Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent lokaal onderwijsbeleid Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019De gemeenteraad van Amsterdam Gezien de voordracht van burgemeester en wethouders van 4 december 2018 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 21); Mede gezien de aangenomen motie van de leden Marttin en Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 55); Gelet op: artikelen 6 en 140 van de Wet op het primair onderwijs; artikelen 6 en 134 van de Wet op de expertisecentra; artikelen 77 en 96g van de Wet op het voortgezet onderwijs; artikel 149 van de Gemeentewet, Besluit: Kennis te nemen van de wethoudersbrief ‘Aanbieding Verordening op het Lokaal Onderwijsbeleid Amsterdam 2019’ (VloA 2019) die als bijlage 1 is opgenomen, waarin de wethouder onderwijs toelicht dat de VloA als instrument wordt gewijzigd om de komende jaren aan de ambities voor onderwijs te kunnen voldoen. Vast te stellen de volgende: Verordening op Lokaal Onderwijs Beleid Amsterdam 2019 (VloA 2019) die als bijlage 2 is opgenomen. De VloA 2019 is ten opzichte van VloA 2014 aangepast op de volgende punten: De verordening is meer gestructureerd, eenvoudiger en overzichtelijker. De VloA 2019 is een zelfstandige verordening geworden, waarbij de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013 niet meer van toepassing is op de verstrekking van subsidies. De verordening bestaat nu uit een algemeen deel en 6 bijlagen waarin de afzonderlijke voorzieningen worden geordend. Het college krijgt de mogelijkheid om onderwijsvoorzieningen te weigeren als een schoolbestuur voor een onder zijn gezag vallende school voor het basisonderwijs per schooljaar een gemiddelde vrijwillige ouderbijdrage ontvangt die hoger is dan € 225,- per leerling. De voorzieningen ‘combinatie functie vroeg- en voorschool’ en ‘vroegschoolse educatie’ en de component Ouderbetrokkenheid Vroegschool die nu nog wordt geregeld in de regeling voorschoolse educatie, zijn samengebracht in een nieuwe en aangepaste voorziening ‘Vroegschools aanbod’. De voorziening kent drie uitvoeringsniveaus (A,B,C) met ieder hun eigen activiteiten en intensiteit, aangepast aan de zwaarte van de school. Het college hoogt in de voorziening ‘Kansenaanpak PO’, het bedrag dat per doelgroepleerling beschikbaar is op van € 700 naar € 800, waardoor schoolbesturen voor de onder hun gezag vallende scholen de mogelijkheid krijgen om een dekkend aanbod te realiseren ter voorkoming van onderwijsachterstanden bij hun leerlingen. De wijzigingen in de voorziening ‘nieuwkomers’ zijn gericht op de extra ondersteuning in de kleuterklassen: er is de mogelijkheid om een NT2 deskundige in te zetten in plaats van een leerkracht, de extra ondersteuning is voor leerlingen in groep 2 in plaats van een specifieke leeftijd en om in aanmerking te komen voor de subsidie moet ook Rijksbekostiging voor nieuwkomers aangevraagd zijn. De VloA 2019 kent een overgangsbepaling, waarbij de VloA 2014 van toepassing blijft op subsidies die tot en met het schooljaar 2018-2019 zijn verleend. Kennis te nemen van: de door B&W vastgestelde budgettering voor de uitvoering van de VloA voor schooljaar 2019-2020 van € 34.528.000,- Dit bedrag wordt ten laste gebracht van de begroting Onderwijs 2019 en 2020, onder voorbehoud van goedkeuring van de begroting 2020 door de gemeenteraad; van de door B&W vastgestelde subsidieplafonds die zijn vastgesteld omdat deze voorzieningen voor een beperkte doelgroep beschikbaar zijn: van € 1.041.000,- voor de voorziening Hoogbegaafdheid; van € 495.000,- voor de voorziening Nieuwkomersonderwijs (groep 2); van € 733.000,-.voor de voorziening Tegemoetkoming voor schoolgebouwen met overdimensionering en voor schoolgebouwen in de fijnstofzone; Voor de voorziening Kansenaanpak primair onderwijs vanaf groep 3: € 13.100.000,- voor het onderdeel Maatwerkplan verlengde leertijd en ouderbetrokkenheid; €400.000,- voor het onderdeel Zomerschool; €400.000,- voor het onderdeel Kopklas. Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 (VloA 2019) Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: aanvullende voorziening: een door het college vastgestelde tijdelijke voorziening; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam; dislocatie: een deel van een school - in een ander gebouw en op een andere locatie dan het hoofdgebouw - waarmee feitelijk ruimtegebrek in het hoofdgebouw van de school wordt opgevangen; nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra, artikel X van de wet van 31 mei 1995 (Stb. 319) of artikel 73van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht; ongewogen leerling: leerling van een school, waarbij geen rekening is gehouden met eventueel door het Rijk toegekend leerlinggewicht; raad: gemeenteraad van de gemeente Amsterdam; school: school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, en een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra; school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs; schoolbestuur: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde in de gemeente gelegen openbare of bijzondere school, een instelling, of, voor zover in deze verordening is bepaald, van een nevenvestiging waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente; schooljaar: de periode die loopt van 1 augustus van een kalenderjaar tot en met 31 juli van het daaropvolgende kalenderjaar; subsidie: financiering van de gemeente in aanvulling op de Rijksbekostiging voor onderwijsactiviteiten van een school; vrijwillige ouderbijdrage: bijdrage met een onverplicht karakter die door een school van ouders per schooljaar wordt gevraagd voor zaken en activiteiten waarvoor de school geen geld ontvangt van de (rijks)overheid en die niet horen tot het wettelijk voorgeschreven onderwijscurriculum. De bijdrage kan ook bestaan uit een lidmaatschap van een rechtspersoon. Onder voornoemde activiteiten vallen in ieder geval een viering, sportdag, excursie of (buitenlands) schoolreisje; voorziening in natura: een voorziening of aanvullende voorziening die feitelijk beschikbaar wordt gesteld. Artikel2Reikwijdte verordening en bevoegdheid college 1.Deze verordening bestaat uit een algemeen deel en een aantal voorzieningen, waarin wordt geregeld waarvoor een schoolbestuur voor een onder zijn gezag vallende school in aanmerking kan komen. 2.Het college is bevoegd om op grond van deze verordening aan een schoolbestuur een voorziening te verstrekken in natura of als een subsidie. 3.Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op subsidies hoger dan €50.000, tenzij in een voorziening hiervan is afgeweken. Artikel3Aanvullende voorziening 1.Het college kan bepalen dat de verordening tijdelijk wordt aangevuld met een voorziening. 2.Het college stelt de criteria vast waaronder de aanvullende voorziening kan worden verstrekt. 3.Na de bekrachtiging van de aanvullende voorziening door de raad of na verloop van een periode van 12 weken na de vaststelling van de aanvullende voorziening door het college wordt de aanvullende voorziening toegevoegd aan de verordening. Artikel4Subsidieplafond Het college kan binnen de kaders van de begroting subsidieplafonds voor een voorziening vaststellen. Hoofdstuk2Aanvraagprocedures en weigeringsgronden Artikel5Indiening aanvraag 1.Een voorziening kan uitsluitend worden aangevraagd door een schoolbestuur voor een onder zijn gezag vallende school en voor zover de school past binnen de doelgroep als nader bepaald in de aan te vragen voorziening. 2.De aanvraag bevat in alle gevallen: de naam en het adres van het schoolbestuur; de dagtekening; de gewenste voorziening; de naam van de school en de onderwijssoort. 3.De aanvraag van een voorziening in de vorm van subsidie bevat in aanvulling op het tweede lid de volgende stukken, tenzij in een voorziening anders is bepaald: een beschrijving van de activiteiten passend in de voorziening, waarvoor subsidie wordt aangevraagd; de doelstellingen en resultaten, die daarmee worden nagestreefd, en hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen; een begroting voor de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd met daarin een overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd; een afschrift van het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van de aanvrager van het voorgaande jaar; documenten waaruit de hoogte van de bezoldiging van de bij de aanvrager werkzame topfunctionarissen, als bedoeld in de zin van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector, blijkt. 4.Bij de aanvraag van een voorziening in de vorm van subsidie verstrekt het schoolbestuur voor een school voor basisonderwijs in aanvulling op het derde lid informatie, waaruit blijkt: het gemiddelde bedrag aan vrijwillige ouderbijdrage dat de school heeft ontvangen over het schooljaar voorafgaand aan het subsidietijdvak, waarvoor de subsidieaanvraag wordt ingediend, berekend op basis van het aantal ingeschreven ongewogen leerlingen op 1 oktober van dat schooljaar; hoe het totale bedrag aan ouderbijdrage in het schooljaar bedoeld onder b. wordt besteed. Of de vrijwillige ouderbijdrage voor het schooljaar waarop de aanvraag betrekking heeft, wijziging zal ondergaan. Artikel6Aanvraag- en beslistermijn 1.Een volledige aanvraag voor een voorziening of aanvullende voorziening wordt schriftelijk bij het college ingediend van 1 februari tot uiterlijk 31 maart voorafgaand aan het tijdvak waarvoor de voorziening of aanvullende voorziening wordt aangevraagd, tenzij in een voorziening anders is bepaald. Als door het college een aanvraagformulier is vastgesteld, wordt van dat formulier gebruik gemaakt. 2.Het college besluit binnen 12 weken na ontvangst van de volledige aanvraag of indien van toepassing na het verstrijken van een indieningsdatum over het verstrekken van een voorziening. Artikel7Weigeringsgronden 1.Het college weigert de voorziening of aanvullende voorziening indien: de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van deze verordening; de aanvraag om een voorziening niet uiterlijk op het daartoe vastgestelde tijdstip is ingediend. 2.Het college kan geheel of gedeeltelijk weigeren een voorziening te verlenen als: het schoolbestuur of de school niet voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld om voor een voorziening in aanmerking te komen; het schoolbestuur of de school doelen nastreeft, activiteiten ontplooit of handelingen verricht die in strijd zijn met het recht, het algemeen belang of de openbare orde; in geval de aanvraag een voorziening in de vorm van een subsidie betreft, de school voor basisonderwijs per schooljaar een gemiddelde vrijwillige ouderbijdrage ontvangt die hoger is dan € 225,- per leerling; gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de te verlenen voorziening in de vorm van een subsidie niet of in onvoldoende mate zal worden besteed aan de activiteit waarvoor de subsidie is bedoeld; gegronde reden bestaat om aan te nemen dat het schoolbestuur of school niet de capaciteiten heeft om de activiteiten waarvoor de voorziening wordt verstrekt naar behoren uit te voeren; Het schoolbestuur niet voldoet aan de in de onderwijssector van aanvrager gebruikelijke code goed bestuur; gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de gevraagde voorziening in de vorm van een subsidie niet doelmatig zal worden besteed in verband met een bezoldiging door het schoolbestuur die hoger is dan de maximale bezoldiging als bedoeld in artikel 2.3. van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. 3.Ineen voorziening kunnen in aanvulling op het eerste en tweede lid specifieke weigeringsgronden worden opgenomen. Artikel8Tijdvak Het college verleent een voorziening of een aanvullende voorziening voor het tijdvak van een schooljaar, tenzij in een voorziening anders is bepaald. Hoofdstuk3Verplichtingen schoolbestuur Artikel9Verplichtingen verbonden aan een voorziening in de vorm van een subsidie 1.Het schoolbestuur informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over: ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, geheel of gedeeltelijk niet zullen worden verricht of aan de subsidieverlening verbonden voorwaarden of verplichtingen geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen; relevante wijzigingen in de financiële situatie of in de financiële of organisatorische verhouding met derden. 2.Vervreemding door het schoolbestuur van op basis van deze verordening verleende voorzieningen is niet toegestaan zonder toestemming van het college, tenzij sprake is van een overdracht van voorzieningen aan een ander schoolbestuur als gevolg van samenvoeging van het betreffende schoolbestuur met een ander schoolbestuur. 3.Het college kan het schoolbestuur de verplichting opleggen tot het indienen van een tussentijdse rapportage over de activiteiten en de daarmee verbonden uitgaven en inkomsten. 4.Het schoolbestuur draagt er voor zorg dat hijzelf en/of de leiding van de school waarvoor hij subsidie ontvangt alle informatie verschaft en alle medewerking verleent aan door of namens de gemeente ingestelde onderzoeken samenhangend met de uitvoering van een of meerdere voorziening(en). 5.De schriftelijke verantwoording over de besteding van de verleende subsidies wordt opgenomen in een openbaar subsidieregister. 6.In een voorziening kunnen aanvullend op de in dit artikel opgenomen verplichtingen andere verplichtingen worden opgenomen. Artikel10Verplichtingen verbonden aan een voorziening in natura 1. Het schoolbestuur informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat scholen geheel of gedeeltelijk geen gebruik kunnen maken van voorzieningen die in natura zijn verstrekt. 2. De voorschriften, zoals opgenomen in artikel 9 derde, vierde en zesde lid zijn eveneens van toepassing op de verlening van voorzieningen in natura. Hoofdstuk4Verantwoording en vaststelling van voorzieningen in de vorm van subsidie Artikel11Aanvraagtermijn vaststelling en verantwoording subsidies 1.De aanvraag tot vaststelling van een subsidie wordt schriftelijk binnen 12 weken na afloop van het gesubsidieerde tijdvak ingediend bij het college. Als door het college een aanvraagformulier is vastgesteld, wordt van dat formulier gebruikgemaakt. 2.Als het schoolbestuur over een tijdvak voor de onder zijn gezag vallende scholen meerdere subsidies ontvangt, vindt de aanvraag tot vaststelling van deze subsidies gelijktijdig en gezamenlijk plaats, tenzij in een voorziening anders is bepaald. 3.De aanvraag tot vaststelling van een subsidie bevat: een verslag per school waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn verricht en waarin wordt aangegeven in hoeverre de beoogde doelstellingen en resultaten zijn gerealiseerd; een financieel verslag over de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten per school voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn; andere informatie voor zover bepaald in een voorziening. 4.Als de subsidieverlening hoger is dan € 125.000, is het schoolbestuur verplicht bij de aanvraag om vaststelling van de subsidie een controleverklaring in te dienen als bedoeld in artikel 4:78 van de Algemene wet bestuursrecht. 5.Als een schoolbestuur binnen één tijdvak van het college verschillende subsidies ontvangt van elk minder dan € 125.000, maar die tezamen meer bedragen dan € 125.000, is het schoolbestuur eveneens verplicht een controleverklaring te verstrekken als bedoeld in het vierde lid. 6.Het college kan op verzoek van het schoolbestuur in het kader van de aanvraag om vaststelling van de subsidie als bedoeld in het eerste lid, uitsluitend voor het indienen van de controleverklaring bedoeld in het vierde lid uitstel verlenen tot 20 weken na afloop van het gesubsidieerde tijdvak. Artikel12Vaststelling subsidie Het college stelt binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast. Artikel13Betaling en verrekening 1.Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de beschikking tot subsidievaststelling binnen vier weken na de subsidievaststelling betaald. Indien een voorschot is verleend, wordt dit voorschot op het subsidiebedrag in mindering gebracht. 2.Het college kan een geldschuld, ontstaan op grond van toepassing van enige bepaling van deze verordening, verrekenen met een vordering van de subsidieontvanger op de gemeente. Hoofdstuk5Overige bepalingen Artikel14Toezichthouders 1.Het college kan toezichthouders aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen. 2.De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, vermeld in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk6Slotbepalingen Artikel15Overgangsbepaling De VloA 2014 inclusief de daarbij behorende voorzieningen is van toepassing op subsidies die tot en met het schooljaar 2018-2019 zijn verstrekt. Artikel16Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 Aldus besloten door de gemeenteraad voornoemdin zijn vergadering op 23 januari 2019.De voorzitterFemke HalsemaDe raadsgriffierMarijke Pe Toelichting bij de Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 Wanneer de gemeente aan scholen ter ondersteuning van het onderwijs bovenop de rijksbekostiging extra middelen beschikbaar wil stellen, dan kan dit alleen op basis van een verordening. Deze verplichting is neergelegd in artikel 140 WPO, artikel 134 WEC en artikel 96g WVO. Gemeenten kunnen op geen andere basis aanvullende financiering verstrekken, aangezien in artikel 6 van de WPO, artikel 6 van de WEC en artikel 77 van de WVO is aangegeven dat de gemeente geen uitgaven voor het bijzonder onderwijs mag doen anders dan krachtens de wet. De kern van art. 140 Wpo, artikel 134 WEC en artikel 96g WVO wordt uitgedrukt in het tweede lid van deze artikelen, waar is bepaald dat bij de financiering van andere dan door de gemeente in stand gehouden scholen dezelfde maatstaf moet worden aangelegd, waarbij geen onderscheid mag worden gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Hier worden dus twee gelijkheidsprincipes naast elkaar gezet. In de eerste plaats de (bestuursrechtelijke) gelijke behandeling met betrekking tot subsidiëring van scholen die in gelijke omstandigheden verkeren. In de tweede plaats het constitutioneelrechtelijke beginsel van gelijke deugdelijkheid van openbaar en bijzonder onderwijs, welke is neergelegd in het zesde lid van artikel 23 Grondwet. Het begrip “dezelfde maatstaf”, dat verwijst naar het zevende lid van artikel 23 Grondwet, heeft daarmee dus een betekenis gekregen die in het algemene bestuursrecht gebruikelijk is 1 Het spoort ook met de algemene opvatting dat het zevende lid van artikel 23 Grondwet moet worden gezien als een nadere specificering van het zesde lid, in die zin dat de verzekering van gelijke deugdelijkheid van openbaar en bijzonder ook bij de overheidsfinanciering vooropstaat. Vgl. D. Mentink, B.P. Vermeulen, P.J.J. Zoontjens, Artikel 23, paragraaf 1, digitaal grondwetscommentaar, www.nederlandrechtsstaat.nl. . Krachtens artikel 140 Wpo etc. kan de gemeente bijvoorbeeld besluiten om scholen met veel achterstandsleerlingen of die met bijzondere verkeersoverlast kampen bij het halen en brengen, financieel te ondersteunen. Dit kunnen uiteindelijk alléén openbare of bijzondere scholen zijn, of bepaalde openbare én bijzondere scholen, al naar gelang de feitelijke situatie en de criteria die bij subsidiëring worden aangelegd. Van belang is daarbij dat de criteria algemeen en objectief zijn en dat elke school die daaronder valt er in principe aanspraak op kan maken. De Verordening lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 (VloA 2019) vervangt de Verordening op het lokaal onderwijsbeleid in de gemeente Amsterdam uit 2014. De belangrijkste verschillen met de VloA 2014 betreffen enerzijds dat de VloA 2019 geen schakelbepalingen met de ASA 2013 meer kent en daardoor een volledig zelfstandige verordening is geworden. Anderzijds zijn de in de bijlage van de oude verordening opgenomen ruim 20 voorzieningen in elkaar geschoven in 5 afzonderlijke regelingen. Het gaat daarbij om: Bijlage 1. Voorzieningen in natura Hieronder vallen de volgende voorzieningen: Cultuurvouchers en basispakket cultuureducatie Schoolzwemmen Schooltuinprogramma en natuur- & milieueducatie Verkeereducatie Bijlage 2 Voorzieningen voor aanvullende financiering personeel Hieronder vallen de volgende voorzieningen: Vakleerkracht cultuur Vakleerkracht bewegingsonderwijs Onderwijsondersteunend personeel Bijlage 3 Voorzieningen kansengelijkheid Hieronder vallen de volgende voorzieningen: Vroegschools aanbod Kansenaanpak primair onderwijs vanaf groep 3 Nieuwkomers Bijlage 4 Voorzieningen kwaliteit, schoolontwikkeling en lerarentekort (nog in ontwikkeling) Bijlage 5 Materiële voorzieningen Hieronder valt de volgende voorziening: Tegemoetkoming voor schoolgebouwen met overdimensionering en voor schoolgebouwen in de fijnstofzone Bijlage 6 Overige voorzieningen Hieronder vallen de volgende voorzieningen: Bevorderen van Burgerschap, diversiteit en gedeelde geschiedenis Hoogbegaafdheid Deze voorzieningen zijn ten opzichte van de voorafgaande schooljaren voor het schooljaar 2019-2020 inhoudelijk niet gewijzigd. De verwachting is dat deze voorzieningen mogelijk volgend jaar al niet meer op dezelfde manier geregeld zullen worden als nu het geval is en dat vormt dan ook de reden dat ze samen zijn opgenomen in Bijlage 6. Het is de bedoeling dat nieuwe voorzieningen worden verwerkt in een van de bestaande bijlagen, zodat een wildgroei aan voorzieningen voor de toekomst voorkomen wordt. Toelichting per artikel Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen Behoeft geen toelichting Artikel 2 Reikwijdte verordening en bevoegdheid college Dit artikel regelt enerzijds de reikwijdte van de verordening en anderzijds de bevoegdheid van het college. Het artikel bepaalt dat de VloA 2019 bestaat uit een algemeen deel en een aantal hoofdstukken, waarin de voorzieningen nader worden geregeld en waarin van het algemene deel kan worden afgeweken. Voorts bepaalt het tweede lid dat het college een voorziening kan verstrekken in de vorm van het feitelijk beschikbaar stellen van een voorziening in natura of in de vorm van een subsidie. Artikel 3 Aanvullende voorziening Om snel op nieuwe ontwikkelingen in te kunnen spelen geeft de VloA 2019 het college de bevoegdheid om de VloA 2019 tijdelijk uit te breiden met een aanvullende voorziening. Deze aanvullende voorziening kan nadat hij in werking is getreden, direct worden aangevraagd door de schoolbesturen. De tijdelijke aanvullende voorziening dient nog wel bevestigd te worden door de gemeenteraad, waarna deze voorziening als wijziging dient te worden toegevoegd als voorziening aan de VloA 2019. Artikel 4 Subsidieplafond In de Awb zijn in de artikelen 4:25 tot en met 4:28 de belangrijkste bepalingen rondom het werken met een ‘subsidieplafond' gegeven.Een subsidieplafond moet schoolbesturen en scholen duidelijkheid bieden over hoeveel geld er voor een bepaalde voorziening die in de vorm van subsidie wordt verstrekt, beschikbaar is. Uit het oogpunt van rechtszekerheid verlangt de Awb dat het subsidieplafond tijdig bekend wordt gemaakt. Uit artikel 4:26 in samenhang gelezen met artikel 4:27 Awb volgt dat het subsidieplafond bekend moet worden gemaakt vóór de openstelling van de aanvraagtermijn en derhalve voorafgaand aan de periode waarop de subsidie betrekking heeft. Als het subsidieplafond tijdig bekend is gemaakt, dan kunnen subsidieaanvragen zonder nadere motivering worden afgewezen op het moment dat het subsidieplafond bereikt is (artikel 4:25, tweede lid). Als het subsidieplafond niet tijdig bekend is gemaakt, dan heeft het subsidieplafond geen gevolgen voor de aanvragen die vóór de bekendmaking zijn ingediend (artikel 4:27, tweede lid). De gemeenteraad stelt voor zover het niet om openeinde regelingen gaat, in de voorzieningen het subsidieplafond voor het eerste subsidietijdvak vast. Als zo’n voorziening meerdere schooljaren doorloopt, wordt de bevoegdheid om de hoogte van het plafond vast te stellen overgedragen aan het college. Belangrijk is de wettelijke verplichting geregeld in artikel 4:26 Awb om de wijze van verdeling van de beschikbare bedragen bij of krachtens wettelijk voorschrift te regelen. Bij de VloA 2019 wordt de verdeelsystematiek altijd opgenomen in de voorzieningen zelf. De meest eenvoudige vorm is een verdeelmechanisme van de behandeling van aanvragen op volgorde van binnenkomst. (zie ook artikel 6 van de VloA 2019). Een andere vorm is een tendersysteem, waarbij het beschikbare budget wordt verdeeld over complete aanvragen door middel van een onderlinge vergelijking van de aanvragen. De beste aanvragen komen daarbij voor subsidie in aanmerking. Van belang bij dit systeem is dat helder is voor de schoolbesturen en scholen op basis van welke meestal kwalitatieve criteria de aanvragen worden getoetst en in rangorde worden gezet en dat rangschikking geschiedt met behulp van een puntentelling. Hoofdstuk 2 Aanvraagprocedure en weigeringsgronden Artikel 5 Indiening aanvraag In het eerste lid is bepaald dat een voorziening alleen kan worden aangevraagd door een schoolbestuur voor een onder zijn gezag vallende school. Van deze datum kan worden afgeweken als dit in de voorziening of aanvullende voorziening is geregeld. In het tweede lid van artikel 5 is bepaald welke gegevens het schoolbestuur in ieder geval dient op te nemen in de aanvraag voor een school. In het derde lid is opgenomen welke gegevens daarnaast in verband met een subsidieaanvraag dienen te worden ingediend. In de voorziening zelf kan worden bepaald dat deze informatie verder moet worden aangevuld met andere stukken. In het vierde lid is opgenomen welke informatie in aanvulling op het derde lid dienen te worden verstrekt betreffende de vrijwillige ouderbijdrage die een school aan ouders vraagt. Daarbij wil de gemeente onder meer inzicht krijgen in de manier waarop de ouderbijdrage wordt gevraagd . Bijvoorbeeld een vast bedrag per kind, of een bedrag naar rato van het inkomen van ouders. Daarnaast wil de gemeente informatie over waarvoor de ouderbijdrage wordt gebruikt. Indien voor het schooljaar waarvoor de aanvraag wordt ingediend de hoogte van de ouderbijdrage wijzigt, dan dient het schoolbestuur dit ook door te geven. Artikel 6 Aanvraag en beslistermijn Het eerste lid bepaalt dat een aanvraag voor subsidie uitsluitend schriftelijk kan worden ingediend. In de praktijk betreft het een elektronische aanvraag via het Amsterdamse subsidieloket. De gebruikelijke aanvraagperiode loopt van 1 februari tot uiterlijk 31 maart van het jaar voorafgaand aan het subsidiëren tijdvak. In de meeste gevallen betreft het hierbij een schooljaar. In een voorziening kan van deze aanvraagtermijn worden afgeweken. Artikel 7 Weigeringsgronden Voor zover een voorziening in de vorm van subsidie wordt verstrekt, worden de algemeen geldende weigeringsgronden, zoals opgenomen in artikel 4:35 Awb met nadere, op de gemeentelijke praktijk toegesneden gronden aangevuld. De genoemde weigeringsgronden zijn, indien uit de redactie van de bepaling niet blijkt dat ze uitsluitend betrekking hebben op subsidie, ook van toepassing op aanvragen voor voorzieningen in natura. Het eerste lid bevat twee imperatieve weigeringsgronden, in het tweede lid wordt het college enige vrijheid geboden om een aanvraag op basis van de daarin genoemde gronden al dan niet (gedeeltelijk) te honoreren. In de eerste weigeringsgrond van het eerste lid onder a. wordt tot uitdrukking gebracht dat het college een aanvraag dient te weigeren die valt buiten de reikwijdte van de VloA 2019. De weigeringsgrond onder b geeft aan dat het vaststellen van een tijdstip waarop een aanvraag uiterlijk moet zijn ingediend geen ruimte laat om na dat tijdstip alsnog een aanvraag te kunnen indienen. De in het tweede lid opgenomen facultatieve weigeringsgronden richten zich in de eerste plaats op de situatie dat de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen, zoals die in de VloA 2019 of de (aanvullende) voorzieningen zijn gesteld (a). Daarnaast kan de voorziening worden geweigerd als twijfel bestaat over het doel van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd (b). Deze weigeringsgrond biedt bovendien de mogelijkheid om de voorziening te weigeren als het schoolbestuur handelingen verricht die in strijd zijn met het recht, het algemeen belang of de openbare orde. Onder strijd met het recht wordt daarbij niet alleen strijd met de Grondwet, wetten in formele zin en lagere regelgeving bedoeld, maar ook strijd met het recht van de Europese Unie, een ieder verbindende verdragsbepalingen en algemene rechtsbeginselen. De weigeringsgrond biedt dus bijvoorbeeld ook de mogelijkheid om de voorziening te weigeren als de aanvrager de Algemene wet gelijke behandeling niet naleeft of zich in verband met subsidie schuldig maakt aan het bedreigen of intimideren van wethouders en ambtenaren. Verder kan de subsidie worden geweigerd als de school een gemiddelde vrijwillige ouderbijdrage per leerling ontvangt die hoger is dan het bedrag dat de gemeenteraad hiervoor gemiddeld als maximaal aanvaardbaar acht (c). Het gaat daarbij om een bedrag van een gemiddeld bedrag € 225 per schooljaar. Hoewel volgens artikel 40 van de Wpo de ouderbijdrage vrijwillig is en ouders dus geen afdwingbare betalingsplicht hebben, is de praktijk toch vaak dat door bepaalde ouders geen vrijwilligheid wordt ervaren. De ouderbijdrage is bedoeld voor extra activiteiten die geen onderdeel uitmaken van het verplichte lesprogramma, zoals schoolreisjes, vieringen, excursies. De gemeente ziet een hoge ouderbijdrage als een drempel voor ouders om hun kind aan te melden voor een school, waardoor onder andere segregatie in de hand wordt gewerkt. De subsidie kan verder worden geweigerd als het onduidelijk is of de subsidie wel zal worden besteed waarvoor deze is bedoeld (d en e). De onderdelen f en g. tenslotte bevatten bijzondere weigeringsgronden. Een voorziening kan worden geweigerd indien het schoolbestuur niet voldoet aan de in de op hem van toepassing zijnde onderwijssector gebruikelijke code goed bestuur. Deze door de PO-Raad en VO-Raad opgestelde regels voor goed bestuur dienen door het schoolbestuur te worden nageleefd (e). De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT), die op 1 januari 2013 in werking is getreden, beoogt de beloning van topfunctionarissen van (semi)publieke instellingen tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau te maximeren. Omwille van deze, wenselijk geachte, beheerste bezoldiging van topfunctionarissen kan op grond van de WNT onder meer worden ingegrepen in salarisafspraken. De minister is daarbij de eerst aangewezen bestuurder. Artikel 8, tweede lid onder g. van de VloA 2019 sluit weliswaar aan bij de bezoldigingsnormen uit de WNT, maar de achtergrond en de reikwijdte van punt g. zijn uitdrukkelijk anders. Het gaat in de verordening niet om een gewenste maximering van de bezoldiging van topfunctionarissen van (semi)publieke instellingen maar om een doelmatige en effectieve besteding van de beschikbare subsidiegelden bij alle onderwijsinstellingen die bij de gemeente een aanvraag om subsidie indienen. De VloA 2019 verbiedt niet dat schoolbestuur hogere (ontslag)-vergoedingen overeenkomt dan de normen die zijn neergelegd in de WNT, maar maakt wel mogelijk dat het college de gevraagde subsidie weigert als blijkt dat hogere vergoedingen zijn of worden overeengekomen. Uitbetaling van dergelijke hoge (ontslag)vergoedingen kan immers ten koste gaan van het doel waarvoor de subsidie wordt verleend. Als het schoolbestuur honoraria betaalt die de WNT-normen overschrijden, rijst de vraag of subsidiegelden wel doelmatig en effectief worden besteed en of deze gelden wel voldoende ten goede komen aan de activiteiten van de subsidieontvanger. Het is dan ook noodzakelijk dat het college bij de beslissing over de subsidieverlening een afweging kan maken of de bezoldigingskosten van de organisatie in verhouding staan tot de activiteit en de daarvoor gevraagde voorziening. Wanneer dat niet het geval is, kan het college de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren. Hetzelfde geldt als het een uitkering betreft wegens de beëindiging van een dienstverband. Artikel 8 Tijdvak Anders dan te doen gebruikelijk bij subsidies, wordt bij de VloA niet gewerkt met kalenderjaren, maar met schooljaren. Er zijn altijd uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld de Voorziening Schooltuinprogramma en Natuur- & milieueducatie in verband met de zaai en oogstperiode. Hoofdstuk 3 Verplichtingen schoolbestuur Artikel 9 Verplichtingen verbonden aan een voorziening in de vorm van subsidie De Awb regelt in de artikelen 4:37 en 4:38 de standaardverplichtingen respectievelijk overige doelgebonden verplichtingen. De standaardverplichtingen zijn in de wet niet limitatief opgesomd; de overige doelgebonden verplichtingen worden ofwel bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegd ofwel -als geen sprake is van een subsidie die op een wettelijk voorschrift berust- bij de subsidieverlening. Artikel 9 bevat in aanvulling op de bepalingen van de Awb een aantal verplichtingen waaraan iedere subsidieontvanger, voor zover op hem van toepassing, moet voldoen. In de voorzieningen en bij het verlenen van de subsidie kunnen nog aanvullende verplichtingen worden opgenomen, die verband houden met het doel van de subsidie. Het eerste lid bepaald dat het schoolbestuur het college zo spoedig mogelijk (zonder nodeloos tijdsverloop) meldt dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Met het tweede lid wordt voorkomen dat bepaalde aan een schoolbestuur toegekende voorzieningen worden vervreemd door het schoolbestuur zonder dat toestemming van het college is verkregen. Uitzondering wordt gemaakt voor een bestuursoverdracht. Bij een bestuursoverdracht vindt formeel ook een vervreemding van de voorzieningen plaats. Hiervoor is echter geen toestemming van het college noodzakelijk. Bij middelgrote en grote subsidies komt het af en toe voor dat de subsidieverstrekker tussentijds op de hoogte wil blijven van de ontwikkeling van de activiteiten en de financiën. Omdat het opleggen van de verplichting tot het indienen van een tussentijdse rapportage als een relatief zware verplichting kan worden beschouwd, waarvoor de subsidieontvanger het nodige werk moet verrichten, is deze bepaling in het derde lid aan de verordening toegevoegd. Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid het schoolbestuur en de leiding van de school te verplichten mee te werken aan door of namens het college, waaronder de Rekenkamer, uitgevoerd onderzoek. De subsidieontvanger verschaft daartoe de benodigde documenten. Het college kan, door gebruik te maken van deze bevoegdheid, onderzoek doen naar de doelmatigheid en de rechtmatigheid van de besteding van de door haar verstrekte subsidies. Het vijfde lid geeft aan dat schoolbestuur verplicht is mee te werken aan het opnemen van de verantwoording over de besteding van verstrekte subsidiegelden in het openbaar subsidieregister van de gemeente Amsterdam. Artikel 10 Verplichtingen verbonden aan een voorziening in natura In het eerste lid is opgenomen dat het schoolbestuur het college zo spoedig mogelijk informeert over situaties, waardoor een school geen of in mindere mate gebruik zal maken van een voorziening in natura. In het tweede lid is opgenomen, welke verplichtingen van artikel 10 ook van toepassing zijn op verstrekkingen in natura. Het gaat daarbij om het verstrekken van tussentijdse rapportage, om de informatieplicht en de plicht om mee te werken aan onderzoeken die namens de gemeente worden verricht. Hoofdstuk 4 Verantwoording en vaststelling van voorzieningen in de vorm van subsidie Artikel 11 Aanvraagtermijn vaststelling en verantwoording subsidies Artikel 11 regelt op de eerste plaats dat een aanvraag om vaststelling van een subsidie binnen twaalf weken na afloop van het gesubsidieerde tijdvak dient plaats te vinden. Verder regelt dit artikel op welke wijze het schoolbestuur de aan hem verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. Artikel 4:37 Awb bepaalt dat de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekendgemaakt kan worden door het opleggen van verplichtingen ter zake. Evenals bij de aanvraag tot verlening van een subsidie kunnen ook voor de indiening van een aanvraag tot vaststelling van een subsidie formulieren worden voorgeschreven. Het tweede lid schrijft voor dat een schoolbestuur een aanvraag tot vaststelling van de subsidies voor de onder zijn gezag vallende scholen gelijktijdig en gezamenlijk indient. Het derde lid bepaalt dat het schoolbestuur moet aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd en dat moet worden ingegaan op de mate waarin de beoogde doelstellingen en resultaten zijn gerealiseerd. Dit volgt ook uit het eerste lid van artikel 4:45 Awb. Daar is geregeld dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling moet worden aangetoond dat de activiteiten hebben plaatsgevonden en dat dit ook volgens de aan de subsidie verbonden verplichtingen is gebeurd. Verder is bepaald dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling rekening en verantwoording moet worden afgelegd over de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten. In het vierde lid is geregeld dat een controleverklaring dient te worden verstrekt indien de subsidieverlening hoger is dan € 125.000. Het vijfde lid maakt het mogelijk om een controleverklaring te vragen als een subsidieaanvrager van het college binnen een gesubsidieerd tijdvak verschillende subsidies ontvangt die tezamen de grens van € 125.000 overschrijden. Het zesde lid geeft de mogelijkheid aan het college om op verzoek van een schoolbestuur in het kader van de aanvraag om vaststelling van de subsidie, uitsluitend voor het indienen van de controleverklaring uitstel te verlenen tot 20 weken na afloop van het gesubsidieerde tijdvak. Het inhoudelijk en het financieel verslag daarentegen moeten wel binnen twaalf weken bij de gemeente binnen zijn. Artikel 12 Vaststelling subsidie In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het college besluit ter zake van de vaststelling van een subsidie. Een termijn van acht weken wordt redelijk geacht, zeker nu deze nog met een periode kan worden verlengd op grond van de Awb in gevallen waarin de beoordeling meer tijd vraagt. Uit artikel 4:5 Awb volgt dat de termijn pas aanvangt als de aanvraag compleet is. Artikel 13 Betaling en verrekening In aanvulling op de toepasselijke bepalingen in de Awb (zie o.a. de artikelen 4:52 en 4:95) bepaalt het eerste lid dat betaling van het subsidiebedrag binnen vier weken na de subsidievaststelling plaatsvindt. Als het hele subsidiebedrag al door middel van voorschotten is uitgekeerd dan wordt de betaling op nihil gesteld. Art. 4:93 Awb biedt de mogelijkheid om een geldschuld te verrekenen met een bestaande vordering mits in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Het tweede lid van artikel 15 beoogt aan dit vereiste te voldoen. In het derde lid van artikel 4:57 Awb is reeds geregeld dat geldschulden kunnen worden verrekend met subsidies die aan dezelfde subsidieontvanger voor dezelfde activiteiten voor een ander tijdvak zijn verstrekt. Als over het jaar X subsidie wordt teruggevorderd kan dit dus bijvoorbeeld worden verrekend met de subsidie voor dezelfde activiteiten over het jaar X+1. In de VloA 2019 wordt de mogelijkheid geboden om subsidies die worden teruggevorderd ook met andere vorderingen te verrekenen, zoals vorderingen die uit subsidies voor andere activiteiten voortvloeien of vorderingen op grond van de Wet dwangsom. Hoofdstuk 5 Overige bepalingen Artikel 14 Toezichthouders Krachtens afdeling 5.2 van de Awb hebben toezichthouders een aantal bevoegdheden zoals het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen zonder de toestemming van de bewoner), het vorderen van inlichtingen en het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden. De bevoegdheden van de artikelen 5:18 en 5:19 Awb (het doorzoeken van voertuigen en andere zaken) zijn hier uitgezonderd omdat hieraan bij subsidies zelden behoefte bestaat. Is een dergelijke bevoegdheid toch nodig dan moet dat in een bijzondere subsidieverordening worden geregeld. Artikel 15 Overgangsbepaling Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 26 Citeertitel Dit artikel behoeft geen toelichting. Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 Bijlage1:Voorzieningen in natura Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Soort voorzieningen Deze bijlage betreft de volgende voorzieningen: cultuurvouchers en Basispakket cultuureducatie; schoolzwemmen; schooltuinprogramma en natuur- & milieueducatie; verkeerseducatie. Artikel 1.2 Toepasselijkheid VloA 2019 Het algemeen deel van de VloA 2019 is van toepassing, tenzij daarvan in een voorziening in deze bijlage uitdrukkelijk wordt afgeweken. Artikel 1.3 Begripsomschrijvingen In deze bijlage wordt verstaan onder: voorziening: voorziening die bestaat uit verstrekkingen in natura. Hoofdstuk 2 Voorziening Cultuurvouchers en Basispakket cultuureducatie Artikel 2.1 Begripsomschrijvingen In deze voorziening wordt verstaan onder: Cultuureducatie: onderwijs op het gebied van de volgende disciplines: beeldende vorming; cultureel erfgoed; dans; drama; kunstgeschiedenis; media en letteren; muziek School: hoofdvestiging of nevenvestiging van een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, of speciaal onderwijs, niet zijnde speciaal voortgezet onderwijs op het grondgebied van de gemeente Amsterdam. Artikel 2.2 Doel van de voorziening Het doel van de voorziening Convenant Basispakket Cultuureducatie is om alle leerlingen van de Amsterdamse scholen in de basisschoolleeftijd een aanbod cultuureducatie van hoog niveau aan te bieden, waarbij gebruik wordt gemaakt van de culturele instellingen die gevestigd zijn in Amsterdam. Artikel 2.3 Voorziening De voorziening bestaat uit de volgende verstrekkingen in natura: Een algemeen deel dat beschikbaar is voor alle scholen voor basisonderwijs met een cultuurbeleidsplan, bestaande uit: cultuurvouchers van € 22,- voor elke leerling per schooljaar die besteed kunnen worden aan cultuureducatieve activiteiten via Voucherbeheer Amsterdam; inhoudelijk ondersteuning door Mocca voor muziek, beeldende vorming, cultureel erfgoed en andere kunstdisciplines bij de ontwikkeling van doorgaande leerlijnen en school specifieke activiteitenplannen; Maximaal 8 retourritten voor elke leerling gedurende de basisschoolperiode voor het bezoeken van culturele instellingen die deelnemen aan de cultuurbus of -boot. Een bijzonder deel, waarvoor uitsluitend scholen in aanmerking komen, waarvan het schoolbestuur het convenant Basispakket Cultuureducatie heeft ondertekend, bestaande uit: coaching en training van één of een team van groepsleerkrachten voor maximaal 10 uur per schooljaar per school, waaraan bij voorkeur een groepsleerkracht van groep 1 en 2 aan deel dient deel te nemen. Deze verstrekking is beperkt beschikbaar. Voor deelname geldt dat voorrang hebben die scholen waar de behoefte aan coaching het grootst is met inachtneming van draagvlak en vastgesteld niveau. Artikel 2.4 Aanvraag In afwijking van artikel 6, eerste lid van de VloA 2019 kan een schoolbestuur ten behoeve van één of meerdere onder zijn gezag vallende scholen per schooljaar de verstrekkingen genoemd in artikel 2.3 aanvragen op de website van Mocca: www.mocca-amsterdam.nl. Het schoolbestuur machtigt hiertoe de schooldirecteur. Artikel 2.5 Bij de aanvraag in te dienen gegevens In aanvulling op artikel 5, tweede lid van de VloA 2019 wordt bij een aanvraag per school de volgende informatie verstrekt: het cultuurbeleidsplan; of op de school een interne coördinator cultuureducatie of leerkracht met cultuurtaken aanwezig is, wat zijn taken zijn en voor hoeveel uren per week; een beschrijving van de doorlopende leerlijn op het terrein van cultuureducatie, waaruit blijkt welke lessen op locatie worden gevolgd en wat de samenhang is met de lessen op school; hoe een school in het schooljaar voorafgaande aan het tijdvak, waarvoor de aanvraag is ingediend, uitvoering heeft gegeven aan de deskundigheidsbevordering op het gebied van cultuureducatie van groepsleerkrachten. Artikel 2.6 Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 7, tweede lid van de VloA 2019 kan het college één of meerdere verstrekkingen van het bijzondere deel van de voorziening als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid van de voorziening weigeren, indien: een schoolbestuur heeft voor zijn school de genormeerde Rijksvergoeding voor cultuureducatie niet volledig voor deze onderwijssoort ingezet; op een school onvoldoende coördinatie plaatsvindt van de activiteiten op het gebied van cultuureducatie; op een school onvoldoende sprake is van een doorlopende leerlijn, waaruit tevens blijkt welke lessen op locatie worden gevolgd en wat de samenhang is met de lessen op school; op een school onvoldoende deskundigheidsbevordering van groepsleerkrachten heeft plaatsgevonden. Hoofdstuk 3 Voorziening schoolzwemmen Artikel 3.1 Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: school : hoofdvestiging of nevenvestiging van een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, of speciaal onderwijs, niet zijnde speciaal voortgezet onderwijs op het grondgebied van de gemeente Amsterdam. Artikel 3.2 Doel van de Voorziening Het doel van deze voorziening is dat zo veel mogelijk kinderen een zwemdiploma halen waardoor maximaal wordt bijgedragen aan de doelstelling dat van alle kinderen in Amsterdam die de scholen voor het basisonderwijs verlaten tenminste 95% in het bezit is van een A-diploma. De in het eerste lid genoemde doelstelling is tevens van toepassing op leerlingen van een school voor speciaal onderwijs, voor zover die een school bezoeken die valt onder categorie 3, zoals bepaald in artikel 3.3, derde lid. Artikel 3.3 Voorzieningen De voorziening voor leerlingen van het basisonderwijs bestaat uit: 36 zwemlessen van 45 minuten voor leerlingen in groep 5 die nog niet in het bezit zijn van een A-diploma bij aanvang van het schoolzwemmen; 18 zwemlessen van 45 minuten voor leerlingen in groep 5 die bij aanvang van het schoolzwemmen al in het bezit zijn van het A-diploma, zodat zij de gelegenheid krijgen het B- of C-diploma te halen; Een vervolgcursus voor leerlingen in groep 6 die in groep 5 het A-diploma niet hebben behaald tot het moment dat zij met goed gevolg hebben afgezwommen voor het A-diploma. De voorziening voor leerlingen van het speciaal basisonderwijs bestaat uit: maximaal 36 zwemlessen van 45 minuten. Deelname staat tenminste één jaar open voor de leerlingen in groep 3 tot en met 8. Vanaf het moment dat leerlingen het A-diploma hebben gehaald krijgen ze niet meer de gelegenheid om in het volgend schooljaar deel te nemen. De voorziening voor leerlingen van het speciaal onderwijs bestaat uit 36 lessen per jaar van 45 minuten, waarbij de volgende onderverdeling is gemaakt in drie categorieën scholen: Categorie 1: pedologische instituten, scholen voor langdurig zieke kinderen en scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen. Jaarlijks staat deelname open voor maximaal 70% van het aantal kinderen in de groepen 3 tot en met 8 (teldatum 1 oktober t-1). Categorie 2: scholen voor dove en slechthorende kinderen, scholen voor kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, scholen voor visueel gehandicapte kinderen en scholen voor geïntegreerd speciaal onderwijs. Jaarlijks staat deelname open voor maximaal 50% van het aantal kinderen in de groepen 3 tot en met 8 (teldatum 1 oktober t-1). Categorie 3: scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen. Deelname staat tenminste één jaar open voor de leerlingen in de groepen 3 tot en met 8. Vanaf het moment dat leerlingen het A-diploma hebben gehaald krijgen ze niet meer de gelegenheid om in het volgend schooljaar deel te nemen. Het vervoer van school naar het zwembad en terug voor zover de school op meer dan 1 kilometer afstand hemelsbreed is gelegen van het zwembad. Artikel 3.4 De aanvraag In afwijking van artikel 6, eerste lid van de VloA 2019 kan een schoolbestuur ten behoeve van één of meerdere onder zijn gezag vallende scholen per schooljaar een aanvraag voor schoolzwemmen indienen binnen de genoemde termijn op het daartoe voorgeschreven specifieke inschrijfformulier. Het schoolbestuur machtigt hiertoe de schooldirecteur. Artikel 3.5 Verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikel 10 van de VloA 2019, zijn aan de voorziening de volgende verplichtingen verbonden: De school beschikt over een ondertekend protocol schoolzwemmen en de begeleidende groepsleerkrachten zijn op de hoogte van de inhoud van het protocol. De school draagt er zorg voor dat de begeleidende groepsleerkrachten aanwezig zijn bij de informatiebijeenkomst voorafgaand aan de start van het schoolzwemmen. Het schoolbestuur draagt ervoor zorg voor dat de school optimaal gebruik maakt van de voorziening. Bij meer dan twee lessen verzuim door een groep zonder een naar het oordeel van het college geldige reden, is het schoolbestuur verplicht de kosten van een verzuimde les aan het college te vergoeden. De school werkt mee aan de inventarisatie van het zwemdiplomabezit in de groepen 3 tot en met 8. Hoofdstuk 4 Voorziening Schooltuinprogramma en Natuur- & milieueducatie Artikel 4.1 Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: Natuur- & Milieueducatiegids (NMEgids) een digitale gids voor het vinden en reserveren van NME activiteiten en lesmaterialen; school: school voor basisonderwijs. Artikel 4.2 Doel van de Voorziening Het doel van deze voorziening is dat iedere leerling van een school voor basisonderwijs praktische kennis en ervaring opdoet met tuinieren en ecologie ter stimulering van een gezonde levensstijl en een duurzame en evenwichtige relatie met de natuurlijke omgeving. Artikel 4.3 Voorziening De voorziening bestaat uit de volgende verstrekkingen in natura: Het schooltuinprogramma dat aanvangt halverwege groep 6 en doorloopt in groep 7, bestaat uit de volgende onderdelen: ter inleiding vanaf januari drie biologielessen in het leslokaal op een schooltuin; van april tot oktober wekelijkse praktijklessen, inhoudende het planten, verzorgen en oogsten van verschillende gewassen variërend van groenten, bloemen en kruiden op een eigen tuintje en verwerken van deze gewassen; ter afronding in het najaar twee biologielessen in het leslokaal op een schooltuin; Touringcarvervoer of een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer naar of van de schooltuin, indien de deelnemende school op meer dan 20 minuten loopafstand van de schooltuin ligt; Gebruik van de digitale Amsterdamse NME-Gids; Een educatieve activiteit uit het programma Buitenlessen & Boerderijeducatie voor groepen in leerjaar 1,2,3,4,5 en 8 (exclusief vervoer). Artikel 4.4 Tijdvakken waarvoor de activiteiten worden verstrekt In afwijking van artikel 8 van de VloA 2019 wordt het schooltuinprogramma per kalenderjaar beschikbaar gesteld. De digitale NME-Gids en deelname aan activiteiten uit het programma Buitenlessen & Boerderijeducatie worden per schooljaar beschikbaar gesteld. Artikel 4.5 Aanvraag en groepsgrootte In afwijking van artikel 6, eerste lid, van de VloA 2019 kan een schooldirecteur via: www.nmegids.nl/amsterdam aanmelden: tot 17 september één of meerdere groepen 6 van zijn school voor het schooltuinprogramma voor het daaropvolgende kalenderjaar; vanaf 1 mei en uiterlijk tot de roosters vol zijn, een of meerdere groepen 1 t/m 5 en 8 van zijn school voor educatieve activiteiten uit het programma Buitenlessen & Boerderijeducatie’ voor het daaropvolgende schooljaar. De maximale groepsgrootte is 32 leerlingen, boven dat aantal wordt een groep gesplitst. Artikel 4.6 Verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikel 10 van de VloA 2019 zijn aan de voorziening de volgende verplichtingen verbonden: Na afloop van de lessenserie als bedoeld in artikel 4.3 onder a. en d. vullen groepsleerkracht en leerlingen het evaluatieformulier in; De groepsleerkracht is aanwezig in de groep tijdens de lessen en draagt zorg voor voldoende (ouder)begeleiding; Het afzeggen van een les dient ten minste 2 weken van tevoren doorgegeven te worden aan de contactpersoon van de schooltuin wanneer dit het schooltuinprogramma betreft, en voor het overige door het maken van een annulering via de digitale NME-Gids; Het schoolbestuur draagt ervoor zorg voor dat de school optimaal gebruik maakt van de aangevraagde lessen. Bij meer dan 2 lessen verzuim door een groep zonder een naar het oordeel van het college geldige reden, is het schoolbestuur verplicht de kosten van een verzuimde les aan het college te vergoeden. Hoofdstuk 5 Voorziening verkeerseducatie Artikel 5.1 Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: praktische verkeersexamens: een examen dat de fietsvaardigheid van leerlingen toetst; school: hoofd- of nevenvestiging van een school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs gelegen op het grondgebied van de gemeente Amsterdam; theoretisch verkeersexamen: een examen dat toetst of leerlingen voldoende hebben opgestoken van de verkeerslessen die in de verschillende groepen zijn aangeboden. Artikel 5.2 Doel van de Voorziening Het doel van deze voorziening is een actief verkeersbewustzijn te ontwikkelen bij leerlingen van 4 tot 18 jaar van Amsterdamse scholen, waardoor de leerlingen zich in het verkeer veiliger gaan gedragen. Artikel 5.3 Voorziening De voorziening voor zover bestemd voor de groepen 1 t/m 8 van een school voor basisonderwijs bestaat uit de volgende verstrekkingen: Verschillende verkeerseducatieve programma’s waaruit een school een (gecombineerde) keuze kan maken; theoretische verkeersexamen; praktische verkeersexamens; opleiding tot verkeersouder. De voorziening voor zover bestemd voor de leeftijdsgroep 12 t/m 18 jaar bestaat uit een aantal verkeerseducatieve programma’s, waaruit een school voor voortgezet onderwijs jaarlijks een module kan kiezen. De verkeerseducatieve programma’s kunnen van jaar tot jaar verschillen en zijn in sommige gevallen beperkt beschikbaar. Actuele informatie hierover kunnen aanvragers vinden op de website: www.verkeerspleinamsterdam.nl. Artikel 5.4 De aanvraag In afwijking van artikel 6, eerste lid van de VloA 2019 kan een schoolbestuur ten behoeve van één of meerdere onder zijn gezag vallende scholen gedurende een schooljaar op verschillende momenten één of meerdere van de verstrekkingen genoemd in artikel 5.3 aanvragen op de website van: www.verkeerspleinamsterdam.nl. Artikel 5.5 Verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikel 10 van de VloA 2019, is aan de voorziening de verplichting verbonden dat het schoolbestuur de directeur van een school aanwijst als contactpersoon voor de uitvoerder van de gemeente in verband met de uitvoering van de verstrekkingen zoals genoemd in artikel 5.3. Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 TOELICHTING Bijlage 1: Voorzieningen in natura De voorzieningen in natura worden vaak al decennia door de gemeente aangeboden voor Amsterdamse kinderen in de basisschoolleeftijd. De voorziening cultuurvouchers en basispakket cultuureducatie is van recentere datum. Ze zijn allen van belang voor het opgroeien in de stad waar het gaat om een actief verkeersbewustzijn, zwemvaardigheid, praktijkkennis van wat groeit en bloeit, een stimulans voor een gezonde levensstijl en kennismaking met cultuur. De voorziening cultuurvouchers en basispakket cultuureducatie en de voorziening schoolzwemmen richten zich op zowel leerlingen van scholen voor het basisonderwijs als scholen voor speciaal onderwijs, niet zijnde speciaal voortgezet onderwijs. De voorziening schooltuinprogramma en Natuur& Milieueducatie richt zich op leerlingen van scholen voor het basisonderwijs. Bij de voorziening verkeerseducatie bestaat de doelgroep uit leerlingen van 4 tot 18 jaar van scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Voor alle voorzieningen geldt een bijzondere aanvraagprocedure, zoals aangegeven in de voorzieningen. Artikelsgewijze toelichting: geen Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 Bijlage2:Voorzieningen aanvullende financiering personeel Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Soort voorzieningen Deze bijlage betreft de volgende voorzieningen: vakleerkracht cultuur; vakleerkracht bewegingsonderwijs; onderwijsondersteunend personeel. Artikel 1.2 Toepasselijkheid VloA 2019 Het algemeen deel van de VloA 2019 is van toepassing, tenzij daarvan in een voorziening in deze bijlage uitdrukkelijk wordt afgeweken. Artikel 1.3 Begripsomschrijvingen In de voorzieningen als bedoeld in artikel 1.1 wordt verstaan onder: school: school voor basisonderwijs en speciaal onderwijs met uitzondering van voortgezet speciaal onderwijs. Hoofdstuk 2 Voorziening vakleerkracht cultuur Artikel 2.1 Begripsomschrijvingen In deze voorziening wordt verstaan onder: Cultuureducatie: onderwijs op het gebied van de volgende disciplines: beeldende vorming; dans; drama; kunstgeschiedenis; media en letteren; muziek. vakleerkracht cultuur: vakleerkracht met onderwijs bevoegdheid, dan wel aantoonbare kennis hebbend van pedagogisch en didactisch handelen, gespecialiseerd op het terrein van de disciplines genoemd onder cultuur educatie. Artikel 2.2 Doel voorziening Het doel van deze voorziening is het versterken van cultuureducatie op scholen door middel van een vakleerkracht cultuur en aanvullend op het basispakket cultuureducatie. Artikel 2.3 Subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie Het college kan een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten voor de inzet van een vakleerkracht cultuur; De hoogte van de subsidie van een school wordt vastgesteld op basis van een bedrag van € 12,00 per leerling per schooljaar en op basis van het aantal ongewogen leerlingen dat op 1 oktober in het schooljaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak stond ingeschreven op deze school. Artikel 2.4 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens In aanvulling op artikel 5, vierde lid, van de VloA 2019 geeft het schoolbestuur bij de subsidieaanvraag per school aan op welke wijze de verbinding gemaakt wordt tussen: de vakleerkracht cultuur en het basispakket cultuureducatie; de vakleerkracht cultuur en de landelijke kerndoelen, zoals opgenomen in het basispakket cultuureducatie. Artikel 2.5 Aanvullende verplichting Naast de verplichtingen op grond van artikel 9 van de VloA 2019 is aan de subsidie de verplichting verbonden dat het schoolbestuur minimaal € 12,00 per leerling zelf bijdraagt in de kosten verbonden aan de aanstelling of inhuur van een vakleerkracht cultuur. Artikel 2.6 Verantwoording In aanvulling op artikel 11 van de VloA 2019 verstrekt het schoolbestuur per school in het kader van de aanvraag om vaststelling van de subsidie informatie waaruit blijkt: hoeveel het schoolbestuur per school aan fte vakleerkracht cultuur over het gesubsidieerde tijdvak heeft aangesteld, dan wel heeft ingehuurd met de daaraan verbonden kosten; de inzet in uren van een vakleerkracht cultuur gedifferentieerd naar groepen, waaraan de vakleerkracht heeft lesgegeven. de bijdrage als bedoeld in artikel 2.5 van het schoolbestuur voor een vakleerkracht cultuur. Hoofdstuk 3 Voorziening vakleerkracht bewegingsonderwijs Artikel 3.1 Begripsomschrijvingen In deze voorziening wordt verstaan onder: Bevoegde vakleerkracht bewegingsonderwijs: Vakleerkracht afgestudeerd aan: de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (akte MO P) of PABO plus Akte J of PABO afgestudeerd voor 2005 of PABO afgestudeerd na 2005 met post initiële opleiding lichamelijke opvoeding Artikel 3.2 Doel voorziening Het doel van deze voorziening is dat op de scholen aan de leerlingen van de groepen 1 tot en met 8 minimaal 90 minuten per week bewegingsonderwijs wordt gegeven door een bevoegde vakleerkracht bewegingsonderwijs. Artikel 3.3 Subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie Het college kan een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten verbonden aan de inzet van een bevoegde vakleerkracht voor bewegingsonderwijs op een school, waarbij geldt dat door de vakleerkracht aan de leerlingen van de groepen 1 tot en met 8 minimaal 90 minuten per week, verdeeld over in ieder geval twee lessen, bewegingsonderwijs wordt gegeven. De hoogte van de subsidie van een school wordt berekend op basis van een bedrag van €71,00 per leerling per schooljaar en op basis van het aantal ongewogen leerlingen dat op 1 oktober in het schooljaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak stond ingeschreven op deze school. Artikel 3.4 Aanvullende verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikel 9 van de VloA 2019 zijn aan de subsidie de volgende verplichtingen verbonden: het schoolbestuur draagt minimaal 40% van de totale kosten voor een vakleerkracht bewegingsonderwijs bij; het schoolbestuur ziet erop toe dat de vakleerkracht zijn vakbekwaamheid onderhoudt en erkende nascholingscursussen volgt. Hoofdstuk 4 Voorziening onderwijsondersteunend personeel Artikel 4.1 Begripsomschrijvingen In deze voorziening wordt verstaan onder: onderwijsondersteunende medewerker: een conciërge of een administratief medewerker of een combinatiefunctionaris. combinatiefunctionaris: medewerker die zowel conciërge-, als administratieve taken uitvoert. Artikel 4.2 Doel voorziening Het doel van deze voorziening is dat iedere school voor basisonderwijs en speciaal onderwijs en de daarbij behorende nevenvestigingen en dislocaties, kunnen beschikken over extra uren onderwijsondersteunend personeel, waardoor de werkdruk van het onderwijsgevende en leidinggevende personeel wordt verminderd en tevens de veiligheid in en rondom de school wordt vergroot. Artikel 4.3 Subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie Het college kan een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten verbonden aan de aanstelling van één of meerdere onderwijsondersteunende medewerkers die op één of meerdere scholen werkzaam kunnen zijn, afhankelijk van de grootte van de school of scholen. De hoogte van de subsidie voor een hoofdvestiging van een basisschool en - een nevenvestiging van een basisschool wordt bepaald op grond van het aantal ongewogen leerlingen dat op 1 oktober in het schooljaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak de vestiging waarvoor de subsidie wordt aangevraagd daadwerkelijk bezocht. Hierbij gelden de volgende criteria: indien sprake is van minder dan 400 leerlingen wordt de subsidie berekend op basis van 0,2 fte en bedraagt € 8.000,00 in schooljaar 2019-2020; indien er sprake is van 400 leerlingen of meer wordt de subsidie berekend op basis van 0,4 fte en bedraagt € 16.000,00 in schooljaar 2019-2020. De subsidie voor een dislocatie van een basisschool wordt bepaald op grond van het aantal ongewogen leerlingen dat op 1 oktober in het schooljaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak de dislocatie daadwerkelijk bezocht. De criteria genoemd onder a. en b. van het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing. In afwijking van het tweede lid komt een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs, voor zover de school beschikt over een eigen brinnummer, in aanmerking voor een subsidie ter hoogte van 0,2 fte, welke € 8.000,00 bedraagt in het schooljaar 2019-2020. Artikel 4.4 Aanvullende verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikel 9 van de VloA 2019 zijn aan de subsidie de volgende verplichtingen verbonden: het schoolbestuur draagt per afzonderlijke hoofdvestiging, nevenvestiging of dislocatie van een school waarvoor de subsidie is verstrekt, minimaal 0,4 fte bij in de kosten verbonden aan het onderwijsondersteunend personeel; het schoolbestuur neemt het onderwijsondersteunend personeel in dienst in minimaal functieschaal 3 trede 7 van Functiewaardering Primair Onderwijs; het schoolbestuur streeft ernaar om bij de aanstelling van een nieuwe onderwijsondersteunende medewerker een inwoner van Amsterdam in dienst te nemen. Artikel 4.5 Verantwoording In aanvulling op artikel 11 van de VloA 2019 verstrekt het schoolbestuur per afzonderlijke hoofdvestiging, nevenvestiging of dislocatie van een school in het kader van de aanvraag om vaststelling van de subsidie informatie waaruit blijkt: het aantal fte onderwijsondersteunend personeel dat over het gesubsidieerde tijdvak aangesteld is geweest, uitgesplitst naar functie en inzet met de daaraan verbonden kosten; de bijdrage als bedoeld in artikel 4.4, onder a. van het schoolbestuur voor het onderwijsondersteunend personeel. Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 TOELICHTING Bijlage 2: Voorzieningen aanvullende financiering personeel Algemeen De voorzieningen aanvullende financiering personeel zijn beschikbaar voor alle scholen en hun leerlingen in de basisschoolleeftijd in Amsterdam. Enerzijds gaat het om voorzieningen die gericht zijn op de inzet van een vakleerkracht cultuur en een vakleerkracht bewegingsonderwijs. Anderzijds gaat het om ontlasten van leraren en leidinggevenden van onderwijs ondersteunende werkzaamheden en het verbeteren van veiligheid op de scholen. Bij al deze voorzieningen geldt verplichte cofinanciering door de schoolbesturen. Voorziening vakleerkracht cultuur Via kunst en cultuur leren kinderen over de wereld en over zichzelf. Een vroege kennismaking met kunst en cultuur vergroot de kans op een verbintenis voor de rest van je leven. De gemeente ondersteunt al ruim 25 jaar diverse initiatieven voor cultuureducatie. Sinds de invoering van het Basispakket Kunst- en Cultuureducatie in 2013 is het aantal scholen en leerlingen dat met kunst en cultuur in contact is gekomen enorm gestegen. Inmiddels geeft meer dan 95% van de scholen muziekles of een andere vorm van kunst- en cultuuronderwijs. Het aanbod is van hoge kwaliteit en de samenwerking met de culturele instellingen verloopt steeds beter. Met de voorziening vakleerkracht cultuur wordt de cultuureducatie op basisscholen in aanvulling op het basispakket versterkt. Meer kinderen kunnen via de vakleerkracht cultuur kennis maken met (een van) de culturele vakgebieden. Voorziening vakleerkracht bewegingsonderwijs Met deze voorziening wordt beoogd het bewegingsonderwijs van een bevoegde leerkracht in Amsterdam aan de leerlingen van groep 1 t/m 8 uit te breiden tot minimaal 90 minuten per week. Hierdoor gaan de leerlingen per week meer sporten, bewegen en nemen deel aan spelactiviteiten op school. Dit past in het beleid van de gemeente gericht op een gezond gewicht en een gezonde levensstijl. Onderwijsondersteunend personeel: conciërge Iedere school, dislocatie of nevenvestiging kan beschikken over een conciërge of een andere vorm van onderwijs ondersteunend personeel om de werkdruk van de leraren en/of directie te verminderen en de veiligheid voor kinderen, ouders en leerkrachten in en rondom de schoolgebouwen te vergroten. Artikelsgewijze toelichting: geen Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 Bijlage3:Voorzieningen kansengelijkheid Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Soort voorzieningen Deze bijlage betreft de volgende voorzieningen: vroegschools aanbod; kansenaanpak primair onderwijs vanaf groep 3; nieuwkomers. Artikel 1.2 Toepasselijkheid VloA 2019 Het algemeen deel van de VloA 2019 is van toepassing, tenzij daarvan in een voorziening in deze bijlage uitdrukkelijk wordt afgeweken. Artikel 1.3 Begripsomschrijvingen In deze bijlage wordt verstaan onder: doelgroepleerling: leerling van een school voor basisonderwijs die een risico heeft op een onderwijsachterstand en om die reden extra ondersteuning nodig heeft. Hoofdstuk 2 Voorziening Vroegschools aanbod Artikel 2.1 Begripsomschrijvingen In deze voorziening wordt verstaan onder: certificering: bewijs van afgeronde opleiding voor het werken met een Vve-programma; combinatiefunctie: functie waarbij een pedagogisch medewerk(st)er op MBO (3/4) of HBO niveau zowel werkzaam is op een voorschool als op de basisschool om de doorgaande ontwikkeling van de instromende kleuters vorm te geven; combinatiefunctionaris: pedagogisch medewerk(st)er op MBO (3/4) of HBO niveau werkzaam op zowel de voorschool als de basisschool die de combinatiefunctie uitvoert; coördinator vroegschools aanbod: medewerker die zorgdraagt voor de afstemming van het vroegschools aanbod en toe ziet op een doelmatige uitvoering van de subsidiabele activiteiten; ouderbetrokkenheid: activiteiten gericht op ouders ten behoeve van het stimuleren van de ontwikkeling van het kind; school: basisschool of nevenvestiging van een basisschool; taalnorm: mondelinge taalvaardigheid en leesvaardigheid op niveau B2/3F en schriftelijke taalvaardigheid op niveau B1/2F; vroegschoolvariant: Amsterdamse variant van een Vve-programma, ontwikkeld voor scholen met weinig Amsterdamse gewichtenleerlingen; vroegschools aanbod: Activiteiten gericht op een goede aansluiting op de voorschoolse periode en een optimale ontwikkeling van kinderen in groep 1 en 2; Voorschool: kindercentrum waar een door de gemeente gesubsidieerd onderwijsprogramma wordt uitgevoerd, gericht op het verminderen van onderwijsachterstanden; Vve: Voor- en vroegschoolse educatie; Vve-programma: programma waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling van kinderen wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling, zoals opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands jeugdinstituut. Artikel 2.2 Doel Voorziening Het doel van deze voorziening is in het kader van kansengelijkheid en ter voorkoming van onderwijsachterstanden, Amsterdamse basisscholen in staat te stellen om in aansluiting op de voorschoolse periode zorg te dragen voor een optimale ontwikkeling van alle leerlingen van groep 1 en 2. Artikel 2.3 Subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie Het college kan een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten voor het uitvoeren vroegschoolse aanbod op drie mogelijke niveaus: Vroegschools aanbod niveau A bestaande uit de volgende activiteiten: het actief ophalen van informatie over de voorschoolse periode van de leerling bij de kinderopvang en na toestemming van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.