Besluit van het dagelijks bestuur van Waterschap De Dommel houdende regels omtrent het afvoeren van hemelwater
(1): Indien sprake is van: 1. Binnen de bebouwde kom met een bufferzone van 200 m 2. Inundatiegebieden T100 3. Natuurgebieden met aquatische natuurwaarde of doelstellingen 4. Natte gebieden: Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) minder dan 40 cm onder maaiveld Toelichting ad 3: Onder natuurgebieden wordt verstaan het Natuur Netwerk Brabant (NNB) en waterlopen met een functie viswater, beek- en kreekherstel of KRW-lichaam. Om het NNB worden de attentiegebieden (uit de Verordening water Noord-Brabant) gehanteerd en om waterlopen met de genoemde functies wordt een bufferzone van 200 m gerekend. Frequent terugkerende piekafvoeren hebben een negatief effect op het aquatisch ecosysteem; dieren en substraten spoelen weg bij hoge afvoeren waardoor een verarmd systeem achterblijft. Aanduiding gemiddeld (½): Indien geen sprake is van hierboven genoemde 1 t/m 3, en de GHG tussen 40-80 cm onder maaiveld ligt. Aanduiding laag (¼): Indien geen sprake is van hierboven genoemde 1 t/m 3, en de GHG meer dan 80 cm onder maaiveld ligt. De gevoeligheidskaart geeft één waarde per perceel. De GHG die het grootste aandeel heeft op een bepaald perceel is leidend voor de gevoeligheidsfactor voor de rest van het perceel. Ook geldt dat wanneer een perceel geraakt wordt door een 200m-bufferzone rondom een bebouwde kom of waterloop met een functie (inclusief attentiezone), dat het perceel de gevoeligheidsfactor 1 krijgt. Bij de gevoeligheidsfactoren ½ en ¼ wordt respectievelijk 30 en 15 mm compensatie vereist in plaats van 60 mm. In gebieden waar deze factoren gelden, is namelijk sprake van infiltratiegebieden en is de afvoercapaciteit van waterlopen relatief groot in verhouding tot de specifieke afvoer voor landelijk gebied. Indien de lozing plaatsvindt in een gebied met een afwijkende gevoeligheidsfactor moet de gevoeligheidsfactor worden aangehouden ter plaatse van de uitbreiding van verhard oppervlak (niet van de lozing) 3.4. Afvoerconstructie 4 cm De afvoerconstructie moet ervoor zorgen dat de voorziening voldoende wordt benut, weer tijdig beschikbaar komt en dat versnelde afvoer wordt voorkomen. De diameter van 4 cm is op basis van ervaring gekozen als de praktische ondergrens voor een afvoerconstructie. Bij een kleinere diameter is de kans op verstopping te groot. Bij een grotere diameter wordt bij een toename van verhard oppervlak tot en met 10.000 m² onvoldoende invulling gegeven aan het beperken van de afvoer. De diameter van 4 cm komt globaal overeen met een gemiddelde afvoer van 2 l/s. 4. Toelichting op de Beleidsregel 4.1. Doel van de beleidsregel: maatwerk De Beleidsregel wordt toegepast indien wordt afgeweken van de criteria in de Algemene regel.. De Beleidsregel is van toepassing in die gevallen waarin een vergunning vereist is. Voor het bepalen van de vergunningsvoorschriften en het uiteindelijk kunnen verkrijgen van een vergunning is een waterhuishoudkundig plan nodig. De inhoud van het plan, de inpassing in het waterhuishoudkundige systeem en de toe te passen methoden dienen in overleg met het waterschap te worden vastgesteld. De reden dat deze categorie plannen onder de Beleidsregel valt, is dat het effect van deze plannen op het afwateringsstelsel en de grondwaterstand groot kan zijn en op een juiste wijze in het gebied moet worden ingepast. Daarbij kan nadrukkelijk ook worden gekeken naar andere doelstellingen of opgaven in het gebied. Voor het bepalen van het effect op het afwateringsstelsel is daarom bij grotere plannen of bij afwijkende situaties een nadere onderbouwing nodig. Voor deze plannen is het uitgangspunt dat de veranderingen van waterstanden, afvoeren en grondwaterstanden in principe geen nadelige gevolgen mogen hebben in de omgeving van het plan. Ook moet het bepalen van de omvang van het verharde oppervlak, de uitwerking van het ontwerp en de werking van de compensatie worden beschreven. In het geval van het toenemen van verhard oppervlak kan bij het dimensioneren van de compensatie 60 mm per toename verhard oppervlak als vertrekpunt voor de maximale compensatieplicht worden gehanteerd. Door maatwerkoplossingen (bijvoorbeeld infiltratievoorzieningen, hergebruik, gezamenlijke compensatie voorzieningen) of specifieke gebiedskenmerken (zoals infiltratiecapaciteit, nauwkeuriger bepalen van de grondwaterstanden), kan de omvang van de compensatie worden beperkt. Wanneer er sprake is van afkoppelen van bestaand verhard oppervlak hangt de benodigde compensatie af van de wijze van afkoppelen. Wordt bijvoorbeeld de bergingsruimte in het rioolstelsel nog benut of niet en wordt het lozingspunt wel of niet verplaatst naar een andere watergang? Bij maatwerkoplossingen dient de uitwerking en het effect te worden aangetoond met waterhuishoudkundig onderzoek. Het waterhuishoudkundig onderzoek gaat ook in op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de compensatieplicht. Afhankelijk van de situatie kan gekozen worden voor een geïsoleerde voorziening en/of voor oplossingen in het bestaande watersysteem. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de praktische aspecten van de Beleidsregel die kunnen worden toegepast in het geval van maatwerk. Paragraaf 4.2. gaat over glastuinbouw, paragraaf 4.3. behandelt de leegloopvoorziening, paragraaf 4.4. gaat over infiltratie en paragraaf 4.5. gaat over de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Tot slot wordt in paragraaf 4.6. beschreven waar een waterhuishoudkundig plan aan moet voldoen. 4.2 Glastuinbouw, pot- en containerteelt Bij glastuinbouwbedrijven en in de pot- en containerteelt worden regenwaterbassins aangelegd met het doel dit regenwater te hergebruiken als gietwater. Deze regenwaterbassins kunnen in bepaalde situaties gecombineerd worden met de compensatie die nodig is om versnelde afvoer van regenwater te voorkomen. In dit verband is het van belang onderscheid te maken in de kwaliteit en de kwantiteit van het te verwerken water. De regels die gelden voor de berging van verontreinigd giet- of condenswater zijn vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De Keur bevat de regels voor de kwantitatieve berging van hemelwater. Voor de combinatie van kwaliteits- en kwantiteitsberging is een algemene gedragslijn uitgewerkt (zie bijlage 2). Omdat er bij ieder bedrijf sprake is van maatwerk worden initiatiefnemers uitdrukkelijk geadviseerd hierover vroegtijdig contact op te nemen met het waterschap. 4.3. Afvoer uit de voorziening Afvoer uit een voorziening kan via de bodem plaatsvinden (infiltratie) indien de bodem voldoende doorlatend is. Andere mogelijkheden zijn een grindkoffer, een dam of stuw van doorlatend materiaal of een afvoerconstructie. Een afvoerconstructie kan bestaan uit een schot met een gat, een dam met een pijp of een pomp. Let er hierbij op dat bij een te kleine diameter de kans op verstopping te groot is en bij een grotere diameter de compensatie in feite overgedimensioneerd is en slechts onder heel extreme omstandigheden of bij slecht beheer en onderhoud volledig gevuld zal geraken. De afvoer naar het oppervlaktewater mag maximaal 2 l/s/ha zijn. Indien gebruik wordt gemaakt van een kleinere opvangcapaciteit omdat wordt uitgegaan van infiltratie, moet de compensatie binnen vijf “droge” dagen (max 2 mm neerslag per 24 uur) weer volledig beschikbaar zijn. Aangezien de waterhoogte gedurende de leegloop van de voorziening kleiner wordt, zal de afvoer geleidelijk afnemen. Tevens zal door infiltratie water uit de voorziening verdwijnen. Indien in de praktijk het water langer blijft staan, dan kan bijvoorbeeld de doorlatendheid van de bodem of dam worden verhoogd door grover materiaal toe te passen. In Bijlage 3 zijn voorbeelden van goed functionerende afvoerconstructies te vinden. De adviseurs van het waterschap kunnen u adviseren bij het ontwerp van de afvoerconstructie. 4.4. Infiltratie De bodem in Nederland varieert sterk van samenstelling. Goed en slecht doorlatende lagen wisselen elkaar af. Een maat voor de waterdoorlatendheid van de bodem is de infiltratiecapaciteit. Deze wordt meestal uitgedrukt in een k-waarde (meter per dag). Zandgronden zijn (meestal) goed doorlatend en kleigronden (meestal) slecht. Om dezelfde hoeveelheid hemelwater in de onverzadigde zone boven de GHG te kunnen infiltreren, kan in een zandgrond daarom met een kleinere voorziening volstaan worden dan in een bodem die bestaat uit lemig zand of leem. Bij een in de infiltratiezone gemeten k-waarde van tenminste 2,0 m/dag (en een voldoende diepe GHG) kunnen in de praktijk nagenoeg alle infiltratievoorzieningen aangelegd worden. Bij een k-waarde tussen de 0,4 en 2,0 m/d kan gedacht worden aan de toepassing van wadi’s (en vergelijkbare voorzieningen) ten behoeve van retentie en infiltratie. Bij k-waarden lager dan 0,4 m/d is infiltratie niet zonder meer mogelijk en dient eerst in voldoende mate structuurverbetering van de bodem plaats te vinden. De k-waarde bepaalt in sterke mate de inhoud van de voorziening. Bij het ontwerp van een infiltratievoorziening moet rekening worden gehouden met het na verloop van tijd teruglopen van de infiltratiecapaciteit (k-waarde), bijvoorbeeld door dichtslibben van de voorziening. Om de infiltratiecapaciteit weer te vergroten (herstellen) dient ook in de ontwerpfase al rekening te worden gehouden met de aard en frequentie van het benodigde onderhoud. Voor het bepalen van de waterdoorlatendheid van de onverzadigde bovengrond kunnen infiltratiemetingen worden verricht. Aan de hand van deze infiltratiemetingen kan de variatie in waterdoorlatendheid bepaald worden. Op deze wijze kan maximaal gebruik gemaakt worden van de natuurlijke infiltratiecapaciteit van de bodem en een passend ontwerp van de infiltratievoorziening uitgewerkt worden. Voor het meten van de waterdoorlatendheid moet onderscheid gemaakt worden tussen metingen in de onverzadigde bovengrond en de verzadigde ondergrond. Daarbij hebben in-situ metingen (metingen ‘in het veld’) de voorkeur boven ex-situ metingen (laboratoriumbepalingen). Voor het bepalen van de waterdoorlatendheid kan onder meer gebruik worden gemaakt van putproeven, omgekeerde putproeven, pompproeven, dubbele-ringinfiltratiemetingen en het bepalen van de korrelgrootteverdeling (zie Tabel 3). Elke van deze methoden kent voor- en nadelen. Voor metingen in de onverzadigde zone kan gekozen worden voor een dubbele-ringinfiltratiemeting (bepaling verticale waterdoorlatendheid) en/of de omgekeerde putproef (bepaling horizontale waterdoorlatendheid). Het bepalen van een korrelgrootte verdeling is eveneens mogelijk, maar beide in-situ meettechnieken zijn betrouwbaarder. Voor metingen in de verzadigde zone wordt in de regel gekozen voor een putproef. Deze proef kan uitgevoerd worden door een peilbuis leeg te pompen en de stijging van het water per tijdseenheid te meten of een vaste verlaging in de peilbuis te realiseren en daarbij het afpompdebiet te meten. Met een putproef wordt voornamelijk de horizontale waterdoorlatendheid gemeten. Het bepalen van een korrelgrootte verdeling is eveneens mogelijk, maar een in-situ uitgevoerde putproef is betrouwbaarder. Tabel 3: Meetmethoden doorlatendheidsbepaling Voor een uitgebreidere beschrijving voor de achtergronden van het bepalen van de waterdoorlatendheid wordt verwezen naar het boek Gebruikte Bodem, paragraaf 4.3. Bodemkunde en geohydrologie (SKB, 2009). In de praktijk komt een scala aan infiltratievoorzieningen voor. Daarbij kan gedacht worden aan wadi’s, zaksloten, infiltratiekratten, infiltratievijvers, infiltratie- en transportriolen (IT-riolen), doorlatende bestrating en infiltratiekelders. Tabel 4 geeft een overzicht van bestaande technieken. Dit is geen uitputtende opsomming. Bovendien kunnen nieuwe innovatieve technieken geïntroduceerd worden, waarvan het waterschap met belangstelling kennis zal nemen. Het bepalen van de optimale (combinatie van) meetmethode(
- n)om de locatie specifieke k-waarde te bepalen, wordt naast een aantal praktische factoren, mede ingegeven door de (verwachte) keuze voor een bepaald type infiltratievoorziening. Daarbij is het van belang om onderscheid te maken tussen voorzieningen die primair gericht zijn op infiltratie in verticale richting (bijvoorbeeld een wadi, zaksloot en infiltratiekratten) en voorzieningen die gericht zijn op infiltratie in horizontale richting (bijvoorbeeld een infiltratiekelder en infiltratiesleuf). Bij IT-riolen, aangelegd in een cunet met goeddoorlatend materiaal, speelt zowel de horizontale als de verticale waterdoorlatendheid van de onverzadigde zone een rol. Met het uitvoeren van een putproef in de verzadigde zone kan gecontroleerd worden of infiltratie van hemelwater in de onverzadigde zone niet leidt tot een (
- te)grote peilstijging van het grondwaterpeil in de verzadigde zone. Horizontale doorlatendheid Verticale doorlatendheid Aanvullende opties Opmerking(
- en)Onverzadigde zone Verzadigde zone Wadi Dubbele ring-meting Putproef verzadigde zone Tevens doorlatendheid van het onderliggend cunet bepalen Zaksloot Omgekeerde putproef Dubbele ring-meting Putproef verzadigde zone Infiltratiekratten Dubbele ring-meting Putproef verzadigde zone Infiltratievijver Omgekeerde putproef Dubbele-ring meting Putproef verzadigde zone Uitgaande van IT-riool in cunet met drainagezand IT-riool Omgekeerde putproef Dubbele-ring meting Putproef verzadigde zone Doorlatende bestrating Dubbele-ring meting Putproef verzadigde zone Meetmethode afstemmen op type bestrating en cunet Infiltratiekelder Omgekeerde putproef Putproef verzadigde zone Metingen afstemmen op type infiltratiekelder Smalle infiltratiesleuf Omgekeerde putproef Putproef verzadigde zone Tabel 4: Suggestie(
- s)voor meetmethoden om de k-waarde in-situ te bepalen per type infiltratievoorziening. 4.5. Grondwater Hydrologisch neutraal ontwikkelen betekent niet alleen dat versnelde afvoer naar oppervlaktewater dient te worden voorkomen, maar ook dat de grondwaterstand ter plaatse of lokaal zo goed mogelijk wordt gehandhaafd. De voorziening die nodig is bij de toename van verhard oppervlak zal in de meeste gevallen bestaan uit een gecombineerde retentie-infiltratievoorziening waardoor in die gevallen de aanvulling van het grondwater gewaarborgd is. In de overige gevallen gaat het in totaliteit om een zeer beperkte toename van verhard gebied die relatief weinig invloed heeft op de grondwaterstand omdat de hoeveelheid onverhard gebied verreweg het grootst blijft. Daarom is verandering in de grondwaterstand door de toename verhard oppervlak te verwaarlozen. De onderkant van de doorlaat van de voorziening dient boven de GHG te worden geplaatst, omdat anders grondwater wordt afgevoerd. Ook moet de compensatie boven de GHG liggen. De GHG kan indicatief worden afgelezen uit algemeen beschikbare bronnen, zoals de bodematlas van de provincie Noord-Brabant 3 https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/bodematlas en kan lokaal worden bepaald door in-situ hydrologisch onderzoek. De GHG, de gemiddeld hoogste grondwaterstand, wordt standaard bepaald uit het gemiddelde van de drie hoogste grondwaterstanden per jaar over een periode van acht jaar. Omdat het een gemiddelde betreft van de optredende maxima betekent dat het incidenteel voor kan komen dat de grondwaterstand hoger ligt dan de bodem van de voorziening. Er zijn diverse methoden om een hoogste grondwaterstand te schatten in het veld of op basis van kortere meetreeksen. 4.6. Richtlijnen voor het waterhuishoudkundig plan In deze paragraaf wordt beschreven welke onderwerpen in het waterhuishoudkundig plan ten behoeve van de Beleidsregel afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak moeten worden uitgewerkt of moeten worden toegelicht. In het kader van de watertoets kunnen dezelfde of aanvullende onderwerpen worden vereist. Beschrijving van de uitgangssituatie van maaiveldhoogteligging, ontwatering en afwatering, grond- en oppervlaktewaterstanden. Beschrijving van de bekende GHG en indien deze niet bekend is hoe een vergelijkbare hoogste grondwaterstand kan worden vastgesteld en toegepast. Het waterschap kan hierin adviseren. Beschrijving van de bepaling van de toename van het verhard oppervlak of het af te koppelen oppervlak, inclusief tekening met een duidelijke topografische ondergrond. Weergave van de beoogde inrichting van het plangebied met maaiveldhoogte, grondverzet, ligging en afmetingen van voorzieningen, op ten minste schaal 1:5.000 op tekening en in relevante dwarsprofielen en met een beschrijving in een toelichting. Het door middel van berekeningen aantonen welke veranderingen van waterstanden, afvoeren en grondwaterstanden als gevolg van het plan optreden in de omgeving van het plan. Hierbij moet worden gekeken naar gemiddeld hoogste grondwaterstanden, oppervlaktewaterstanden bij maatgevende (jaarlijkse) afvoer en inundatiekans extreme afvoersituaties (T10 tot en met T100). Het waterschap kan uw berekening controleren. Geadviseerd wordt om hierover vooraf advies in te winnen bij het waterschap. Aannemelijk maken dat de effecten geen nadelige gevolgen hebben in de omgeving van het plan. Een beschrijving van het beheer en onderhoud van de in het plan opgenomen voorzieningen. Indien andere watergerelateerde doelstellingen worden gerealiseerd wordt hiervan een kwalitatieve beschrijving opgenomen. Het is wenselijk het waterhuishoudkundig onderzoek en het waterhuishoudkundig plan in overleg met het waterschap op te zetten en uit te voeren. Bijlage1:Rekenvoorbeelden voor het bepalen van de compensatieplicht 1) Een meubelgigant in Waalwijk gaat 9.500 m² bestaand parkeerterrein vernieuwen. Het vervangen van de bestaande klinkerverharding door een asfaltverharding mag als “vervangende nieuwbouw” gezien worden. Voor het afkoppelen van hemelwater afkomstig van het nieuw ingerichte parkeerterrein naar oppervlaktewater dat in beheer is bij het waterschap geldt tot een maximum van 10.000 m² geen verplichting om compenserende berging te realiseren. Wanneer de oorspronkelijke klinkerverharding naar het oppervlaktewater afstroomde, dan mag dat ook in de nieuwe situatie. Hiervoor geldt geen melding- of vergunningplicht bij het waterschap. Het realiseren van compenserende berging is in dit rekenvoorbeeld niet verplicht, maar op vrijwillige basis wel toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Wanneer overtollig hemelwater niet naar het oppervlaktewater in beheer bij het waterschap wordt afgevoerd maar naar het riool, dan is het noodzakelijk om tijdig met de gemeente Waalwijk contact op te nemen. De gemeente kan hieraan voorwaarden verbinden. 2) Als gevolg van een uitbreidingsplan in het centrum van Boxtel wordt een toename van 6.300 m² verhard oppervlak aangelegd. Omdat de uitbreiding kleiner is dan 10.000 m² geldt de rekenregel uit de Algemene Regel om de compensatie te berekenen. In formulevorm luidt deze regel: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m). Voor stedelijk gebied geldt altijd gevoeligheidsfactor 1,0. De benodigde compensatie voor deze locatie in het centrum van Boxtel bedraagt derhalve 378 m3 (6.300 m² * 1,0 * 0,06 m). Er is geen vergunning vereist. 3) Inbreidingsplan voor vier woningen in de gemeente Keurig. In de gemeente Keurig worden op een nog braakliggend landbouwperceel (1.800 m²) met bestemming “wonen” vier nieuwe woningen met een gezamenlijk verhard oppervlak van 600 m² gebouwd. Beide woningen worden niet voorzien van een (groen) vegetatiedak. Gemeente en waterschap hebben hierover in de planfase overeenstemming bereikt over de inhoud van de waterparagraaf waarin een gezamenlijke oppervlakkige groene berging met een inhoud van 24 m3 (40mm) wordt gerealiseerd. Hierbij wordt voldaan aan criterium a van de algemene regel. Er is daarom geen vergunning vereist. 4) Omvangrijk uitbreidingsplan (31.000 m²) woonwijk De Kikkers in ’s-Hertogenbosch. De gemeente ’s-Hertogenbosch gaat op een nog onbebouwd terrein aan de rand van het centrum de nieuwe woonwijk De Kikkers ontwikkelen. Het uitbreidingsplan heeft een oppervlak 31.000 m² waarvan uiteindelijk 24.500 m² verhard gaat worden. De toename van het nieuw te verharden oppervlak bedraagt ruimschots meer dan 10.000 m². Voor dit plan dient in samenwerking met het waterschap een maatwerkoplossing uitgewerkt te worden voor de berging van 60 mm neerslag. Uitgaande van een gevoeligheidsfactor van 1 (stedelijk gebied) bedraagt de initiële compensatieopgave 1.470 m3 (24.500 m2 * 1 * 0,06 m). Hiervan kan afgeweken worden als dit met aanvullend geohydrologisch onderzoek onderbouwd kan worden. Voor het definitieve waterplan moet bij waterschap een vergunning worden aangevraagd. Wanneer overtollig hemelwater niet naar het oppervlaktewater in beheer bij het waterschap wordt afgevoerd maar naar het riool, dan is het noodzakelijk om tijdig met de gemeente ‘s-Hertogenbosch contact op te nemen. De gemeente kan hieraan voorwaarden verbinden. Bijlage2:Gedragslijn voor combinatie kwantiteits- en kwaliteitsberging Doel Deze gedragslijn geeft antwoord op de vraag in hoeverre een kwantiteitsberging in het kader van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO-buffer) op grond van de Keur gecombineerd kan worden met een kwaliteitsberging op grond van het Activiteitenbesluit. Het Activiteitenbesluit tracht de milieubelasting van de bedrijfsvoering te beperken met onder andere regels voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen, etc.. Met de Keur wordt (o.a.) voorkomen dat versnelde afvoer van hemelwater door uitbreiding van verharde oppervlakken leidt tot wateroverlast. Achtergrondinformatie Het Activiteitenbesluit milieubeheer is sinds 1 januari 2013 de officiële benaming voor het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Het Activiteitenbesluit vervangt – gefaseerd – een groot aantal milieubesluiten, waaronder het Besluit glastuinbouw en het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Daarnaast is met het oog op de waterberging in de glastuinbouw en de pot- en containerteelt het Besluit lozingen buiten inrichting relevant. Veel bedrijven die voor 1 januari 2008 een milieuvergunning hadden vallen nu ook onder het Activiteitenbesluit. Voor deze bedrijven vervalt hiermee de vergunningplicht. Gedragslijnen De vraag in hoeverre een kwantiteitsberging gecombineerd kan worden met een kwaliteitsberging speelt specifiek in situaties bij glastuinbouwbedrijven en de pot- en containerteelt (PCT). Voor beiden is een gedragslijn uitgewerkt. Omdat er vele verschijningsvormen van glastuinbouw en PCT zijn gelden onderstaande gedragslijnen voor min of meer “standaard bedrijfsvoeringen”. Het is altijd zaak dat initiatiefnemers in een vroegtijdig stadium contact opnemen met het waterschap over de juiste inpassing in het gebied, waarbij in specifieke bedrijfssituaties ruimte is voor een andere keuze dan de gedragslijn aangeeft. Glastuinbouw Voor glastuinbouw is het van belang om na te gaan of het hemelwater dat op de kas valt al dan niet verontreinigd raakt tijdens de procesvoering: Bovenstaande lijn is ook uitgewerkt in een stroomschema (onderstaand) waarbij tevens de benodigde volumen van de buffers (bassins) worden genoemd voor “standaard bedrijfsvoeringen”. Pot- en containerteelt Voor PCT geldt de onderstaande lijn: * voor aardbeienteelt 30 m3/ha ** AB = Activiteitenbesluit Dit betekent dat er voor een (standaard) PCT twee opties mogelijk zijn: Bijlage3:Voorbeelden van principes van afvoerconstructies Colofon Opgesteld in opdracht van de Stuurgroep Brabantbrede Keur, door: Werkgroep beleid: Lukas Schoenmakers (Brabantse Delta) Eric Hendrickx (De Dommel) John Jansen (Aa en Maas) Werkgroep Hydrologie Steffie de Keijzer (Aa en Maas) Rimbaud Lapperre (Aa en Maas) Kees Peerdeman (Brabantse Delta) Geactualiseerde versie, augustus 2017