Beleidsregels voor de toepassing van een last onder bestuursdwang en/of bestuurlijke waarschuwing ingevolge artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid 2019)De burgemeester van Waalwijk, Overwegende dat: In het Integrale Veiligheidsbeleid 2019-2022 Langstraat de aanpak van ondermijnende criminaliteit een van de geprioriteerde thema’s is; Sinds 2015 meer zicht is op ondermijnende criminaliteit in het District Hart van Brabant; Ondermijnende criminaliteit in belangrijke mate drugsgerelateerd is; Het belangrijk is dat de overheid zichtbaar optreedt tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor deze vormen van ondermijnende criminaliteit; Naast strafrechtelijke sancties ook bestuursrechtelijke sancties ingezet dienen te worden zodat de bestuursrechtelijke sancties het beëindigen, opheffen en/of voorkomen van herhaling van de illegale drugshandel kunnen bewerkstelligen; Artikel 13b Opiumwet (Wet Damocles) het juridisch instrument is om bestuurlijk op te treden tegen illegale drugshandel; Regionale ontwikkelingen in de aanpak van drugsgerelateerde problematiek vragen om een steviger toepassing van mogelijke maatregelen waaronder ook de toepassing van artikel 13b Opiumwet; Actuele lokale ontwikkelingen in de aanpak van drugsgerelateerde problematiek vragen om een nadere duiding van mogelijke maatregelen vanwege gevaarzetting waaronder ook de toepassing van artikel 13b Opiumwet; De op 1 januari 2019 gewijzigde Opiumwet een verruiming van de sluitingsbevoegdheid inhoudt waardoor aanpassing van de op 5 oktober 2017 vastgestelde beleidsregels voor de toepassing van een last onder bestuursdwang en/of bestuurlijke waarschuwing ingevolge artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid) wenselijk is. Gelet op Artikel 13b Opiumwet Besluit Onder intrekking van de “Beleidsregels voor de toepassing van een last onder bestuursdwang en/of bestuurlijke waarschuwing ingevolge artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid)” (vastgesteld op 5 oktober 2017)” Vast te stellen de “Beleidsregels voor de toepassing van een last onder bestuursdwang en/of bestuurlijke waarschuwing ingevolge artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid 2019)”. Juridisch kader Voor de bestuursrechtelijke handhaving van de verboden in de zin van artikel 2 (verbod op aanwezigheid van harddrugs, Lijst I), artikel 3 (verbod op aanwezigheid van softdrugs, Lijst II) en artikel 10a lid 1 onder drie en artikel 11a Opiumwet (voorbereidingshandelingen) is in die wet het artikel 13b opgenomen[1]. [1](Artikel 13b lid 1 onder a Opiumwet wordt in beginsel niet toegepast in geval er een kleine hoeveelheid drugs wordt aangetroffen bestemd voor eigen gebruik. De burgemeester gebruikt de bevoegdheid om handhavend op te treden op grond van artikel 13b van de Opiumwet wanneer: In of vanuit woningen of lokalen dan wel in of bij woningen of zodanige lokalen behorende erven voorbereidingshandelingen worden gepleegd c.q. voorwerpen en/of stoffen die hiertoe dienen voorhanden zijn en/of drugshandel plaatsvindt, dan wel middelen hiertoe aanwezig zijn. Artikel 13b Opiumwet luidt als volgt: 1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf: a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is; b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen. Eveneens is de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie d.d. 27 februari 2015 van kracht (inwerking getreden per 1 maart 2015; Staatscourant 2015, nr. 5391) waarop het beleid is afgestemd. Damoclesbeleid (Handhavingsbeleid artikel 13b Opiumwet) In deze beleidsregels wordt onder drugshandel verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking van drugs dan wel de aanwezigheid van drugs daartoe in een pand en de daarbij behorende erven. Deze beleidsregels zien toe op de bevoegdheid tot het sluiten van coffeeshops door de burgemeester indien de gedoogcriteria overtreden worden. Deze beleidsregels zien daarnaast toe op de bevoegdheid tot het sluiten van woningen of lokalen en daarbij behorende erven door de burgemeester indien daar in dan wel daar op een middel als bedoeld in lijst I of II of een middel dat vooruitlopend op plaatsing op lijst I en II is aangewezen in een ministeriële regeling wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Deze beleidsregels zien eveneens toe op de bevoegdheid tot het sluiten van woningen of lokalen en daarbij behorende erven door de burgemeester indien daar in dan wel daar op voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs en welke handelingen strafbaar zijn gesteld. De bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet is in beginsel gericht op het pand en is niet gericht tegen de eigenaar c.q. gebruiker. Het betreft namelijk geen punitieve sanctie maar een herstelmaatregel. De bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet strekt ertoe de geconstateerde overtreding van de Opiumwet in het pand te beëindigen en te voorkomen. Bestuursdwang op grond van lid 1 van artikel 13b Opiumwet is in de praktijk een tijdelijke sluiting van het pand. Er is gekozen voor een last onder bestuursdwang (sluiting van het pand) in plaats van een last onder dwangsom. Sluiting van het pand is namelijk de meest effectieve manier om de drugshandel tegen te gaan c.q. de bekendheid van het pand in het criminele drugscircuit te doorbreken en openbare orde problematiek te voorkomen en/of de openbare orde en veiligheid in de omgeving van het pand te herstellen. Met een last onder dwangsom wordt de relatie tussen het pand en het criminele circuit en de handel niet in dezelfde mate doorbroken als bij een sluiting en wordt ook de openbare orde problematiek rondom het pand in mindere mate voorkomen en/of hersteld. (voor specificatie van de eenheden die daarbij gehanteerd worden wordt verwezen naar de eenheden in de Aanwijzing Opiumwet) Reikwijdte Drugshandel Bij de beoordeling of bestuursdwang wordt toegepast in het kader van artikel 13b lid 1 Opiumwet moet in ieder geval sprake zijn de aanwezigheid van een middel [2]als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is en/of het voorhanden hebben van een voorwerp en/of stof als bedoeld in artikel 10a, onder 3, of artikel 11a van de Opiumwet. Daar waar in dit beleid gesproken wordt over drugshandel, wordt evengoed bedoeld het daartoe aanwezig hebben van verdovende middelen. De ‘Aanwijzing Opiumwet’ is maatgevend voor de beoordeling van wel of geen overtreding van artikel 13b Opiumwet. Dit beleid volgt dus de justitiële gedoogregels om te bepalen of er sprake is van een handelshoeveelheid drugs. Daarmee zijn het bestuurlijk en strafrechtelijk beleid met elkaar in overeenstemming. In geval van een hoeveelheid van meer dan 5 hennepstekjes of planten wordt aangenomen dat er sprake is van beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt. Er is dus geen sprake van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. Voor softdrugs is hiervan sprake bij een hoeveelheid meer dan 5 gram. In geval van harddrugs geldt ditzelfde voor hoeveelheden groter dan 0,5 gram. In geval harddrugs zich niet laat uitdrukken in grammen dan gelden de hoeveelheden die een gebruikershoeveelheid overstijgen (bijvoorbeeld hoeveelheden groter dan 1 XTC pil en groter dan 5 ml GHB)[3]. Daarmee zijn het bestuurlijk en strafrechtelijk beleid met elkaar in overeenstemming. De verboden van de Opiumwet gelden niet alleen voor middelen als genoemd in lijst I en II, maar ook voor middelen die vooruitlopend op plaatsing op lijst I of II, zijn aangewezen bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet. Van voorbereidingshandelingen is sprake als in een woning of lokaal of op een erf voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor onder meer het telen of bereiden van drugs. Het gaat om voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a of 11 van de Opiumwet. Die bepalingen staande in artikel 10a , onder 3, of artikel 11a van de Opiumwet vereisen dat degene die het voorwerp of de stof in de woning of het lokaal of op het erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor onder meer het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Een en ander kan reeds blijken uit de aard en hoeveelheid van de aangetroffen stof (opslag van 2000 liter zoutzuur in een woonwijk) of uit de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie (een drugslaboratorium of hennepkwekerij in aanbouw), maar soms ook uit de uit een opsporingsonderzoek verkregen resultaten van tapgesprekken of observaties. Sluiting is aan de orde zodra het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs. Niet alle strafbare voorbereidingshandelingen staande in artikel 10 of 11a van de Opiumwet vallen binnen de reikwijdte van deze beleidsregel. Deze beleidsregels gelden niet voor in een pand aangetroffen vervoermiddelen, gelden of andere betaalmiddelen als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3, of artikel 11a van de Opiumwet. De relatie van vervoer- of betaalmiddelen met het pand zal in veel gevallen te los zijn om sluiting van het pand te rechtvaardigen. De uitbreiding van de sluitingsbevoegdheid geldt evenmin als in een pand een (geheime) ruimte wordt aangetroffen als bedoeld in artikel 11a van die Wet. Uiteraard kunnen in een pand aangetroffen vervoer- of betaalmiddelen of (geheime) ruimten wel bijdragen aan het oordeel dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat. [2] dat tot de middelen waarop de bevoegdheid betrekking heeft, gelet op lijst II bij de Opiumwet, eveneens behoort elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden; [3] De eenheden in deze voorbeelden zijn overgenomen uit de Aanwijzing Opiumwet. Doel van het beleid Deze beleidsregels zijn er op gericht om drugshandel tegen te gaan, de bekendheid van het pand in het criminele circuit en/of drugscircuit te doorbreken, de loop van handelaren en/of gebruikers naar het pand te doorbreken, daarmee tevens te verhinderen dat het pand (weer) wordt gebruikt ten behoeve van het drugscircuit en de georganiseerde drugshandel en om drugsgerelateerde overlast rondom het betreffende pand te voorkomen. Deze beleidsregels beogen in geval van een gedoogde coffeeshop om de exploitant de gelegenheid te geven zijn exploitatie op orde te krijgen en hem aan te sporen om zich in de toekomst aan de geldende wetgeving te houden. Beleidsregels I Beleidsregels gedoogde verkooppunten van softdrugs (coffeeshops) 1. Coffeeshop Een coffeeshop is een alcoholvrije horecagelegenheid waarin met inachtneming van gedoogcriteria de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezigheid van softdrugs wordt gedoogd. 2. ToepassingsbereikDe toepassing van artikel 13b Opiumwet heeft een directe relatie met het coffeeshopbeleid van gemeenten. Bij coffeeshops gaat het immers ook om panden waar gehandeld wordt in softdrugs, maar waar bewust de handhaving op grond van artikel 13b Opiumwet onder de werking van de AHOJGI-criteria niet plaatsvindt. Er kunnen zich twee verschillende situaties voordoen: De eerste betreft de situatie waarin er sprake is van activiteiten in de coffeeshop die betrekking hebben op de AHOJGI-criteria. De tweede is de situatie, waarin de coffeeshop alcohol aanwezig heeft of wordt gebruikt als verkoopplaats van alcohol. 3. AHOJGI-criteria en plus-criteriaCoffeeshops dienen zich aan strikte gedoogvoorwaarden te houden. De voorwaarden betreffen de zogeheten AHOJGI-criteria en plus-criteria. Hieronder staan de criteria uitgewerkt. AHOJGI-criteriaA: geen affichering: dit betekent geen enkele vorm van reclame anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit; H: geen harddrugs: dit betekent dat geen harddrugs voor handen mogen zijn en/of verkocht worden; O: geen overlast: onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast rond de coffeeshops, geluidshinder, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshops rondhangende klanten; J: geen verkoop aan jeugdigen en geen toegang voor jeugdigen tot een coffeeshop: gelet op de toename van het cannabisgebruik onder jongeren is gekozen voor een strikte handhaving van de leeftijdsgrens van minimaal 18 jaar; G: geen verkoop van grote hoeveelheden per transactie: dat wil zeggen hoeveelheden groter dan geschikt voor eigen gebruik (5 gram of meer). Onder "transactie" wordt begrepen: alle koop en verkoop in één coffeeshop op eenzelfde dag met betrekking tot eenzelfde koper; I: geen toegang van de coffeeshop voor anderen dan ingezetenen van Nederland. Plus-criteria: Geen alcohol: Coffeeshops mogen geen alcoholische dranken verkopen of ter verkoop aanwezig hebben. Maximale handelsvoorraad: Coffeeshops mogen slechts een beperkte handelsvoorraad hebben (niet meer dan 500 gram)[4]. [4] Aanwijzing Opiumwet (2015A003) inwerkingtreding 1 maart 2015 4. BestuursdwangEr wordt bestuursrechtelijk handhavend opgetreden tegen een coffeeshop bij overtreding van de AHOJGI-criteria en/of de plus-criteria. Er wordt geen last onder dwangsom opgelegd. Bestuursdwang is immers een meer geëigend middel om zeker te stellen dat een eind gemaakt wordt aan de overtreding van de Opiumwet. 5. Artikel 1:6 APVIn de APV is een artikel opgenomen op grond waarvan de burgemeester een vergunning kan intrekken. Dit artikel is ook van toepassing op de gedoogbeschikkingen die de gemeente Waalwijk aan de coffeeshophouders heeft verstrekt. Het artikel luidt: “Artikel 1:6 APV geeft de burgemeester de bevoegdheid de vergunning in te trekken: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder dit verzoekt.” In de gedoogbeschikking die de gemeente Waalwijk aan de coffeeshophouders heeft verstrekt is een extra voorwaarde opgenomen: ‘de gedoogbeschikking is persoonsgebonden en is alleen verleend voor voornoemde horeca-inrichting op voornoemd perceel. De gedoogbeschikking is niet overdraagbaar”. 6. Coffeeshops en overtreding gedoogvoorwaardenDe handhaving die de gemeente Waalwijk hanteert wanneer coffeeshops de gedoogvoorwaarden overtreden staan hieronder per gedoogvoorwaarde opgenomen. Aan het eind van de weergave staat een matrix opgenomen waar in een oogopslag te zien is hoe gehandhaafd wordt. 6.1 Overtreding A-criterium (geen affichering) Bij een eerste constatering van een overtreding van de gedoogvoorwaarde A in coffeeshops of daarbij behorende erven, wordt de coffeeshop gesloten voor de duur van 1 maand. Bij een tweede constatering binnen vijf jaar na de eerste constatering, voor de duur van 3 maanden. Bij een derde constatering binnen vijf jaar na de tweede constatering voor de duur van 6 maanden om vervolgens bij een vierde overtreding binnen vijf jaar na de derde constatering over te gaan tot sluiting voor de duur van 12 maanden en intrekking van de gedoogbeschikking. 6.2 Overtreding H-criterium (geen harddrugs) Indien in coffeeshops of daarbij behorende erven drugs worden verkocht dan wel voorhanden zijn (H-criterium), als bedoeld in lijst I (harddrugs), dan volgt bij een eerste constatering een sluiting van 12 maanden. Bij een tweede constatering binnen vijf jaar na de eerste constatering wordt de coffeeshop voor 24 maanden gesloten en de gedoogbeschikking ingetrokken. 6.3 Overtreding O-criterium(geen overlast) Bij een eerste constatering van een overtreding van de gedoogvoorwaarde O in coffeeshops of daarbij behorende erven, wordt de coffeeshop gesloten voor de duur van 1 maand. Bij een tweede constatering binnen vijf jaar na de eerste constatering, voor de duur van 3 maanden. Bij een derde constatering binnen vijf jaar na de tweede constatering voor de duur van 6 maanden om vervolgens bij een vierde overtreding binnen vijf jaar na de derde constatering over te gaan tot sluiting voor de duur van 12 maanden en intrekking van de gedoogbeschikking. 6.4 Overtreding J-criterium(geen verkoop/toegang jeugdigen) Bij een eerste constatering van een overtreding van de gedoogvoorwaarde J, in coffeeshops of daarbij behorende erven, wordt de coffeeshop gesloten voor de duur van 6 maanden. Bij een tweede constatering binnen vijf jaar na de eerste constatering, wordt de coffeeshop gesloten voor de duur van 12 maanden. Bij een derde constatering binnen vijf jaar na de tweede constatering volgt sluiting voor 24 maanden en wordt de gedoogbeschikking ingetrokken. 6.5 Overtreding G-criterium(verkoop gebruikershoeveelheid) Bij een eerste constatering van een overtreding van de gedoogvoorwaarde G, in coffeeshops of daarbij behorende erven, krijgt de coffeeshop een bestuurlijke waarschuwing. Bij een tweede constatering binnen vijf jaar na de bestuurlijke waarschuwing, wordt de coffeeshop gesloten voor de duur van 3 maanden. Bij een derde constatering binnen vijf jaar na de tweede constatering voor de duur van 12 maanden om vervolgens bij een vierde overtreding binnen vijf jaar na de derde constatering over te gaan tot sluiting voor de duur van 24 maanden en intrekking van de gedoogbeschikking. 6.6 Overtreding I-criterium(verkoop aan ingezetenen) Bij een eerste constatering van een overtreding van de gedoogvoorwaarde I, in coffeeshops of daarbij behorende erven, krijgt de coffeeshop een bestuurlijke waarschuwing. Bij een tweede constatering binnen vijf jaar na de bestuurlijke waarschuwing, wordt de coffeeshop gesloten voor de duur van 3 maanden. Bij een derde constatering binnen vijf jaar na de tweede constatering voor de duur van 12 maanden om vervolgens bij een vierde overtreding binnen vijf jaar na de derde constatering over te gaan tot sluiting voor de duur van 24 maanden en intrekking van de gedoogbeschikking. 6.7 Overtreding Plus-criteria Geen alcohol: Bij een eerste constatering van het aanwezig zijn, verstrekken of gebruik van alcohol in een coffeeshop volgt een sluiting van 3 maanden. Bij een tweede constatering binnen vijf jaar na de eerste constatering, volgt een sluiting van 6 maanden en bij een derde constatering binnen vijf jaar na de tweede constatering, volgt sluiting van de coffeeshop voor een periode van 12 maanden[5]. Bij een vierde overtreding binnen vijf jaar na de derde constatering volgt sluiting voor de duur van 24 maanden en intrekking van de gedoogbeschikking. Maximale handelsvoorraad:De maatregel die getroffen wordt bij overtreding hangt af van de hoeveelheid handelsvoorraad die wordt aangetroffen. Hiertoe zijn staffels opgesteld. Deze staffels zijn te vinden in bijlage 1van de Toelichting op de beleidsregels voor de toepassing van een last onder bestuursdwang voor coffeeshops ingevolge artikel 13b Opiumwet (de wet Damocles). Bij een eerste constatering van een overtreding van de maximale handelsvoorraad, in coffeeshops of daarbij behorende erven, kan de handhaving variëren van een bestuurlijke waarschuwing tot een maximale sluiting van 12 maanden. Bij een tweede constatering binnen vijf jaar varieert de handhaving van sluiting voor de duur van 1 maand tot een maximale sluiting van 12 maanden. Bij een derde constatering binnen vijf jaar na de tweede constatering volgt sluiting voor de duur van 24 maanden en intrekking van de gedoogbeschikking. [5] Overwogen kan worden om al in een eerder stadium - en zeker na de derde constatering - over te gaan tot sluiting van de coffeeshop op grond van artikel 3 jo.36 Drank- en Horecawet, wegens het ontbreken van de vereiste vergunning. Handhavingsmatrix coffeeshops Overtreding 1e constatering 2e constatering 3e constatering 4e en volgende constatering A-criterium 1 maand sluiting 3 maanden sluiting 6 maanden sluiting Sluiting 12 maanden en intrekken gedoogbeschikking H-criterium 12 maanden sluiting Sluiting 24 maanden en intrekken gedoogbeschikking n.v.t. n.v.t. O-criterium 1 maand sluiting 3 maanden sluiting 6 maanden sluiting Sluiting 12 maanden en intrekken gedoogbeschikking J-criterium 6 maanden sluiting 12 maanden sluiting Sluiting 24 maanden en intrekken gedoogbeschikking n.v.t. G-criterium Bestuurlijke waarschuwing 3 maanden sluiting 12 maanden sluiting Sluiting 24 maanden en intrekken gedoogbeschikking I-criterium Bestuurlijke waarschuwing 3 maanden sluiting 12 maanden sluiting Sluiting 24 maanden en intrekken gedoogbeschikking Plus-criterium Geen alcohol 3 maanden sluiting 6 maanden sluiting 12 maanden sluiting Sluiting 24 maanden en intrekken gedoogbeschikking Plus-criterium Maximale handelsvoorraad Maximale sluiting 12 maanden conform staffels (bijlage 1) Maximale sluiting 12 maanden conform staffels (bijlage 1) Sluiting 24 maanden en intrekken gedoogbeschikking n.v.t. 7. SamenloopOnder samenloop bij coffeeshops wordt verstaan dat bij één constatering meerdere gedoogvoorwaarden worden overtreden. Bij samenloop van op te leggen maatregelen is de zwaarst gestelde maatregel van toepassing. II Beleidsregels woningen en/of daarbij behorende erven: aanwezigheid handelshoeveelheid drugs/ voorbereidingshandelingen drugs 1. WoongenotDe sluiting van woningen en/of daarbij behorende erven grijpt zwaarder in op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.