wet; Besluit: vast te stellen de Omgevingsverordening Valkenburg aan de Geul 2019. HOOFDSTUK1.ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: openbare pla
Artikel3
.2.1.1Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Paragraaf wordt verstaan onder: vaste-standplaatsvergunning: publiekrechtelijke toestemming van het college om gedurende een door het college te bepalen tijd een standplaats in te nemen op een bepaalde markt; dagplaatsvergunning: publiekrechtelijke toestemming van het college om gedurende maximaal één dag een standplaats in te nemen op een bepaalde markt; standwerkvergunning: publiekrechtelijke toestemming van het college voor iemand die publiek om zich heen verzamelt en dat door een aansprekend verhaal probeert over te halen artikelen te kopen; uitzoekhandel: handel waarbij de consument kan kiezen uit meer soorten van één artikel. Artikel3.2.1.2Toepassingsgebied 1.Deze Paragraaf is van toepassing op alle door het college ingestelde warenmarkten die op bepaalde tijden worden gehouden. 2.Deze Paragraaf is niet van toepassing op kerstmarkten in de Fluweelen- en de Gemeentegrot, Santa’s village, Bokkemarkt, Antiek & curiosamarkt, Falcobergiamarkt, Luikse markt, Monmartre aan de Geul, St. Rosamarkt, Vlindertjesmarkt, zomermarkt Oosterbeemd en zomermarkt Walem. Artikel3.2.1.3Inrichtingsplan 1.Voor elke markt stelt het college een inrichtingsplan vast, dat in elk geval bevat: een aanduiding van de dagen en de uren waarop en eventueel de periode waarin de markt wordt gehouden (markttijd); een plattegrond van de markt; een aanduiding van de wijze waarop nieuwe vaste-standplaatsvergunningen en dagplaatsvergunningen kunnen worden verstrekt. 2.Op de plattegrond zijn aangegeven: de grenzen van de markt; de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor houders van een vaste-standplaatsvergunning; voor zover van toepassing, de plaatsen of gebieden die bij voorrang zijn bestemd voor één of meer branches of artikelgroepen alsmede, indien van toepassing, de maximum aantallen vaste-standplaatsvergunningen die voor één of meer branches, artikelgroepen of combinaties daarvan kunnen worden afgegeven; de plaatsen of gebieden die zijn bestemd voor houders van een dagplaatsvergunning. 3.Als een standplaats bestemd voor de houder van een vaste-standplaatsvergunning bij aanvang van de markt nog niet door de vergunninghouder of diens plaatsvervanger is ingenomen, kan daarvoor een dagplaatsvergunning worden afgegeven. De vaste-standplaatsvergunning vervalt dan voor de rest van de dag. 4.Het inrichtingsplan is gedurende markttijd bij de markt aanwezig en in te zien. Artikel3.2.1.4Vergunningen 1.Het is verboden op een markt zonder vaste-standplaatsvergunning of dagplaatsvergunning van het college een standplaats voor het uitoefenen van markthandel in te nemen. 2.Een vaste-standplaatsvergunning geldt voor maximaal 5 jaar en voor de op de vergunning vermelde standplaats, tenzij de vergunning anders bepaalt. Het college kan in bijzondere gevallen een andere standplaats aanwijzen. 3.Als de gebruikelijke marktplaats vaker dan incidenteel wordt gebruikt voor evenementen in plaats van voor de markt, dan wordt daar in het inrichtingsplan melding van gemaakt. Het college kan in dat geval een andere locatie als marktplaats aanwijzen. 4.Een dagplaatsvergunning geldt voor één dag en voor de op de vergunning vermelde standplaats. 5.Het is verboden zonder standwerkvergunning van het college als standwerker op te treden op een markt. 6.Een standwerkvergunning kan alleen worden verleend aan een handelingsbekwame natuurlijke persoon die gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten en die geen vaste-standplaatsvergunning heeft voor de desbetreffende markt. Artikel3.2.1.5Mandaatverboden 1.De bevoegdheid tot het vaststellen en wijzigen van inrichtingsplannen mag niet worden gemandateerd. 2.De bevoegdheid tot het verlenen en intrekken van een vaste-standplaatsvergunning mag niet aan de marktmeester of een andere toezichthouder worden gemandateerd. Subparagraaf 3.2.2 Vaste-standplaatsvergunningen Artikel3.2.2.1Selectiestelsel Voor de verlening van vaste-standplaatsvergunningen gelden de volgende selectieregels: het college maakt bekend dat voor de markt één of meer vaste-standplaatsvergunningen kunnen worden verleend, voor welke branche of artikelgroep dit geldt en dat gegadigden voor een vergunning vóór de daarbij genoemde datum daarvoor een aanvraag kunnen indienen; de bekendmaking geschiedt door openbare kennisgeving op de gemeentelijke website en in het regionale weekblad; bij de beoordeling van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de volgende aspecten en tot het daarbij vermelde maximum aantal: of het assortiment van de gegadigde een gewenste toevoeging aan het marktassortiment vormt
(20); de uitstraling van de uitstalling
(20); het marktverleden van de gegadigde en de indruk die hij maakt
(20); of bij de gegadigde sprake is van maatschappelijk verantwoord ondernemen
(20). Bij de selectie is het hoogste aantal punten leidend zodat degene die het meeste punten heeft het eerst in aanmerking komt voor een vergunning. Artikel3.2.2.2Overschrijven vaste-standplaatsvergunning 1.Als de houder van een vaste-standplaatsvergunning niet langer zelf gebruik maakt van de vergunning, is overleden of onder curatele gesteld, dan kan het college op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of curator, de vergunning overschrijven op naam van zijn kind, echtgenoot, geregistreerde partner of andere persoon met wie hij duurzaam samenwoonde. 2.Het recht op een vaste standplaats op de desbetreffende markt kan, met inachtneming van eventuele herziening van de branche(s) conform de op dat moment gewenste nieuwe situatie, overgaan op een mede-eigenaar of medewerker, als deze in ieder geval drie jaren onafgebroken in deze relatie tot de vergunninghouder staat. In dat geval kan het college de overschrijving weigeren als voor de markt een selectiestelsel geldt en de gegadigde naar zijn oordeel niet voor een vaste standplaatsvergunning in aanmerking komt gelet op de in artikel 3.2.2.1, onder c genoemde factoren. 3.In geval van overlijden of onder curatelestelling van de vergunninghouder wordt de aanvraag tot overschrijving binnen twee maanden na de datum van overlijden of onder curatelestelling ingediend. 4.Het college kan van de leden 1 tot en met 3 afwijken voor zover de toepassing daarvan voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepalingen te dienen doelen. 5.De aanvraag tot overschrijving wordt alleen geweigerd als niet wordt voldaan aan de uit dit artikel voortvloeiende eisen of aan een eis waaraan een houder van een vaste-standplaatsvergunning volgens deze Verordening moet voldoen. Artikel3.2.2.3Intrekking en vervallen vaste-standplaatsvergunning 1.Het college trekt een vaste-standplaatsvergunning in: op schriftelijke aanvraag van de vergunninghouder, of twee maanden na diens overlijden of onder curatelestelling, tenzij een aanvraag tot overschrijving is ingediend overeenkomstig artikel 3.2.2.
- 2.Het college kan een vaste-standplaatsvergunning intrekken als: de vergunninghouder ter verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft gegeven; de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat, zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag, bedrog of een bij of krachtens deze Paragraaf gestelde bepaling heeft overtreden; van de vergunning gedurende ten minste twee aaneengesloten maanden geen gebruik is gemaakt, of de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. 3.In geval van intrekking voor bepaalde tijd kan tevens worden bepaald dat de toegewezen standplaats vervalt. 4.Als de vergunninghouder of zijn overeenkomstig 3.2.2.4 aangewezen vervanger zijn standplaats niet uiterlijk bij aanvang van de markt heeft ingenomen, vervalt de vergunning voor de rest van de dag. Artikel3.2.2.4Persoonlijk innemen standplaats; vervanging 1.De houder van een vaste-standplaatsvergunning kan de hem toegewezen standplaats laten innemen door een vervanger voor ten hoogste 10 procent van het aantal marktdagen per jaar. Zo mogelijk deelt de vergunninghouder dit vooraf mede aan de marktmeester. 2.De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten – behalve die tot vervanging op grond van het vorige lid – en plichten die bij of krachtens deze Paragraaf gelden voor de vergunninghouder, zijn van overeenkomstige toepassing op de vervanger. Subparagraaf 3.2.3 Dagplaatsen en standwerkers Artikel3.2.3.1Dagplaatsvergunning 1.Een dagplaatsvergunning kan worden verleend door het college voor het innemen van een standplaats voor het uitoefenen van markthandel op plaatsen die daarvoor op grond van het inrichtingsplan in aanmerking komen en op plaatsen die niet worden ingenomen door de houder van een vaste-standplaatsvergunning. 2.Voor een dagplaatsvergunning komen in aanmerking degenen die: de dag vóór de aanvang van de markttijd bij de marktmeester een aanvraag daarvoor hebben ingediend; voldoen aan eventueel van toepassing zijnde branche- of artikelgroepvereisten; gedurende de voorafgaande twee maanden niet vaker dan één keer een dagplaatsvergunning hebben gekregen, en niet zijn uitgesloten omdat zij gedurende één of meer van de voorafgaande vier marktdagen: zich op de markt schuldig hebben gemaakt aan wangedrag, bedrog of een bij of krachtens deze Paragraaf gestelde bepaling hebben overtreden, of niet tijdig het verschuldigde marktgeld hebben voldaan dat wordt geheven op de grondslag van artikel 229 van de Gemeentewet. 3.Het college kan ten aanzien van een gegadigde bepalen dat een uitsluitingsgrond niet geldt of dat voor de toepassing van het vorige lid een langere termijn in aanmerking wordt genomen. 4.De dagplaatsvergunningen worden verstrekt aan de in aanmerking komende gegadigden op volgorde van ontvangst van de aanvragen. Gegadigden die een artikel of artikelsoort wensen te verkopen dat nog niet op de markt verkrijgbaar is, hebben daarbij voorrang. 5.Een dagplaatsvergunning kan niet worden overgedragen. De vergunninghouder kan zich niet laten vervangen. Artikel3.2.3.2Standwerkvergunning 1.Een standwerkvergunning kan door het college worden verleend met overeenkomstige toepassing van artikel 3.2.3.1, tweede tot en met vijfde lid. 2.Het is verboden te standwerken met: persoons- en interieurkleding (uitgezonderd steunbroekjes en steunhemden); voedingsartikelen; huishoudtextiel (uitgezonderd zakdoeken en gezondheidskussens); lectuur, posters en wenskaarten; uitzoekhandel en/of tweedehands artikelen. 3.Een standwerkvergunning geldt voor de in de vergunning vermelde dag en plaats en betreft de in de vergunning omschreven artikelen. Subparagraaf 3.2.4 Algemene bepalingen voor vergunninghouders Artikel3.2.4.1Bijstand De houder van een vaste-standplaatsvergunning of van een dagplaatsvergunning kan zich laten bijstaan door één of meer anderen. Artikel3.2.4.2Legitimatieplicht Degene die een standplaats of een standwerkplaats wenst in te nemen of inneemt op een markt, is op eerste verzoek van een toezichthouder verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is. Artikel3.2.4.3Markttijden in acht nemen 1.Een vergunninghouder mag niet meer dan twee uur voor aanvang en meer dan twee uur na afloop van de markt ruimte innemen of laten innemen op het marktterrein, op welke wijze dan ook. 2.Een vergunninghouder neemt zijn standplaats in tot de sluitingstijd van de markt, tenzij het college op aanvraag vergunning heeft verleend om van de sluitingstijd af te wijken. Aan deze vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel3.2.4.4Markt schoonhouden 1.Een vergunninghouder is verplicht afval, dat tijdens de door hem uitgeoefende verkoop op zijn standplaats vrij komt, zodanig te bewaren dat het marktterrein daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden verwijderd. Hij voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt af of laat het afvoeren. 2.Een vergunninghouder moet de door hem ingenomen standplaats en de naaste omgeving daarvan na afloop van de markt veegschoon achter te laten. Subparagraaf 3.2.5 Handhaving Artikel3.2.5.1Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze Paragraaf bepaalde zijn belast de door het college aangewezen marktmeester en de overige door het college aangewezen toezichthouders. Artikel3.2.5.2Onmiddellijke verwijdering Het college kan een vergunninghouder of iemand die hem bijstaat of vervangt, gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen als deze zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog dan wel een bij of krachtens deze Paragraaf gestelde bepaling heeft overtreden. Artikel3.2.5.3Strafbepaling Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze Paragraaf wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden. Subparagraaf 3.2.6 Slotbepalingen Artikel3.2.6.1Overgangsrecht 1.De krachtens de Marktverordening 1992 vastgestelde wacht- en anciënniteitslijsten gelden als lijsten krachtens deze Paragraaf. 2.Een krachtens de Marktverordening 1992 verleende vergunning of ontheffing geldt als vergunning verleend krachtens deze Paragraaf. Het college kan deze ambtshalve vervangen door een vergunning krachtens deze Paragraaf. Ambtshalve vervanging kan de wijziging van voorschriften inhouden. 3.Degenen die daags voor het in werking treden van deze Verordening op de anciënniteitslijst of de wachtlijst stonden, behouden de rechten die daaruit volgens de op die dag geldende regels voortvloeiden na de inwerkingtreding van deze Paragraaf. Paragraaf3.3Standplaatsen Artikel3.3.1Begripsomschrijving 1.In deze Paragraaf wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste, op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel aanbieden van diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, wagen of tafel. 2.Onder standplaats wordt niet verstaan een vaste plaats op een: jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; evenement als bedoeld in artikel 2.15.
- Artikel3.3.2Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college weigert de vergunning als niet wordt voldaan aan de door het college gestelde regels in de ‘nadere regels standplaatsen’ bij dit artikel. 3.Naast de weigeringsredenen in artikel 1.8 kan de vergunning ook worden geweigerd als: de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; indien in de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats als gevolg van bijzondere omstandigheden, voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3.3.3.Nadere regels Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het toelaten van het innemen van een standplaats. Paragraaf3.4Venten Artikel3.4.1Begripsbepaling 1.In deze Paragraaf wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. 2.Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 3.2.1.1 van deze verordening. Artikel3.4.2Ventverbod Het is verboden te venten: als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt; op maandag t/m vrijdag tussen 18.00 uur en 08.00 uur alsmede op zaterdag en zondag, en op door het college aangewezen openbare plaatsen op maandag tot en met vrijdag tussen 12.00 uur en 08.00 uur alsmede op zaterdag en zondag. Artikel3.4.3Vrijheid van meningsuiting 1.Het verbod als bedoeld in artikel 3.4.2 geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. 2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of op door het college aangewezen dagen en uren. Paragraaf3.5.Collecteren Artikel3.5.1Inzameling van geld of goederen 1.Uiterlijk drie weken van te voren moet een openbare inzameling van geld of goederen worden gemeld bij het college door middel van het door het college vastgestelde meldformulier. 2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3.De meldplicht geldt niet voor een inzameling die in besloten kring wordt gehouden. HOOFDSTUK4SPEELGELEGENHEDEN Paragraaf4.1Toezicht op speelgelegenheden Artikel4.1.1Speelgelegenheden 1.Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden een spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te laten exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 3.De burgemeester weigert de vergunning als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid. 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4.1.2Kansspelautomaten 1.De omschrijvingen in artikel 30 van de Wet op de kansspelen zijn eveneens van toepassing op de in deze Paragraaf genoemde begrippen. 2.In deze Paragraaf wordt verstaan onder wet: de Wet op de kansspelen. Paragraaf4.2Speelautomaten Subparagraaf 4.2.
Artikel4
.2.1.1Begripsomschrijvingen 1.De omschrijvingen in artikel 30 van de Wet op de kansspelen zijn eveneens van toepassing op de in deze Paragraaf genoemde begrippen. 2.In deze Paragraaf wordt verstaan onder: wet: de Wet op de kansspelen; speelautomaat: een toestel als bedoeld in artikel 30, onder a, van de wet; behendigheidsautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder b, van de wet; kansspelautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de wet; hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de wet; laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de wet; aanwezigheidsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 30b, eerste lid van de wet; speelautomatenhal: een inrichting, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b, van de wet; ondernemer/exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert; beheerder/bedrijfsleider: de natuurlijke persoon of personen die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke of feitelijke leiding in de speelautomatenhal zijn belast. Subparagraaf 4.2.2 Speelautomatenhalvergunning Artikel4.2.2.1Verbodsbepaling 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen en/of te exploiteren. 2.De burgemeester kan voor maximaal vijf speelautomatenhallen een vergunning verlenen. 3.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Artikel4.2.2.2Aanwezigheidsplicht Het is verboden een speelautomatenhal voor het publiek geopend te houden, als in het bedrijf geen beheerder of bedrijfsleider aanwezig is die op de vergunning vermeld staat. Artikel4.2.2.3Vergunningaanvraag De vergunningaanvraag voor een speelautomatenhal bevat: een tekening op schaal van de inrichting, waaruit ten minste blijkt: op welke plaats en in welk aantal kansspel- of behendigheidsautomaten worden opgesteld; op welke plaats leeftijdscontrole plaatsvindt en entreebewijzen worden verstrekt; een bewijs van inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel; een overeenkomst of ander schriftelijk stuk waaruit blijkt dat de aanvrager gerechtigd is over de ruimte te beschikken; een verklaring omtrent het gedrag van de ondernemer, of als de ondernemer een rechtspersoon is, van degene(
- n)die de onderneming krachtens de statuten vertegenwoordigt (vertegenwoordigen) en van de beheerder; een bewijsstuk als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen, waaruit blijkt dat de beheerders en bedrijfsleiders beschikken over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot het gebruik van speelautomaten en de daaraan verbonden risico’s van gokverslaving; een bewijs van lidmaatschap van de VAN Speelautomaten brancheorganisatie; een bewijs waaruit blijkt dat de ondernemer voornemens is in het eerste jaar van de exploitatie van de speelautomatenhal een Kema-keurcertificaat voor de exploitatie van de speelautomatenhal te verkrijgen; een ingevuld en ondertekend vragenformulier van de gemeente in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel4.2.2.4Beslistermijn 1.De burgemeester beslist binnen 12 weken na de datum waarop hij de aanvraag met bijbehorende stukken heeft ontvangen. 2.De beslissing kan eenmaal voor maximaal 12 weken worden verlengd. Artikel4.2.2.5Vergunning 1.De vergunning wordt gesteld op naam van de exploitant en is niet overdraagbaar. 2.In de vergunning wordt in ieder geval de naam vermeld van de beheerders/bedrijfsleiders en het vestigingsadres van de speelautomatenhal. 3.Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden die zo nodig kunnen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken. Artikel4.2.2.6Weigeringsgronden 1.De vergunning wordt geweigerd als: het maximale aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen reeds is verleend; de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de weg voor het publiek toegankelijk is; de beheerder(
- s)de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt; de exploitant of de beheerder(
- s)onder curatele staat (staan) of bewind is ingesteld over één of meer aan hen toebehorende goederen, als bedoeld in Boek 1, titel 19, van het Burgerlijk Wetboek; door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester de leef- en woonsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 2.De burgemeester kan vergunning verlenen om af te wijken van het leeftijdsvereiste, zoals bedoeld in het eerste lid, onder c. Artikel4.2.2.7Intrekkingsgronden 1.De burgemeester trekt de vergunning in: als de gegevens die met het oog op het verkrijgen van de vergunning zijn gegeven, zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; als niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 30d, vierde lid, onder a, van de wet gestelde eisen; indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is verleend, zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 4.2.2.6, eerste lid, onder e. 2.De burgemeester kan de vergunning intrekken als: wordt gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; niet wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 4.2.2.2 en 4.2.2.8 van deze Paragraaf; de vergunninghouder de bij of krachtens titel VA van de wet gestelde bepalingen heeft overtreden; het Kema-keurcertificaat door de ondernemer in het eerste jaar van exploitatie van de speelautomatenhal niet wordt verkregen; het Kema-keurcertificaat wordt verloren door de ondernemer; gedurende een periode van ten minste zes onafgebroken maanden geen gebruik van de vergunning wordt gemaakt. Artikel4.2.2.8Wijziging beheerder/bedrijfsleider Als een wijziging plaatsvindt in de vergunning ten aanzien van de vermelde beheerder(
- s)of bedrijfsleider(s), dient de ondernemer binnen vier weken nadat deze situatie is ontstaan, een aanvraag tot wijziging van de vergunning in, waarbij het bewijsstuk als bedoeld in artikel 4.2.2.3, onder d en e van deze Paragraaf wordt overgelegd. Artikel4.2.2.9Wijziging exploitant/ondernemersvorm 1.Als een ondernemer overlijdt moet, indien voortzetting van de exploitatie wordt beoogd, binnen twaalf weken na de datum van overlijden een nieuwe vergunning worden aangevraagd. 2.In alle andere gevallen van wisseling van ondernemer moet binnen vier weken na overname of wijziging van de ondernemersvorm van de speelautomatenhal een nieuwe vergunning worden aangevraagd. De bestaande vergunning vervalt als niet binnen vier weken na de overdracht een nieuwe vergunningaanvraag is ingediend. 3.Als een personele wijziging plaatsvindt in de dagelijkse leiding (bestuur) of de aandeelhouders van een ondernemersvorm, is het tweede lid van toepassing en moet een nieuwe vergunning te worden aangevraagd. 4.Als een nieuwe vergunningaanvraag is ingediend binnen de gestelde termijn, blijft de bestaande vergunning van kracht totdat op de aanvraag is beslist. Subparagraaf 4.2.3 Aanwezige speelautomaten Artikel4.2.3.1Aanwezigheidsvergunning aantal speelautomaten in speelautomatenhal 1.De burgemeester kan vergunning verlenen voor het aanwezig hebben van ten hoogste 150 speelautomaten en 150 spelersplaatsen in een speelautomatenhal. 2.De burgemeester kan vergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in het eerste lid. Artikel4.2.3.2Aanwezigheidsvergunning aantal speelautomaten in horeca-inrichtingen 1.De burgemeester kan vergunning verlenen voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten in een hoogdrempelige inrichting. 2.Geen vergunning wordt verleend voor kansspelautomaten in een laagdrempelige inrichting. Artikel4.2.3.3Duur van de aanwezigheidsvergunning Een aanwezigheidsvergunning wordt verleend voor een periode van één jaar. Subparagraaf 4.2.4 Slotbepalingen Artikel4.2.4.1Strafbepaling Overtreding van het bij of krachtens deze Paragraaf bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Artikel4.2.4.2Overgangsbepaling Vergunningen die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend voor het exploiteren van een speelautomatenhal, blijven van kracht. HOOFDSTUK5.SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D. Paragraaf5.1Algemene bepalingen Artikel5.1.1Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostitué(e): degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub of prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostitué(e); het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel5.1.2Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel5.1.3Nadere regels Met het oog op de in artikel 5.3.2 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Paragraaf5.2Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel5.2.1Seksinrichtingen 1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 2.In de aanvraag om vergunning en in de vergunning worden in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf, en de locatie van de inrichting. 3.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5.2.2Gedragseisen exploitant en beheerder 1.De exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland inclusief de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curacao en St. Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5.De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 5.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hen ter zake geen verwijt treft. Artikel5.2.3Sluitingstijden 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op: maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 8.00 uur; zaterdag en zondag tussen 0.00. en 12.00 uur. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 5.2.4, eerste lid, gesloten dient te zijn. Artikel5.2.4Tijdelijke afwijking sluitingstijden en (tijdelijke) sluiting 1.Met het oog op de in artikel 5.3.2, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk, kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 5.2.3, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel5.2.5Intrekking van de vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan het bevoegde bestuursorgaan met het oog op de in artikel 5.3.2, tweede lid genoemde belangen of in geval van handelen of nalaten in strijd met de bepalingen in dit hoofdstuk, de aan de vergunning verbonden voorschriften, of de nadere regels als bedoeld in artikel 5.1.3, de vergunning intrekken. Artikel5.2.6Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 5.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2.De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie, en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel5.2.7Straatprostitutie 1.Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken: op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden; gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden. 2.Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 3.Met het oog op de in artikel 5.3.2, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 4.De burgemeester kan met het oog op de in artikel 5.3.2, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid. 5.De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 6.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid. Artikel5.2.8Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Artikel5.2.9Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d. 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: als het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Paragraaf5.3Beslistermijn en weigeringsgronden Artikel5.3.1Beslistermijn 1.Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 5.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel5.3.2Weigeringsgronden 1.De vergunning bedoeld in artikel 5.2.1, eerste lid, wordt geweigerd als: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 5.2.2 gestelde eisen; er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2.Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 van deze Verordening, de vergunning bedoeld in artikel 5.2.1, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 5.2.6, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; de veiligheid van personen of goederen; de verkeersvrijheid of –veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de arbeidsomstandigheden van de prostitué(e). Paragraaf5.4Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel5.4.1Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 5.2.1 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2.Binnen één week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, meldt de exploitant dit schriftelijk aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel5.4.2Wijziging beheer 1.Als een beheerder het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, meldt de exploitant dit binnen één week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk aan het bevoegd bestuursorgaan. 2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, als het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. 3.In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. HOOFDSTUK6.BESCHERMING VAN HET MILIEU, HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Paragraaf6.1Geluidhinder Artikel6.1.1Begripsomschrijvingen In deze Paragraaf wordt verstaan onder: Besluit: Activiteitenbesluit; inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; dorpskern: Valkenburg, Vilt, Berg, IJzeren en Sibbe, Houthem en Schin op Geul; woning: gebouw dat voor bewoning gebruikt wordt of daartoe bestemd is; geluidgevoelige ruimte: ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van ten minste 11 m2; geluidgevoelige gebouwen: gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; verblijfsruimten: ruimten als bedoeld in artikel 1.1, sub e van het Besluit geluidhinder binnen geluidgevoelige gebouwen. Artikel6.1.2Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen gedifferentieerd per dorpskern. 2.Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 3.Het college kan als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit onmiddellijk als collectieve festiviteit zoals bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 4.Het geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting/festiviteit mag in geluidgevoelige ruimten van woningen van derden en verblijfsruimten niet meer bedragen dan 50/45/40 dB(A) in de respectievelijke dag-/avond-/nachtperiode. 5.Vanaf 24:00 uur mag geen muziekgeluid ten gehore worden gebracht op het terras/buitenterrein van de inrichting en dienen ramen en deuren gesloten te worden gehouden behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen. 6.Een half uur voor het sluitingsuur of de eindtijd moet het geluidniveau worden teruggebracht naar de reguliere exploitatie. 7.Bij het bepalen van de geluidniveaus als bedoeld in het vierde lid wordt geen strafcorrectie van 10 dB(A) vanwege muziekgeluid toegepast. Artikel6.1.3Melding incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan maximaal drie incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting dit ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit bij het college meldt. De interval tussen deze dagen bedraagt minimaal 10 dagen. 2.De melding moet via de website (www.valkenburg.
- nl)worden ingediend. 3.De melding wordt geacht te zijn gedaan als het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, op tijd is aangeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 4.De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan als het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, onmiddellijk toestaat. 5.Het geluidniveau veroorzaakt door de inrichting, mag in geluidgevoelige ruimten van woningen van derden en verblijfsruimten niet meer bedragen dan 50/45/40 dB(A) in de respectievelijke dag-/avond-/nachtperiode. 6.Vanaf 24:00 mag geen muziekgeluid ten gehore worden gebracht op het terras/buitenterrein van de inrichting en dienen ramen en deuren gesloten te worden gehouden behoudens het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen. 7.Een half uur voor het sluitingsuur of de eindtijd moet het geluidniveau worden teruggebracht naar de reguliere exploitatie. 8.Bij het bepalen van de geluidniveaus als bedoelt in het vijfde lid wordt geen strafcorrectie van 10 dB(A) vanwege muziekgeluid toegepast. Artikel6.1.4Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Bij de beoordeling of sprake is van geluidhinder gelden de geluidsnormen conform de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit. De beoordeling vindt verder plaats aan de hand van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. 3.Het college kan een vergunning verlenen om af te wijken van het in het eerste lid bedoelde verbod. 4.Diegene die de zorg heeft voor een dier moet voorkomen dat omwonenden hiervan geluidhinder ondervinden. 5.Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Paragraaf6.2Geurhinder Artikel6.2.1Begripsomschrijvingen In deze Paragraaf wordt verstaan onder: bebouwde kom: de kernen van de gemeente Valkenburg aan de Geul zoals opgenomen in bijlage II van de Gebiedsvisie ten behoeve van de Verordening geurhinder en veehouderij, vastgesteld in de vergadering van de gemeenteraad van 17 mei 2010; geurgevoelig object: object zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij; veehouderij: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren; wet: de Wet geurhinder en veehouderij. Artikel6.2.2Aanwijzing gebieden Als gebied als bedoeld in artikel 6, tweede en derde lid van de wet wordt aangewezen het hele grondgebied van de gemeente Valkenburg aan de Geul. Artikel6.2.3Afwijkende waarden voor ou-dieren Op grond van artikel 6, tweede lid van de wet bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een binnen de gemeente Valkenburg aan de Geul gelegen geurgevoelig object dat na 18 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij: binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter; buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter. De afstand moet worden gemeten overeenkomstig de methode in artikel 4 van de Regeling geurhinder en veehouderij. Artikel6.2.4Afwijkende waarden voor vaste afstandsdieren Op grond van artikel 6, derde lid van de wet bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een binnen de gemeente Valkenburg aan de Geul gelegen geurgevoelig object: binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter; buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter. De afstand moet worden gemeten overeenkomstig de methode in artikel 4 van de Regeling geurhinder en veehouderij. Paragraaf6.3Bodem , weg en milieuverontreiniging Artikel6.3.1Natuurlijke behoefte doen Het is verboden op een openbare plaats de natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel6.3.2Toestand van sloten, wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert. Paragraaf6.4Straling Artikel6.4.1Objecten onder hoogspanningslijn 1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen, objecten te plaatsen of te hebben die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Paragraaf6.5Vuur Artikel6.5.1Verbod verbranden afvalstoffen buiten inrichtingen en anders vuur stoken 1.Het is verboden zonder vergunning van het college in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden. 3.In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 4.Op de vergunning bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Paragraaf6.6Gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel6.6.1Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig of bromfiets als bedoeld in artikel 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, dan wel met een fiets of paard. 2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden, en de veiligheid van het publiek. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen, fietsers en berijders van paarden: die deel uitmaken van politie en hulpdiensten, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Paragraaf6.7Afvalstoffen Subparagraaf 6.7.
Artikel6
.7.1.1Begripsomschrijvingen 1.De omschrijvingen in artikel 1.1, eerste lid van de Wet milieubeheer zijn eveneens van toepassing op de in deze Paragraaf genoemde begrippen. 2.In deze Paragraaf wordt verstaan onder: wet: Wet milieubeheer; inzamelen: verzamelen van afvalstoffen, inclusief de voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie; voorinzamelingaanbieden: overdragen van afvalstoffen aan een inzamelende persoon of organisatie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in daartoe door of vanwege de inzamelende persoon of organisatie geplaatste inzamelmiddelen of –voorzieningen of op een daartoe aangewezen plaats; inzamelmiddel: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer, afvalemmer of klein chemisch afval-box, ten behoeve van één huishouden; inzamelvoorziening: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of –plaats, zoals een verzamelcontainer, wijkcontainer of brengdepot, voor meer dan één huishouden; inzameldienst: de krachtens artikel 6.7.2, eerste lid van deze verordening aangewezen inzameldienst, belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen; andereinzamelaars: de krachtens artikel 2, tweede lid van deze verordening aangewezen personen en organisaties, belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen; gebruikervaneenperceel: degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel waarvoor op grond van artikel 10.21 en artikel 10.22 van de wet een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt; straatafval: huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen, papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes, blikjes, verpakkingsmateriaal, en etenswaren, niet zijnde klein chemisch afval, ontstaan buiten een perceel; motorrijtuigen: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan. Subparagraaf 6.7.2 Inzameling van huishoudelijke afvalstoffen Artikel6.7.2.1Aanwijzing inzameldienst en andere inzamelaars 1.Het college wijst de inzameldienst aan, die belast is met het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. 2.Naast de inzameldienst kan het college andere inzamelaars aanwijzen, die zijn belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen. 3.Het college kan aan het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen voorschriften verbinden in het belang van de bescherming van het milieu. 4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Artikel6.7.2.2Afzonderlijke inzameling 1.Door de inzameldienst of andere inzamelaars worden de volgende categorieën huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld: groente-, fruit- en tuinafval; klein chemisch afval, inclusief afgewerkte olie; verpakkingsglas; oud papier en karton; kunststof verpakkingen; textiel en schoeisel; elektrische en elektronische apparatuur; bouw- en sloopafval; verduurzaamd hout; grof tuinafval; asbest en asbesthoudend afval; grof huishoudelijk afval; huishoudelijk restafval; autobanden; kringloopgoederen; puin; metaal (inclusief blik); houtafval; drankkartons; vlakglas. 2.Het college kan een omschrijving vaststellen van de categorieën huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid. Artikel6.7.2.3Inzamelmiddelen en –voorzieningen 1.De inzameling kan plaatsvinden via een: inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel; inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen; inzamelvoorziening op wijkniveau; brengdep