Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland houdende regels omtrent EFRO Beleidsregel Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2019Bekendmaking van het besluit van 19 februari 2019 – zaaknummer 2014-016804 tot vaststelling van een regeling Gedeputeerde Staten van Gelderland, handelend in hun hoedanigheid van Managementautoriteit van het Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2014-2020; Gelet op artikel 9 van de Uitvoeringswet EFRO; Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht; Gelet op de goedkeuring van deze beleidsregel door het Comité van Toezicht op 8 februari 2019 op grond van artikel 110, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europese Parlement en de Raad, van 17 december 2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU L 347/320); Besluiten De volgende Beleidsregel Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2019 vast te stellen: Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: algemene innovatie: innovatie als bedoeld in artikel 5, onderdeel 1, aanhef en onder b, van verordening 1301/2013 in de S3-sector Agro & Food, Health of High Tech Systemen & Materialen; businesscase: uitwerking van het plan tot marktintroductie van de innovatie bezien vanuit technisch, organisatorisch, economisch en financieel perspectief; deskundigencommissie: een door Gedeputeerde Staten ingestelde adviescommissie; Europe 2020: de langetermijnstrategie van de Europese Unie die door de Europese Raad op 17 juni 2010 is vastgesteld; einddatum: de laatste dag van de projectperiode; experimentele ontwikkeling: fase van onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van verordening 651/2014; financieringsinstrument: een financiële steunmaatregel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 11, van verordening 1303/2013 die de vorm kan aannemen van beleggingen in aandelen, met eigen vermogen gelijk te stellen investeringen, leningen, garanties, of andere risicodelende instrumenten; industrieel onderzoek: fase van onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van verordening 651/2014; innovatiecluster: cluster als bedoeld in artikel 2, onderdeel 92, van verordening 651/2014; instantie: publiek- of privaatrechtelijke instantie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, van verordening 1303/2013; grootbedrijf: onderneming waar minsten 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen overschrijdt; kennisinstelling: een in onderdeel a, b, c, g of h van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs, een in onderdeel j van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit; een andere dan een in onderdeel 1 bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk, die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden; een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde: openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis, gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel 1; onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk, die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden; een rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld in de onderdelen 1, 2 of 3 direct of indirect: meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft; volledig aansprakelijk vennoot is, of overwegende zeggenschap heeft; een onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft om via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 4; kennisoverdracht: proces als bedoeld in onderdeel 15, aanhef en onderdeel v, van de Mededeling van de Commissie, Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (2014/C 198/01); koolstofarme innovatie: innovatie als bedoeld in artikel 5, onderdeel 4, aanhef en onder f, van verordening 1301/2013 in de S3-sector Energie en Milieutechnologie, inclusief biobased economy; mkb-onderneming: onderneming die behoort tot het midden- en kleinbedrijf als bedoeld in artikel 2, onderdeel 28, van verordening 1303/2013; onderneming: iedere in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitvoert; ondersteunende sectoren: de sectoren ICT, water, creatieve industrie, chemie en maakindustrie; openstellingsbesluit: besluit tot vaststelling van de subsidieplafonds 2019 voor het Operationeel Programma; Operationeel Programma: Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2014-2020, vastgesteld op grond van in artikel 2, onderdeel 6, van verordening 1303/2013; Oost-Nederland: de provincies Gelderland en Overijssel; O&O in samenwerkingsverband: samenwerking als bedoeld in onderdeel 19, aanhef en onderdeel a, tweede gedachtestreepje, van de Mededeling van de Commissie, Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (2014/C 198/01); penvoerder: partij bij een samenwerkingsovereenkomst, die door de andere partijen bij die overeenkomst is aangewezen als de penvoerder van het project waarvoor de subsidie is aangevraagd en die zal optreden als indiener van de subsidieaanvraag en als rechtsgeldige vertegenwoordiger van de samenwerkende partijen in het samenwerkingsverband; proeftuin: een voorziening waar producten, procedés of diensten die nog in ontwikkeling zijn onder realistische omstandigheden kunnen worden getest; REES: Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies; S3-sectoren: de sectoren Agro & Food, Health, High Tech Systemen & Materialen en Energie en Milieutechnologie, inclusief biobased economy; samenwerkingsverband: verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit en dat door de subsidie aanvragende partijen is opgericht om voor eigen rekening en risico met elkaar samen te werken tijdens de uitvoering van het project; slimme uitrol: pilots voor (grootschalige) praktijktesten en demonstratie in een operationele omgeving; subsidieontvanger: begunstigde van de subsidie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 10, van verordening 1303/2013; tijdvak van de openstelling: het in een subsidieplafond vastgestelde tijdvak waarbinnen de subsidieaanvragen worden ingediend; verordening 1301/2013: Verordening (EU) Nr. 1301/2013 van het Europese Parlement en de Raad, van 17 december 2013, betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling “Investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (PbEU L 347); verordening 1303/2013: Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europese Parlement en de Raad, van 17 december 2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU L 347); verordening 1407/2013: Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L 352); verordening 480/2014: gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van 3 maart 2014 tot aanvulling van verordening 1303/2013 (PbEU L 138); verordening 651/2014: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie, van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 187). Artikel1.2 Subsidie wordt, onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 5.2.5 van de REES, in ieder geval geweigerd indien: de activiteiten niet passen binnen het Operationeel Programma; aan de aanvraag in totaal minder dan 70 punten worden toegekend van de 100 te behalen punten; aan de aanvraag op het beoordelingscriterium genoemd in artikel 2.1, eerste lid, onder a, minder dan 70% van het daarvoor maximaal aantal te behalen punten wordt toegekend; aan de aanvraag als bedoeld in artikel 3.3 of 3.4 op het beoordelingscriterium genoemd in artikel 2.1, eerste lid, onder c, minder dan 70% van het daarvoor maximaal aantal te behalen punten wordt toegekend; aan de aanvraag als bedoeld in artikel 3.1 op het beoordelingscriterium genoemd in artikel 2.1, eerste lid, onder e, minder dan 70% van het daarvoor maximaal aantal te behalen punten wordt toegekend; de aanvraag niet voldoet aan de subsidiecriteria, genoemd in hoofdstuk 3 van deze beleidsregel; de aanvraag niet wordt ingediend door de penvoerder; door de verstrekking van subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden; de activiteiten die zijn gericht op koolstofarme innovatie, ondanks de toepassing van koolstofarme technologieën, niet op de lange termijn zullen bijdragen aan de vermindering van de uitstoot van koolstofdioxide, of de einddatum van een project als bedoeld in paragraaf 3.1, 3.3 of 3.4 na 30 juni 2023 ligt. Artikel1.3 1.De beschikking tot subsidieverlening bevat in ieder geval de verplichting om periodiek te rapporteren over de voortgang van de activiteiten en de daarmee verbonden uitgaven en inkomsten. 2.Voorschotten worden slechts verleend op basis van een voortgangsrapportage inzake de kosten die zijn gemaakt en betaald voor subsidiabele activiteiten. 3.In afwijking van het tweede lid kan op verzoek een voorschot worden verleend. 4.De beschikking tot subsidieverlening bevat de verplichting om de aanvraag tot vaststelling van de subsidie uiterlijk drie maanden na de einddatum te hebben ingediend. 5.De subsidieontvanger kan een schriftelijk verzoek indienen om uitstel van de termijn, genoemd in het vierde lid. De termijn kan uitsluitend worden verlengd indien zich naar het oordeel van de managementautoriteit bijzondere omstandigheden voordoen. Artikel1.4 1.In de beschikking tot subsidieverlening legt de managementautoriteit de start- en einddatum van het project vast en legt de managementautoriteit vast dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend, uitsluitend worden uitgevoerd binnen deze periode. 2.Onverminderd artikel 6 van verordening 651/2014 wordt geen subsidie verstrekt voor kosten die gemaakt zijn voorafgaand aan de startdatum van het project. 3.Kosten die na de einddatum van het project worden gemaakt, zijn niet subsidiabel met uitzondering van de kosten die worden gemaakt om een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in te dienen, zoals accountantskosten. Alle gemaakte kosten moeten uiterlijk zijn betaald op het tijdstip dat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt ingediend. 4.De subsidieontvanger kan een schriftelijk verzoek indienen om verlenging van de projectperiode. De managementautoriteit weigert de projectperiode in ieder geval te verlengen indien het verzoek om verlenging pas wordt ingediend na de einddatum of indien de einddatum van een project verleend onder paragraaf 3.1, 3.3 of 3.4 door de verlenging na 30 juni 2023 komt te liggen. Hoofdstuk2Beoordelingscriteria Artikel2.1 1.Activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, worden beoordeeld op: de mate waarin deze passen binnen de doelstellingen van het Operationeel Programma; de mate van innovativiteit; de kwaliteit van de businesscase; de kwaliteit van de aanvraag, en de mate waarin deze bijdragen aan duurzame ontwikkeling. 2.De hoogte van de score ten aanzien van: het criterium, genoemd in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, wordt bepaald door de bijdrage van de activiteiten aan de kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen van het Operationeel Programma, in relatie tot het gevraagde subsidiebedrag en de mate waarin: de activiteiten en de resultaten hiervan ten goede komen aan Oost-Nederland; mkb-ondernemingen betrokken zijn bij de activiteiten, en wordt bijgedragen aan de versterking van de samenwerking tussen bedrijven onderling en aan de versterking van de samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen. het criterium, genoemd in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, wordt bepaald door het innovatieve karakter van de activiteiten waarbij de ontwikkeling van een product, procedé of dienst uniek is voor Nederland en de mate waarin de activiteiten: zich onderscheiden ten opzichte van internationale ontwikkelingen of alternatieven; een technologisch risico met zich meebrengen en de activiteiten haalbaar zijn, en tot stand komen door een cross-over tussen instanties uit verschillende sectoren. het criterium, genoemd in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, wordt bepaald door de kwaliteit van de technische, organisatorische, economische en financiële aspecten in de businesscase en de mate waarin: mitigerende maatregelen ten behoeve van de risico’s worden vermeld; voor de uitvoering van de businesscase relevante partijen zijn benoemd; de marktintroductie en het verkrijgen van bestaansrecht in de markt is uitgewerkt; het verdienmodel schaalbaar is; wordt beschreven op welke wijze de intellectuele eigendom wordt beschermd; marktvraag aanwezig is, en de financieringsstrategie is uitgewerkt. het criterium, genoemd in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, wordt bepaald door de kwaliteit en ambitie van de aanvraag en de mate waarin: onderzoeksorganisaties bij de uitvoering van de activiteiten worden betrokken; er binnen de keten wordt samengewerkt; de aanvragers voldoende bekwaam zijn; het samenwerkingsverband ambities heeft na voltooiing van de activiteiten; de activiteiten kunnen worden bijgestuurd, en de doelstellingen van de activiteiten meetbaar en objectief zijn. het criterium, genoemd in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, wordt bepaald door: de bijdrage van de activiteiten aan de afname van CO2 uitstoot; de overige ontwikkeling van ecologische duurzaamheid, en sociale duurzaamheid. 3.In afwijking van het tweede lid wordt voor aanvragen voor financieringsinstrumenten als bedoeld in paragraaf 3.2 de hoogte van de score ten aanzien van: het criterium, genoemd in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, bepaald door de bijdrage van de activiteiten aan de kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen van het Operationeel Programma, in relatie tot het gevraagde subsidiebedrag en de mate waarin: de activiteiten en de resultaten hiervan ten goede komen aan de provincie Gelderland; mkb-ondernemingen betrokken zijn bij de activiteiten, en wordt bijgedragen aan het doel dat meer mkb-bedrijven in de provincie Gelderland meer omzet halen uit nieuwe producten. het criterium, genoemd in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, wordt bepaald door de kwaliteit en ambitie van de aanvraag, de criteria genoemd in artikel 7, tweede lid, van verordening 480/2014 en de mate waarin: de aanvragers beschikken over een relevant netwerk in de provincie Gelderland in de S3-sectoren; de aanvragers beschikken over capaciteit om ondernemingen toe te leiden naar het financiële instrument, en de activiteiten kunnen worden bijgestuurd. 4.Aan de activiteiten wordt een score van maximaal 100 punten toegekend. 5.Voor de beoordeling van de activiteiten aan de hand van de criteria, genoemd in het tweede of derde lid, wordt advies ingewonnen van de deskundigencommissie. Artikel2.2 1.Bij aanvragen voor activiteiten als bedoeld in paragraaf 3.1 worden de punten voor de criteria genoemd in artikel 2.1 als volgt verdeeld: maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a; maximaal 15 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder b; maximaal 15 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder c; maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder d; maximaal 30 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder e. 2.Bij aanvragen voor activiteiten als bedoeld in paragraaf 3.2 worden de punten voor de criteria genoemd in artikel 2.1 als volgt verdeeld: maximaal 60 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a; maximaal 40 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder d. 3.Bij aanvragen voor activiteiten als bedoeld in paragraaf 3.3 en 3.4 worden de punten voor de criteria genoemd in artikel 2.1 als volgt verdeeld: maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a; maximaal 25 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder b; maximaal 25 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder c; maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder d; maximaal 10 punten voor het criterium, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder e. Hoofdstuk3Programma-specifieke uitgangspunten Paragraaf3.1Slimme CO2-reductie Artikel3.1.1 1.De activiteiten zijn gericht op koolstofarme innovatie en op: het ontwikkelen en uittesten van nieuwe concepten en processen gericht op koolstofarme technologieën; onderzoek en ontwikkelen van nieuwe financieringsmodellen; de ontwikkeling, het testen of het demonstreren van innovatieve technologieën gericht op: slimme (distributie)systemen; de productie en distributie van hernieuwbare energiebronnen; energieopslag; energie efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie bij bedrijven, openbare gebouwen en in de woningbouw; het terugdringen of hergebruik van grondstoffen en mineralen, of het vervangen van fossiele grondstoffen door biologische grondstoffen; slimme uitrol, of het verrichten van experimentele ontwikkelingen in een proeftuin gericht op (opschaling van) introductie van nieuwe milieu- en energietechnologie. De kosten kunnen die voor de exploitatie en het upgraden van de proeftuin omvatten. 2.De activiteiten zijn gericht op de S3-sector Energie en Milieutechnologie, inclusief biobased economy, al dan niet in combinatie met een andere S3-sector of ondersteunende sector. Artikel3.1.2 1.Subsidie wordt slechts verstrekt aan drie of meer van elkaar onafhankelijke instanties die met elkaar samenwerken op basis van één samenwerkingsovereenkomst en waarvan ten minste één instantie een mkb-onderneming is. 2.De instanties zijn ten opzichte van elkaar in ieder geval aan te merken als zelfstandige ondernemingen als bedoeld in artikel 3 van bijlage 1 van verordening 651/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.