← Nederland

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning Beleidsr

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2019Het college van burgemeester en wethouders gelet op: titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2019; de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2019; overwegende dat het college het voor de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen; besluit vast te stellende navolgende: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2019 1 Algemene bepalingen 1.1 Inleiding Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht: "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift zoals de Verordening maatschappelijke ondersteuning. Beleidsregels gaan over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of over hoe bepalingen in de verordening door het college worden toegepast. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. 1.2 Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Financieel besluit: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Dinkelland 2019; Gewaarborgde hulp: hulp van een derde die door de cliënt is ingeschakeld en van wie voldoende aannemelijk is gemaakt dat deze kan in staan voor nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen; Nadere regels: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Dinkelland 2019; Uitraasruimte: een verblijfsruimte waar de cliënt die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan komen; Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2019; Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning. Verder geldt dat alle begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2019, de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Algemene Wet bestuursrecht (Awb). 2 De procedure Artikel 2.3.2 van de wet Artikel 2.3.3 van de wet Hoofdstuk 2 van de verordening 2.1 Inleiding De wet schrijft voor dat de burger met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zijn hulpvraag eerst moet melden bij het college. Dan bestaat er recht op een onderzoek. Het college kan op deze manier in samenspraak met de cliënt en zijn eventuele mantelzorger eerst zorgvuldig de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen in kaart brengen. De wet voorziet in voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen en bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek (na de melding van de hulpvraag) moeten worden meegenomen. Pas na het verstrekken van het verslag met de onderzoeksresultaten kan een aanvraag worden gedaan. De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn niet van toepassing op de procedure van de melding en het onderzoek. Het onderzoek behoort wel tot de voorbereiding van het besluit (art. 3:2 Awb). Verordening De verordening is voor wat betreft de toegang tot maatschappelijke ondersteuning procedureel ingericht zodat het voor de inwoners van de gemeente Dinkelland duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij zich hebben gemeld. Daarbij kan de cliënt gebruik maken van cliëntondersteuning. De wet schrijft voor dat het college een verslag aan de cliënt verstrekt met daarin de onderzoeksresultaten. Daaruit kan de cliënt afleiden of hij in aanmerking komt voor ondersteuning. De verordening maakt één uitzondering op het voeren van een gesprek en het verstrekken van een verslag. Namelijk als de ondersteuningsbehoefte genoegzaam bekend is bij het college én de cliënt daarvoor toestemming geeft. Na de melding wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld zijn eigen persoonlijk plan in te dienen. Daaruit kan het college afleiden waarom de cliënt van mening is dat hij ondersteuning van de gemeente nodig heeft. Verder heeft het college een voorlichtingsplicht. Die bestaat uit het informeren van de cliënt onder welke voorwaarden hij in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden budget (pgb) en wat de eventuele hoogte is van de bijdrage in de kosten voor voorzieningen. Nadat het onderzoek is afgerond kan de cliënt een aanvraag indienen. Daarvoor kan het verslag op voorgeschreven wijze worden gebruikt. Bij de beslissing op de aanvraag vormt het verslag en het eventueel ingediende persoonlijk plan van de cliënt het uitgangspunt. Criteria verordening In de verordening zijn diverse criteria vastgesteld. Die criteria verschillen naar gelang de aard van de ondersteuning waarop de cliënt is aangewezen. Het college baseert de beslissing op de aanvraag mede op basis van de verordening. 2.2 Onderzoeksverplichting De wet schrijft voor dat het college een onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als de cliënt dat bij het college heeft gemeld. De onderwerpen die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen zijn neergelegd in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet. Stappenplan In CRVB:2018:819 heeft de Centrale Raad van Beroep zich voor het eerst uitgesproken over (onder meer) de vraag waar een onderzoek van het college aan moet voldoen wanneer een burger zich meldt met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Wanneer een melding wordt gedaan voor maatschappelijke ondersteuning moet het college allereerst vaststellen: wat de hulpvraag is; en welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving, in geval van beschermd wonen en opvang. wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is. Het onderzoek moet er vervolgens op gericht zijn of en in hoeverre: de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk, en voorliggende (algemene) voorzieningen, de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Zijn die mogelijkheden ontoereikend, dan zal het college een maatwerkvoorziening moeten verlenen. Wanneer het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, mag een specifiek deskundig oordeel en advies niet ontbreken. 2.3 Spoedeisend geval Aangezien het onderzoek zes weken in beslag kan nemen, moet het college tijdens het onderzoek na een melding in spoedeisende gevallen onverwijld een passende tijdelijke maatregel nemen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van betrokkene (art. 2.3.3 van de wet). De noodzaak om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn. Onder een spoedeisende situatie kan ook een tijdelijke indicatie vallen gedurende de periode van de beslissing op de aanvraag om een indicatie voor de Wet langdurige zorg (EK 2013/14, 33 841, G, p. 24). In die gevallen stelt het college een tijdelijke indicatie. Het ligt voor de hand dat ook een tijdelijke indicatie wordt afgegeven voor persoonlijke verzorging en/of verpleging op grond van de Zorgverzekeringswet. Een indicatie daarvoor wordt door de wijkverpleegkundige gesteld. 2.4 Inlichtingen- en medewerkingsplicht Om een onderzoek volledig uit te kunnen voeren is het van belang dat de cliënt daaraan zijn medewerking verleend. In artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet is bepaald dat de cliënt dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Deze verplichting geldt naar analogie van artikel 4:2 van de Awb. Artikel 2.3.8 van de wet bepaalt de inlichtingen- en medewerkingsplicht voor cliënten aan wie een ondersteuning is verstrekt. 2.5 Zelfredzaamheidsmatrix De wet schrijft niet voor op welke manier het college het onderzoek moet doen. De Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) kan daarbij een hulpmiddel zijn, dit met in achtneming van de privacy-regels en de uitvraag van gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de wet. De ZRM is een instrument om de mate van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt overzichtelijk in kaart brengen. De ZRM heeft dertien domeinen waarop dat kan worden beoordeeld. De domeinen van de ZRM zijn: Financiën Werk & Opleiding Tijdsbesteding Huisvesting Huiselijke relaties Geestelijke gezondheid Lichamelijke gezondheid Middelengebruik Basale-ADL Instrumentele-ADL Sociaal netwerk Maatschappelijke participatie Justitie Het ligt mogelijk niet voor de hand dat het college voor alle maatwerkvoorzieningen gebruik maakt van de ZRM. Maar de ZRM kan zeker meerwaarde hebben om de mate van zelfredzaamheid van de cliënt zo goed en volledig mogelijk in kaart te kunnen brengen. 2.6 Maatwerk Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Dinkelland komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. Passende bijdrage Bij de beslissing op de aanvraag gaat het om maatwerk. Uit de wet volgt dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dat wil zeggen dat het bij het bieden van maatwerk om een resultaatverplichting gaat. Het resultaat kan op verschillende manieren worden bereikt. Daarom is het bij het onderzoek na de melding van de hulpvraag van groot belang dat het onderzoek zich richt op het bereiken van een resultaat. Dit in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociaal netwerk. Het resultaat van de ondersteuning zal waar mogelijk én nodig zo veel mogelijk moeten aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt zelf en zijn sociale omgeving. Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat er om dat de cliënt in aanvaardbare mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving (vergelijk CRVB:2012:BV5448). 2.7 Twents model Het Twents model voor de inkoop van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp sluit aan op het uitgangspunt van maatwerk. Voor zover van toepassing (aard van de ondersteuningsbehoefte) is daar ook de procedure (melding hulpvraag) op ingericht. De gecontracteerde aanbieders kunnen ook dragen bij aan maatwerk. Het college kan gebruik maken van de deskundigheid van de aanbieder om meer duidelijk te krijgen over de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Het college zal periodiek beoordelen of het resultaat door de ondersteuning van de aanbieder ook daadwerkelijk wordt bereikt. De Beleidsregels strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van ondersteuning te komen voor inwoners van de gemeente Dinkelland die niet of nog niet zelf dan wel met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en/of participatie. Kernbegrippen zijn: eigen verantwoordelijkheid; uitgaan van te bereiken resultaten; en het leveren van maatwerk. 2.8 Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening De wet kent slechts één weigeringsgrond. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen, behoudens het overgangsrecht (art. 2.3.5, zesde lid, en art. 8.6.a van de wet). Opgemerkt wordt dat het hier bedoelde overgangsrecht niet geldt als de ondersteuningsbehoefte betrekking heeft op: huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, groepsondersteuning of kortdurend verblijf. Dat wil zeggen dat het college bij de melding van hulpvraag altijd onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een indicatie. Opgemerkt wordt dat het hebben van een psychiatrische grondslag alleen geen toegang geeft tot de Wlz (art. 3.2.1 Wlz). Er is wel een wetswijziging aangekondigd die daar verandering in aanbrengt. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2021. 3 Beoordeling van de aanspraak Artikel 2.3.5 van de wet Hoofdstuk 3 van de verordening 3.1 Inleiding De cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Dinkelland kan aanspraak maken op ondersteuning van de gemeente Dinkelland. Door de toevoeging ‘zal hebben’ wordt cliënten niet de mogelijkheid ontnomen naar de gemeente Dinkelland te verhuizen. 3.2 Algemene uitgangspunten Eigen kracht Het college meent dat de eigen kracht een belangrijk onderdeel vormt van de beoordeling of iemand is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daaronder wordt dat verstaan wat naar oordeel van het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en/of participatie te komen. De cliënt zal zich -in een door het college te beoordelen mate- moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. Daarbij zal het college bijvoorbeeld rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd. Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen (zie begripsbepalingen van de verordening). Als naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. Mantelzorg Mantelzorg is niet afdwingbaar. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. Het is daarom van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja welke ondersteuningsbehoefte de mantelzorger heeft zodat de taken kunnen worden volgehouden. Zie verder hoofdstuk 5 van deze beleidsregels. Personen uit het sociale netwerk Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring. Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie worden verminderd of weggenomen. 3.3 Eigen verantwoordelijkheid In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt daarom betrokken bij het onderzoek en de beslissing op aanvraag. Zelf of met anderen Als het college van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om ondersteuning afgewezen. Het spreekt voor zich dat het college dat telkens in het individuele geval moet beoordelen. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is dan ook afhankelijk van de individuele situatie. In de onderstaande tekst staan voorbeelden genoemd die zijn gebaseerd op de jurisprudentie die onder de Wmo tot stand is gekomen. Aangenomen wordt dat deze van overeenkomstige toepassing is. Het gesprek na de melding van de hulpvraag In het gesprek met de cliënt kunnen allerlei oplossingen worden besproken die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Hierna staan een aantal voorbeelden genoemd wanneer dat de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren. Herinrichting woning Van de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht zodat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verleend (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429). Aanspreken woningeigenaar Van de cliënt mag worden gevergd dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Is er mede gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van die gebreken, dan zal het college een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een financiële maatwerkvoorziening (verhuiskostenvergoeding) moeten verstrekken (CRVB:2013:2509). Voorliggende voorziening Zoals gezegd speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt in de Wmo 2015 een hele belangrijke rol. Dat brengt mee dat het in principe onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt valt een beroep te doen op een ‘andere wettelijke regeling’ die een aanspraak meebrengt met het oog op de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning (zie bepaling in de verordening). Denk aan het afsluiten van en/of gebruik te maken van een aanvullende zorgverzekering ook al is die niet in alle gevallen dekkend (vergelijk CRVB:2013:CA1427). Denk bijvoorbeeld ook aan gebruikmaking van (laagdrempelig toegankelijke) paramedische zorg als bedoeld in de Zvw vanwege lichamelijke en psychische klachten (CRVB:2011:BT7241). Onder de eigen verantwoordelijkheid valt ook de inzet van gelden uit een dergelijke aanspraak met het oog op een specifieke bestemming. Denk bijvoorbeeld aan een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (vergelijk CRVB:2012:BV9433). Risicosfeer Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd. Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het college kunnen worden tegengeworpen (vergelijk CRVB:2014:1161 en CRVB:2013:BZ7735). Denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een woning die niet geschikt is in verband met de iemands beperkingen of verhuizen naar een woning waarvan te voorzien is dat daarin beperkingen zullen worden ondervonden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de cliënt rolstoelgebruiker is en verhuist naar een woning met een trap maar zonder traplift. In de verordening is verder nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen of een traplift. 3.4 Algemeen gebruikelijk Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen zaak of dienst kunnen worden opgelost dan wel verminderd. Ratio Deze bepaling heeft als doel te voorkomen dat een maatwerkvoorziening wordt verstrekt terwijl, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen, aannemelijk is dat deze zou (hebben kunnen) beschikken over een algemeen gebruikelijke zaak of dienst als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een zaak of dienst is voor de cliënt als aanvrager algemeen gebruikelijk als deze: normaal in de handel verkrijgbaar is; en niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten; en naar geldende maatschappelijke normen past binnen het normale bestedingspatroon van de cliënt. Het is ter beoordeling aan het college of er op het moment van de aanvraag sprake is van een zaak of dienst die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in principe niet van belang (vergelijk RBARN:2012:BX8032 en CRVB:2018:1250). Bij structurele kosten zoals de maaltijdservice of de boodschappendienst kan dat anders zijn. Uit de jurisprudentie blijkt dat deze kosten ook passend worden geacht voor personen met een inkomen op het sociaal minimum (bijv. CRVB:2014:4276, CRVB:2017:1302, CRVB:2018:2182 en CRVB:2018:3093). Uitzonderingen zijn mogelijk als de zaak of dienst vanwege omstandigheden van de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om een plotseling optredende beperking waardoor algemeen gebruikelijk te achten zaken eerder dan normaal moeten worden vervangen. Zaken (roerend of onroerend) die zijn afgeschreven worden algemeen gebruikelijk geacht en als renovatie aangemerkt. Voorbeelden zijn badkamers (inclusief sanitair en kranen) of keukens. Beoordelingskader De eerste drie vragen hebben betrekking op de vraag of de zaak of dienst algemeen gebruikelijk is. De vraag onder punt vier gaat over het antwoord op de vraag of de zaak of dienst voor de persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk is. Het college beoordeelt de hier bovengenoemde vragen in hun onderlinge samenhang. Het enkele feit dat een zaak of een dienst normaal in de handel verkrijgbaar is wil nog niet zeggen dat het naar geldende maatschappelijke normen voor de persoon van de cliënt past binnen zijn normale bestedingspatroon. Dat vraagt dus telkens om een oordeel hoe het verstrekken van een maatwerkvoorziening aan een cliënt zich verhoudt tot de aanschaf (lees ook het kunnen beschikken) over een dergelijke zaak door een vergelijkbare persoon zonder beperkingen. Niet al te strikt Aan de andere kant wordt nadrukkelijk opgemerkt dat de beoordeling van de eerste drie geformuleerde vragen niet al te strikt moet worden gelezen. Het feit dat de cliënt niet zonder meer een fiets met hulpmotor zou aanschaffen betekent niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke zaak voor hem/haar kan zijn. Fietsen met hulpmotor zijn -in principe- algemeen gebruikelijk voor personen die ouder zijn dan 16 jaar. Een fiets met hulpmotor is vergelijkbaar met een brommer, ook qua kosten (CRVB:2010:BN1265). Bovendien is de beoordeling of iets algemeen gebruikelijk is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe algemeen maatschappelijke normen. Het spreekt voor zich dat de cliënt het pgb budget niet mag besteden aan een voor hem algemeen gebruikelijke zaak of dienst (zie art. 5.2, eerste lid, van de verordening). Betaalbaarheid condensdroger In CRVB:2005:AT8015 oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het kunnen beschikken over een condens droger, in de omstandigheden van belanghebbende, als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een condens droger niet een specifiek voor 'gehandicapten' ontwikkeld product is. Vervanging Het toepassen van het criterium “algemeen gebruikelijk” kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging van zaken. Immers, algemene gebruikelijke zaken worden door personen met en zonder beperkingen vervangen als zij (technisch) zijn afgeschreven. Een onverwachts optredende noodzaak Wanneer er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf of vervanging van een zaak en deze zijn oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt, kan dat een omstandigheid zijn waarom een algemeen gebruikelijke zaak voor de persoon als de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is. Denk vooral aan plotseling opgetreden beperkingen omdat de persoon in dat geval niet had kunnen voorzien dat hij aangewezen zou zijn op een dergelijke zaak. Wat onder plotseling wordt verstaan is in ieder geval afhankelijk van de algemene levensduur van de betreffende zaak. Renovatie Renovatie heeft betrekking op roerende of onroerende zaken die technisch of economisch zijn afgeschreven en onder normale omstandigheden ook vervangen zouden moeten worden (afschrijftermijn). In de Nadere regels worden de afschrijftermijnen van een aantal zaken genoemd. Voor personen met en zonder beperkingen geldt dat zaken na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. Meerkosten Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een zaak die voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is, kunnen soms toch onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Voorbeelden hiervan zijn: Meerkosten van een aankleedblad of aankleedtafel. De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles. Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Privaatrechtelijke verbintenis In het kader van de beoordeling of de aanvraag gericht is op een algemeen gebruikelijke zaak, kan onder omstandigheden betekenis toekomen aan het gegeven dat daar op grond van een privaatrechtelijke verbintenis aanspraak op kan worden gemaakt. Het college kan in die gevallen verlangen dat de cliënt deze aanspraak naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is algemeen gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen. Is de aanvrager de eigenaar van de woning zal hij dat zelf moeten realiseren. 4 Gebruikelijke hulp Artikel 1.1 van de wet (definitie) Artikel 3.1, eerste lid, van de verordening (beoordeling aanspraak) 4.1 Inleiding Gebruikelijke hulp is in de wet gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1 van de wet). Gebruikelijke hulp strekt zich daarom alleen uit tot personen die met de cliënt woonachtig zijn in een woning. De zogeheten leefeenheid bestaat uit de bewoners die gemeenschappelijk een woning bewonen met het oog op een huishouden te voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere andere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt kan worden gerekend. Dat wil zeggen dat volwassen huisgenoten alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie geen deel uitmaken van de leefeenheid. Het gaat om personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. In zo’n overeenkomst kan overigens wel zijn staan dat ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. In dat geval stemt het college de omvang van de ondersteuning daarop af. 4.2 Beleidsuitgangspunten In de wet staat voorop dat allereerst wordt bezien of en in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen (beperkingen) op te lossen of te verminderen. Onder gebruikelijke hulp wordt in ieder geval verstaan: het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken; het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie; het bieden van ondersteuning bij activiteiten of bezigheden die naar oordeel van het college volgens algemene aanvaardbare opvattingen tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren. Hiermee is geen limitatieve opsomming beoogd. Andere ondersteuning kan naar oordeel van het college ook volgens algemene aanvaardbare opvattingen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Dat is ook afhankelijk van de individuele situatie. 4.3 Beoordelingskader gebruikelijke hulp Huishoudelijke taken Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2018:2721, RBGEL:2018:2007, CRVB:2016:4351, CRVB:2015:3198). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen. Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie hoofdstuk 14 van de beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Overige taken of activiteiten Zoals gezegd bestaat het bieden van gebruikelijke hulp niet alleen uit het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp zich baseert het college op de volgende feiten en omstandigheden: De aard, omvang en te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt, tenzij het huishoudelijke ondersteuning betreft. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Ad. 1 De aard, omvang en te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt Het college inventariseert als eerste de hier genoemde omstandigheden. De aard De aard van de ondersteuningsbehoefte kan zeer divers zijn. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op hulp bij: Zelfzorg; de thuisadministratie; het plannen of ondernemen van dagelijkse activiteiten in het kader van participatie; of problematisch gedrag. De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de cliënt daarbij ondervindt. De mate waarin de cliënt ondersteuning nodig heeft zal eerst geïnventariseerd moeten worden (CRVB:2018:373). Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de cliënt wel zelf kan al dan niet met hulp van anderen of met gebruikmaking van bijvoorbeeld algemene voorzieningen. Het college houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar kan worden geboden. Zie verder onder het kopje ‘de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt’ van deze beleidsregels. De omvang Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning is daarbij ook van belang. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op ondersteuning bij het vervoer of de administratie of aansporing nodig hebben bij zelfzorg. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit, et cetera. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt. Ook kan de cliënt zijn aangewezen op permanent toezicht hetgeen zware eisen zal stellen aan de persoon die dat toezicht biedt. Permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid valt niet onder gebruikelijke hulp. De vraag is dan of deze persoon nog in staat is om daarnaast gebruikelijke hulp te bieden, zoals het uitvoeren van huishoudelijke taken. De totale omvang (en aard) van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat voor het uitvoeren van een deel van de taken of activiteiten niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel wordt als boven-gebruikelijk aangemerkt. Zijn er geen andere oplossingen beschikbaar, dan kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken. Kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte Afhankelijk van de aard van de beperking kan er een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte bestaan bij de cliënt. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de cliënt. In het algemeen geldt hiervoor een periode van drie maanden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Het kan gaan om hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen tot de (persoonlijke) levenssfeer behoort en dat om die reden geacht wordt onderling aan elkaar te worden geboden. Ad. 2. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp bieden. Immers huisgenoten binnen de leefeenheid voeren een huishouden met elkaar. Dat maakt hen ook verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. Algemene aanvaardbare opvattingen in de persoonlijke levenssfeer Het college houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn hulp: bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera. Denk ook aan het vervoer; bij of het overnemen van taken die tot een huishouden behoren zoals de thuisadministratie; aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc.; van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Verwezen wordt naar bijlage II Richtlijn gebruikelijke zorg van ouder(

  1. s)voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels. Echtgenoten/partners Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar in ieder geval meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene aanvaardbare opvattingen; de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg. Kinderen en ouders Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van kinderen aan hun ouders. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat voor begeleiding anders liggen. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(
  2. s)begeleiding bieden. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Huisgenoten ten opzichte van elkaar Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Ouders en kinderen Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 247 en 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(
  3. s)strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(
  4. s)normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie voor opvang van kinderen hoofdstuk 6 huishoudelijke ondersteuning van deze beleidsregels. Verwezen wordt naar bijlage II Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(
  5. s)voor minderjarige kinderen. Ad. 3.De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt. Kinderen binnen de leefeenheid In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat het college er van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Een volwassenen huisgenoot van 23 jaar en ouder dient het huishouden geheel over te nemen. Een 18- tot 23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen. Verder gelden de volgende uitgangspunten. Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen tussen 5-12 jaar worden hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, zoals rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Ad. 4.De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd Het kan voor komen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Geen gebruikelijke hulp verlangen Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de cliënt te bieden en deze vaardigheden niet kunnen worden aangeleerd wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht. 4.4 Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp In de volgende situaties gaat het college er in principe van uit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden: de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting; de huisgenoot is overbelast of dreigt dat te geraken; de huisgenoot heeft beperkingen en/of mist de kennis/vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren; de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(
  6. n)niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. In voorkomende gevallen kan het college al dan niet tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten zodat de cliënt en zijn huisgenoot in de gelegenheid worden gesteld een oplossing te vinden. Denk bijvoorbeeld aan kinderopvang. 4.5 Boven-gebruikelijke hulp Verder kan het zijn dat de naar algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk hulp substantieel wordt overschreden. Denk aan de situatie van een langdurige ondersteuningsbehoefte in combinatie met het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van noodzakelijke begeleiding. Ook kan de zorg van ouders voor kinderen boven-gebruikelijk zijn. In vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel kan deze zorg substantieel worden overschreden. In voorkomende gevallen kan een maatwerkvoorziening zijn aangewezen, tenzij (bij kinderen) aanspraak bestaat op begeleiding of persoonlijke verzorging op grond van de Jeugdwet. Zie voor huishoudelijke ondersteuning hoofdstuk 6 van de beleidsregels. 4.6 De verhouding tussen de draaglast en de draagkracht De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat is dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om daarover een oordeel te vormen. Verwezen wordt naar bijlage I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting van deze beleidsregels. Omvang planbare en onplanbare hulp Soms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te bieden is van invloed op de belastbaarheid van de degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid gevraagd wordt van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met de gebruikelijke zorg in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan dus zijn dat deze zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet. Dreigende overbelasting Wordt een beroep gedaan op (dreigende) overbelasting van de huisgenoot moet de cliënt dat aannemelijk maken. Op het college rust dan de plicht daar onderzoek naar in te stellen. De betreffende huisgenoot is dan overigens wel verplicht zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek. Weigert hij dit, dan kan het recht op een maatwerkvoorziening mogelijk niet worden vastgesteld. Voorkomen of oplossen overbelasting Wanneer er bij de huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, eigen mogelijkheden zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen zullen deze aangewend moeten worden. Er kan sprake zijn van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf onbetaald leveren van geïndiceerde zorg (verpleging en/of verzorging). In die gevallen kan het college overleggen of dat voor deze zorg aanspraak wordt gemaakt op de Zorgverzekeringswet zodat de (dreigende) overbelasting kan worden opgeheven. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten (buiten de gebruikelijke hulp) al dan niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Het spreekt voor zich dat de schoolprestatie daar niet onder mogen lijden. Zie ook bijlage I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels. 5 Mantelzorg, respijtzorg en kortdurend verblijf Artikel 1.1 van de wet (definitie) Artikel 3.1, eerste lid, van de verordening (beoordeling aanspraak) Artikel 4.5 van de verordening 5.1 Inleiding Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt. Dat wil zeggen dat in die gevallen geen sprake is van gebruikelijke hulp dan wel boven-gebruikelijke hulp. Wettelijk begrip In de wet wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1 van de wet). Niet verzilveren van een aanspraak Uit de wettelijke definitie van mantelzorg volgt dat de hulp of zorg die door de mantelzorger wordt geboden een wettelijke aanspraak vertegenwoordigd. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Afstemmen Het college mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17). Dit neemt overigens niet weg dat het bieden van mantelzorg (onbetaald) vrijwillig is. Ook zal het college oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Ondersteuning mantelzorg De ondersteuning aan de mantelzorger geeft geen aanspraak op een maatwerkvoorziening (RBNHO:2017:1022). Het college moet onderzoek doen naar de vraag of er behoefte is aan ondersteuning zodat de mantelzorger de taken uit kan blijven voeren. Daarnaast zijn er lokale of mogelijk regionale organisaties die daarin iets voor mantelzorgers kunnen betekenen. Wet langdurige zorg Ook kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft het college geen ondersteuningsplicht. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1, eerste lid onder g, van de Wlz). Wel kunnen deze verzekerden mogelijk gebruik maken van algemene voorzieningen. Hulpmiddelen Bij het bepalen van hulpmiddelen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Ook kan het zijn dat de mantelzorger niet of moeizaam in staat is om de rolstoel te duwen. Omdat de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening het uitgangspunt is, kan duwondersteuning op de rolstoel worden verstrekt. Overbelasting van de mantelzorger Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Van cliënt en mantelzorger mag in principe worden verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning) onderzoek doen naar mogelijkheden om de overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kunnen hierin ook een rol spelen. De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden hierbij meegewogen (zie bijlage I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels). Inzet van (tijdelijke) respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. 5.2 Respijtzorg De maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf passende te ondersteunen. Maatwerkvoorziening zijn immers in overwegende mate individueel gericht (zie art. 3.2, eerste lid onder c, van de verordening). Het college houdt in het algemeen rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Dat betekent dat de cliënt (tijdelijk) aangewezen kan zijn op een maatwerkvoorziening op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem deze ondersteuning te bieden. Dat is respijtzorg. Denk bijvoorbeeld aan groepsondersteuning. Respijtzorg moet worden onderscheiden van: de ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de hulpvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek (het gesprek) plaatsvindt. Het ligt niet voor de hand dat deze situaties snel zullen leiden tot het verlenen van een ondersteuning. De maatwerkvoorziening als respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend die daar mogelijk een bijdrage in de kosten voor verschuldigd is. 5.3 Kortdurend verblijf (wonen en verblijf) De wet kent één specifieke maatwerkvoorziening die kan worden verstrekt om de mantelzorger te ontlasten die gericht is op de ondersteuningsbehoefte kortdurend verblijf (art. 1.1.1 van de wet). Het college beoordeelt wel eerst of de cliënt in aanmerking kan komen voor een indicatie voor de Wlz. Nadat is vastgesteld dat de mantelzorger van de cliënt moet worden ontlast, dan geldt nog een ander criterium. De cliënt is door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg aangewezen op ondersteuning die gepaard gaat met permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid. Daarnaast is het zo dat geen sprake is van het bieden van noodzakelijke geneeskundige zorg. In dat geval zal de cliënt een beroep moeten doen op Eerstelijns verblijf op grond van de Zorgverzekeringswet. Het is ook mogelijk dat de cliënt op grond van zijn aanvullende zorgverzekering in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf. Wonen en verblijf Heeft het college vastgesteld dat de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid dan kan wonen en verblijf worden verstrekt. Daaronder wordt de (tijdelijke) vervanging van de thuissituatie verstaan. Dat wil zeggen de accommodatie waar het wonen en verblijf wordt geboden inclusief: het eten en drinken; verschillende hotelmatige aspecten, en een passend leefklimaat (ondersteuning per etmaal ter vervanging van de thuissituatie). Passend leefklimaat Welk leefklimaat passend is, is onder meer afhankelijk van de thuissituatie en de ondersteuningsbehoefte. Het kan zijn dat er geen bijzonderheden zijn en dat enkel de ‘normale’ thuissituatie wordt vervangen. Maar het kan ook zijn dat de cliënt in de eigen thuissituatie al een ondersteuningsbehoefte heeft bij: de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden; of de regie bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Niveau van de ondersteuningsbehoefte Voor zover het wonen en verblijf afhankelijk is van de ondersteuningsbehoefte, dan geldt voor deze cliënten in ieder geval dat er een noodzaak is voor toezicht waaronder ook 24 uurs ondersteuning in de nabijheid kan worden verstaan. 5.4 Mantelzorgwoning Woningen dus ook mantelzorgwoningen worden niet als maatwerkvoorziening verstrekt. Tijdens de wetsbehandeling van de Wmo 2015 is aangegeven dat initiatieven als mantelzorgwoningen aandacht verdienen en waar mogelijk belemmeringen tot plaatsing te worden verminderd. Zo zijn de regels voor omgevingsvergunningvrij bouwen vereenvoudigd. Daartoe is het Besluit omgevingsrecht gewijzigd (Stb. 2014, nr. 333). 6 Huishoudelijke ondersteuning Artikel 4.2 van de verordening 6.1 Inleiding Als een cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening kan het college ondersteuning in de vorm van huishoudelijke ondersteuning verstrekken. De inzet van huishoudelijke ondersteuning heeft als doel een bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is duidelijk geworden dat huishoudelijke ondersteuning binnen het bereik valt van de wet. 6.2 Inhoud huishoudelijke ondersteuning Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit een zestal modules met elk een eigen resultaat en objectief vastgestelde activiteiten, frequenties en normtijden. De zes modules zijn: Basismodule, bedoeld voor het realiseren van een leefbaar huis; Aanvullende module Extra hygiëne, voor het inzetten van ondersteuning met een hogere frequentie dan wat vanuit de basismodule geboden kan worden vanwege objectiveerbare medische/fysieke belemmeringen; Aanvullende module Wasverzorging, bedoeld voor het op orde en schoon houden van de kleding en het linnen- en/of beddengoed; Aanvullende module Maaltijdverzorging, bedoeld voor het beschikken over benodigde dagelijkse maaltijden; Aanvullende module Regie, bedoeld voor het voeren van de regie en het op orde houden van het huishouden; Aanvullende module Zorg voor minderjarige kinderen, bedoeld voor het bieden van ondersteuning voor een maximale duur van drie maanden wanneer ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor de zorg aan minderjarige, gezonde kinderen. De basismodule heeft betrekking op de woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning én die daadwerkelijk dagelijks in gebruik zijn. In principe zijn dit de volgende woonruimten: woonkamer; slaapkamer(s), in gebruik bij de cliënt en zijn huisgenoten; badkamer; toilet; keuken; verkeersruimten ( hal, overloop, bijkeuken); trap, mits één van de hierboven genoemde ruimten zich op een andere etage bevinden. Leefbaar huishouden Het te bereiken resultaat bestaat uit het kunnen wonen in een woning die leefbaar is. Dat wil zeggen op orde zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Ook staat leefbaar voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Het kunnen beschikken over een leefbaar huishouden heeft betrekking op de ruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning en die daadwerkelijk in gebruik zijn. De grootte van een huis(houden) is in het algemeen geen aanleiding om een aanvullende module toe te kennen. Geen huishoudelijke ondersteuning Uitgezonderd zijn activiteiten zoals de zorg voor dieren en planten en werkzaamheden die buiten de woning plaatsvinden zoals tuinonderhoud of ramen lappen aan de buitenkant of de grote schoonmaak. Objectieve en onafhankelijke normenkader Het normenkader voor de basismodule is gebaseerd op het “Onderzoek: Norm huishoudelijke ondersteuning in Twente” van het bureau HHM. De uitkomsten van dit onderzoek zijn ook bevestigd door verschillende andere onderzoeken naar een normenkader huishoudelijke ondersteuning in Nederland, zoals die voor de gemeente Utrecht en de gemeente Amsterdam. In aanvulling op het hierboven genoemde onderzoek, heeft bureau HHM op verzoek van de Twentse gemeenten een nader en verdiepend onderzoek gedaan naar het normenkader voor de aanvullende module wasverzorging. Daarbij zijn de activiteiten van de wasverzorging, zoals genoemd in het CIZ- protocol als uitgangspunt genomen. Bij de totstandkoming van de normenkaders voor de overige aanvullende modules is gebruik gemaakt van de meest recente versie van de CIZ richtlijn uit 2011 (MO-zaak). Het CIZ-protocol uit 2006 is door de Centrale Raad van Beroep voldoende onderbouwd en objectief bevonden. Door voortschrijdend inzicht, jurisprudentie en ervaringen uit de praktijk is in 2011 een herziende en geactualiseerde richtlijn opgesteld, waarbij het protocol uit 2006 als basis diende. De basismodule Bij de basismodule ondersteuning bij het huishouden wordt per woonruimte aangegeven welke activiteiten met welke frequentie moeten worden verricht om het resultaat leefbaar huishouden te behalen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen reguliere basisactiviteiten (tabel 1) en incidentele activiteiten (tabel 2) die beiden onder de basismodule vallen. De tijdsbesteding die hieronder in de kolom ‘Tijdsbesteding’ wordt weergegeven, betreft het aantal minuten dat gemiddeld voor deze activiteit aan de orde is in een gemiddelde situatie. Er wordt per cliënt bepaald bij welke activiteiten in welke frequentie ondersteuning noodzakelijk is vanuit de basismodule, en door de tijdsbesteding van deze activiteiten bij elkaar op te tellen kan de totale tijdsindicatie voor de basismodule worden berekend. 6.3 Beleidsuitgangspunten Bij het verlenen van huishoudelijke ondersteuning hanteert het college de volgende beleidsuitgangspunten. Eigen kracht/eigen verantwoordelijkheid Algemeen gebruikelijke zaken en/of diensten Gebruikelijke hulp Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg Gebruik van beschikbare, geschikte en financieel draagbare algemene voorzieningen Eigen kracht algemeen Onder eigen kracht wordt het vermogen verstaan een oplossing te vinden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt. Onder eigen kracht wordt ook het feitelijk in staat zijn tot het deels zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten verstaan. Onder eigen kracht wordt ook de eigen verantwoordelijkheid verstaan. Daaronder vallen: de aanwezigheid (lees ook: aanschaf) van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zo efficiënt mogelijke medewerking, et cetera (zie verder hierna). Eigen kracht: met inachtneming van leefregels Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen verantwoordelijkheid (lees ook: eigen kracht). Iemand ondervindt in zo’n geval geen beperkingen die het college met een maatwerkvoorziening moet compenseren. Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op huishoudelijke ondersteuning (vergelijk CRVB:2011:BP1804 en CRVB:2018:2721). Eigen kracht: zo efficiënt mogelijk Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden (lees ook: eigen verantwoordelijkheid) is het verlenen van medewerking, zodat de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen of (
  7. te)volle vensterbanken die - voordat de ramen aan de binnenkant gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (
  8. te)volle kasten met allerlei kleinheden, et cetera. Eigen verantwoordelijkheid: houden van huisdieren Heeft de cliënt huisdieren, dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet hoeft te leiden tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning. Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Als de cliënt is aangewezen op een zogeheten hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw, zal daar wel rekening mee moeten worden gehouden (RBGEL:2018:1741). Eigen verantwoordelijkheid: gesaneerde woning Verder is het zo dat bij huishoudelijke ondersteuning wordt uitgegaan van een gesaneerde woning, ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten, en worden deze dieren nog wel steeds door de cliënt gehouden, dan geldt in principe geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd. Algemeen gebruikelijk Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, waarmee de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, et cetera (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde zaken, die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke activiteiten zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau. Het kan ook zijn dat met een algemeen gebruikelijke zaak of dienst een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die (wel) bereikbaar is voor de cliënt, zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Gebruikelijke hulp De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de hoe de huishoudelijke activiteiten worden verdeeld en uitgevoerd. Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2018:2721, RBGEL:2018:2007, CRVB:2016:4351, CRVB:2015:3198). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen. Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie hoofdstuk 14 van de beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken (zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels). Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg De wet bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociale netwerk waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het college bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar (CRVB:2017:17). Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg. Algemene voorzieningen Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening een passende oplossing is voor de beperkingen, die door de cliënt worden ondervonden. Dat brengt met zich mee dat de cliënt niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan een was- en strijkservice of beschikbare vrijwilligers voor het doen van de boodschappen voor het dagelijks leven. 6.4 Activiteiten, frequentienorm en tijdsbesteding De activiteiten, frequentienorm en tijdsbesteding die nodig zijn om een bepaald resultaat te bereiken binnen de basismodule en/of aanvullende modules, is maatwerk. Tabel 1: basismodule ondersteuning bij het huishouden reguliere activiteiten Woonruimte Basisactiviteit Frequentie/norm Tijdsbesteding minuten Woonkamer Stof afnemen hoog 1x per 2 weken 3,7 Stof afnemen midden 1x per week 8,2 Stof afnemen laag 1x per week 4,3 Opruimen 1x per week 4,1 Stofzuigen 1x per week 8,5 Dweilen 1x per 2 weken 6,3 Slaapkamer Stof afnemen hoog 1x per 6 weken 2,2 Stof afnemen midden 1x per week 3,9 Stof afnemen laag 1x per week 2,4 Opruimen 1x per week 2,1 Stofzuigen 1x per week 4,6 Dweilen 1x per 4 weken 3,6 Bed verschonen 1x per 2 weken 8,3 Keuken Stofzuigen 1x per week 3,1 Dweilen 1x per week 3,1 Keukenblok (buitenzijde) inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventueel tafel 1x per week 9,7 Keukenapparatuur (buitenzijde) 1x per week 3,0 Afval opruimen 1x per week 4,7 Sanitair Badkamer schoonmaken 1x per week 11,7 Toilet schoonmaken 1x per week 6,2 Hal Stof afnemen hoog 1x per week 2,0 Stof afnemen midden 1x per week 2,3 Stof afnemen laag 1x per week 1,3 Stofzuigen 1x per week 3,0 dweilen 1x per 2 weken 2,4 Afstemming/sociaal contact Aankomst, vertrek, evt. afstemming derden, contact cliënt 1x per bezoek 21,9 Tabel 2: Basismodule ondersteuning bij het huishouden incidentele activiteiten Woonruimte Incidentele activiteit Frequentie/norm Tijdsbesteding Woonkamer Gordijnen wassen 1x per jaar 20,0 Reinigen lamellen/luxaflex 2x per jaar 1,1 Ramen binnenzijde 4x per jaar 12,0 Deuren/deurposten nat afdoen 1x per 8 weken 1,4 Meubels afnemen (droog/nat) 1x per 8 weken 5,8 Radiatoren afnemen 2x per jaar 2,4 Slaapkamer Gordijnen wassen 1x per jaar 16,8 Reinigen lamellen/luxaflex 2x per jaar 44,6 Ramen binnenzijde 4x per jaar 8,9 Deuren/deurposten nat afdoen 2x per jaar 1,6 Radiatoren afnemen 2x per jaar 0,6 Keuken Gordijnen wassen 1x per jaar 10,0 Reinigen lamellen/luxaflex 3x per jaar 15,0 Ramen binnenzijde 4x per jaar 5,4 Deuren/deurposten nat afdoen 1x per 8 weken 1,9 Radiatoren afnemen 3x per jaar 1,1 Keukenkastjes (binnenzijde) 2x per jaar 5,7 Koelkast (binnenzijde) 3x per jaar 5,4 Oven/magnetron (binnenzijde) 4x per jaar 3,4 Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid) 1x per jaar 5,7 Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - vaatwasser bestendig 2x per jaar 2,0 Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - niet vaatwasser bestendig 2x per jaar 0,6 Bovenkant keukenkastjes 1x per 6 weken 3,3 Tegelwand (los van keukenblok) 2x per jaar 2,2 Sanitair Radiatoren afnemen 2x per jaar 1,3 Tegelwand badkamer afnemen 4x per jaar 4,1 Gordijnen wassen 1x per jaar 5,0 Ramen binnenzijde 4x per jaar 0,8 Reinigen lamellen/luxaflex 3x per jaar 15,0 Deuren/deurposten nat afdoen 2x per jaar 1,9 Hal Radiator afnemen 2x per jaar 0,6 Trap stofzuigen 1x per 4 weken 3,2 Deuren/deurposten nat afdoen 2x per jaar 3,0 Module Extra hygiëne De module Extra hygiëne kan worden verstrekt wanneer sprake is van: Medische beperkingen waardoor een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is; Medische en/ of fysieke beperkingen die leiden tot een snellere vervuiling van het huis; De extra noodzakelijke ondersteuning bij het huishouden dient een medische en/ of fysieke oorzaak te hebben bij de cliënt, welke objectief medisch aantoonbaar is. Voorbeelden hiervan zijn (niet limitatief) ernstige klachten ten gevolge van COPD of een hogere vervuilingsgraad door gebruik van noodzakelijke hulpmiddelen. Extra huishoudelijke ondersteuning De module Extra hygiëne kan ook worden verstrekt wanneer extra huishoudelijke ondersteuning noodzakelijk is in verband met thuiswonende kind(eren) jonger dan 12 jaar. De module Extra hygiëne is qua activiteiten gelijk aan de basismodule. Alleen de frequentie van (enkele van) de activiteiten verschilt met de basismodule. De module Extra hygiëne kan worden verstrekt wanneer uit onderzoek door het college blijkt dat vanwege een objectiveerbare beperking zoals hiervoor genoemd, de hulpvraag van de cliënt de basismodule overstijgt. Bij de module Extra hygiëne is geen vaste frequentie te noemen bij huishoudelijke activiteiten. Dit omdat dit per cliënt verschillend kan zijn. In het verslag worden de specifieke activiteiten beschreven en met welke frequentie deze moeten worden verricht bij de cliënt. Licht en zwaar huishoudelijk werk Bij de module Extra hygiëne wordt onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar huishoudelijk werk aan de hand van de desbetreffende activiteiten. Het is mogelijk dat de cliënt extra ondersteuning nodig heeft bij zowel het licht als zwaar huishoudelijk werk, maar het is ook mogelijk dat dit bij een van beide noodzakelijk is. De maximale omvang van de module Extra hygiëne is maximaal 78 uren per jaar (maximaal 90 minuten per week). Tabel 3: Overzicht activiteiten module Extra hygiëne Activiteiten Maximale tijdbesteding in minuten per week Licht huishoudelijk werk (Bijvoorbeeld afstoffen) 30 minuten Zwaar huishoudelijk werk (Bijvoorbeeld stofzuigen en dweilen) 60 minuten Module Wasverzorging De module Wasverzorging kan worden verstrekt als een cliënt het niet lukt om zijn kleding, linnen- of beddengoed zelfstandig op orde en schoon te houden. Het resultaat van deze aanvullende module is dat de cliënt de beschikking heeft over schone en draagbare kleding en linnen- en/of beddengoed. Van de cliënt wordt verwacht dat hij beschikt over een wasmachine en droger. Als er geen wasmachine of droger is, behoort het realiseren van een wasmachine of droger tot de verantwoordelijkheid van de cliënt. Wanneer dit voor de cliënt financieel niet mogelijk is, kan de cliënt mogelijk aanspraak maken op het minimabeleid. Daarnaast wordt van de cliënt verwacht al het mogelijke te doen om het ontstaan van extra was te beperken. Door bijvoorbeeld incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten te gebruiken. Op basis van de onderzoeken van HHM is gebleken dat er gemiddeld vijf wassen per twee weken moeten worden gedaan. Dit betekent een frequentie van twee en halve (2,5) was per week, voor een meerpersoonshuishouden. Voor een eenpersoonshuishouden betreft dit gemiddeld twee wassen per week. Bij de module wasverzorging wordt er onderscheid gemaakt in vijf activiteiten op basis van het CIZ protocol. Tabel 4: Overzicht activiteiten module Wasverzorging Activiteiten Deelactiviteiten Frequentie Tijd per keer (min)* Tijd per was (min)* Wasgoed sorteren *) en wassen in wasmachine Wasgoed sorteren 1 keer per week 1,8 / 2,5 = 0,7 3,7 Wassen in wasmachine Elke was 3,0 Totaal = Wasgoed ophangen en afhalen Elke was 6,9 6,9 Wasgoed drogen in de droger Elke was 4,9 4,9 Wasgoed vouwen en opbergen Elke was 7,4 7,4 Totale tijd per was 22,8 Wasgoed strijken 1 keer per week 19,8 n.v.t *) Sorteren van wasgoed Het sorteren van het wasgoed hoeft niet bij elke was gedaan te worden, maar kan één keer per week plaatsvinden. Om deze activiteit te kunnen toedelen naar de tijd per was, (bij de activiteit “Wasgoed sorteren en wassen in de machine”) is het sorteren verdeeld over het aantal wassen dat wordt uitgevoerd. Hierbij is op basis van het gemiddeld aantal wassen per week als deelfactor 2,5 gebruikt (bij delen door “2” blijft de uitkomst per saldo gelijk door afronding). Uit onderzoek is gebleken dat wanneer cliënten ondersteuning nodig hebben bij de was en het strijken, zij vaak niet bij alle activiteiten met betrekking tot de was en het strijken ondersteuning nodig hebben. Wanneer ondersteuning noodzakelijk is vanuit de aanvullend module Wasverzorging, brengt het college in beeld welke activiteiten, eventueel met ondersteuning vanuit het sociale netwerk van de cliënt of door gebruik te maken van een algemene voorziening, de cliënt nog zelf kan uitvoeren. Het college brengt daarna in kaart bij welke activiteiten de cliënt ondersteuning nodig heeft vanuit de aanvullende module Wasverzorging. De cliënt krijgt dus ook alleen een indicatie voor ondersteuning bij die specifieke activiteiten. Gemiddeld meerpersoonshuishouden De totale tijd per week voor het wassen en strijken bij een gemiddeld meerpersoonshuishouden van cliënten met huishoudelijke ondersteuning, gaat uit van 2,5 wassen per week. Dat betekent (2,5 x 22,8) + 19,8 = maximaal 76,8 minuten per week ondersteuning bij de was en het strijken kan worden verstrekt vanuit de aanvullende module Wasverzorging bij een meerpersoonshuishouden. Gemiddeld eenpersoonshuishouden De totale tijd per week voor het wassen en strijken bij een gemiddeld eenpersoonshuishouden van cliënten met huishoudelijke ondersteuning, mag uitgegaan worden van twee was-gangen per week en komt daarmee uit op: (2 x 22,8) + 19,8 = maximaal 65,4 minuten per week ondersteuning bij de was en het strijken kan worden verstrekt vanuit de aanvullende module Wasverzorging bij een eenpersoonshuishouden. Naast deze activiteiten zijn er ook nog factoren waardoor meer hulp bij de wasverzorging noodzakelijk kan zijn. Hierbij kan gedacht worden aan (meerdere opties mogelijk): thuiswonende kind(eren) jonger dan 16 jaar; bedlegerige cliënten; extra bewassing in verband met overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies, etc. Als er sprake is van bovenstaande factoren dan kan aanvullend op de module Wasverzorging extra ondersteuning van maximaal 30 minuten per bovenstaande factor per week worden verstrekt. Module Regie Deze module kan worden verstrekt wanneer de cliënt met eigen kracht of met zijn sociale netwerk niet in staat is tot het voeren van regie, organiseren en plannen van de werkzaamheden met betrekking tot de huishoudelijke taken. Behalve dat er huishoudelijke taken moeten worden overgenomen, heeft de hulp ook aansturende- en regietaken. Daarbij geldt voor de ondersteuner een extra verantwoordelijkheid bij het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij de cliënt. Ook kan ondersteuning bestaan uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden. Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van de cliënt verwacht kan worden dat hij/zij zelfstandig beslissingen neemt ten aanzien van zijn huishouden. Of als disfunctioneren dreigt door bijvoorbeeld dementie. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijkheid van huisgenoten. Hierdoor wordt de cliënt zowel binnen- als buitenshuis belemmerd in zijn functioneren. Bij de aanvullende module regie kan overwogen worden of deze vanuit de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning moet worden verstrekt of een andere maatwerkvoorziening meer passend is bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Een afweging die hierbij gemaakt kan worden is of de ondersteuning gericht is op het huishouden of dat er ook ondersteuning op andere gebieden noodzakelijk is. Bij de ondersteuning bij het voeren van regie wordt de cliënt betrokken bij te maken keuzes en wordt zoveel mogelijk verantwoordelijkheid bij de cliënt neergelegd. Daarbij wordt aangesloten bij de capaciteiten, intellectuele vaardigheden en het leervermogen van de cliënt. Bij een deel van deze groep cliënten is waarschijnlijk geen sprake van ontwikkelingsmogelijkheden, eerder van afnemende zelfredzaamheid. Het bewaken of het nog verantwoord is dat de cliënt zelfstandig woont, is daarom onderdeel van deze module. In de onderstaande tabel zijn de activiteiten voor de module Regie opgenomen. Tabel 5: Overzicht activiteiten module Regie Activiteiten Maximale tijdbesteding in minuten per week Organisatie van huishoudelijke taken; Plannen en beheren van middelen m.b.t. het huishouden 30 minuten Factoren voor meer hulp Thuiswonende kinderen jonger dan 16 jaar 30 minuten Psychogeriatrische problematiek en/of gedragsproblematiek 30 minuten Communicatieproblemen als gevolg van beperkingen, niet door het niet machtig zijn van de Nederlandse taal 30 minuten Daarnaast is het mogelijk dat de cliënt extra ondersteuning nodig heeft bij advies, instructie en voorlichting gericht op een of meerdere activiteiten in het huishouden voor de maximale duur van zes weken. In de onderstaande tabel zijn de hiervoor geldende activiteiten opgenomen. Tabel 6: Overzicht activiteiten sub-module instructie Activiteiten Maximale tijdbesteding in minuten per week Instructie omgaan met (technische) hulpmiddelen; Instructie bij huishoudelijke taken; boodschappen doen, maaltijd bereiden, het licht en zwaar huishoudelijke werk, de wasverzorging en de dagelijkse organisatie van het huishouden. 30 minuten per activiteit (maximaal 90 minuten per week en dit komt bovenop de normtijd die geldt voor overnemen van de activiteit). Module maaltijdverzorging Ondersteuning bij de maaltijden valt gedeeltelijk onder de Wmo 2015. Het (voor)bereiden van maaltijden en het eventueel begeleiden (stimuleren of herinneren) bij de maaltijden valt onder de Wmo 2015. De module Maaltijden kan worden verstrekt als het een cliënt niet lukt om zelfstandig de benodigde dagelijkse maaltijden te bereiden of vergeet op te eten. Deze module bestaat uit activiteiten die moeten worden verricht om het resultaat “beschikken over benodigde dagelijkse maaltijden” te bereiken. ondersteuning bij maaltijden kan onder de Zorgverzekeringswet vallen als: een cliënt niet in staat is zelfstandig te eten en te drinken (in zijn mond doen); maaltijdondersteuning medisch noodzakelijk is (bijv. bijvoeding); toezicht tijdens het eten noodzakelijk is. Tijdens het onderzoek worden alle mogelijkheden beoordeeld. Denk bijvoorbeeld aan: Is er een huisgenoot aanwezig die in staat is de maaltijd klaar te zetten en/of op te warmen? Zo ja, dan hoeft het college op grond van gebruikelijke hulp geen ondersteuning te bieden. Kan cliënt op eigen kracht of met ondersteuning van de mensen om hem heen een maaltijd verzorgen? Is een kind of één van de buren in staat een maaltijd klaar te zetten of op te warmen? Ook wordt bij het onderzoek beoordeeld of een algemeen gebruikelijke diensten of algemene voorzieningen een oplossing kunnen bieden, zoals kant-en-klaarmaaltijden, mee-eten bij een welzijnsvoorziening (bijvoorbeeld een open eettafel of inloophuis), maaltijdbezorging aan huis (bijvoorbeeld tafeltje-dek-je), etc. Als een cliënt niet (meer) in staat is zelf of met hulp van de omgeving maaltijden te verzorgen en voorliggende oplossingen niet of onvoldoende toereikend zijn, kan ondersteuning vanuit de aanvullende module Maaltijden worden verstrekt. De kosten voor de aanschaf van de maaltijden komen ten laste van de cliënt. In de onderstaande tabel zijn de activiteiten voor de module maaltijden opgenomen. Tabel 7: Overzicht activiteiten aanvullende module Maaltijden op grond van de normen uit het CIZ protocol Broodmaaltijd bereiden (smeren) Frequentie Maximale tijdbesteding in minuten per maaltijd Broodmaaltijd klaar zetten, tafel dekken Maximaal twee keer per dag 15 minuten Koffie/thee zetten Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine Warme maaltijd bereiden, koken of opwarmen Maximaal één keer per dag 15 minuten (opwarmen) 30 minuten (koken) Warme maaltijd klaar zetten, tafel dekken Koffie/thee zetten Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine Factoren voor meer hulp Kind(eren) < 12 jaar 20 minuten per maaltijd Broodmaaltijd Een broodmaaltijd kan één keer per dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de jurisprudentie qua frequentie (CRVB:2016:2960, CRVB:2011:BU5492). Daarnaast is het mogelijk dat cliënten ondersteuning nodig hebben bij de boodschappen. Hiervoor geldt dat bijvoorbeeld een boodschappenservice via een supermarkt in principe als algemeen gebruikelijke dienst wordt aangemerkt. Eigen keuzes, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt wordt aangeboden, waardoor extra reizen nodig is of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, resulteert niet in extra tijd voor boodschappen doen. Voor de boodschappen gelden de volgende activiteiten: Tabel 8: Overzicht activiteiten sub-module Boodschappen Activiteiten Maximale tijdbesteding in minuten per week Boodschappen samenstellen 60 minuten Boodschappen inkopen Boodschappen opslaan Factoren voor meer hulp Leefeenheid > 4 personen 60 minuten Kind(eren) < 12 jaar 60 minuten Afstand tot dichtstbijzijnde winkel is > 2 km 30 minuten Module zorg voor minderjarige kinderen Het zorgen voor kinderen is een taak van ouders en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door een beperking niet in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van één van de ouders, de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg daar waar mogelijk overneemt. Een eventuele maatwerkvoorziening is er voor ouders die door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor de zorg voor minderjarige, gezonde kinderen. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een structurele oplossing. Ondersteuning vanuit deze module wordt afgegeven met een maximale duur van drie maanden om ouders/verzorgers de mogelijkheid te bieden een (structurele) oplossing te creëren. Van hen mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij moet ook bekeken worden of de persoon aanspraak kan maken op ondersteuning via de Zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo 2015. Tevens zijn mogelijkheden zoals zorgverlof, crèche, kinderopvang, buitenschools/tussenschoolsopvang en gastouders voorliggende oplossingen voor de opvang van kinderen. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat. In de onderstaande tabel zijn de activiteiten van de module Zorg voor minderjarige kinderen opgenomen. Tabel 9: Overzicht activiteiten module zorg voor kinderen op grond van de normen uit het CIZ protocol Activiteiten Maximale tijdbesteding in minuten per activiteit per kind Naar bed brengen / uit bed halen 10 minuten per keer per kind Wassen en aankleden 30 minuten per dag per kind Eten en/of drinken geven 20 minuten (broodmaaltijd) of 25 minuten (warme maaltijd) Babyvoeding (flesje/ borstvoeding) 20 minuten per keer per kind Luier verschonen 10 minuten per keer per kind Naar school/crèche brengen/halen 15 minuten per gezin Factoren voor meer hulp Als opvang noodzakelijk is Tot 40 uur per week 6.5 Algemene voorziening wassen en strijken Als onderdeel van de huishoudelijke ondersteuning is in de gemeenten Tubbergen en Dinkelland een algemene voorziening was- en strijkservice opgezet. Alle inwoners van de gemeenten Dinkelland en Tubbergen kunnen gebruik maken van deze voorziening. De algemene voorziening voor de was en strijk kan voorzien in de ondersteuningsbehoefte van het grootste deel van de inwoners voor het wassen en strijken en is daarom een goed alternatief voor het inzetten van een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor de was en strijk. De was- en strijkservice kan gebruikt worden voor alle soorten was (kleding en linnen en/of beddengoed). Het voordeel van deze algemene voorziening is dat het gecombineerd kan werken met verschillende andere maatschappelijke doelen, zoals: het combineren van de was en strijk met andere vrij toegankelijke voorzieningen, zoals de mogelijkheid van het samen koffie drinken of eten van een warme maaltijd. Hierdoor gaan mensen het huis uit en zijn ze onder de mensen, wat het welzijn van mensen en deelname aan de samenleving bevorderd; het inzetten van mensen met een arbeidsbeperking voor het uitvoeren van de algemene voorziening. De aard van het werk (opleidingsniveau) maakt het geschikt voor het werken met mensen met een arbeidsbeperking (bijvoorbeeld voor mensen die staan geregistreerd in het doelgroepenregister vanuit de Participatiewet). Omvang Inwoners van de gemeente Dinkelland kunnen twee keer per week gebruik maken van een was- en strijk service die is gevestigd binnen het Kulturhus de CoCeR in Rossum. Voor de gemeente Tubbergen is dit het geval bij ’t Eschhoes in Vasse. In beide gevallen is de was- en strijkservice gecombineerd met de dorpshuiskamer in het desbetreffende dorp. De was kan op twee vaste momenten bij cliënten thuis opgehaald en gebracht worden. Cliënten zijn zelf verantwoordelijk voor het aanwezig zijn op deze momenten of om hiervoor een eventueel alternatief te regelen. Het is ook mogelijk om de was zelf te brengen en/of te halen. In dit geval krijgen mensen bijvoorbeeld een gratis kopje koffie. Bijdrage in de kosten Cliënten die op grond van de Wmo 2015 zijn verwezen naar deze voorziening, betalen € 5 per waszak. De bijdrage voor de was- en strijkservice betalen cliënten direct aan de aanbieder zelf. 7 Begeleiding en groepsondersteuning Artikelen 4.3 en 4.4 van de verordening 7.1 Inleiding Met de maatwerkvoorzieningen begeleiding en groepsondersteuning wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1 van de wet). Het bieden van dagbesteding kan een vorm zijn van begeleiding, die bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, zodat deze langer in de eigen leefomgeving kan blijven. Dit omvat structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij een cliënt actief wordt betrokken en wat hem zingeving verleent. Zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving. Zelfredzaamheid en participatie worden samengevat in dagelijkse handelingen en praktische zaken. Daaronder wordt verstaan: eten medicatie gebruik drinken in en uit bed komen, in stoelen gaan zitten en weer opstaan bewegen, lopen, verplaatsen ontspanning zinvolle activiteit, invulling van de dag, tijdsbesteding etc. aan- en uitkleden gesprek voeren toiletgang lichaamswarmte regelen (bv. kachel hoger/lager kunnen zetten, bijbehorende kleding uitkiezen) lichamelijke hygiëne deelname aan het maatschappelijk verkeer sociale vaardigheden sociale redzaamheid deelname aan de samenleving huishouden Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren moet de cliënt daar lichamelijk toe in staat zijn maar ook over vaardigheden beschikken. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen. Vaardigheid op een of ander gebied wordt veelal vergaard door praktische ervaring, door korte of langere tijd regelmatig te oefenen. Cliënten die zijn aangewezen op begeleiding en/of groepsondersteuning ondervinden problemen in hun functioneren op het gebied van: sociale redzaamheid (dagelijkse bezigheden, problemen oplossen en besluiten nemen, dagelijkse routine regelen, et cetera). probleemgedrag (gedragsproblemen). psychisch functioneren (concentratie, geheugen en denken en perceptie van omgeving). geheugen en oriëntatie. 7.2 Aard en niveau van de ondersteuningsbehoefte Om zoveel mogelijk maatwerk te kunnen bieden wordt niet geïndiceerd op basis van de termen van begeleiding en groepsondersteuning maar in de ondersteuningsbehoeften van de cliënt met een bijbehorende niveau. Hiermee wordt duidelijk welk resultaat met de ondersteuning moet worden bereikt. Naast de ondersteuningsbehoeften kan het college wonen en verblijf verstrekken als vervanging van thuis. Denk aan kortdurend verblijf. Ondersteuningsbehoeften en niveaus Er zijn twee ondersteuningsbehoeften met elk drie niveaus. Het niveau is gebaseerd op kenmerken van de cliënt en het cliëntsysteem. Dat betekent dat personen uit het sociaal netwerk een rol kunnen spelen. Dat wil zeggen zowel in positieve als ook in negatieve zin. Elke ondersteuningsbehoefte is gebaseerd op tijd. Het college maakt daarom ook een inschatting van de omvang en de duur van de ondersteuning. De omvang van de ondersteuning wordt vermenigvuldigd met de prijs. Op deze manier wordt het budget bepaald dat de aanbieder maximaal kan declareren voor het bereiken van het resultaat. De aanbieder declareert op basis van de ondersteuningsbehoefte en het niveau dat door het college is vastgesteld. De declaratie voor individuele ondersteuning is gebaseerd op minuutprijzen en de groepsondersteuning is gebaseerd op een prijs per dagdeel (4 uur). Ondersteuningsbehoefte 1 De cliënt heeft ondersteuning nodig bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden waarbij hij in staat is om de eigen regie over zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen te voeren. Het resultaat van de ondersteuning is om de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Er zijn drie niveaus te onderscheiden. Ondersteuningsbehoefte 1 niveau A Kenmerken van de cliënt die onder niveau A vallen zijn: er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek; er is sprake van een stabiele (ontwikkel) context; de cliënt kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering; de cliënt heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren; de cliënt is gemotiveerd om ondersteuning te ontvangen. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 1 niveau B Kenmerken van de cliënt die onder niveau B vallen zijn: er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot; de cliënt kan veranderingen zelf signaleren, maar is onvoldoende in staat om hierop te reageren; de motivatie van de cliënt voor het volgen van de ondersteuning is wisselend. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 1 niveau C Kenmerken van de cliënt die onder niveau C vallen zijn: er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de ondersteuning is niet routinematig; er is geen stabiele (ontwikkel) context; er is hoog risico op escalatie/gevaar; met de cliënt is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig; de cliënt kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren; er kan verscherpt toezicht nodig zijn; de cliënt is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 2 De cliënt heeft ondersteuning nodig bij het voeren van de regie over, en uitvoering van zijn dagelijkse handelingen en vaardigheden. Het resultaat van de ondersteuning is om de zelfredzaamheid te stimuleren en tekorten daarin aan te vullen. De ondersteuning is gericht op het helpen overzien van dagelijkse handelingen en vaardigheden (regie) en het leeftijdsadequaat uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Er zijn drie niveaus te onderscheiden. Ondersteuningsbehoefte 2 niveau A Kenmerken van de cliënt die onder niveau A vallen zijn: er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek; er is sprake van een stabiele (ontwikkel) context; de cliënt kan afspraken maken over het moment van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering; de cliënt heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren; de cliënt is gemotiveerd om ondersteuning te ontvangen. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 2 niveau B Kenmerken van de cliënt die onder niveau B vallen zijn: er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot; de cliënt of het cliëntsysteem kan/kunnen veranderingen zelf signaleren, maar is/zijn onvoldoende in staat om hierop te reageren; de motivatie van de cliënt/ cliëntsysteem voor de volgen van de ondersteuning is wisselend. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 2 niveau C Kenmerken van de cliënt die onder niveau C vallen zijn: er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning; de ondersteuning is niet routinematig; er is geen stabiele (ontwikkel) context; er is een hoog risico op escalatie/gevaar; met de cliënt is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig; de cliënt kan veranderingen zelf in het geheel niet signaleren; er kan verscherpt toezicht nodig zijn; de cliënt is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. 7.3 Individuele ondersteuning of groepsgerichte ondersteuning Het college stelt de ondersteuningsbehoefte en het bijbehorende niveau vast. Daarmee wordt het resultaat bepaald wat door de aanbieder moet worden bereikt. Er kunnen meerdere resultaten met binnen ondersteuningsbehoefte 1 of 2 worden vastgesteld. Ook kan het zijn dat ondersteuningsbehoefte 1 en 2 bijdragen aan één resultaat. Afhankelijk van het te bereiken resultaat kan de ondersteuning individueel of groepsgewijs worden verstrekt. Voor de groepsgerichte ondersteuning geldt dat het methodisch moet zijn, gericht op het structureren van de dag, op praktische ondersteuning en op het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid van de cliënt bevorderen. Groepsgerichte ondersteuning bestaat uit een structurele tijdsbesteding met een welomschreven resultaat waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving biedt anders dan arbeid of onderwijs. 7.4 Vervoer Onder groepsondersteuning valt tevens het noodzakelijke vervoer zodat de cliënt daar ook feitelijk gebruik van kan maken. De cliënt die niet in staat is om op eigen kracht, al dan niet met hulp van anderen, van een naar locatie te reizen kan in aanmerking komen voor vervoer. Onder anderen worden personen uit het sociaal netwerk verstaan of vrijwilligers. Het college beoordeelt de noodzaak op basis van artikel 4.4, vierde lid, van de verordening. 8 Wonen en in en om de woning verplaatsen Artikelen 3.3, 4.6, 4.7, 4.8 en 4.9 van de verordening 8.1 Inleiding Uitgangspunt is dat iedereen in Nederland zelf voor een woning moet zorgen. Een woning kan zowel een eigen woning zijn als een huurwoning. Ook een woonwagen en een woonschip met vaste stand- of ligplaats wordt gezien als een woning. Zie ook begripsbepaling van een woning in de verordening. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’. Ook instellingen die gericht zijn op het verstrekken van zorg zijn geen woning. Verder geldt dat men normaal gebruik moet kunnen maken van de woning. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties (eten, koken wassen en slapen). Onder omstandigheden kan het normale gebruik van de woning zich uitstrekken tot de berging, de toegang tuin of balkon van de woning. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Verder is het zo dat bij de beoordeling van de aanvraag beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde kunnen zijn. In dat kader wordt ook nog opgemerkt dat in de verordening verschillende begrippen aan de orde kunnen zijn. Zo bepaalt de verordening dat onder een woonvoorziening een woningaanpassing (als bedoeld in de wet) wordt verstaan maar ook een hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning. Dat is van belang omdat een traplift niet als woningaanpassing kan worden gekwalificeerd. De verordening bepaalt bijvoorbeeld dat het college bevoegd is om het primaat van verhuizen toe te passen in het geval de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing en/of een traplift. Ondersteuning bij het wonen bestaat uit het in staat stellen van de cliënt tot het normale gebruik van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. 8.2 Aanbrengen woningaanpassingen Met het inwerking treden van de Wmo 2015 is artikel 16 van de Woningwet geschrapt. De eigenaar van de woning moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het college of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt artikel 2.3.7 van de wet dat het college of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de eigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de eigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van artikel 7:216, eerste lid, BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. In de Wmo 2015 brengt het college dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is echter gelijk aan de regels die voor 1 januari 2015 golden: de cliënt hoeft bij vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken. Overleg Het is niet zo dat het college zonder overleg met de eigenaar een woningaanpassing aanbrengt. Het ligt in de rede - net als voor 1 januari 2015 het geval was - dat wel te doen. Derde-belanghebbende Verder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het college of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengen die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende Bouwbesluit. Gemeenteschappelijke ruimte Omdat de cliënt zijn woning moet kunnen bereiken kan het college een limitatief aantal maatwerkvoorzieningen verstrekken in de gemeenschappelijke ruimte (art. 4.6, vierde lid, van de verordening). 8.3 Hoofdverblijf Een woningaanpassing of een woonvoorziening in de vorm van een traplift wordt slechts verstrekt voor de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het hoofdverblijf is de woning, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, als de cliënt een briefadres heeft. 8.4 Uitzonderingen hoofdverblijf Er zijn twee uitzonderingen. In het geval van co-ouderschap waar het kind geen normaal gebruik kan maken van de woningen. Bij co-ouderschap delen de ouders de zorg voor het kind. In die situaties kan voor twee woningen een woningaanpassing en/of een traplift worden verstrekt. In het geval van losse hulpmiddelen wordt beoordeeld of één hulpmiddel voldoende is. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Een andere uitzondering gaat over het bezoekbaar maken van de woning. De verordening bepaalt voor wie het bezoekbaar maken van de woning is bestemd en wat daaronder valt (art. 4.9 van de verordening). 8.5 Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt gericht op de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur als dat gericht is op het kunnen uitvoeren van een elementaire woonfunctie en het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. In dat kader wordt geen rekening gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Voor het gebruik van hobbyruimtes en/of studeerkamers worden in beginsel geen woonvoorzieningen verstrekt, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in artikel 1.1, eerste lid, van de verordening. 8.6 Primaat van verhuizen Omdat het college in principe de goedkoopst passende bijdrage mag hanteren bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het primaat van verhuizen worden toegepast. Dat is het geval bij het verzoek om een woningaanpassing en/of een traplift. Om te voorkomen dat bij relatief lage kosten het verhuisprimaat al zou worden toegepast, maakt het college een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en het verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de meest geschikte beschikbare nieuwe woning) anderzijds. Voor de kosten die met het verhuizen gemoeid zijn geldt als uitgangspunt de maximale hoogte van de verhuiskosten en/of inrichtingskosten. Het college neemt de volgende kosten in elk geval mee in de overwegingen: huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woning; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning. Op basis van de kostenafweging kan het college besluiten om het primaat niet toe te passen. Voor de cliënt die toch gaat verhuizen, wordt geen financiële maatwerkvoorziening verhuiskosten en/of inrichtingskosten verstrekt (art. 3.3, derde lid, van de verordening). Ad a. Het kan voor komen dat de cliënt weliswaar op een relatief eenvoudige woningaanpassing en/of traplift is aangewezen. Maar dat het, gelet op de aard en prognose van de beperkingen voor de hand ligt dat er op korte of middellange termijn nog een woningaanpassing en/of een traplift nodig zal zijn. Onder een middellange termijn wordt een periode van 12 maanden verstaan. Zeker wanneer aannemelijk is dat hier wel hoge kosten aan verbonden zijn of de woning zelfs niet meer geschikt zal zijn omdat deze niet kan worden aangepast. Het college zal moeten beoordelen of de aangewezen woningaanpassing en/of traplift wel langdurig als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dit uitgangspunt sluit aan bij het principe van de wet dat mensen zolang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Ad. b Het kan bijvoorbeeld zijn dat in de nieuwe beschikbare op dat moment meest geschikte woning ook weer aangepaste keuken of stalling voor de vervoersvoorziening moet worden gerealiseerd. Verder kan ook de beoordeling van het verstrekken van een losse woonunit aan de huidige woning aan de orde zijn als dat in voorkomende gevallen als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het ligt echter niet voor de hand omdat deze kosten vaak hoger zijn dan de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning. Bij de aanvraag om een traplift kan dat anders liggen. 8.7 Afwegingsfactoren primaat van verhuizen Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen. Belangenafweging Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn: Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met dementie. Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage leveren aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. Het toepassing van het verhuisprimaat treft vanzelfsprekend ook de aanwezige huisgenoten. Het college weegt hun belangen mee bij de beoordeling of het primaat van verhuizen onverkort kan worden toegepast. De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner. Er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan de woning waar naar moet worden verhuisd (zie verder hierna). Woonlastenconsequenties woning Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. Deze huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs niet aanvaardbaar zijn. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperaties rekening gehouden met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Het kan ook gaan om een koopwoning. Daarvoor gelden een aantal dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen. Wel is het zo dat het primaat van verhuizen niet is toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning. Of daarvan sprake is beoordeelt het college op basis van de individuele situatie. Woonlastenconsequenties bij verhuizing eigen woningbezit Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen worden de netto woonlasten van deze eigen woning als volgt berekend: Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten), Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, Opstalverzekering. 8.8 Specifieke criteria Artikel 4.7 van de verordening bepaalt een aantal specifieke criteria bij het verlenen van ondersteuning gericht op het wonen. Er zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Het gaat om situaties waarin: Er geen dringende reden is om te verhuizen. De cliënt zonder toestemming verhuist naar de niet meest geschikte en beschikbare woning. De cliënt een woning bewoond die niet geschikt of bestemd is om het gehele jaar te bewonen. De aanvraag betrekking heeft op de aard van de materialen in de woning. De aanvraag gericht op renovatie of het in overeenstemming brengen met de eisen die aan de woning gesteld mogen worden. 8.9 Uitraasruimte Bepaalde stoornissen van cliënten met bijvoorbeeld een verstandelijk beperking (hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels), kunnen aanleiding geven tot problemen bij het verblijf in de woning. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning een uitraaskamer realiseren. De voorwaarden (aangewezen zijn
  9. op)voor het toekennen van een uitraaskamer zijn: de cliënt beschadigt of zal zichzelf beschadigen (zelfverwonding), de cliënt beschadigt of zal de omgeving beschadigen (vernielzucht), er is sprake van ernstig ontremd gedrag (gedragstoornis). Individueel gericht De uitraaskamer is bedoeld om de cliënt, die bovenstaande problemen ondervindt tegen zichzelf te beschermen. Immers een maatwerkvoorziening is in overwegende mate individueel gericht (art. 3.2 eerste lid aanhef en onder a van de verordening). Ook worden de ouders/verzorgers hierdoor in staat gesteld beter toezicht uit te oefenen. Daarbij gaat het er om dat de uitraaskamer het belang van de cliënt dient. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen niet om de belangen van de cliënt, maar om die van anderen, bijvoorbeeld doordat zij bestaan uit hinder voor die anderen, dan is er geen sprake van een uitraasruimte. Doel uitraasruimte Het doel van de uitraaskamer is het tot rust laten komen van de cliënt. Doorgaans is de ruimte daarom prikkelarm en veilig. Ook kan de uitraasruimte uitgerust worden met voorzieningen die toezicht mogelijk maken. Uit het medisch advies kan (psycholoog of orthopedagoog) kunnen eisen worden opgemaakt waaraan de uitraasruimte moet voldoen. Mogelijk dat een bestaande ruimte daarvoor kan worden aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de cliënt. 8.10 Hulpmiddelen Onder hulpmiddelen worden roerende zaken verstaan die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen (art. 1.1.1 van de wet). Het kan gaan om een roerende woonvoorziening zoals een douchestoel of een traplift. Of de cliënt in aanmerking komt voor een hulpmiddel, hangt mede af van de bouwkundige situatie van de woning en van de geobjectiveerde beperkingen van de cliënt in het normale gebruik van de woning. Wettelijke afbakening hulpmiddelen Sinds 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zvw gebracht (Stcrt. 2012, nr. 14946). Of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (art. 2.12, tweede lid, van de Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel wordt deze op grond van de Wmo 2015 verstrekt. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013. Zodra voor gebruik van het hulpmiddel moeten worden betaald, kan aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening. In het algemeen geldt dat als en voor zover de cliënt gebruik kan maken van de kosteloze uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen. Patiëntenliften Er zijn zowel losse (mobiele) als vaste patiëntenliften. Laatst genoemde worden geplaatst middels een vloer-, muur- of wandbevestiging. Bij de beoordeling over de noodzaak van een dergelijke woonvoorziening worden de volgende factoren betrokken: de te verwachten transfers, de mogelijkheden van de cliënt/het kind, de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen, de beschikbare ruimte, de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de cliënt/het kind. Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen Losse hulpmiddelen voor gebruik in de "natte cel" en het toilet vallen onder de ondersteuningsplicht van het college. Voorbeelden zijn badzitjes, badplanken, douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletstoelen. 8.11 Kindvoorzieningen Het verlenen van kindvoorzieningen valt onder de Wmo 2015 en niet onder de Jeugdwet. Voorbeelden zijn: speelvoertuigen, aangepaste driewielers en kruiphulpmiddelen. Deze maatwerkvoorzieningen hebben een ontwikkelingsgericht karakter en kunnen ook dienen als mobiliteitshulpmiddel. Driewielers Het college kan een driewieler verlenen die zonodig is aangepast aan de beperking van het kind. Afhankelijk van de leeftijd van het kind kan een driewieler wel als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Immers, tot 4 jaar is het normaal dat een kind een driewieler of een fiets met zijwieltjes gebruikt. Speelvoorzieningen Speelmobielen en vliegende Hollanders zijn maatwerkvoorzieningen gericht op het spelen en verplaatsen voor buiten (vervoersvoorziening). Deze speelvoorzieningen zijn sneller en wendbaarder dan handbewogen rolstoelen. Bovendien geeft het kinderen de mogelijkheid langere afstanden af te leggen. Kruipwagens en kruiphulpmiddelen Kinderen kunnen zich liggend of zittend op deze hulpmiddelen voortbewegen. Ze zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen. 8.12 Zich verplaatsen in en om de woning Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden verstrekt. Bij het verstrekken van een rolstoel gaat het om cliënten met geen of onvoldoende loopcapaciteit. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. Immers kan de cliënt een (elektrische) rolstoel ook gebruiken (of kunnen gebruiken) voor lokale verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving. Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans wordt deze gebruikt als men zich elders moet verplaatsen (wat zonder rolstoel niet kan), zoals tijdens een uitstapje of ziekenhuisbezoek. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke. Uitzondering In bijzondere situaties kan een rolstoel voor incidenteel gebruik worden verstrekt. Een dergelijke rolstoel kan worden verstrekt als een cliënt zich in en om de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich niet lopend kan verplaatsen over de zeer korte vervoersafstanden. Dat wil zeggen dat er sprake is van een verminderde mobiliteit of uithoudingsvermogen waardoor de loopafstand zeer beperkt is. De cliënt is aangewezen op een incidenteel te gebruiken rolstoel om van A naar B te komen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt structureel niet in staat is om zeer korte afstanden zelfstandig, al dan niet met een loophulpmiddel, af te leggen. Deze zogeheten transportrolstoel kan worden meegenomen in de maatwerkvoorziening collectief vervoer of in de eigen auto. Selectie van een rolstoel Bij de selectie van een rolstoel door de aanbieder wordt gekeken naar de volgende factoren: Het gebruik Het gebruiksgebied De aandrijving door middel van het eigen lichaam door het bedienen van een aandrijfmechanisme voortduwen door anderen De zithouding en de eisen aan de ondersteuning De meeneembaarheid Antropometrische gegevens 9 Deelname maatschappelijk verkeer Artikel 3.3 en 4.10 van de verordening 9.1 Inleiding Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft betrekking op het zich lokaal kunnen verplaatsen. Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken voor het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het verplaatsen over de langere afstand. Voor de langere afstand hanteert het college in principe het primaat van de maatwerkvoorziening collectief vervoer. Daaronder valt ook het individueel (rolstoel)taxivervoer. Tijdens het onderzoek na de melding van de hulpvraag beoordeelt het college of de cliënt is aangewezen op ondersteuning bij zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer. 9.2 Beleidsuitgangspunten Het college hanteert de volgende beleidsuitgangspunten. Gebruiken en bereiken regulier Openbaar Vervoer Kan de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer gebruiken, dan heeft het college geen ondersteuningsplicht. Bij de beoordeling van de aanspraak onderzoekt het college of de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer kan bereiken al dan niet met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Dat wil zeggen te voet, met een (elektrische) fiets of brommer of met de bus. Voor wat betreft het bereiken is het redelijk om uit te gaan van de vraag of de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen (CRVB:2012:BX7649). Mogelijk kan dat met een loophulpmiddel zoals een rollator. Het spreekt voor zich dat dit ook afhankelijk kan zijn van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte voor de bus bevindt. Het kan dan ook voor komen dat het college moet beoordelen of de cliënt die afstand kan overbruggen met een voor de cliënt algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Bushaltes zijn over het algemeen opgehoogd en mogelijk zijn ook lage instapbussen beschikbaar eventueel met een uitklapbare oprijplaat. Algemeen gebruikelijk Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bezien of een algemeen gebruikelijke dienst of zaak zoals bijvoorbeeld een elektrische fiets of brommer een adequaat vervoermiddel is voor de cliënt. Zie paragraaf 3.4 van de beleidsregels. Vervoer in verband met vrijwilligerswerk In geval van vrijwilligerswerk voor maatschappelijke organisaties ligt het in de eerste plaats op de weg van die organisaties om de vrijwilligers in staat te stellen dat werk te doen. Dat wil zeggen om op zijn minst een redelijke bijdrage in hun eventuele (reis)kosten te leveren (CRVB:2004:AO4037 en CRVB:2018:1961). Dit betekent overigens wel dat het college kan afwijken van dit beleidsuitgangspunt als daar in het individuele geval aanleiding voor is. Omvang Uit de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat voor de omvang in kilometers in verband met de lokale vervoersbehoefte in beginsel mag worden uitgegaan van 1500-2000 kilometer per jaar (CRVB:2018:1961, CRVB:2012:BV7463). Dit uitgangspunt is ook neergelegd in de verordening. Maatwerk Het college kan afwijken van deze norm. Dat kan zowel naar beneden als ook naar boven zijn. De noodzaak van kilometers boven deze algemene norm moet door de cliënt wel aannemelijk worden gemaakt. Is dat het geval, dan zal het college daar onderzoek naar moeten doen. Dit is ook neergelegd in de verordening. Omvang is maatwerk De omvang van de maatwerkvoorziening(
  10. en)kan, als daar aanleiding voor is, worden afgestemd op: De eigen mogelijkheden van de cliënt. Denk ook aan de hulp van de huisgenoot in het kader van gebruikelijk hulp. Vervoersbehoefte, frequentie, afstand en tijdstip van de dag. De vervoersbehoefte gelet op de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. Het ligt op de weg van de cliënt om aannemelijk te maken dat het algemene uitgangspunt van 1500-2000 kilometer per jaar niet voldoende is hem in staat te stellen tot participatie. Het beschikken over (maatwerk)voorzieningen waarmee de cliënt zich lokaal kan verplaatsen. Bij vervoersvoorzieningen die geschikt zijn voor de korte en/of middellange afstand gaat het college er in het algemeen van uit dat daarmee voor 750-1000 kilometer op jaarbasis kan worden voorzien in de vervoersbehoefte. Medisch vervoer Onderdeel van een lokale vervoersbehoefte kan een ziekenhuisbezoek of ander 'medisch vervoer' zijn. Het feit dat de cliënt met de maatwerkvoorziening collectief vervoer - in geval van een medische spoedsituatie - niet of niet tijdig in het ziekenhuis kan komen vormt geen reden om het primaat niet toe te passen (vergelijk CRVB:2014:2101). De ondersteuningsplicht van het college is in beginsel gericht op lokale (sociale) verplaatsingen. Verplaatsingen in verband met me

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.