Beleidsregels Alcohol- en horecasanctiebeleid Olst-WijheDe burgemeester van de gemeente Olst-Wijhe, gelet op titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht, de toepasselijke bepalingen van de Gemeentewet, de Algemene plaatselijke verordening Olst-Wijhe en de Drank- en Horecawet, BESLUIT Vast te stellen de ‘beleidsregels Alcohol- en horecasanctiebeleid Olst-Wijhe. 1.Inleiding Sinds 1 januari 2013 is de burgemeester verantwoordelijk voor het toezicht en handhaving van de Drank- en Horecawet (hierna: DHW). Deze wet beoogt het alcoholgebruik onder met name jongeren terug te dringen en alcohol gerelateerde overlast en verstoring van de openbare orde te voorkomen. De wet kent enkele voor de gemeente belangrijke wijzigingen. Zo is het toezicht op naleving van vrijwel alle bepalingen van de Drank- en Horecawet overgegaan van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) naar de gemeente. Het toezicht op de Tabakswet is wel bij de NVWA gebleven. De DHW heeft de burgemeester verantwoordelijk gemaakt voor het toezicht op en de handhaving van de DHW. De burgemeester wijst toezichthouders aan. De burgemeester heeft de Buitengewoon Opsporingsambtenaren (hierna: BOA’
(2)het typeren van degene voor wie een bepaalde norm of voorschrift geldt (hierna genoemd: normadressaat)3In de LHS wordt gesproken over normadressaat, om hier zoveel mogelijk aansluiting bij te hebben, wordt in deze nota ook deze juridische term gebruikt.. Ad. 1De gevolgen van bevindingen beoordeelt de handhaver als: vrijwel nihil; of beperkt; of van belang – er is sprake van aanmerkelijk risico dat de bevinding maatschappelijke onrust geeft en/of (milieu)schade en/of doden, zieken of gewonden tot gevolg heeft; of aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar – onder andere het geval als de overtreding maatschappelijke onrust en/of ernstige schade en/of doden, zieken of gewonden tot gevolg heeft. Ad. 2De handhaver typeert de normadressaat als: goedwillend, proactief en geneigd om de regels te volgen, de bevinding is het gevolg van onbedoeld handelen; of onverschillig/reactief, neemt het niet zo nauw met het algemeen belang, heeft een onverschillige houding, de bevinding en de gevolgen van zijn handelen laten hem koud; of is opportunistisch en calculerend, er is sprake van het bewust belemmeren van controlerenden, er is sprake van mogelijkheidsbewustzijn, maar de gevolgen van het handelen worden op de koop toe genomen, bewust risico nemend; of bewust en structureel de regels overtredend en/of crimineel of deel uitmakend van een criminele organisatie, houdt zich bezig met fraude, mensenhandel, zedendelicten, oplichting of witwassen. Bij de typering van de normadressaat kijkt de handhaver dus verder dan de bevinding op zich en neemt hij diens gedrag en toezicht- en handhavinghistorie mee in beschouwing. Als de handhaver niet in staat is om de normadressaat te typeren, dan is typering B (onverschillig/reactief) het vertrekpunt. De handhaver bepaalt tot slot of er sprake is van verzachtende of verzwarende argumenten. Bij verzachtende argumenten wordt de in de interventiematrix gepositioneerde bevinding één segment naar links en vervolgens één segment naar onder verplaatst. Bij verzwarende argumenten, waaronder recidive, is de verplaatsing één segment naar rechts en vervolgens één segment naar boven. Als er meer verzachtende of verzwarende argumenten zijn, levert dit toch maar één verplaatsing op. Als legalisatie van de bevinding mogelijk is, is dat de aangewezen weg gelet op de hieruit voortvloeiende rechtszekerheid voor alle betrokkenen. Dit laat het toepassen van de landelijke handhavingstrategie en de interventiematrix onverlet, omdat er maatregelen nodig kunnen zijn om de overtreding te beëindigen en de gevolgen te beperken of weg te nemen. Bij het toepassen van de interventiematrix is de mogelijkheid van legalisatie een verzachtende omstandigheid. Er kunnen tot slot omstandigheden zijn om bij een bevinding van handhaven af te zien en de situatie te gedogen, zoals hiervoor genoemd. Stap 2 – Bepalen verzwarende aspectenDe handhaver bepaalt of er verzwarende aspecten zijn die moeten worden betrokken bij de afweging om het bestuurs- en/of strafrecht toe te passen. Hoe meer verzwarende aspecten, des te groter de reden om naast bestuursrechtelijk ook strafrechtelijk te handhaven. Vooral voor bevindingen die na stap 1 in de middensegmenten van de interventiematrix zijn gepositioneerd (A4, B3, B4, C2 en D2), kunnen de verzwarende aspecten reden zijn om naast bestuursrechtelijk ook strafrechtelijk op te treden. De volgende verzwarende aspecten worden afgewogen: Verkregen financieel voordeel (winst of besparing). De normadressaat heeft door zijn handelen financieel voordeel behaald of financieel voordeel halen was het doel. Status verdachte / voorbeeldfunctie. De normadressaat is: een regionaal of landelijk maatschappelijk aansprekende of bekende (rechts)persoon, een overheid, een toonaangevend brancheonderdeel, een certificerende instelling, een persoon die een openbaar ambt bekleedt, de eigen organisatie. Financiële sanctie heeft vermoedelijk geen effect. Een bestuurlijke boete kan waarschijnlijk niet geïnd worden of is waarschijnlijk door de normadressaat als (bedrijfs)kosten ingecalculeerd. Combinatie met andere relevante delicten. Andere handelingen zijn gepleegd ter verhulling van de feiten, zoals valsheid in geschrift, corruptie of witwassen. Medewerking van deskundige derden. De normadressaat is bij zijn handelen ondersteund door deskundige derden, zoals vergunningverlenende of certificerende instellingen, keuringinstanties en brancheorganisaties. De handhaver moet onderbouwen op grond van welke aanwijzingen hij het vermoeden heeft dat de deskundige derde op de hoogte was en/of medewerking heeft verleend aan de geconstateerde bevinding(en). Normbevestiging. Bij dit aspect geldt dat het doel van de handhaving ligt in het onder de aandacht brengen van het belang van een bepaalde norm bij de branche of bij het bredere publiek. Strafrechtelijke handhaving vindt mede plaats in het kader van normhandhaving of normbevestiging met het oog op grotere achterliggende te beschermen rechtsbelangen. Hierbij speelt de openbaarheid van het strafproces een grote rol. Als in het openbaar, door middel van een onderzoek ter terechtzitting of de publicatie van een persbericht bij een transactie of strafbeschikking, verantwoording wordt afgelegd van gepleegde strafbare feiten krijgt de normhandhaving of normbevestiging het juiste effect. Waarheidsvinding. Soms kan strafrechtelijk optreden met toepassing van opsporingsbevoegdheden met het oog op de strafrechtelijke waarheidsvinding en afdoening aangewezen zijn. Bijvoorbeeld als een controle of inspectie aanwijzingen aan het licht brengt dat er meer aan de hand is, maar de bestuursrechtelijke instrumenten ontoereikend zijn om de waarheid aan het licht te brengen. Stap 3 – Bepalen of overleg van het bestuur met politie en OM, dan wel van politie en OM met het bestuur, over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geïndiceerd isDe handhaver bepaalt of overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geïndiceerd is op basis van de beoordeling van de bevinding met de interventiematrix (stap 1) en de afweging van verzwarende aspecten (stap 2). Dit overleg beoogt een weloverwogen inzet van het bestuursrecht, het bestuurs- én strafrecht of alleen het strafrecht. Dit overleg is derhalve tweerichtingsverkeer: bestuursrechtelijke handhavers zoeken indien noodzakelijk het overleg op met politie en OM en omgekeerd. Overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht is altijd noodzakelijk als de handhaver de bevinding na stap 1 heeft gepositioneerd in de middensegmenten (A4, B3, B4, C2, D2 en D1) of zware segmenten (C3, C4, D3 en D4) van de interventiematrix. Overleg kan ook zinvol zijn bij bevindingen die de handhaver weliswaar heeft gepositioneerd in de lichte segmenten van de interventiematrix (A1, A2, A3, B1, B2 en C1), maar waarbij er op grond van stap 2 sprake is van één of meer verzwarende aspecten. Als de handhaver concludeert dat overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geïndiceerd is, wordt gehandeld op basis van vooraf tussen bestuursrechtelijke handhavinginstanties, politie en OM gemaakte algemene afspraken over hun samenspel. Alleen zo kan accuraat en effectief optreden in voorkomende gevallen worden gewaarborgd, in het bijzonder als er sprake is van spoed en heterdaad. Situaties waarin de vooraf gemaakte algemene afspraken niet voorzien, zullen apart door handhavingsinstantie, politie en OM worden beoordeeld, in een regulier overleg of door middel van ad hoc overleg als snelheid vereist is. Uit het overleg volgt hoe de betreffende bevinding wordt opgepakt: alleen bestuursrechtelijk, bestuurs- én strafrechtelijk of alleen strafrechtelijk. Het laatste veelal startend met een opsporingsonderzoek onder leiding van de Officier van Justitie. Tenslotte is, afgezien van de interventiematrix, aangifte bij het OM standaard als toezichthouders de volgende ernstige bevindingen doen: Situaties waarin bewust het toezicht onmogelijk wordt gemaakt, zoals het weigeren van toegang, intimidatie, geweldsdreiging, fraude, vernietiging van bewijs en poging tot omkoping. Situaties waarin de toezichthouder constateert dat er opzettelijk mensen in gevaar worden gebracht, door onder andere: sabotage, vernieling of het bewust verstrekken van verkeerde informatie. Stap 4 – Optreden met de interventiematrixDe landelijke handhavingstrategie gaat uit van het in principe zo licht mogelijk starten met interveniëren gericht op herstel en het vervolgens snel inzetten van zwaardere interventies als naleving uitblijft. De handhaver gebruikt de interventiematrix van figuur 3 daarbij als volgt: De handhaver kijkt naar de interventies in het segment van deze interventiematrix waarin hij de bevinding eerder met behulp van stap 1 (paragraaf 3.1) heeft gepositioneerd. De handhaver kiest voor de minst zware (combinatie) van de in het betreffende segment opgenomen interventies, tenzij de handhaver motiveert dat een andere (combinatie van) interventie(
- s)in de betreffende situatie passender is. De interventies in de (segmenten van
- de)matrix lopen van beneden naar boven op in zwaarte. In bijlage 2 staan alle interventies eveneens van licht naar zwaar toegelicht. Waar in de matrix van figuur 3 ‘PV’ staat betreft het de middelzware en zware segmenten die in stap 3 zijn afgestemd tussen handhavingsinstantie en OM. Als in overleg is besloten dat het OM niet optreedt, zijn er in deze situaties de in figuur 3 aangegeven op herstel en/of op bestraffing gerichte bestuursrechtelijke interventies om te overwegen. In de matrix worden de volgende afkortingen gebruikt: LOB: Last onder bestuursdwang; LOD: Last onder dwangsom; PV: Proces-verbaal. Figuur 3: De interventiematrix voor het bepalen van de eerste interventie(
- s)– zie ook bijlage 2 De handhaver zet de betreffende (combinatie van) interventie(
- s)in totdat sprake is van naleving. Als naleving binnen de door de handhaver bepaalde termijn uitblijft, pakt de handhaver direct door, door middel van het inzetten van een zwaardere (combinatie van) interventie(s). In algemene zin geldt voor termijnen het volgende: Gedragsvoorschriften dienen direct in acht genomen te worden. Hiervoor dient geen of hooguit een zeer korte termijn te worden gesteld om de overtreding te beëindigen en/of herhaling ervan te voorkomen. In alle andere gevallen – waaronder ook plannen of voorzieningen waarvoor investeringen vereist zijn – geldt: hoe urgenter de situatie des te korter de termijn. Daarbij rekening houdend met de technische en organisatorische realiseerbaarheid in die termijn. Het optreden in stap 4, zoals tot nu toe beschreven, heeft betrekking op gedane bevinding(
- en)die op grond van de interventiematrix worden aangepakt. Uiteraard kunnen handhavingsinstanties aanvullend ook hun toezichtstrategie bij het betreffende bedrijf als zodanig aanpassen, in de zin van bijvoorbeeld het verhogen/verlagen van de toezichtfrequentie, het initiëren van de herijking van de vergunningensituatie en dergelijke. Stap 5 – VastleggingDe doorlopen stappen en genomen beslissingen worden verifieerbaar en transparant vastgelegd volgens de binnen de handhavingsinstantie geldende administratieprocedures en -systemen, zodanig dat hieruit kan worden afgeleid dat is voldaan aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder genoemd: het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het verbod van misbruik van bevoegdheid. 5.2Sanctiestrategie Op basis van de (interventiematrix van
- de)LHS en de categorie-indeling in het Besluit bestuurlijke boete DHW is gekomen tot de volgende sanctiestrategie. Categorie 1Lichte segmenten: bestuursrechtelijk optreden is aangewezen. Dit zijn de minder ernstige overtredingen, bijvoorbeeld administratieve vereisten, signaleringen en gedragingen. Categorie 2Middensegmenten. Bestuursrechtelijk, bestuursrechtelijk én strafrechtelijk of strafrechtelijk is aangewezen. Strafrechtelijk optreden komt vooral in beeld, naarmate er (meer) verzwarende aspecten. De overtredingen in deze categorie zijn ernstige overtredingen, maar er is geen sprake van een acute (gevaar)situatie. Een overtreding kan ook als categorie 2 worden aangemerkt als er verzwarende omstandigheden met betrekking tot de overtreder aan de orde zijn voor overtredingen die normaliter onder categorie 1 zouden vallen. Categorie 3Zware segmenten. Strafrechtelijk optreden is in elk geval aangewezen, terwijl in veel gevallen ook bestuursrechtelijk optreden is aangewezen. De overtredingen in deze categorie zijn zeer ernstige overtredingen waarbij het gaat om urgente zaken die direct dienen te worden beëindigd. Een ernstige overtreding is een handeling of gedraging in strijd met de daarop van toepassing zijnde wettelijke voorschriften en normen met een zodanig karakter, dat er een ernstig risico bestaat voor de gezondheid of veiligheid van de mens, en/of een ernstig risico is, dat snel ingrijpen van de overheid vereist, met inbegrip van risico’s waarvan de gevolgen zich niet onmiddellijk voordoen, waardoor direct of op lange termijn ernstig letsel / ernstige gezondheidsschade wordt veroorzaakt. In onderstaande tabel zijn de stappen omschreven die de gemeente Olst-Wijhe zal ondernemen bij het handhaven van de DHW. Als er een overtreding wordt geconstateerd wordt met inachtneming van de in 1.6 genoemde uitgangspunten het onderstaande stappenplan gevolgd. De te volgen stappen hangen samen met de ernst van de overtreding. StappenplanOvertreding Acties Categorie 1 Stap1: mondelinge/schriftelijke waarschuwing Indien niet tijdig hersteld: Stap 2: brief met: - voornemen bestuurlijke boete en/ of last onder dwangsom - termijn zienswijze Indien niet tijdig hersteld: Stap 3: opleggen bestuurlijke boete en/of dwangsom Indien niet tijdig hersteld: Stap 4: uitvoeren sanctie (verbeuren en innen dwangsom, toepassen bestuursdwang). Categorie 2 Stap 1: brief met: - voornemen bestuurlijke boete en/ of last onder dwangsom - termijn zienswijze Stap 2: opleggen bestuurlijke boete en/of dwangsom Indien niet tijdig hersteld: Stap 3: uitvoeren sanctie (verbeuren en innen dwangsom, toepassen bestuursdwang). Categorie 3 Stap 1: direct toepassen sanctie, geen begunstigingstermijn en eventueel brief met: - voornemen bestuurlijke boete en/ of last onder dwangsom - termijn zienswijze Indien de individuele situatie daarom vraagt, kan het bevoegde gezag gemotiveerd afwijken van het voor de overtreding geldende stappenplan. Wanneer op basis van het stappenplan een bestuurlijke boete wordt opgelegd, wordt uitgegaan van de wettelijke vastgestelde boetebedragen die zijn vastgelegd in het Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet. 5.3Dwangsommenbeleid Hoogte van de dwangsomDe hoogte van de dwangsom dient proportioneel te zijn (in redelijke verhouding te staan) tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Voor het bepalen van de dwangsom kunnen bijvoorbeeld de kosten voor het ongedaan maken van de overtreding(
- en)als uitgangspunt worden genomen. De daardoor verkregen hoogte van de dwangsom mag in het kader van de beoogde werking worden verhoogd met een “toeslag”. Dit is volgens jurisprudentie toegestaan. De dwangsom mag immers niet worden gezien als een afkoopsom. Om die reden en om de beoogde werking van de dwangsomoplegging veilig te stellen, mag de dwangsom hoger zijn dan het bedrag voor het ongedaan maken van de overtreding. Leidraad voor Olst-Wijhe is een dwangsom op te leggen vergelijkbaar met driemaal de hoogte van de wettelijke bestuurlijke boetes. Hierdoor zal er naar alle waarschijnlijkheid voldoende prikkel uitgaan om de overtreding te beëindigen of herhaling te voorkomen. Voor een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete geldt van € 1.360,- wordt dan bijv. een last onder dwangsom opgelegd van € 4.080,-. Het opleggen van sancties is geen doel op zich. Sancties zijn in eerste instantie bedoeld als pressiemiddel om de overtredingen ongedaan te maken. Ook gaat er van het hebben van sanctiemiddelen een preventieve werking uit. Blijft een ondernemer of burger echter volharden in zijn overtreding, dan wordt de sanctie ook daadwerkelijk toegepast of uitgevoerd. Ook bij het inzetten van een last onder bestuursdwang dient de zwaarte van de dwangmaatregel in proportie te staan tot de aard, de gevaarzetting en de urgentie van de overtreding. Als de maatregel is gericht op een tijdelijke sluiting van een bedrijf, dan dient zowel de sluiting zelf, als de duur van de sluiting in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van de overtreding. Zoals eerder gesteld, kan er in specifieke situaties worden afgeweken van de in deze beleidsnota voorgestelde sancties en termijnen. Hierbij is artikel 4:84 Awb van belang. Het bestuursorgaan handelt namelijk in overeenstemming met de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Geadviseerd wordt wel om de motivatie voor het afwijken in het besluit op te nemen. Enerzijds doet dit recht aan de transparantie van de handhaving en anderzijds wordt daarmee een motiveringsgebrek voorkomen in bezwaar- en beroepzaken. Bij het opstellen van het dwangsombeleid is getracht aansluiting te zoeken bij omliggende gemeenten. Echter, zij hebben dit beleid nog niet opgesteld of zijn hier mee bezig. Er is derhalve aansluiting gezocht bij het dwangsombeleid van de Twentse gemeenten als opstart voor een uniforme en effectieve aanpak van overtredingen op grond van de Drank- en Horecawet binnen Overijssel dan wel de DOWR gemeenten. In het dwangsommenbeleid zijn ook de hoogtes van de bestuurlijke boetes opgenomen zoals deze zijn vastgelegd in het Besluit Bestuurlijke boete Drank- en Horecawet. Als de bedragen in dit Besluit veranderen wordt uitgegaan van deze gewijzigde bedragen. 5.4Sanctietabel Dit beleid is uitgewerkt in een sanctietabel alcohol- en horecasanctiebeleid Olst-Wijhe. De tabel bevat een opsomming van eventuele overtredingen, het sanctiemiddel, een categorie-indeling die gelijk is aan de Handhavings- en Gedoogstrategie, het sanctiebedrag, de begunstigingstermijn en het bedrag van de bestuurlijke boete die ontleend zijn aan het Besluit bestuurlijke boete DHW. Het betreft hier een apart document, dat als bijlage toegevoegd is aan dit beleid. ReikwijdteDit beleid beperkt zich tot overtredingen en de daartegen te treffen aanbevolen sancties bij horeca-, alcohol gerelateerde en drugs gerelateerde zaken. Er wordt per overtreding een sanctiemiddel of- middelen aanbevolen. Bij drugs gerelateerde zaken wordt (ook) opgetreden conform het Handhavingsbeleid artikel 13b Opiumwet gemeente Olst-Wijhe (het zogenaamde Damoclesbeleid), vastgesteld bij besluit van de burgemeester van 15 juli 2016. Daarnaast zijn natuurlijk nog andere sanctiemiddelen per overtreding mogelijk, dit ter beoordeling van de gemeente Olst-Wijhe zelf. DwangsomBij het sanctiemiddel „dwangsom‟ zijn de hoogtes van de dwangsommen vermeld die opgelegd kunnen worden. Bij deze bedragen is de hoogte van de bestuurlijke boete als uitgangspunt genomen. Het maximum van de dwangsom is gesteld op drie keer de opgelegde dwangsom. Bestuurlijke boeteIn de memorie van toelichting op de DHW heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) zich uitdrukkelijk uitgesproken om bij de handhaving van de DHW primair de bestuursrechtelijke weg te volgen en in uiterste gevallen – wanneer de veiligheid en/of gezondheid van de mens in het geding is – strafrechtelijk op te treden. Dat is ook de strekking van artikel 44a, lid 3 DHW. In de tabel is de bestuurlijke boete opgenomen in twee gescheiden kolommen met een onderscheid in ondernemingen met minder dan 50 werknemers (kleine bedrijven) en ondernemingen met meer dan 50 werknemers (grote bedrijven). Dit is in overeenstemming met de strekking van het Besluit bestuurlijke boete DHW en de daaraan verbonden bijlage. Dit onderscheid is in n artikel 3 van het Besluit bestuurlijke boete DHW gemaakt. Tot de kleine bedrijven worden volgens de nota van toelichting bedrijven gerekend die op de dag waarop de overtreding is begaan, 49 of minder werknemers telden. De grens van vijftig werknemers, genoemd in artikel 3, eerste en tweede lid, is dezelfde als die in het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten en sluit aan op de vrijstelling van de voorschriften over de balans en de toelichting daarop (Burgerlijk Wetboek, Boek 2, Artikel 396, eerste lid, onder c). Voor de vaststelling van het aantal werknemers zal in beginsel gebruik worden gemaakt van de in de registers van de Kamers van Koophandel ingeschreven gegevens van het bedrijf in kwestie. Uitzendkrachten en ingeleend personeel worden hierbij niet meegeteld, uitgeleend personeel wel. De ondernemers en hun meewerkende gezinsleden worden niet meegeteld. Bedrijven zonder werknemers maken dus deel uit van de groep bedrijven met minder dan vijftig werknemers. Er dient rekening gehouden te worden met verhoging van de genoemde bestuurlijke boetebedragen in verband met recidive, zie hiertoe het genoemde Besluit, dat is aangekondigd in artikel 44b DHW. De bijlage van het Besluit bevat de overtredingen van de DHW en per overtreding het bedrag van de op te leggen bestuurlijke boete. Concreet zicht op legalisatieDe ondernemer wordt in het voornemen enkel de kans geboden om een vergunning aan te vragen en/of de aanvraagprocedure af te wachten (legalisatie) (gedurende deze procedure is het bedrijf dus open) onder voorwaarde dat: het geldende bestemmingsplan horeca toestaat op dat perceel; er geen (andere) wettelijke belemmeringen (o.a. antecedenten; sociale hygiëne) bestaan; er geen aanleiding is om aan te nemen dat er sprake zal zijn van verstoringen van de openbare orde en veiligheid waardoor gevaarlijke situaties kunnen ontstaan als de exploitatie doorgaat; er geen sprake is van een onderneming op een nieuwe locatie; er naar het oordeel van burgemeester en wethouders concreet geen aanleiding is te veronderstellen dat niet handhavend optreden leidt tot verstoringen van concurrentieverhoudingen, een ongewenste precedentwerking of schadeclaims; de ondernemer kan aantonen dat hij juridisch en feitelijk over de onderneming kan beschikken; er sprake is van een ongewijzigde voortzetting van de aard van de exploitatie; voor het over te nemen bedrijf een rechtsgeldige Drank- en Horecavergunning is verleend; een ontvankelijke vergunningaanvraag - voor zover nog niet ingediend - binnen de gestelde termijn van 14 dagen wordt ingediend en een in deze aanvraag opgenomen leidinggevende tijdens de openingsuren van het bedrijf steeds aanwezig is; de onderneming staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel; Bij het voornemen wordt daarom - voor zover al niet in het bezit van de ondernemer c.q. al aangevraagd - tevens een set aanvraagformulieren meegezonden. De indieningstermijn van de aanvraag en/of zienswijzen bedraagt 14 dagen. Schorsen verkoop/Intrekken vergunningSchorsen verkoop (slijterij en supermarkt)Op grond van artikel 19a DHW heeft de burgemeester de bevoegdheid om de verkoop van zwak alcoholische dranken te staken voor een periode van ten minste 1 week en maximaal 12 weken. Het gaat in deze om 3 maal herhaalde overtreding van artikel 20, lid 1 DHW (verstrekken van alcoholhoudende drank aan personen die de leeftijd van 16 jaar (na 1 januari 2014: 18 jaar)) nog niet hebben bereikt of waarvan de leeftijd niet is vastgesteld binnen een periode van 12 maanden. De burgemeester is bevoegd hiertoe een last onder bestuursdwang in te zetten. Een nadere verfijning heeft deze maatregel niet nodig. Artikel 19a DHW bevat een heldere maatstaf. Een duidelijke registratie van de constateringen is een noodzaak om correct te kunnen monitoren. Hiertoe wordt een bestand aangemaakt in een geautomatiseerd systeem (IJvi). Schorsen van de vergunning (Horeca- en paracommercie)De burgemeester heeft op grond van artikel 32, lid 1 DHW de bevoegdheid de vergunning in bepaalde gevallen te schorsen voor ten hoogste 12 weken. Het gaat om gevallen waarbij de regels van artikel 31, lid 2 en 3 worden overtreden. Het gaat dan om gevallen van waarbij de regels niet worden nageleefd of er een relatie is te leggen met de uitvoering van de Wet beoordeling integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). In die gevallen is het intrekken van de vergunning vaak een te drastisch middel. Voor dit moment wordt het niet noodzakelijk geacht hier concreet vast te leggen wanneer wel tot schorsing wordt overgegaan en wanneer niet. De beslissing of de vergunning al of niet wordt geschorst hangt ook nauw samen met de omstandigheden waaronder de overtredingen zijn begaan. Bij een incident in samenhang met een goedwillende houding is er niet direct een reden om te schorsen. In gevallen waar sprake is van overtredingen die zijn begaan vanuit een „ach, wat mentaliteit‟ en/of calculerend gedrag is er daarentegen wel een reden om de vergunning te schorsen. De praktijk kan hier op termijn een andere mening over doen laten ontstaan. Als de noodzaak daartoe zich voor doet zal het beleid conform de nieuwe ontwikkelingen worden aangepast. Intrekken vergunningHet intrekken van de Drank- en Horecavergunning is opgenomen in artikel 31 DHW. In lid 1 staan de verplichte (imperatieve) intrekkingsgronden en in lid 2 en 3 de niet verplichte (declaratieve) intrekkingsgronden. Intrekken vergunning verplichtDe imperatieve intrekkingsgronden van artikel 31, lid 1 DHW kennen geen beleidsvrijheid, maar dienen onverkort te worden vertaald naar een intrekking van de vergunning. De burgemeester heeft daartoe de plicht. Dit is bijvoorbeeld het geval indien: Voor de verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens in de aanvraag zijn verstrekt, waardoor op de aanvraag een andere beslissing genomen zou zijn; Niet langer voldaan wordt aan de eisen uit artikel 8 en 10 van de DHW, zoals de eisen aan de leidinggevenden, de zedelijkheidseisen, sociale hygiëne; Een nieuwe leidinggevende is aangetreden of indien vrees van gevaar voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid bestaat. Als één of meer van de intrekkingsgronden van lid 1 zich voordoen dan doet de burgemeester daarvan bij brief een mededeling aan de vergunninghouder. Daarbij wordt opgemerkt dat na verloop van een maand tot intrekking van de vergunning wordt overgegaan, tenzij tijdig maatregelen worden genomen om aan de met de wet strijdige situatie een einde te maken en beëindigd te houden. In die gevallen, bijvoorbeeld dat de vergunninghouder niet langer voldoet aan de zedelijkheidseisen, kan de vergunning onmiddellijk worden ingetrokken. Het intrekken van een drank- en horecavergunning betekent dat het horecabedrijf niet meer rechtmatig wordt uitgeoefend en dat bij het in bedrijf blijven van de onderneming sprake is van een overtreding. Het in werking zijn van de inrichting wordt immers niet meer gedekt door een vergunning. Intrekken vergunning niet verplichtIn een aantal gevallen heeft de burgemeester wel beleidsvrijheid om een vergunning al dan niet in te trekken. Dit betreft de declaratieve intrekkingsgronden, zoals opgenomen in artikel 31, de leden 2 en 3. Ter zake van deze overtredingen geldt in principe dat bij de eerste keer een bestuurlijke waarschuwing wordt gegeven en dat bij de tweede keer intrekking van de Drank- en Horecavergunning volgt. Gevallen waarbij als zodanig wordt gehandeld zijn de strijdigheden met de voorschriften of beperkingen van de vergunning, bepaalde verbodsbepalingen uit de DHW of, voor wat betreft de paracommerciële instellingen, wanneer het bestuursreglement niet wordt nageleefd. Ook is het mogelijk om de vergunning in te trekken in verband met de aanwezigheid van het gevaar dat de vergunning zal worden gebruikt om geld wit te wassen of om strafbare feiten te plegen. Dit is nader geregeld in de Wet Bibob. De beslissing of de vergunning al of niet wordt ingetrokken hangt nauw samen met de omstandigheden waaronder de overtredingen zijn begaan. Bij een incident in samenhang met een goedwillende houding is er niet direct een reden om tot intrekking over te gaan. In gevallen waar sprake is van overtredingen die zijn begaan vanuit een „ach wat mentaliteit‟ en/of calculerend gedrag is er daarentegen wel een reden om de vergunning in te trekken. BeschikkingEen besluit tot intrekking van een vergunning is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dat houdt in dat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open staat. In afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift bestaat er in spoedeisende zaken de mogelijkheid van het vragen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank. Aldus vastgesteld op 19 maart 2019De burgemeester van Olst-WijheA.G.J. (Ton)StrienBijlage:Inspraakreacties Alcohol en horecasanctiebeleid Inspraakreactie van: Inhoud: Reactie gemeente: Koninklijke Horeca Nederland Deze nota is de KHN duidelijk. De controlefrequentie en bezoeken gericht op prioriteit, gebied en naleefgedrag is effectief, maar heeft ook een preventieve werking. Er is maatwerk nodig om het doel te bereiken. De KHN vindt het goed te zien dat er een stappenplan is en dat er gewerkt wordt met een interventiematrix. Handhaven is tenslotte het belonen van de goede ondernemer. Wat misschien nog een aandachtspunt kan zijn is de hoogte van de op te leggen dwangsom. In het beleid wordt uitgegaan van 3x de hoogte van de boete bij overtreding ( 4.2). Hier zou volgens KHN echter ook maatwerk kunnen plaatsvinden aangezien dit bedrag voor iedereen een andere betekenis en invloed heeft. Ik zou een lager minimum bedrag vaststellen en afhankelijk van het bedrijf en of grote van een evenement dit bedrag aanpassen. KHN stelt voor een lager minimumbedrag vast te stellen voor de dwangsom. Hierover wordt voorgesteld hierin niet mee te gaan. De landelijke/regionale lijn is driemaal de hoogte van de wettelijke bestuurlijke boetes. De dwangsom is bedoeld als pressiemiddel en mag hoger zijn dan het bedrag voor het ongedaan maken van de overtreding. Verder dient de dwangsom een preventieve werking te hebben om geen overtreding te begaan. Een lagere dwangsom zal minder dit effect hebben. Politie Geen opmerkingen, stukken zien er in eerste instantie prima uit. Geen aanvulling hierop ontvangen. Dank voor de reactie Sanctietabel behorend bij Alcohol- en Horecasanctiebeleid Olst-Wijhe