen nuttigen van (warme) maaltijden organisatie van huishoudelijke taken kindverzorging De norm in deze clusters is een richttijd, de afweging wordt individueel gemaakt en dient altijd onderbouwd te worden. De aanwezigheid van meerdere beperkingen leidt niet automatisch tot cumulatie van minuten/uren. 1.Cluster een hoger niveau van hygiëne of voorkoming van vervuiling Deze aanvullende uren kunnen ingezet worden als betrokkene vanwege geobjectiveerde medische/fysieke belemmeringen onvoldoende resultaat kan bereiken met het slim inzetten van de basisuren die beschikbaar zijn voor het realiseren van een schoon en leefbaar huis. Aanleiding voor de inzet van deze aanvullende uren kan zijn de ernstige medische/fysieke beperkingen. De extra noodzakelijke schoonmaak dient dus een medische/fysieke oorzaak te hebben, welke aantoonbaar is. Door middel van een zorgvuldig onderzoek wordt bekeken of de medische/fysieke beperking van de cliënt leidt tot de noodzaak voor het realiseren van een hoger niveau van hygiëne of een intensievere ondersteuning bij het schoonmaken ter voorkoming van vervuiling. Ook wordt bekeken of er andere noodzakelijke factoren zijn die buiten de beïnvloedingsfeer van de aanvragen liggen en meegewogen moeten worden. Er wordt eerst onderzocht of cliënt via de eigen mogelijkheden, het eigen netwerk en de eigen kracht in combinatie met de basisuren in staat is (een deel van) het noodzakelijke hoger niveau van hygiëne of om vervuiling te voorkomen. Een voorwaarde voor toekenning van extra uren bij COPD is dat sprake is van het stadium gold 3 of 4 én dat de cliënt een volledige woningsanering heeft laten uitvoeren. Vaatwasser en wasdroger Vaatwasser en wasdroger zijn algemeen gebruikelijk (in de reguliere handel, tweedehands voor een schappelijk bedrag aan te schaffen). Bij de beoordeling van de vraag of de voorziening algemeen gebruikelijk is, moet altijd onderzocht worden of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is in het individuele geval (bijvoorbeeld vanwege andere kosten die de cliënt maakt). De benodigde tijd is gebaseerd op de aanwezigheid van een vaatwasser en droger maar kan door de cliënt ook worden ingezet voor handmatig drogen of afwassen. Mocht de cliënt niet uitkomen met deze tijd en een vaatwasser en/of wasdroger in dit individuele geval niet algemeen gebruikelijk zijn, dan is er de mogelijkheid om extra tijd te beschikken. Resultaat (cluster) Activiteit Frequentie en richttijd (maximaal) Een hoger niveau van hygiëne of voorkoming van vervuiling Extra lichte taken en zware taken noodzakelijk als gevolg van: medisch geobjectiveerde allergieën voor huisstofmijt/ ernstige klachten t.g.v. COPD, klasse gold 3 of 4 ; hogere vervuilingsgraad door gebruik noodzakelijke hulpmiddelen; extra schoonmaak i.v.m. incontinentie, speekselverlies, spugen; extra schoonmaak i.v.m. ernstige beperkingen in gebruik van armen en handen. In totaal 30 minuten per week/ 26 uur per jaar 2.Cluster schone kleding en schoon bedden- en linnengoed De cliënt kan gebruik maken van schone kleding en schoon bedden-en linnengoed. Onder linnengoed wordt verstaan bad- en keukentextiel. De ondersteuning bestaat uit het sorteren van de was, was in wasmachine en droger stoppen en leeghalen (of was ophangen en afhalen) en het opvouwen en opbergen van de was. Strijken wordt alleen voor een bepaalde periode geïndiceerd wanneer niemand in het sociaal netwerk dit kan overnemen en wanneer de cliënt nog niet beschikt over strijkvrije kleding. In dat geval wordt alleen bovenkleding (daaronder vallen overhemden en blouses) gestreken voor een maximum van 3 maanden. Indien de cliënt geen strijkvrije kleding kan bekostigen wordt gekeken naar mogelijkheden tot financiële compensatie. Resultaat (cluster) Activiteit Frequentie en richttijd (maximaal) Schone kleding en schoon bedden- en linnengoed Was sorteren Was in de machine stoppen (incl. wasmachine aanzetten) Wasmachine leeghalen Was in de droger stoppen Droger leeghalen Was ophangen (droger is voorliggend) Was afhalen (droger is voorliggend) Was opvouwen Was opbergen/opruimen - Was, alleen bovenkleding, strijken 3 maanden (strijkvrije kleding is voorliggend) In totaal 35 minuten per week/30,3 uur per jaar Beïnvloedende factoren: wasdroger in de individuele situatie is niet voorliggend: 8,2 minuten per week/7,1 uur per jaar cliënt heeft nog geen strijkvrije kleding aangeschaft: 10 minuten per overhemd/blouse extra was nodig om verscheidene redenen (bijv. een huishouden met 3 of meer personen, gezondheid cliënt): 17,5 minuten per was/15,2 uur per jaar 3.Cluster voldoende levensmiddelen en het kunnen nuttigen van (warme) maaltijden De cliënt beschikt over voldoende levensmiddelen en is in de gelegenheid om (warme) maaltijden te nuttigen. Dit betekent dat er ondersteund kan worden bij het doen van boodschappen en het bereiden en/of klaarzetten van (warme) maaltijden. Boodschappendiensten (bijv. boodschappenmaatje), maaltijddiensten (bijv. tafeltje dekje) en kant en klare maaltijden zijn voorliggend. Resultaat (cluster) Activiteit Frequentie en richttijd (maximaal) Voldoende levensmiddelen en het kunnen nuttigen van (warme) maaltijden Het opstellen van boodschappenlijst Het doen van de boodschappen Het opruimen van de boodschappen Het bereiden van broodmaaltijd Het opwarmen of klaarzetten van maaltijden Het bereiden van maaltijden Zorgen dat de maaltijd wordt genuttigd (afstemming met wijkverpleging is nodig) Vaatwasser in- en uitruimen - Afwassen (vaatwasser is voorliggend) In totaal 60 minuten per week/52 uur per jaar Maaltijden is maatwerk 4.Cluster organisatie van huishoudelijke taken De cliënt is in staat om zijn huishoudelijke activiteiten te organiseren en regisseren. De activiteiten die onder de uitkomst ‘Organisatie van huishoudelijke taken’ vallen kunnen voor een korte periode worden ingezet in de volgende situaties: extra tijd kan beschikt worden bij elk bezoek van de huishoudelijke hulp aan de cliënt, om gezamenlijk de desbetreffende huishoudelijke activiteiten op te pakken. extra tijd kan beschikt worden om de cliënt uit te leggen, instrueren en/of aanleren hoe bepaalde huishoudelijke taken op te pakken. Het kan ook voor een lange periode worden ingezet als de cliënt zelf de eigen regie niet meer kan oppakken. Het gaat dan om cliënten met zwaardere problematiek die langer thuis wonen. Resultaat (cluster) Activiteit Frequentie en richttijd (maximaal) Organisatie van huishoudelijke taken Taakverdeling tussen hulp en cliënt afspreken (indien de hulp en cliënt gezamenlijk o.a. schoonmaken, textielverzorging oppakken, boodschappen doen, koken) Opstellen van een dagstructuur (o.a. voor schoonmaak, textielverzorging, boodschappen doen en koken) Uitleg (advies en voorlichting) geven waarom bepaalde activiteiten moeten gebeuren (o.a. schoonmaken, textielverzorging, boodschappen doen en koken) Instrueren/aanleren hoe om te gaan met hulpmiddelen (o.a. stof/schoonmaakdoekjes, stofzuiger, wasmachine) en hoe bepaalde activiteiten moeten gebeuren (o.a. schoonmaken, textielverzorging, boodschappen doen en koken) Taakverdeling afspreken of dagstructuur opstellen 30 minuten per keer. Uitleg of instructie (schoonmaak)activiteiten 3 keer per week 30 minuten gedurende maximaal 6 weken 5.Kindverzorging De cliënt is niet in staat het kind/kinderen te verzorgen. Voor het hanteren van de richttijden is aansluiting gezocht bij het Protocol voor huishoudelijke hulp van het CIZ uit 2006, pagina 14: Resultaat (cluster) Activiteit Frequentie en richttijd (maximaal) kindverzorging Naar bed brengen Verschonen Uit bed halen Wassen en kleden Eten en/of drinken geven Babyvoeding (flesje/potje) Naar school/opvang brengen/halen 10 minuten per keer per kind 10 minuten per keer per kind 10 minuten per keer per kind 30 minuten per dag per kind 20 minuten per maaltijd 10 minuten per keer per kind 15 minuten per keer per gezin 1.Kortdurende en langdurige situaties Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties. Kortdurend Er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van het kind. Het gaat hierbij over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Langdurig Het gaat om situaties waarbij naar verwachting de hulp langer dan drie maanden nodig zal zijn. 2.Algemeen aanvaarde maatstaven •In kortdurende situaties moet alle persoonlijke verzorging en hulpverlening door de ouders c.q. gebruikelijke verzorgers worden geboden. •In langdurige situaties is de hulp, waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten) aan het kind moet worden geboden gebruikelijke hulp. Het gaat hier in ieder geval om: ouderlijk toezicht: dit toezicht wordt anders naarmate een kind ouder wordt en zich ontwikkelt. volledige verzorging en begeleiding bij kinderen tot 3 jaar. het aanleren van handelingen op het gebied van persoonlijke verzorging en begeleiding aan derden (familie, vrienden) ten behoeve van de jeugdige. begeleiding naar het ziekenhuis (ook meerdere malen per week). begeleiding naar zwemles of culturele- en sportverenigingen. •Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan kinderen is tot een leeftijd van 18 jaar gebruikelijke hulp, zowel in kortdurende als langdurige situaties. 3.Uitzonderingen op algemeen aanvaarde maatstaven 1.Voor zover een ouder geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke hulp uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren, wordt van hem of haar geen bijdrage verwacht op dit onderdeel. Bij kinderen geldt deze uitzondering alleen voor zover het handelingen betreft die bij een gezond kind c.q. een kind zonder beperkingen niet voorkomen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het geven van sondevoeding of medicijnen. 2.Voor zover een ouder overbelast is of dreigt te raken, wordt van hem of haar geen gebruikelijke hulp verwacht, totdat deze (dreigende) overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt het volgende: •wanneer voor de ouder eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen dienen deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen hiertoe te worden aangewend. •als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van geïndiceerde ondersteuning, dient men die overbelasting op te heffen door deze ondersteuning door (andere) zorgverleners uit te laten voeren. 3.Voor zover de jeugdige zich in de terminale levensfase bevindt, kan een partner, ouder, broer/zus en/of andere huisgenoot afhankelijk van de situatie vrijgesteld worden van de gebruikelijke hulp. 4.Algemeen beoordelingskader bij kinderen Om vast te stellen welke hulp kan worden verstrekt, wordt beoordeeld welke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging en zelfstandig leven uitgaat boven de hulp die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft (boven gebruikelijke hulp). Bij die beoordeling dienen de leeftijd van het kind, de aard van de zorghandelingen, de frequentie van deze zorghandelingen en de omvang van de daarmee gemoeide tijd te worden betrokken. Deze thema’s worden hieronder uitgelegd. A. Leeftijd Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met verschillen die tussen kinderen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Bij de beoordeling van wat tot gebruikelijke hulp van ouders voor hun kinderen behoort, past daarom een zekere marge. Ook bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd kan de hulp die het ene kind nodig heeft meer of minder zijn dan de hulp die een ander kind nodig heeft. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan het andere kind. Voorbeeld: Veel kinderen van 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft. Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke hulp van ouders aan kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel. Kinderen van 0 tot 3 jaar hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig; ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig; zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 3 tot 5 jaar kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer); hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang; hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 5 tot 12 jaar kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is); hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen; hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie; zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 12 tot 18 jaar hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden; kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen); hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben tot 18 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. B. Aard van de zorghandelingen Zorghandelingen die het kind zelfstandig kan uitvoeren vallen altijd onder gebruikelijke zorg. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke hulphandeling vervangen, zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten. Of om handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen. Voorbeelden van handelingen die gebruikelijke hulphandelingen vervangen kunnen zijn: het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen; bij een kind met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie. C. Frequentie en patroon van de zorghandelingen Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp aan een kind, zoals drie keer eten per dag, kunnen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Voorbeeld: Als een kind bij het ontbijt en het naar bed gaan medicatie aangereikt moet krijgen, loopt dit mee in de het normale patroon van dagelijkse hulp aan een kind en wordt dit als gebruikelijke hulp aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij kinderen met een lichamelijke beperking. Een voorbeeld van zorghandelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp van ouders aan een kind, is het meerdere malen per nacht bieden van hulp van ouders aan een kind vanaf 5 jaar. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met die zorgsituaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare hulp en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van het kind. D. Omvang van de met de zorghandelingen gemoeide tijd De omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer van gebruikelijke hulp sprake is. Voorbeeld: alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke hulp gezien. E. Samenhangende beoordeling De hiervoor genoemde criteria moeten telkens in samenhang en gelet op de omstandigheden van het kind worden beoordeeld. Zo kan een zorghandeling die naar zijn aard en omvang voor een kind van een bepaalde leeftijdsgroep gebruikelijk is, in een individuele situatie veel vaker voorkomen (frequentie), waardoor deze hulp niet geheel als gebruikelijk kan worden aangemerkt. Zo kan bij een kind van een bepaalde leeftijd dat is aangewezen op handelingen die niet bij alle gezonde kinderen voorkomen en die kunnen meelopen in het gebruikelijke patroon van dagelijkse verzorging, niet langer sprake zijn van gebruikelijke hulp vanwege de (extra) tijd die met deze zorghandelingen gemoeid gaat. Een concrete uitwerking: het geven van medicatie (aard) bij een kind van 9 jaar (leeftijd) is gebruikelijke hulp. Als de medicatie elke nacht (meerdere malen) moet worden toegediend, loopt dit niet mee in het dagelijkse patroon en moet beoordeeld worden of ouders hierdoor zodanig belast worden dat het niet meer redelijk is dit als gebruikelijke hulp te beschouwen. 5.Richtlijnen gebruikelijke hulp bij persoonlijke verzorging Ouders aan kinderen, in kortdurende situaties Alle persoonlijke verzorging door de ouder aan het kind is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op herstel. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Voorbeeld: het (extra) verschonen bij buikgriep. Ouders aan kinderen, in langdurige situaties Een kind is aangewezen op een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet als het gaat om een chronische situatie, waarbij de gebruikelijke hulp in vergelijking tot kinderen zonder een chronische hulpvraag van dezelfde leeftijdscategorie volgens de richtlijn wordt overschreden. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke hulphandeling vervangen, zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten, of om handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden zoals het geven van medicijnen. Voorbeeld: het toedienen van eten en drinken door een ouder aan een kind van 2 jaar is gebruikelijke hulp, ook als het om sondevoeding gaat. Als het voeden van dit kind via de sonde meer tijd kost, of vaker moet gebeuren dan de normale dagelijkse eet- en drinkmomenten, kan er een aanspraak op een individuele voorziening zijn. Als een kind een handeling zelf kan uitvoeren, is er op grond van het begrip ‘redelijkerwijs’ geen aanspraak op een individuele voorziening, zoals het legen of wisselen van een katheterzakje. Uitzonderingen Naast de algemene uitzonderingen die zijn beschreven aan het begin van dit protocol, geldt voor kinderen: als gebruikelijke persoonlijke verzorging bij kinderen van niet uitstelbare aard is en degene die de gebruikelijke hulp moet verlenen niet beschikbaar is, wegens reguliere school- of werkweek van hem/haar zelf of van het kind, kan hiervoor een individuele voorziening worden toegekend. Bij zorghandelingen tijdens de kinderopvang of tijdens het onderwijs, is sprake van persoonlijke verzorging als het gaat om handelingen die organisaties voor kinderopvang of onderwijs normaal niet bieden, zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten. Als een kind van 12 jaar of ouder geen intieme persoonlijke verzorging wil ontvangen van de ouder wordt geen bijdrage verwacht van de ouder. Persoonlijke verzorging tijdens kinderopvang De opvang/zorg die instanties voor kinderopvang plegen te bieden is gebruikelijke hulp. Alleen voor de hulp die aanvullend nodig is aan de opvang/zorg is er aanspraak op een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. De niet-uitstelbare persoonlijke verzorging kan tijdens kinderopvang geïndiceerd worden. Voorbeeld: een baby krijgt bij de kinderopvang drie keer per dag een flesje. Voor een baby valt het geven van een flesje onder normale dagelijkse zorg, zoals kinderopvang die biedt, dat is dus geen hulpverlening die onder de Jeugdwet valt. Nu kost het bij deze baby, vanwege ernstige slikproblemen, extra tijd om dat flesje te geven. Voor het geven van een flesje staat gemiddeld 20 minuten per keer en bij deze baby kost het 35 minuten per keer. De minuten meer tijd komen voort uit aandoening gerelateerde stoornissen en beperkingen. De extra tijd die het kost om het flesje te geven, valt wel onder de Jeugdwet, dus: drie keer 15 minuten = 45 minuten per dag dat het kind gebruik maakt van de kinderopvang. Wanneer de baby geen flesje zou krijgen maar sondevoeding, dan is de volledige tijd voor het toedienen van de sondevoeding tijdens de kinderopvang hulpverlening die valt onder de Jeugdwet. Het geven van sondevoeding valt niet onder hulp zoals instanties voor kinderopvang die bieden. Om deze reden kan het geven van sondevoeding gedurende de kinderopvang volledig worden toegekend. Persoonlijke verzorging tijdens onderwijs De school biedt gangbare en normale dagelijkse hulp, zoals het strikken van veters, het aantrekken van een jas en hulp bij toiletgang bij kleuters. Voor deze gangbare en normale dagelijkse hulp kan geen individuele voorziening worden ingezet. Gedurende de tijd dat een kind de school bezoekt, is er voor de niet-uitstelbare hulp geen verplichting voor de ouders om deze gebruikelijke hulp op school te leveren. Deze hulp kan dus worden toegekend. De onderwijsregelgeving is voorliggend op een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet tijdens schooltijd. 6. Richtlijnen gebruikelijke hulp bij zelfstandig leven individueel Ouders aan kinderen, in kortdurende situaties Alle begeleiding door de ouder aan het kind is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op herstel. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Ouders aan kinderen, in langdurige situaties Een kind kan aangewezen zijn op een algemene of individuele voorziening als het gaat om een chronische situatie, waarbij de gebruikelijke hulp in vergelijking tot een gezond kind c.q. een kind zonder beperkingen van dezelfde leeftijdscategorie volgens de richtlijn wordt overschreden. Uitzonderingen Naast de algemene uitzonderingen, die zijn beschreven aan het begin van dit protocol, gelden geen extra uitzonderingen. Aandachtspunten Ouderlijk toezicht aan kinderen is gebruikelijke hulp. Kinderen (met of zonder ziekte of handicap) hebben ouderlijk toezicht nodig. Bij een cognitief beperkt kind met gedragsproblemen kan het zijn, dat er meer dan gebruikelijk correctie en aansturing van gedrag en vaak ook meer aandacht voor vaste structuur nodig is. Begeleiding tijdens kinderopvang Wanneer ouders werken, zijn/blijven zij verantwoordelijk voor de opvang/verzorging van hun kinderen. De begeleiding die buiten dit werk/onderwijs om als gebruikelijke hulp wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouders werken/onderwijs volgen niet worden geïndiceerd. Wanneer sprake is van bovengebruikelijke begeleiding, wordt de omvang van de bovengebruikelijke begeleiding vastgesteld over het hele etmaal/zeven dagen per week. Dus feitelijk ook gedurende de periode dat ouders werken/onderwijs volgen. Ouders kunnen de keuze maken wanneer zij de geïndiceerde uren inzetten, thuis of tijdens de kinderopvang. Begeleiding tijdens onderwijs Wanneer kinderen naar school gaan, kan gedurende de schooltijd geen begeleiding worden geïndiceerd die buiten de schooltijd als gebruikelijke hulp wordt beschouwd. Wanneer sprake is van boven gebruikelijke begeleiding, wordt de omvang van de boven gebruikelijke begeleiding vastgesteld over het hele etmaal/zeven dagen per week. Dus feitelijk ook gedurende de periode dat het kind op school is. Ouders kunnen de keuze maken wanneer zij de geïndiceerde uren inzetten, thuis of tijdens het onderwijs. Daarnaast is het mogelijk om begeleiding in de vorm van toezicht tijdens het onderwijs te indiceren wanneer het gedrag van het kind de omgang met andere leerlingen bemoeilijkt. 7.Richtlijnen bij (dreigende) overbelasting ouders c.q. verzorgers Algemeen De zorg voor een ziek kind kan zo zwaar worden dat van overbelasting sprake is. Soms blijkt een individuele voorziening niet voldoende te zijn. In zulke gevallen kan de gebruikelijke hulp opnieuw beoordeeld worden en zo nodig leiden tot een gewijzigd besluit. Voor het bieden van een beschermende woonomgeving blijven ouders, ook bij overbelasting, zelf verantwoordelijk. Beoordeling van overbelasting Aan het indiceren van gebruikelijke hulp gaat het beoordelen van de overbelasting vooraf. Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Tekort schieten van het ‘coping mechanisme’ kan er de oorzaak van zijn; emotionele labiliteit en slapeloosheid het gevolg. Naast de aard en ernst van de overbelasting wordt ook onderzocht of deze komt, doordat er iets met de gebruikelijke hulpverlener zelf aan de hand is (draagkracht vermindering) en/of dat deze gevolg is van de ernst van de ziekte van het kind (draaglast verhoging). De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch gebruikelijke hulptaken moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij taken overnemen, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat zijn de gebruikelijke hulp te leveren. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, helpen om een oordeel te vormen. Soms is het duidelijk dat de ouder overbelast is, maar soms ook niet. Er bestaat niet één simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft. Wel gebruiken behandelaars en hulpverleners vragenlijsten waarmee overbelasting (mede) onderbouwd kan worden. Niet alleen de omvang van de planbare zorgtaken, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te leveren is van invloed op de belastbaarheid van de gebruikelijke hulpverlener. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele zorgtaken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde zorgtaken, waarbij continu aanwezigheid en alertheid van de gebruikelijke hulpverlener noodzakelijk is. Klachten en symptomen die bij een aanpassingsstoornis optreden, kunnen op overbelasting wijzen zonder dat van een stoornis in psychiatrische zin sprake hoeft te zijn. Het gaat om klachten en symptomen zoals: angst of gespannenheid: nervositeit, onrust, rusteloosheid, slecht slapen; depressie: hopeloosheid, huilbuien, somberheid; gedragsproblemen: negeren van normen en regels, onaangepast gedrag; gecombineerd emotioneel en gedragsgestoord: depressie en/of angst gecombineerd met een gedragsstoornis of onaangepast gedrag; lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die iemand biedt. Bij overbelasting door een dienstverband van te veel uren of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk. Steeds zal daarom in het besluit worden aangegeven dat, wanneer de overbelasting bijvoorbeeld door het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk kan worden teruggedrongen, dit dan ook van een ouder wordt verwacht. Wanneer de geldigheidsduur van het besluit verlopen is en een nieuwe aanvraag wordt gedaan, zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen. 8.Normtijden persoonlijke verzorging De gemeente kent de volgende normtijden voor hulp en zorg bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) als persoonlijke verzorging wordt geïndiceerd en er dus sprake is van boven gebruikelijke zorg. Deze zijn afkomstig uit de CIZ indicatiewijzer
(2014). Activiteiten persoonlijke verzorging Overzicht handelingen Gemiddelde tijd per keer in minuten Maximale frequentie p/dag 1.1 zich wassen Delen van het lichaam 10 1x Gehele lichaam 20 1x 1.2 zich aankleden Volledig aan-/uitkleden 15 2x Gedeeltelijk uitkleden 10 1x 1.3 in en uit bed gaan Hulp bij uit bed komen 10 1x Hulp bij in bed gaan 10 1x Hulp bij middagrust 10 2x 1.4 Zich verplaatsen in zit- of lighouding (hulp bij beweging, houding) 20 Maatwerk 1.5 Naar toilet gaan en zich reinigen c.q. incontinentiemateriaal verwisselen 15 Maatwerk 1.6 Eten en drinken Hulp bij broodmaaltijd 10 2x Hulp bij warme maaltijd 15 1x Hulp bij drinken 10 6x 1.7 Toiletgang Stomaverzorging bij lokaal intacte huid 20 Maatwerk Stomazakje wisselen 10 Maatwerk Katheterzak legen/wisselen 10 Maatwerk Uritip aanbrengen 15 Maatwerk Klysma microlax 15 Maatwerk 2.1 Persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid Zorg voor tanden 5 2x Zorg voor haren 5 1x Zorg voor nagels 5 1x per week Scheren 10 1x Inspectie van de intacte huid op (dreigende) vervormingen, ontstekingen en/of infecties 10 Maatwerk Zalven van de intacte huid 10 Maatwerk Verzorging van smetplekken (roodheid en irritaties huid) 10 Maatwerk Verzorging van intacte huid rondom natuurlijk en onnatuurlijke lichaamsopeningen 10 Maatwerk 2.2 Aanbrengen/verwijderen prothese Aanbrengen prothese/hulpmiddel 15 1x Verwijderen prothese/hulpmiddel 15 1x 2.3 Aanleren en begeleiden van PV-activiteiten Aanleren van kind, ouders en/of sociaal netwerk gekoppeld aan activiteiten 1.1 tot en met 2.2 Gelijk aan een of meer van de aan te leren activiteiten 1.1. tot en met 2.2 plus maximaal in totaal 30 minuten per week Gelijk aan een of meer van de aan te leren activiteiten 1.1 tot en met 2.2 Bron: CIZ Indicatiewijzer - Toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014, zoals vastgesteld door het ministerie van VWS, Versie: 7.1, juli 2014 9.Normtijden Zelfstandig leven individueel De gemeente kent de volgende normtijden als Zelfstandig leven individueel wordt geïndiceerd en er dus sprake is van boven gebruikelijke zorg. Deze zijn afkomstig uit de CIZ indicatiewijzer
(2014). De frequentie waarmee de begeleiding wordt geïndiceerd is niet meer dan nodig om verantwoorde zorg te bieden. Begeleidingsactiviteit frequentie Gemiddelde duur per keer Maximale omvang per week in uren Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur c.q. het voeren van regie en/of Het ondersteunen bij praktische vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid 1x per week 60 - 180 min. 1 - 3 uur 2x per week 60 - 180 min. 2 - 6 uur 3x per week 30 - 90 min. 1,5 - 4,5 uur 4x per week 30 - 90 min. 2 - 6 uur 5x per week 15 - 90 min. 1 - 7,5 uur 6x per week 15 - 90 min. 1,5 - 9 uur 1x per dag 15 - 90 min. 1,5 - 10 uur 2x per dag 15 - 45 min. 3,5 - 10 uur 3x per dag 15 - 30 min. 5 - 10 uur 4x per dag 15 - 20 min. 7 - 9 uur Het bieden van toezicht 13 uur 3.1 Het bieden van toezicht tijdens onderwijs 4 uur 3.2 Het bieden van toezicht tijdens onderwijs + zeer ernstige gedragsproblematiek: gemotiveerd toekennen 7 uur Oefenen 1-3 uur Combinaties 1 en/of 2 + oefenen 13 uur 1 en/of 2 + 3 13 uur 1 en/of 2 + 3 + oefenen 16 uur 1 en/of 2 + 3 + 3.1 + oefenen 20 uur 1 en/of 2 + 3 + zeer ernstige gedragsproblematiek: gemotiveerd toekennen (wel of niet incl. oefenen) 20 uur 1 en/of 2. + 3 + 3.1 + 3.2 ( gemotiveerd toekennen; wel of niet incl. oefenen) 25 uur Bron: CIZ Indicatiewijzer - Toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014, zoals vastgesteld door het ministerie van VWS, Versie: 7.1, juli 2014 Bijlage1.Protocol indicatiestelling huishoudelijke ondersteuning Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning De gemeente kent een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning (HO) toe als, na onderzoek, als bedoeld in artikel 4.5 van de Nadere Regeling Sociaal Domein, blijkt dat : de specifieke beperkingen, de behoeften en de persoonskenmerken van de cliënt erom vragen, dit vanuit de gemeente gezien de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening is. De met de maatwerkvoorziening HO te bereiken resultaten, de hiervoor te verrichten activiteiten, de frequentie van die activiteiten en de richttijden voor het uitvoeren van de activiteiten zijn gebaseerd op een objectief en onafhankelijk door KPMG vastgestel

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.