Mandaatbesluit gemeente Dordrecht voor de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid Besluit van de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeenteDordrecht, houdende de verlening van mandaat en machtiging aan de directeur van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, ieder voor zover bevoegd gelet op afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht; de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid; besluit vast te stellen: het Mandaatbesluit gemeente Dordrecht voor de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid Artikel1Begripsbepalingen In dit besluit en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst; burgemeester: de burgemeester van de gemeente; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente; directeur: de directeur van de Omgevingsdienst, bedoeld in artikel 23 van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid; gemeente: de gemeente Dordrecht; medewerkers: functionarissen werkzaam bij de Omgevingsdienst. Hieronder worden verstaan zij die zijn aangesteld krachtens publiekrecht, zij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan en zij die op basis van een overeenkomst van opdracht bij de Omgevingsdienst werkzaam zijn; Omgevingsdienst: het openbaar lichaam Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, bedoeld in artikel 2 van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid. Artikel2Mandaat Aan de directeur wordt, voor zover het bevoegdheden van de burgemeester en het college betreft, mandaat verleend overeenkomstig de bij dit besluit behorende mandaatlijst. Mandaten kunnen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van besluiten die voortvloeien uit of verband houden met een ander besluit waartoe de directeur bevoegd is krachtens dit mandaatbesluit. Indien ten gevolge van wijziging van wet- en regelgeving bevoegdheden, als bedoeld in de bij dit besluit behorende mandaatlijst gaan strekken ter uitvoering van andere wet- en regelgeving dan waarvan zij ten tijde van het in werking treden van dit besluit strekten, dan wel indien in de uitoefening ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door die wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de bevoegdheden zoals genoemd in de bij dit besluit behorende mandaatlijst, die aan de Omgevingsdienst zijn opgedragen. Artikel3Ondermandaat De directeur kan de bevoegdheden, genoemd in artikel 2, eerste lid, in ondermandaat opdragen aan medewerkers. Artikel 2, tweede en derde lid, artikel 4 en artikel 5 zijn van overeenkomstige toepassing op de uitoefening van bevoegdheden in ondermandaat. Artikel4Machtiging De directeur, alsmede de medewerkers van de Omgevingsdienst aan wie overeenkomstig artikel 3, eerste lid, ondermandaat is gegeven, zijn gemachtigd om namens het college of de burgemeester aan de gemandateerde bevoegdheden gelieerde feitelijke handelingen te verrichten, zijnde handelingen die geen rechtsgevolg hebben. Artikel5Kaders en beleid De directeur betrekt bij de uitoefening van de aan hem opgedragen bevoegdheden het beleid van de burgemeester en het college ter zake, alsmede de door de gemeenteraad van de gemeente vastgestelde kaders. De directeur neemt bij de aan hem in mandaat opgedragen bevoegdheden de algemene instructies en de instructies per geval van de burgemeester en het college in acht, als bedoeld in artikel 10:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De burgemeester en het college treden bij voorgenomen nieuw beleid of beleidswijzigingen in overleg met de Omgevingsdienst inzake uitvoeringsaspecten indien dat beleid raakt aan de taken en bevoegdheden die de Omgevingsdienst uitvoert. De burgemeester en het college zenden de directeur alle benodigde informatie noodzakelijk voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid. Indien de directeur in afwijking van het bepaalde in het eerste lid wenst te besluiten, treedt hij hierover in overleg met de burgemeester of het college. Artikel6Informatieplicht Een ieder aan wie bij of krachtens dit besluit mandaat of ondermandaat is verleend informeert de burgemeester of het college bij zwaarwegende omstandigheden en gebeurtenissen die betrekking hebben op de gemandateerde bevoegdheden. Onverminderd het eerste lid, heeft de directeur een aan de uitoefening van de bevoegdheid voorafgaande informatieplicht en een signaleringsplicht jegens de burgemeester en het college indien de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid voor de burgemeester of het college naar verwachting politieke en maatschappelijke gevolgen kan hebben of indien een besluit tot consequentie kan hebben dat de gemeente aansprakelijk zal worden gesteld of anderszins aangesproken zal worden. In de gevallen bedoeld in de vorige volzin verschaft de directeur alle benodigde informatie en voert hij overleg met de burgemeester of het college alvorens de bevoegdheden bedoeld in artikel 2 uit te oefenen. Artikel7Ondertekening Indien een brief wordt ondertekend of een besluit wordt genomen bij of krachtens dit mandaatbesluit wordt bij de ondertekening aangegeven dat dit namens het bevoegde bestuursorgaan is gedaan. Artikel8Slotbepalingen 1.Met ingang van de dag van inwerkingtreding van dit besluit worden ingetrokken het Mandaatbesluit Omgevingsdienst ZHZ 2013 gemeente Dordrecht van [datum] en alle bijbehorende wijzigingsbesluiten. 2.Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag nadat het overeenkomstig artikel 3:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bekendgemaakt in het Gemeenteblad van de gemeente Dordrecht. 3.Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit gemeente Dordrecht voor de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Aldus besloten door de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht op dinsdag 26 maart 2019.de secretaris, de burgemeester,De burgemeester,MANDAATLIJST als bedoeld in artikel 2 van het Mandaatbesluit gemeente Dordrecht voor de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid Bevoegdheden Toelichting/voorwaarden ALGEMEEN 1. Het uitoefenen van proceshandelingen in bestuursrechtelijke procedures. Betreft proceshandelingen in bestuursrechtelijke procedures zoals het voeren van verweer indien het besluit in mandaat is genomen door de directeur of een onder zijn verantwoordelijkheid vallende medewerker en het vragen van uitstel van behandeling van bezwaar- en beroepszaak. 2. De bevoegdheid tot het machtigen van medewerkers om de burgemeester of het college te vertegenwoordigen in bestuursrechtelijke procedures. 3. De bevoegdheid tot het machtigen van medewerkers om namens de burgemeester of het college binnen de grenzen van het geschil en het daarmee gepaarde gaande financiële belang, mee te werken aan finale geschillenbeslechting en toezeggingen ten aanzien daarvan te doen. Betreft de werkwijze 'Nieuwe zaaksbehandeling'. Afstemming vindt plaats met de gemeente. 4. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van: artikel 4:5 en 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht inzake het niet behandelen van een aanvraag en het afdoen van een nieuwe aanvraag na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking; artikel 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht inzake het horen van de aanvrager en de belanghebbende; afdeling 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de beslistermijn; titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht inzake bestuursrechtelijke geldschulden, m.u.v. afdeling 4.4.4 van de Algemene wet bestuursrecht (aanmaning en invordering bij dwangbevel); artikel 8:29, artikel 8:51a, 8:51b, 8:51c, 8:80a en 8:80b van de Algemene wet bestuursrecht inzake geheimhouding, de bestuurlijke lus en tussenuitspraak; afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. 5. De bevoegdheid tot het aanvragen en verantwoorden van subsidies, voor zover het bevoegdheden van het college betreft, op basis van regelingen van andere overheidsorganen, het Rijk en de Europese Unie, alsmede het aangaan van uitvoeringsovereenkomsten ter verkrijging van deze subsidies. Mits en voor zover de vertegenwoordiger van de gemeente in het algemeen bestuur heeft aangegeven akkoord te gaan met het aanvragen van de betreffende subsidie namens zijn gemeente in het geval sprake is van de uitvoering van programmataken, als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. 6. Het uitoefenen van de bevoegdheden op grond van de Wet Bevordering. integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Omvat mede het, voorafgaand aan het vragen van advies aan het Landelijk Bureau Bibob, uit te voeren eigen onderzoek, alsmede het nemen van besluiten op grond van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 7. Het uitoefenen van bevoegdheden op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Het mandaat omvat zowel de bevoegdheid tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen strekkend tot passieve openbaarmaking (artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur), als tot het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen strekkend tot actieve openbaarmaking (artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur). VERGUNNINGVERLENING Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 8. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van hoofdstuk 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en procedurehandelingen in het kader van voorbereidingsprocedures op grond van Hoofdstuk 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Aanvragen voor afwijkingen bestemmingsplan, monumenten, inritten en het kappen van bomen worden voor advies voorgelegd aan de gemeente. Het vergunningonderdeel verkeer wordt voor advies voorgelegd aan de gemeente. 9. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten over, op grond van wet- en regelgeving of vergunningvoorschriften, te overleggen meldingen, rapportages en soortgelijke documenten. Wet milieubeheer 10. De bevoegdheid tot het in behandeling nemen en beoordelen van meldingen en het nemen van besluiten ingevolge het gestelde bij of krachtens de artikelen in paragraaf 8.1 van de Wet milieubeheer. 11. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer inzake milieueffectrapportage, in het kader van een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Betreft de procedurestappen, het advies reikwijdte en detailniveau milieueffectrapportageprocedure (m.e.r.) en het besluit m.e.r.-beoordeling. Waterwet 12. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten ingevolge artikel 3.8 van de Waterwet inzake het zorgdragen voor de met het oog op een doelmatig en samenhangend waterbeheer benodigde afstemming van taken en bevoegdheden, voor zover het betreft de indirecte lozingen van inrichtingen. Betreft de samenwerking met de waterbeheerder bij het stellen van voorschriften voor indirecte lozingen bij inrichtingen. Wet vervoer gevaarlijke stoffen 13. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten op grond van artikel 29 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen inzake het verlenen van ontheffing als bedoeld in artikel 28 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Wet Basisregistraties Adressen en Gebouwen 14. Het opmaken van een processen-verbaal van constatering, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b van de Wet Basisregistraties Adressen en Gebouwen. 15. Het opmaken van schriftelijke verklaringen, strekkende tot het signaleren van een wijziging in de feitelijke situatie die van invloed is op een of meer in de gebouwenregistratie opgenomen gegevens en die niet voortvloeit uit een krachtens de Wet Basisregistraties Adressen en Gebouwen aangewezen brondocument. 16. De bevoegdheid tot het toekennen van nummeraanduidingen aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen zoals bedoeld in artikel 6 van de Wet Basisregistraties adressen en gebouwen. Wet bodembescherming 17. De bevoegdheden tot het nemen van besluiten inzake:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.