Protocol vermoeden integriteitsschending politieke ambtsdragers gemeente Sliedrecht 2018.I Algemene bepalingen Artikel1Algemeen Onder politieke ambtsdrager worden verstaan: de burgemeester, een wethouder of een (burger)raadslid. Onder melder wordt verstaan een ieder die een vermoeden van integriteitsschending meldt overeenkomstig het bepaalde in dit protocol. Integriteitsschending: een gedraging van een politieke ambtsdrager die in strijd is met het handelen als 'goed volksvertegenwoordiger' of 'goed bestuurder'. Het kan gaan om feiten die wettelijk strafbaar zijn, maar ook om handelingen die in strijd zijn met geschreven of ongeschreven regels. Bij het gebruik van dit protocol is de 'Gedragscode integriteit (burger)raadsleden gemeenteraad Sliedrecht 2016', en de 'Gedragscode integriteit burgemeester en wethouders gemeente Sliedrecht 2016' het uitgangspunt. De burgemeester, de (burger)raadsleden en de wethouders ontvangen na inwerkingtreding of bij hun aantreden een exemplaar van dit protocol. Het protocol is openbaar en door derden te raadplegen. Contactpersoon integriteit politieke ambtsdragers is de raadsgriffier: bij hem kan de melding vermoeden integriteitsschending worden gedaan. Dat kan ook rechtstreeks bij de burgemeester; hij voorziet de melder van informatie over de procedure; hij adviseert gevraagd en ongevraagd de burgemeester als portefeuillehouder integriteit. Onder externe onderzoeker wordt verstaan de onderzoeker of het onderzoeksbureau die in opdracht van de burgemeester onderzoek doet naar aanleiding van een melding van een vermoeden van integriteitsschending. II Procedurele bepalingen Artikel2Melding Een melding van een vermoeden van integriteitsschending door een politieke ambtsdrager kan, al dan niet via de contactpersoon integriteit politieke ambtsdragers, door een ieder bij de burgemeester worden gedaan. Indien de melding over de burgemeester gaat, wordt de melding gedaan bij de locoburgemeester. Anonieme meldingen worden in beginsel niet behandeld. Een ieder die betrokken is bij de behandeling van een melding maakt de identiteit van de melder niet bekend zonder zijn instemming. Nadat de burgemeester is geïnformeerd over het vermoeden van een integriteitsschending begaan door een politieke ambtsdrager, bevestigt hij de ontvangst van de melding schriftelijk aan de melder. Nadat de ontvangst van de melding is bevestigd, onderzoekt de burgemeester ambtshalve de melding tegen de achtergrond van de vraag of zij zodanig concreet is en van een zodanige ernst dat een vooronderzoek als bedoeld in artikel 3 noodzakelijk is. De burgemeester bespreekt alle meldingen met de contactpersoon integriteit politieke ambtsdragers. Meldingen over de burgemeester of een wethouder worden ook met de gemeentesecretaris besproken. Meldingen over (burger)raadsleden kunnen met de gemeentesecretaris worden besproken. De burgemeester kan zich ook laten adviseren door het presidium of een extern deskundige (o.a. het Steunpunt Integriteitsonderzoek Politieke Ambtsdragers). Indien de burgemeester vaststelt dat de melding onvoldoende concreet is dan wel een onvoldoende ernstig karakter heeft, besluit hij het onderzoek niet verder voort te zetten. Van deze beslissing worden de melder en de politieke ambtsdrager over wie de melding is gedaan schriftelijk binnen drie werkdagen in kennis gesteld. Indien de burgemeester vaststelt dat de melding voldoende concreet en een voldoende ernstig karakter heeft, besluit hij een vooronderzoek als bedoeld in artikel 3 in te stellen. Indien de melding over de burgemeester gaat, neemt de locoburgemeester het besluit als bedoeld in lid 7 en 8 van dit artikel, maar niet voordat hij de Commissaris van de Koning van de melding in kennis heeft gesteld. Artikel3Vooronderzoek Het vooronderzoek vindt plaats op een door de burgemeester te bepalen wijze, waarbij voor de betreffende melding de meest geëigende onderzoeksmethode wordt gekozen. Van het vooronderzoek wordt een rapport van bevindingen opgemaakt. De burgemeester doet mededeling van de resultaten van het vooronderzoek aan het presidium en het college. Als het vooronderzoek geen aanleiding geeft voor het instellen van een nader onderzoek, besluit de burgemeester het onderzoek niet verder voort te zetten. Van deze beslissing worden de melder en de politieke ambtsdrager over wie de melding is gedaan schriftelijk in kennis gesteld. Indien op grond van de bevindingen uit het vooronderzoek de noodzaak blijkt tot het verrichten van een nader onderzoek, besluit de burgemeester een feitenonderzoek als bedoeld in artikel 4 in te stellen. Indien de melding over de burgemeester gaat, neemt de locoburgemeester het besluit als bedoeld in lid 4 en 5 van dit artikel, maar niet voordat hij de Commissaris van de Koning van zijn voornemen in kennis heeft gesteld. Artikel4Feitenonderzoek Van de beslissing een feitenonderzoek in te stellen wordt met inachtneming van artikel 5 de betrokken politieke ambtsdrager in kennis gesteld. Tevens wordt het presidium, het college en de melder in kennis gesteld. De locoburgemeester stelt ook de Commissaris van de Koning van de beslissing in kennis in het geval de melding over de burgemeester gaat. De burgemeester kan een schriftelijke opdracht voor het feitenonderzoek aan een onafhankelijke externe onderzoeker verstrekken. De opdracht wordt voorbereid door de externe deskundige als adviseur van de burgemeester. Indien de melding over de burgemeester gaat, verstrekt de locoburgemeester de opdracht. De externe deskundige is dan adviseur van de locoburgemeester. In de opdracht is in ieder geval opgenomen: de aanleiding van het feitenonderzoek; de onderzoeksopdracht met duidelijk omschreven onderzoeksvragen en -methoden; de verwachte duur van het feitenonderzoek; de overeengekomen kosten van het feitenonderzoek; van welke bevoegdheden de externe partij gebruik mag maken; dat de externe partij werkt met inachtneming van dit protocol. De bevindingen uit het feitenonderzoek worden vastgelegd in een onderzoeksrapportage als bedoeld in artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.