Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Nieuwegein houdende regels omtrent leerlingenvervoer Verordening leerlingenvervoer Gemeente Nieuwegein 2019De raad van de gemeente Nieuwegein; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 maart 2019; gelet op artikel 4 van de Wet op het Primair Onderwijs, de Wet op de Expertisecentra en de Wet op het Voortgezet Onderwijs en de Algemene wet bestuursrecht; besluit: vast te stellen Verordening Leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2019 Paragraaf1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: school: een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs ; aanvrager: de ouders, voogden of verzorgers (ook pleegouders) van de leerling of de leerling zelf indien deze meerderjarig is en handelingsbekwaam; leerling: een leerling van een school als bedoeld onder a; woning: de plaats(
(2001). Over het algemeen, zo bleek, kan een kind van negen jaar zonder begeleiding alleen met de fiets over straat. Lid 1 onder c.: Wanneer een leerling door zijn/ haar structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer of de fiets kan reizen, wordt ook een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer met begeleiding of vervoer per fiets met begeleiding toegekend. Dit geldt ongeacht de afstand tussen de woning en de school. Het college bepaalt op grond van de documenten die de aanvrager bij de aanvraag van leerlingenvervoer overhandigt of de leerling door zijn/haar handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets kan gebruik kan maken. Het college kan hierbij advies van (onafhankelijke) deskundigen inwinnen (zie ook toelichting artikel 7). Lid 2: Begeleiding in het vervoer is primair de taak van de aanvrager. Als de aanvrager niet in staat is het kind te begeleiden, dient de aanvrager daar zelf een oplossing voor te vinden. Zo kan ook een familielid, een kennis, een oppas, een van de buren, een ouder van een andere leerling of een klassen assistent de leerling begeleiden. Met de begeleiding van een jongere leerling door een oudere leerling moet uiteraard omzichtig worden omgegaan. Rekening dient te worden gehouden met de leeftijden, verkeerssituaties etc. Wie de leerling ook begeleidt, de vervoersvoorziening met begeleiding zoals bedoeld in dit artikel wordt toegekend aan de aanvrager. Als een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, wordt de begeleider slechts één maal bekostigd. Artikel 10 Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer In artikel 10 van de verordening is vastgelegd wanneer een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer wordt verstrekt. Deze vervoersvoorziening wordt in principe slechts in uitzonderinggevallen verstrekt. Lid 1, onderdeel a: Wanneer de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, wordt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer toegekend. Van belang is hier de omschrijving van het begrip ‘reistijd’. Zie hiervoor de toelichting op artikel
- De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten vóór de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Deze tijd wordt daarom uitgesloten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Er wordt daarom tien minuten opgeteld bij de berekende duur van de rit. Volgens de ABRvs is tien minuten in dit geval een redelijke tijd (ABRvS, 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538). Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de reistijd met het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of visa versa). In een dergelijk geval kan voor de heenreis aangepast vervoer worden toegekend en voor de terugreis een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer, al dan niet met begeleiding. Overigens is het niet zo dat de aanvrager, wanneer op basis van het criterium reistijd een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer wordt toegekend, van het college kan eisen dat de reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt teruggebracht (in het geval dat het college het vervoer zelf organiseert). Wanneer een taxibusje meer leerlingen vervoert, kan dit tijdscriterium overschreden worden. Het is enkel van belang dat via individuele meting de conclusie wordt getrokken, dat de reisduur van die leerling met het openbaar vervoer meer dan anderhalf uur bedraagt en deze met het aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht. Lid 1, onderdeel b: In een aantal gemeenten komt het voor dat openbaar vervoer geheel ontbreekt of zo weinig frequent rijdt dat leerlingen daar gebruik van kunnen maken voor het vervoer van de woning naar school of terug. In principe wordt dan een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer toegekend. Overigens biedt artikel 10, eerste lid, aanhef en onderdeel b, het college de mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in staat is met de fiets naar school te gaan. Lid 1, onderdeel c: De aanvrager dient op een voor de gemeente bevredigende wijze aan te tonen dat het voor hem/haar onmogelijk is om de leerling in het openbaar vervoer te begeleiden of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Ook mag van de aanvrager worden verwacht dat hij allereerst zelf een oplossing voor het (laten) begeleiden van de leerling zoekt, wanneer dat nodig is. Zie ook de toelichting op artikel 9 lid
- Lid 1, onderdeel d: Als de leerling door zijn/haar structurele handicap niet in staat is, ook niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, kent het college een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer toe. Dit geldt ongeacht de afstand tussen de woning en de school. Zie ook de toelichting bij artikel 9 lid 1 onder c. Lid 2: Soms is begeleiding in het aangepast vervoer noodzakelijk. Bijvoorbeeld wanneer een leerling verzorging nodig heeft of in het geval een leerling bepaald onwenselijk gedrag vertoont. In dit geval worden alleen de kosten van het vervoer die aan deze begeleiding verbonden zijn, vergoed. Ook kan de gemeente een plaats beschikbaar stellen in het aangepast vervoer. Salariskosten worden niet vergoed. Voor medische begeleiding tijdens het vervoer is de gemeente niet verantwoordelijk. Artikel 11 Een vervoersvoorziening in de vorm van eigen vervoer Artikel 11 van de verordening geeft nadere regels bij de verstrekking van een vervoersvoorziening in de vorm van eigen vervoer. Hiervan is sprake wanneer de aanvrager de leerling zelf naar school vervoert of laat vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto/bromfiets etc.) of wanneer een leerling gebruikmaakt van de fiets. Lid 1: Als aanvrager de leerling zelf wenst te (laten) vervoeren, is toestemming van het college noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf voor toestemming is dat het toekennen van een vervoersvoorziening in de vorm van eigen vervoer voor de gemeente goedkoper is. Ook kunnen aspecten als de zelfredzaamheid van de leerling meespelen bij de beoordeling van het college of de leerling zelf of onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Lid 2: De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de voorziening waar de aanvrager in principe op basis van de bepalingen in de verordening voor in aanmerking komt: Openbaar vervoer Als aanvrager in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer en de leerling, met toestemming van het college, zelf vervoert, dan keert het college bekostiging uit op basis van de kosten van het openbaar vervoer. Het college gaat na wat voor de te overbruggen afstand betaald zou worden wanneer de leerling gebruik zou maken van het openbaar vervoer. Hierbij wordt het meest goedkope tarief als uitgangspunt genomen. Aangepast vervoer Als aanvrager in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer en de leerling, met toestemming van het college zelf vervoert, wordt een vergoeding per kilometer verstrekt. De hoogte van deze kilometervergoeding is afgeleid van de Reisregeling Binnenland. Het volledige bedrag wordt uitgekeerd voor de kilometers die de leerling aflegt. Wanneer zowel de heen- als de terugreis tweemaal worden vergoed, rekent de gemeente met het gehalveerde bedrag. Voor het vervoeren van de leerling tussen de middag wordt geen vergoeding verstrekt. Lid 3 en 4: Het derde lid bepaalt dat aanvrager in aanmerking komt voor bekostiging op basis van een kilometervergoeding, wanneer hij – na toestemming van het college – meer dan één leerling tegelijk vervoert. Dit geldt ook wanneer de aanvrager in principe slechts aanspraak maakt op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer. De kilometervergoeding geldt voor de auto en wordt niet per leerling verstrekt. Wanneer aanvrager toestemming vraagt meerdere kinderen met een eigen busje te vervoeren, kan het college bij wijze van uitzondering op grond van artikel 21 een andere bekostiging vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer per leerling. Aan de aanvrager die één of meer leerlingen laat vervoeren door andere (pleeg)ouders/ voogden of verzorgers, wordt geen bekostiging verstrekt (vierde lid). Lid 5: Ten slotte bepaalt artikel 11, vijfde lid, van de verordening dat het college bekostiging verstrekt op basis van het aantal kilometers fietsvervoer (Reisregeling Binnenland) wanneer de leerling gebruik maakt van het vervoer per fiets. Hiervan is sprake als: het college van oordeel is dat de leerling al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; de aanvrager dit wenst, bijvoorbeeld in het kader van de bevordering van de zelfredzaamheid, en het college hiervoor toestemming geeft. Op welke wijze de afstand voor de berekening van de hoogte van de vergoeding wordt bepaald, is vastgelegd in de beleidsregels. Artikel 12 Drempelbedrag Dit artikel heeft tot doel de aanvrager verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer; de zogenaamde drempel. Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Wanneer een leerling slechts een deel van het schooljaar gebruik maakt van het leerlingenvervoer, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of de terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week. Lid 1 en lid 2: Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. Invoering van het drempelbedrag houdt in, dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de aanvrager komen. Ook wanneer het college een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer toekent. In de verordening is de kilometergrens voor leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken gesteld op 6 kilometer als bovengrens (artikel 8). Lid 3: Voor de berekening van de hoogte van het drempelbedrag is de gemeente gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een fictief bedrag; de kosten van het openbaar vervoer dienen te worden bepaald op basis van de zone-indeling. Dit betekent dat bij een aanvraag voor leerlingenvervoer moet worden nagegaan hoeveel zones gereisd moet worden om de afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen. Het drempelbedrag bedraagt dan de kosten van een jeugdjaarkaart voor dit aantal te reizen zones. Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dient de aanvrager de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval dient te worden uitgegaan van de kortste meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route. Lid 4: Het begrip inkomen is gedefinieerd in artikel
- Als grenswaarde wordt in de wet (artikel 4, zevende lid van de WPO) een gezamenlijk inkomen genoemd van € 17.700,- voor het schooljaar 1998-
- Dit bedrag moet per 1 januari 1999 jaarlijks worden geïndexeerd op een voorgeschreven wijze. In deze verordening is de grenswaarde van het gezamenlijk inkomen voor het heffen van een drempelbedrag voor het schooljaar 2018/2019 (dus voor het peiljaar 2016) vastgesteld op € 26.100,-. Lid 5: De doelgroep voor het drempelbedrag bestaat uit leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken en waarvan de aanvrager een inkomen heeft dat boven een bepaalde grens uitkomt. Uitgezonderd zijn leerlingen die vanwege hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen of vanwege hun handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Aan de aanvrager van leerlingenvervoer ten behoeve van deze leerlingen mag geen drempelbedrag gevraagd worden. Voor deze leerlingen geldt ook geen kilometergrens als voorwaarde voor een vervoersvoorziening. Aan de aanvrager van leerlingenvervoer voor een leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, kan geen drempelbedrag worden opgelegd omdat de WEC deze mogelijkheid niet biedt. Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een later stadium, als het inkomen van het peiljaar bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt. Als het gezamenlijk inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze gedaald is, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel
- Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als richtsnoer dienen. Artikel 13 Financiële draagkracht afhankelijk(e) bedrag of bijdrage Lid 1 en 2: Artikel 13 van de verordening bepaalt dat aan de aanvrager van leerlingenvervoer voor een leerling die een school voor regulier basisonderwijs bezoekt en van wie de school ten minste 20 kilometer van de woning is verwijderd, een van de draagkracht afhankelijke bijdrage gevraagd wordt in de kosten van het vervoer (max. de kosten van het vervoer). Deze inkomensafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven (in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht) en kan dus alleen bij het reguliere basisonderwijs worden gevraagd. Lid 3, 4 en 5: Er is gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die aansluit bij artikel 4 van de WPO. Lid 6: Er wordt geen financiële draagkracht afhankelijke bijdrage gevraagd wanneer het gaat om een leerling die wegens zijn/haar structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer is aangewezen of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van het vervoer gebruik kan maken. Paragraaf 3 BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR VOORTGEZET ONDERWIJS De artikelen in deze paragraaf betreffen leerlingen van scholen die zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs en leerlingen van instellingen voor cluster 1 en cluster 2 die voortgezet onderwijs volgen. Artikel 14 Algemene bepalingen voortgezet onderwijs Lid 2: Artikel 14, tweede lid, is identiek aan artikel 7, vierde lid. Zie voor een toelichting daarom de toelichting op artikel 7 lid
- Artikel 15 Een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer of vervoer per (brom)fiets Volgens artikel 4, het vierde lid van de WEC en artikel 4, eerste lid van de WVO komen leerlingen slechts voor leerlingenvervoer in aanmerking als zij wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege hun handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Dit betreft een ondergrens. Het staat gemeenten vrij om leerlingenvervoer toe te kennen aan de aanvrager ten behoeve van het schoolbezoek van leerlingen zoals bedoeld in artikel 14 lid 1 onder b. die zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken. In artikel 15 staan de minimum voorwaarden beschreven waaronder de aanvrager van leerlingenvervoer voor een leerling die een school als bedoeld in artikel 14 lid 1 onder b. bezoekt, aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer dan wel vervoer per (brom)fiets. Lid 1: Artikel 4, zevende lid van de WEC stelt dat de gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand. Een afstand van zes kilometer geldt daarbij als bovengrens. In artikel 15 lid 1 wordt een grens van 4 kilometer gehanteerd. De aanvrager van leerlingenvervoer voor een leerling die een school als bedoeld in artikel 14 lid 1 onder b. bezoekt, komt in aanmerking voor een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer wanneer de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan vier kilometer bedraagt. Hierbij dient echter rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 16 lid 1 onder b. en artikel 17 lid 1 onder d. van de verordening. In deze bepalingen staat dat als de leerling als gevolg van zijn structurele handicap niet of niet zelfstandig met het openbaar vervoer of de (brom)fiets kan reizen, toch een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Dit geldt ongeacht de afstand tussen de woning en de school. Het gaat om een vervoersvoorziening in de vorm van OV met begeleiding of vervoer per (brom)fiets met begeleiding, wanneer de leerling als gevolg van zijn structurele handicap niet zelfstandig maar wel onder begeleiding met OV of de (brom)fiets kan reizen. Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer wordt toegekend als de leerling als gevolg van zijn structurele handicap ook niet onder begeleiding met OV of de (brom)fiets kan reizen. De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. Lid 2: Het tweede lid van artikel 15 bepaalt dat in plaats van een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer een (brom)fietsvergoeding kan worden verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per (brom)fiets. Hierbij worden factoren als de ondersteuningsbehoefte, de veiligheid van de route en de afstand in overweging genomen. Het is mogelijk een (brom)fietsvergoeding voor de zomermaanden te verstrekken en een andere vervoersvoorziening voor de overige maanden toe te kennen. Artikel 16 Een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer met begeleiding of vervoer per (brom)fiets met begeleiding Lid 1: In artikel 16, lid 1 is bepaald dat een aanvrager van leerlingenvervoer voor een leerling die een school zoals bedoeld in artikel 14 bezoekt, in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening voor de leerling én voor een begeleider, wanneer: Aanspraak op leerlingenvervoer bestaat op grond van artikel 15 en door de aanvrager ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van openbaar vervoer of vervoer per (brom)fiets gebruik te maken; De leerling door zijn/haar structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen. Dit geldt ongeacht de afstand tussen de woning en de school. De vervoersvoorziening waarop aanspraak bestaat is een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer of een (brom)fietsvergoeding. Lid 2: Begeleiding in het vervoer is primair de taak van de aanvrager. Als de aanvrager niet in staat is het kind te begeleiden, dient de aanvrager daar zelf een oplossing voor te vinden. Zo kan ook een familielid, een kennis, een oppas, een van de buren, een ouder van een andere leerling of een klassen assistent de leerling begeleiden. Zie ook de toelichting op lid 2, artikel
- Artikel 17 Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer wordt in principe slechts in uitzonderingsgevallen verstrekt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 17 vastgelegd. Artikel 17 is identiek aan artikel 10, dat geldt voor leerlingen van scholen voor primair onderwijs. Zie voor een toelichting op artikel 17 daarom de toelichting op artikel
- Daar waar ‘artikel 10’ staat, dient in dit geval ‘artikel 17’ te worden gelezen. Artikel 18 Een vervoersvoorziening in de vorm van eigen vervoer Artikel 18 is identiek aan artikel 11, dat geldt voor leerlingen van scholen voor primair onderwijs. Zie voor een toelichting op artikel 18 daarom de toelichting op artikel
- Daar waar ‘artikel 11’ staat, dient in dit geval ‘artikel 18’ te worden gelezen. Paragraaf 4 BEPALINGEN OMTRENT WEEKEINDE- EN VAKANTIEVERVOER Artikel 19 Een vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer aan de in de gemeente wonende aanvrager Op basis van artikel 4, zesde lid, van de WEC staan in paragraaf 4 van deze verordening bepalingen voor het weekeinde- en vakantievervoer. Artikel 19 bevat twee belangrijke componenten: Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is bepaald in de WEC. Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de aanvrager wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft en daar in de buurt een school bezoekt. Het is dus belangrijk op welke gronden een leerling op een internet of bij een pleeggezin is geplaatst. Aanvragers van leerlingenvervoer voor leerlingen die een school voor regulier en speciaal basisonderwijs en regulier voortgezet onderwijs bezoeken, komen niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie. Het college van de gemeente waar de aanvrager woont verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer als de aanvrager daarvoor in aanmerking komt. Zo is bepaald in de WEC. Het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of pleeggezin verblijft heeft hierin geen rol. Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internet of pleeggezin naar school en terug, verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening. Lid 2 en 3: Het tweede en derde lid van artikel 19 van de verordening bepalen welke bekostiging maximaal wordt verleend, namelijk ten behoeve van: de reis van het internaat of pleeggezin naar het woonadres van de aanvrager en terug in elk weekeinde, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de schoolvakanties; de reis van het internaat of het pleeggezin naar het woonadres van de aanvrager en terug in elke vakantie van twee of meer schooldagen, voor zover deze vakantie is opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. Welke vervoersvoorziening wordt verstrekt, bepaalt het college van de gemeente waar de aanvrager woont. Lid 4: Het vierde lid van artikel 19 van de verordening geeft aan dat de bepalingen van paragraaf 2 en 3 van de verordening van overeenkomstige toepassing zijn op de toekenning van een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie op enkele uitzonderingen na zoals beschreven in dit artikel. Zie voor verdere toelichting de betreffende artikelen. De algemene bepalingen van paragraaf 1 van de verordening zijn uiteraard ook van toepassing, evenals de slotbepalingen van paragraaf
- Paragraaf 5 SLOTBEPALINGEN Artikel 20 Hardheidsclausule Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager kan afwijken van de bepalingen in de verordening. Dit houdt in, dat het college slechts in voor de aanvrager voordelige zin kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid van de WPO, artikel 4, zevende lid van de WVO en artikel 4, tiende lid van de WEC. Er moet op worden toegezien dat ter voorkoming van - ongewenste - precedentenwerking de toepassing van de hardheidsclausule wordt onderbouwd met op de specifieke, concrete situatie van de aanvrager betrekking hebbende argumenten. De aanvrager dient aan te tonen dat er sprake is van een bijzondere situatie. Het college kan zo nodig advies van deskundigen ter zake vragen. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 7 lid
- Artikel 21 Intrekking oude regeling en overgangsregeling In artikel 21 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt.