Verordening van het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Holland Rijnland houdende regels omtrent toezicht op financiële geldstromen Treasurystatuut Holland Rijnland 2014Inleiding In de Wet Financiering Decentrale Overheden (Wet Fido) zijn kaders gesteld voor een verantwoorde, prudente en professionele inrichting en uitvoering van de treasuryfunctie van decentrale overheden. De belangrijkste doelstellingen van deze wet zijn: het bevorderen van een solide financiering en kredietwaardigheid van de decentrale overheden het beheersen van renterisico’s en het vergroten van de transparantie. In februari 2013 heeft het kabinet het voorstel “Wijziging van de Wet financiering decentrale overheden (Fido) in verband met het rentedragend aanhouden van liquide middelen in ’s Rijks schatkist” bij de Tweede Kamer ingediend. Het wetsvoorstel verplicht alle decentrale overheden om hun overtollige (liquide) middelen aan te houden in de schatkist. Het woord “overtollig” verwijst naar alle middelen die decentrale overheden niet onmiddellijk nodig hebben voor de publieke taak. Een decentrale overheid behoudt, op basis van de wet Fido, de mogelijkheid om leningen te verstrekken en uitzettingen te verrichten uit hoofde van de publieke taak. De deelname aan schatkistbankieren verandert daar niets aan. Op 4 juli 2013 is het voorstel door de Tweede Kamer goedgekeurd. Op 26 november 2013 heeft ook de Eerste Kamer haar goedkeuring aan het voorstel gegeven. Op 13 december 2013 is de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden in de Staatscourant gepubliceerd. In dit Treasurystatuut wordt het beleidskader vastgelegd met betrekking tot de treasuryfunctie. In de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is nader uitgewerkt hoe schatkistbankieren voor decentrale overheden werkt en welke rechten en verplichtingen decentrale overheden en de Staat hebben. In de Regeling uitzetting derivaten decentrale overheden (Ruddo) van het Ministerie Van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn de normen met betrekking tot kredietwaardigheid vastgelegd, waaraan de partijen, waar de decentrale overheden middelen willen uitzetten, moeten voldoen en is vermeld, dat derivaten uitsluitend gebruikt mogen worden ter beperking van financiële risico’s. Het Beleidskader Derivaten vormt de uitwerking van het overkoepelende (huidige) kabinetsbeleid (beleidsregels) betreffende het gebruik van financiële derivaten door (semi) publieke instellingen. Deze uitgangspunten zullen door de betrokken ministeries worden verankerd in sectorale wet- of regelgeving. Voor onze organisatie zal dit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn. Het beleidskader Derivaten maakt duidelijk dat het gebruik van derivaten voor speculatieve doeleinden verboden is. Voor situaties waarin het gebruik van derivaten wenselijk is, wordt duidelijk welke producten zijn toegelaten en onder welke voorwaarden zijn toegestaan: indien de organisatie hiervoor voldoende is geëquipeerd, indien er een passende zorgplicht voor de financiële instelling van toepassing is, indien er juiste contractuele voorwaarden worden gebruikt, er evenwichtige afspraken over onderpand worden vastgelegd en verantwoording, toezicht en controle goed zijn geregeld. Het treasurybeleid kent twee kwalitatieve randvoorwaarden waaruit volgt dat zogenaamd bankieren door decentrale overheden, niet is toegestaan. De eerste voorwaarde is dat het aangaan van leningen en het uitzetten van middelen evenals het verlenen van garanties, alleen zijn toegestaan voor de uitoefening van de publieke taak. De tweede houdt in dat uitzettingen en het gebruik van derivaten een prudent karakter dienen te hebben en niet gericht behoren te zijn op het genereren van inkomen door het lopen van risico’s. Binnen onze organisatie was en is het gebruik van derivaten niet toegestaan. In het verleden is de noodzaak voor het gebruik van derivaten niet aanwezig geweest en naar verwachting zal dat in de toekomst ook zo zijn. In verband met de vereisten van de Wet Fido zijn er twee instrumenten op het gebied van treasury; allereerst het onderhavige Treasurystatuut. In het statuut worden de kaders van de treasuryfunctie aangegeven. Het treasurystatuut maakt een objectieve en transparante verantwoording vooraf en achteraf mogelijk. Naast het treasurystatuut wordt jaarlijks een financieringsparagraaf in de programmabegroting en in de jaarstukken opgenomen. Hierin worden de specifieke beleidsvoornemens en de uitvoering van het beleid op het gebied van treasury besproken. In het treasurystatuut worden allereerst het begrippenkader en de doelstellingen van de treasuryfunctie geformuleerd. Deze worden vervolgens geconcretiseerd voor de verschillende deelgebieden van treasury: risicobeheer, bedrijfsfinanciering en kasbeheer. Daarna komen de administratieve organisatie en interne controle van de treasuryfunctie aan de orde. Daarbij ligt het accent op de eenduidigheid omtrent de verdeling van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Tot slot worden de uitgangspunten vastgelegd voor de informatie die noodzakelijk is om het gehele proces beheersbaar en meetbaar te maken en te houden. Tenslotte dient het treasurystatuut te worden geïmplementeerd in de organisatie. Een succesvolle implementatie vereist een breed draagvlak binnen de organisatie voor de geformuleerde beleidskeuzes. Een goede communicatie behoort hierbij tot de belangrijkste succesfactoren. Dit statuut is gerelateerd aan de Financiële verordening van het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland en aan de Controleverordening van het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland. Artikel 1 Begrippenkader In dit statuut wordt verstaan onder: - Derivaten Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties zijn. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren; - Drempelbedrag Het maximale bedrag op de rekening-courant bij de bank van de organisatie. Alles wat boven dit drempelbedrag komt wordt automatisch ten gunste van de schatkistbankierenrekening afgeschreven; - Financiering Het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van minimaal één jaar. Deze middelen kunnen bestaan uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen; - Geldstromenbeheer Al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer); - Intern liquiditeitsrisico De risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjaren investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen; - Intradaglimiet De intradaglimiet geeft het maximale bedrag weer dat de organisatie per dag van de schatkistbankieren werkrekening ten laste van de rekening-courant bij de schatkist kan opnemen; - Kasgeldlimiet Een bedrag op basis van de Wet fido ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de organisatie bij aanvang van het jaar; - Koersrisico Het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen; - Kredietrisico De risico’s op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van insolventie of deficit; - Liquiditeitenbeheer Het aantrekken en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar; - Liquiditeitenplanning Een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld naar aard en tijdseenheid; - Organisatie Het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland - Renterisico Het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de organisatie door rentewijzigingen; - Renterisiconorm Een bij de aanvang van enig jaar op basis van de Wet fido gefixeerd percentage van het totaal van de begroting van de organisatie van het betreffende jaar dat bij de realisatie niet mag worden overschreden; - Rentetypische looptijd Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding; - Rentevisie Toekomstverwachting over de renteontwikkeling; - Saldobeheer Het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen; - Schatkistbankieren Decentrale overheden dienen al hun overtollige middelen aan te houden in de schatkist bij het ministerie van Financiën; - Treasuryfunctie De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit vier deelfuncties: risicobeheer, bedrijfsfinanciering, kasbeheer en debiteuren- en crediteurenbeheer; - Uitzetting Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer. Artikel 2 Doelstellingen van de treasuryfunctie De treasuryfunctie van de organisatie dient tot: Het verzekeren van duurzame toegang tot financiële markten tegen acceptabele condities; Het beschermen van bedrijfsvermogens- en (rente-)resultaten tegen ongewenste financiële risico’s zoals renterisico’s, koersrisico’s, kredietrisico’s en liquiditeitsrisico’s; Het minimaliseren van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities; Risicobeheer Artikel 3 Uitgangspunten risicobeheer Met betrekking tot risicobeheer geldt dat het gebruik van derivaten niet is toegestaan. Artikel 4 Renterisicobeheer De kasgeldlimiet wordt niet overschreden conform de Wet fido; De renterisiconorm wordt niet overschreden conform de Wet fido; Nieuwe leningen/uitzettingen worden afgestemd op de bestaande financiële positie en de liquiditeitenplanning; De rentetypische looptijd en het renteniveau van de betreffende lening/uitzetting wordt zo veel mogelijk afgestemd op de actuele rentestand en de rentevisie; Binnen de kaders gesteld onder lid 3 en lid 4, streeft de organisatie tevens naar sprei-ding in de rentetypische looptijden van uitzettingen. Artikel 5 Koersrisicobeheer [vervallen] Artikel 6 Intern liquiditeitsrisicobeheer De organisatie beperkt haar interne liquiditeitsrisico’s door haar treasuryactiviteiten te baseren op een korte termijn liquiditeitenplanning (looptijd tot één jaar). Artikel 7 Valutarisicobeheer Valutarisico’s worden in de organisatie uitgesloten door uitsluitend leningen te verstrekken, aan te gaan of te garanderen in Euro’s. Bedrijfsfinanciering Artikel 8 Langlopende financiering Bij het aantrekken van financieringen voor een periode van één jaar en langer gelden de volgende uitgangspunten: Financieringen worden enkel aangetrokken ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak; Financiering met externe financieringsmiddelen wordt zoveel mogelijk beperkt door primair de beschikbare interne financieringsmiddelen te gebruiken teneinde de renterisico’s en het renteresultaat te optimaliseren; Toegestane instrumenten bij het aantrekken van financieringen zijn: onderhandse leningen, kasgeldleningen, deposito’s; De organisatie vraagt offertes op bij minimaal 2 instellingen alvorens een financiering wordt aangetrokken. De offertes worden vastgelegd. Artikel 9 Schatkistbankieren Overtollige liquide middelen (boven het drempelbedrag) van de organisatie mogen alleen in rekening-courant en via deposito’s bij de schatkist worden aangehouden of onderling worden uitgeleend aan andere decentrale overheden. Artikel 10 Relatiebeheer De organisatie beoogt het realiseren van gunstige c.q. marktconforme condities voor af te nemen financiële diensten. Hiervoor geldt het volgende uitgangspunt: Financiële instellingen (kredietinstellingen, beleggingsinstellingen, effecteninstellingen, verzekeraars en pensioenfondsen) dienen onder Nederlands of anderszins EER-toezicht 1 Onder de Europese Economische Ruimte (EER) vallen naast de lidstaten van de Europese Unie ook Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. te vallen, zoals De Nederlandsche Bank en de Verzekeringskamer en te voldoen aan de beschrijving zoals vermeld in artikel 1 van de laatst vastgestelde “Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden”(Ruddo). Kasbeheer Artikel 11 Geldstromenbeheer Teneinde de kosten van het geldstromenbeheer te minimaliseren wordt: Het liquiditeitsgebruik beperkt door de geldstromen op organisatieniveau op elkaar en de liquiditeitenplanning af te stemmen. Hierbij wordt erop toegezien dat de liquiditeitspositie voldoende is om te garanderen dat de verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen. Het betalingsverkeer zoveel mogelijk elektronisch uitgevoerd door één bank. Artikel 12 Saldo- en liquiditeitenbeheer Voor het saldobeheer en het liquiditeitenbeheer gelden de volgende specifieke richtlijnen: De organisatie streeft naar concentratie van de liquiditeiten binnen één rentecompensatiecircuit bij de bank met de gunstigste condities; Indien er een liquiditeitsbehoefte ontstaat kan de organisatie kortlopende middelen aantrekken. Hierbij wordt – conform artikel 4 lid 1 - de kasgeldlimiet niet overschreden; Toegestane instrumenten bij het aantrekken van kortlopende middelen zijn daggeld, deposito’s, kasgeldleningen, onderhandse leningen en kredietlimiet op rekening courant; De organisatie vraagt offertes op bij minimaal 2 instellingen alvorens een financiering wordt aangetrokken. De offertes worden vastgelegd. Administratieve organisatie en interne controle Artikel 13 Uitgangspunten administratieve organisatie en interne controle In het kader van de treasuryfunctie gelden de volgende algemene uitgangspunten op het gebied van administratieve organisatie en interne controle. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van treasuryactiviteiten zijn op eenduidige wijze schriftelijk vastgelegd in artikel 14 en artikel 15; Bevoegdheden zijn via delegatie en mandaat nader schriftelijk vastgelegd; Bij de uit te voeren treasuryactiviteiten is functiescheiding doorgevoerd met als belangrijkste voorwaarden: iedere transactie wordt door minimaal twee functionarissen geautoriseerd (het vier-ogen-principe); toetsing van de offertes voor het aangaan en uitzetten van gelden wordt door minimaal twee functionarissen verricht; de uitvoering en de controle geschiedt door afzonderlijke functionarissen; de uitvoering en de registratie in de financiële administratie geschiedt door afzonderlijke functionarissen. Een transactie wordt onmiddellijk geregistreerd door de functionaris die de transactie heeft afgesloten. Artikel 14 Verantwoordelijkheden De verantwoordelijkheden met betrekking tot de treasuryfunctie van de organisatie staan in onderstaande tabel gedefinieerd. Functie Verantwoordelijkheden Algemeen Bestuur Het vaststellen van treasurydoelstellingen, het treasurybeleid en limieten in het treasurystatuut; Het vaststellen van de treasuryparagraaf in de begroting; Het evalueren en als gevolg daarvan (eventueel) bijstellen van het treasurybeleid; Het uitvoeren van de niet aan het Dagelijks Bestuur overgedragen treasuryactiviteiten. Dagelijks Bestuur Het uitvoeren van het treasurybeleid (formele verantwoordelijkheid); Het rapporteren aan het Algemeen Bestuur over de uitvoering van het treasurybeleid; Het opzetten van administratieve richtlijnen op het gebied van treasury. De controller Het bewaken van de kwaliteit van de treasuryprocessen; Het controleren van de volledigheid en betrouwbaarheid van de informatievoorziening van de treasuryfunctie en hierover rapporteren aan het bestuur. De directeur van Servicepunt71 Het als gevolmachtigde uitvoeren van het, conform het treasurystatuut, te verrichten betalingsverkeer. Artikel15Bevoegdheden In onderstaande tabel staan bevoegdheden met betrekking tot treasuryactiviteiten weergegeven alsmede de daarbij benodigde fiattering. Uitvoering Autorisatie Saldo-, liquiditeiten- en geldstromenbeheer Het aantrekken van kasgeldleningen Medewerker service-eenheid financiën SP71 belast met treasury Controller Betalingsopdrachten voorbereiden en versturen Medewerker service-eenheid financiën Sp71 Medewerker service-eenheid financiën Sp71 die door gevolmachtigde als tekeningsbevoegde is aangewezen. Bankrelatiebeheer Bankrekeningen openen/sluiten/wijzigen Controller Bij bank geregistreerde wettelijke vertegenwoordiger Bankcondities en tarieven afspreken Controller Bij bank geregistreerde wettelijke vertegenwoordiger Financiering en belegging Het afsluiten van kredietfaciliteiten Controller Bij bank geregistreerde wettelijke vertegenwoordiger Het aantrekken van gelden via vaste of onderhandse leningen zoals vastgelegd in het treasurystatuut en de treasuryparagraaf Controller en de medewerker service-eenheid financiën Sp71 belast met treasury Bij bank geregistreerde wettelijke vertegenwoordiger Artikel16Informatievoorziening Met betrekking tot de treasuryactiviteiten dient tenminste de in de onderstaande tabel opgenomen informatie te worden verstrekt door de betreffende functionarissen: Informatie Frequentie Informatieverstrekker Informatieontvanger Gegevens m.b.t. toekomstige uitgaven en ontvangsten voor de liquiditeitenplanning; Incidenteel Budgethouders Coördinator financiën Liquiditeitenplanning; Jaarlijks Medewerker service-eenheid financiën Sp71 belast met treasury Dagelijks Bestuur/controller Beleidsplannen treasury in Treasuryparagraaf van begroting; Jaarlijks Dagelijks Bestuur/controller Evaluatie treasuryactiviteiten in Treasuryparagraaf van jaarrekening; Jaarlijks Dagelijks Bestuur/controller Verantwoording n.a.v. treasuryparagraaf via jaarverslag; Jaarlijks Medewerker service-eenheid financiën Sp71 belast met treasury Dagelijks Bestuur/controller Slotbepalingen Artikel 17 Intrekking oude regeling Het Treasurystatuut samenwerkingsorgaan Holland Rijnland 2011, vastgesteld door het Algemeen Bestuur op 14 december 2011, wordt gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken. Artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.