REINTEGRATIEVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND GEMEENTE KERKRADE 2009Hoofdstuk1Inleidende bepalingen Artikel1Begripsbepalingen 1.In deze verordening wordt verstaan onder: a. de Wet: de Wet werk en bijstand; b. Ioaw: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; c. Ioaz: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; d. Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 ; e. WI: Wet Inburgering f. Wsw: Wet sociale werkvoorziening; g. Anw: Algemene nabestaandenwet; h. bijstandsgerechtigde: de persoon die op grond van de Wet bijstand ontvangt ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan; i. uitkeringsgerechtigde: de persoon die een uitkering ontvangt ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, op grond van de Ioaw, Ioaz, Bbz of Anw; j. niet-uitkeringsgerechtigde; de persoon zoals bedoeld in artikel 6, onder a, van de Wet; k. jongere: de bijstandsgerechtigde, uitkeringsgerechtigde, dan wel niet-uitkeringsgerechtigde, tot de leeftijd van 23 jaar; l. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken; indien het een gehuwde betreft, wordt onder belanghebbende elk van de echtgenoten verstaan; m. arbeidsplicht: de plicht van belanghebbenden van 18 tot 65 jaar om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden; n. reïntegratieplicht: de plicht van belanghebbenden van 18 tot 65 jaar, gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, alsmede de plicht om mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, zolang betaalde arbeid nog niet aan de orde is; o. voorziening gericht op arbeidsinschakeling: activiteiten die het College uitvoert of doet uitvoeren om de belanghebbende uiteindelijk aan ongesubsidieerde arbeid te helpen. Indien naar het oordeel van het College belanghebbende in staat is om op eigen kracht arbeid te vinden, is er geen sprake van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling; p. datum aanbod : De datum waarop de gemeente aan belanghebbende, voor het eerst de meldingsdatum zoals bedoeld in artikel 44, tweede lid WWB, of na definitieve beeindiging van een eerder reintegratietraject, het voorstel doet om een of meerdere specifiek benoemde voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling in te zetten dan wel een reeds buiten toedoen van de gemeente nodig geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling die inmiddels gestart is, voort te zetten; q. reïntegratietraject: de periode waarin één of meer voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, dan wel voorzieningen gericht op sociale activering, na de datum aanbod gelijktijdig of opeenvolgend worden ingezet. Begindatum van dat traject is de datum waarop de daadwerkelijke inzet van de eerste activiteit van de eerst ingezette voorziening gericht op arbeidsinschakeling uitgevoerd wordt. Een traject eindigt pas weer zodra de inzet van alle voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, volledig is beëindigd. r. sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige participatie; s. klantprofiel: omschrijving van de eigenschappen en kenmerken van een belanghebbende of groep belanghebbenden. De omschrijving bevat kenmerken die bepalend geacht worden voor de reïntegratiemogelijkheden en arbeidsmarktkansen van een belanghebbende; t. reïntegratiebedrijf: een conform de vigerende aan- en uitbestedingsregels ingeleende instelling die in opdracht van het College een of meerdere delen van een reïntegratietraject uitvoert en begeleidt; u. algemeen geaccepteerde arbeid: elke vorm van al dan niet gesubsidieerde maatschappelijk aanvaarde arbeid, behoudens werkzaamheden ingevolge de Wsw en werkzaamheden die ingaan tegen de integriteit van de persoon. Er kunnen door belanghebbende geen nadere eisen worden gesteld aan regulier werk ten aanzien van de aard, de omvang en de beloning; v. arbeidsinschakeling: het verkrijgen van een reguliere werkbetrekking waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening, zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet; w. het College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade; 2.Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoofdstuk2Algemene bepalingen inzake de gemeentelijke reïntegratieplicht Artikel2Gemeentelijke reïntegratieplicht 1.Het College ondersteunt personen, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet, personen met een uitkering ingevolge de Ioaw, Ioaz of Anw alsmede personen als bedoeld in art. 6, onder a, van de Wet, bij de arbeidsinschakeling, indien naar het oordeel van het College een aanbod van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling voor deze personen noodzakelijk is. Artikel 40, eerste lid van de wet is van overeenkomstige toepassing. Het college werkt bij de uitvoering van dit eerste lid, samen met de Centrale organisatie werk en inkomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. 2.Uitgesloten van deze voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling zijn: a. personen met een uitkering van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, tenzij het College en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen overeen komen dat de voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling wel van toepassing zijn; b. personen die aanspraak kunnen maken op een voorliggende reïntegratievoorziening; c. personen met een inkomen hoger dan 150 procent van het wettelijk minimum loon; d. personen wier voor werkzaamheden beschikbare tijd voor tenminste 19 uur per week in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding, tenzij het betreft een scholing of opleiding die door het College in het kader van een reïntegratietraject dan wel ingevolge de Wet Inburgering als noodzakelijk wordt aangemerkt. 3.Indien het College het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk acht, biedt het College die voorziening aan. 4.Het College gaat uit van een sluitende aanpak, waarmee bedoeld wordt dat iedere klant binnen twaalf maanden na de datum van inschrijving als werkzoekende een op belanghebbende toegesneden reintegratietraject krijgt aangeboden. Artikel3Indeling van klanten 1.Klanten worden ingedeeld naar klantprofiel, met daarbij behorende aard van voorzieningen en einddoelen. 2.Het College stelt nadere regels over de inhoud van de klantprofielen en de bijbehorende soorten van aan te bieden voorzieningen. Artikel4Voorzieningen 1.Onder de voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening worden verstaan de voorzieningen zoals omschreven in de artikelen 5 tot en met 14 van deze verordening. 2.De voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5 tot en met 14 worden aangeboden in het kader van een reïntegratietraject. 3.Het College kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit wetgeving, aan de toekenning van een voorziening nadere verplichtingen verbinden. 4.Het College kan een voorziening beëindigen, indien: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt de wettelijke verplichtingen en de aan de in het eerste lid bedoelde voorzieningen verbonden verplichtingen niet nakomt; b. de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van deze verordening; c. de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling; d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan snelle of effectieve arbeidsinschakeling. 5.Het College kan nadere regels stellen met betrekking tot de beoordeling, toekenning, beëindiging, weigering, voorwaarden, betaling en financiering van voorzieningen en flankerende voorzieningen op grond van deze verordening, met inachtneming van hetgeen in de Wet, de Ioaw, en de Ioaz en in deze verordening is bepaald. 6.Een voorziening wordt in elk geval geweigerd door het College in de situatie dat een persoon met een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet of een niet-uitkeringsgerechtigde een eerder reïntegratietraject verwijtbaar heeft onderbroken. 7.Het College kan buiten de in de artikelen 5 tot en met 14 bedoelde voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling nog andere voorzieningen aanbieden. Hoofdstuk3Specifieke voorzieningen Artikel5Voorzieningen uitgevoerd door Reïntegratiebedrijven 1.Voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden in opdracht van het College uitgevoerd door de reïntegratiebedrijven of instellingen die naar aard en strekking als reintegratiebedrijf aangemerkt kunnen worden, waaronder begrepen de bedrijven en instellingen die een of meerdere onderzoeken verrichten naar de arbeidsgeschiktheid van belanghebbende. 2.Voor zover de Wet, de Ioaw of de Ioaz daartoe de mogelijkheid bieden, kunnen de voorzieningen op een andere wijze dan in het eerste lid aangegeven worden uitgevoerd. Artikel6Gesubsidieerde arbeid 1.Gesubsidieerde arbeid als bedoeld in de Wet inschakeling werkzoekenden en het Besluit In- en Doorstroombanen wordt als voorziening niet aangeboden. 2.In afwijking van het eerste lid blijven werknemers die op 1 januari 2004 als deelnemer gebruik maakten van de in het eerste lid bedoelde regelingen geplaatst op die vorm van gesubsidieerde arbeid, voor zolang het College dit noodzakelijk acht. 3.Het tweede lid laat onverlet dat het College blijft bevorderen uitstroom uit die vorm van gesubsidieerde arbeid te realiseren, waarbij de deelnemer verplicht is andere arbeid of een ander voorziening te aanvaarden. 4.Voor zover van toepassing, worden dienstbetrekkingen op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden gecontinueerd via een constructie van detachering bij werkgever met inleenvergoeding. Artikel7Werken met behoud van uitkering 1.Het College kan belanghebbende een participatieplaats aanbieden onder volledig behoud van de bijstandsuitkering. 2.Deze participatieplaats duurt ingevolge artikel 10a van de Wet maximaal 24 maanden . 3.Onverkort de bepalingen van artikel 7 WWB en artikel 10a WWB, artikel 38 IOAW en artikel 38 IOAZ, stelt het College nadere regels inzake werken met behoud van uitkering. Artikel8Werkstage 1.Het College kan belanghebbende een werkstage gericht op arbeidsinschakeling laten volgen onder volledig behoud van de bijstandsuitkering. 2.Deze werkstage duurt maximaal 6 maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal 6 maanden. 3.Het College stelt nadere regels inzake het volgen van een werkstage. Artikel9Scholing en opleiding 1.Het College kan belanghebbende als voorziening voor de arbeidsinschakeling noodzakelijke geachte scholing en training aanbieden. 2.Het College stelt nadere regels inzake scholing en opleiding. Artikel10Persoonsgebonden budget 1.Het College kan aan belanghebbende een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aanbieden in de vorm van een persoonsgebonden reïntegratiebudget. 2.Onder een persoonsgebonden reïntegratiebudget wordt verstaan een individuele financiele bijdrage ter voldoening van de noodzakelijk te maken kosten voor werkzaamheden en activiteiten die zijn gericht op arbeidsinschakeling. 3.Het College stelt nadere regels inzake het verstrekken van een persoonsgebonden budget. Artikel11Kinderopvang 1.Indien de vergoedingen op basis van de Wet kinderopvang ontoereikend zijn kan het college vanuit het werkdeel Wwb een aanvullende tegemoetkoming verstrekken. 2.Het verzoek voor de aanvullende tegemoetkoming kan alleen worden gedaan door een alleenstaande ouder, voor kinderen tot twaalf jaar. Artikel12Premies en vrijlating 1. Het college verstrekt de volgende premies aan de belanghebbende, a. Een premie bij werkaanvaarding voor minimaal 6 maanden, waarbij geen sprake is van de inzet van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling en waarbij sprake is van volledige uitkerings-onafhankelijkheid. b. Een premie bij werkaanvaarding voor minimaal 6 maanden, waarbij sprake is van de inzet van loonkostensubsidie en waarbij sprake is van volledige uitkeringsonafhankelijkheid. c. Een premie voor het verrichten van vrijwilligerswerk gericht op sociale activering, waarvoor niet reeds een kostenvergoeding of deelnemersvergoeding verstrekt wordt. d. Een premie bij het succesvol afsluiten van een scholing of opleiding waarbij sprake is van een baangarantie. e. Een vrijlating van inkomsten kan voor de duur van zes maanden bij of krachtens de wet, de Ioaw en de Ioaz worden toegepast indien de werkzaamheden waarvoor die inkomsten worden verkregen, naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling en belanghebbende reeds algemene bijstand ontvangt. Aansluitend op deze vrijlating kan het college een premie verstrekken aan alleenstaande ouders met deeltijdse arbeid tot het moment waarop het jongste kind de leeftijd van twaalf jaar bereikt. 2.Het college stelt nadere regels over de voorwaarden en hoogte van de in de onderdelen a tot en met e genoemde premies. Artikel13Specifieke kostenvergoeding Het College kan nadere regels stellen inzake de vergoeding van bijzondere kosten die gemaakt worden in het kader van de arbeidsinschakeling en die buiten het bereik van de voorzieningen als bedoeld in deze verordening vallen. Artikel14Loonkostensubsidies 1.Een loonkostensubsidie kan door de gemeente aan een werkgever worden verstrekt wanneer die werkgever een persoon in dienst neemt uit de gemeentelijke reintegratiedoelgroep. 2.De loonkostensubsidie wordt verstrekt op aanvraag. 3.Onder loonkosten wordt in deze verordening verstaan de volgende bestanddelen die daadwerkelijk door de onderneming moeten worden betaald met betrekking tot de betrokken arbeidsplaatsen: het brutoloon, vóór belasting, en de verplichte sociale zekerheidsbijdragen; 4.Het college stelt nadere regels inzake de aanvaag, vaststelling, aard, hoogte en duur van de loonkostensubsidie. Hoofdstuk5Rechten en plichten voor de klant Artikel15Aanspraak op reïntegratie 1.De personen bedoeld in artikel 2, hebben aanspraak op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het College noodzakelijk geachte voorzieningen zoals bedoeld in de artikelen 5 tot en met 14 van deze verordening. 2.Op aanvragen voor een voorziening beslist het College binnen dertien weken. 3.Het College kan de termijn bedoeld in het tweede lid verlengen met ten hoogste dertien weken. Van de verlenging doet het College mededeling aan de aanvrager. Artikel16Verplichtingen voor de klant 1.Een belanghebbende die door het College een voorziening zoals bedoeld in de artikelen 5 tot en met 14 van deze verordening aangeboden krijgt, is verplicht hiervan gebruik te maken. 2.De belanghebbende die deelneemt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling is gehouden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet Structuur uitvoering werk en inkomen, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. 3.Onverminderd andere verplichtingen, voortvloeiend uit wet- en regelgeving, gelden voor een belanghebbende zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening, de volgende verplichtingen: a. het zich als werkzoekende doen inschrijven bij het Centru voor Werk en Inkomen , dan wel de inschrijving tijdig doen verlengen; b. het naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; c. het in voldoende mate meewerken aan een onderzoek, uitgevoerd door de gemeente, voor de vaststelling van de noodzaak voor ondersteuning door middel van een reintegratietraject; d. alles na te laten hetgeen inschakeling naar algemeen geaccepteerde arbeid belemmert; e. het in voldoende mate meewerken aan een reintegratietraject en / of aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering; f. algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; g. het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 4.Het College stemt de verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en beperkingen van de belanghebbende. 5.Indien een bijstandgerechtigde die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan het College de uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2008, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet. 6.Indien een persoon met een uitkering in gevolge de Ioaw of Ioaz niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan een maatregel of boete worden opgelegd, met inachtneming van de artikelen 20 tot en met 20f van de Ioaw en de artikelen 20 tot en met 20f Ioaz. 7.Indien een niet-uitkeringsgerechtigde of een uitkeringsgerechtigde met een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan het college de kosten van de voorziening of specifieke kostenvergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Artikel17Opleggen reïntegratieverplichting 1.Het College legt in beginsel aan alle personen jonger dan 65 jaar, met een uitkering ingevolge de Wet, de Ioaw of Ioaz, ten behoeve van de arbeidsinschakeling de reïntegratieverplichting op. 2.Het College ziet af van de verplichting in de volgende gevallen: a. in geval van alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar kan het College een belastbaarheidsonderzoek instellen. De reintegratieverplichting wordt daar op afgestemd. b. indien de reisafstand voor deelname aan een traject dan wel het aanvaarden van een aangeboden dienstbetrekking groter is dan 50 kilometer, gerekend van woonplaats tot plaats van bestemming; c. in geval van dringende reden. 3.Van dringende reden als bedoeld in het vorige lid is sprake: a. indien sprake is van zodanige objectieve medische / psychische beperkingen, in opdracht van het college vast te stellen door daartoe bevoegde derden-deskundigen, waardoor beschikbaarstelling niet meer mogelijk is en betrokkene niet in staat is om arbeid te verrichten; b. in de situatie van alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar waar geen passende kinderopvang geboden kan worden, echter slechts voor de duur dat die situatie voortduurt. 4.Het College kan nader regels stellen over de duur van de vrijstelling van de reïntegratieverplichting. 5.Ingeval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, kan het College een belastbaarheidsonderzoek instellen. De reintegratieverplichting wordt daar op afgestemd. Hoofdstuk6Financieel beheer Artikel18Budgetplafond 1.Het College stelt jaarlijks een budgetplafond vast voor de financiering van de in deze verordening geregelde voorzieningen en flankerende voorzieningen. 2.Een verzoek voor of handhaving van een concrete voorziening of flankerende voorziening kan niet enkel worden afgewezen op het bereiken van het budgetplafond. 3.Het College stelt nadere regels over de hoogte en de verdeling van de beschikbare middelen. Hoofdstuk7Slotbepalingen Artikel19Hardheidsclausule Het College kan in bijzondere gevallen ten gunste van een persoon uit de doelgroep afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van deze bepalingen tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel20Restbepaling In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het College. Artikel21Overgangsbepalingen Het College neemt in het kader van het overgangsrecht de bepalingen van de Invoeringswet Wet werk en bijstand in acht. Artikel22Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2009 Artikel23Citeerartikel Deze verordening kan worden aangehaald als “ Reïntegratieverordening Werk en bijstand 2009 ”. Aldus besloten door de raad der gemeente Kerkrade in zijn openbare raadsvergadering van 17 december 2008. De Voorzitter, De plv. Griffier, J.J.M. Som drs. J. Schrijnemaekers Nota-toelichtingAlgemene toelichting Werk boven inkomen. Het uitgangspunt van werk boven inkomen staat centraal in de WWB, althans ten aanzien van personen jonger dan 65 jaar. Alle inspanningen van betrokkene en de gemeente dienen derhalve te zijn gericht op arbeidsinschakeling. Onder arbeidsinschakeling verstaat de WWB: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een daarop gerichte voorziening die door de gemeente wordt aangeboden (zie artikel 6, onderdeel b, WWB, artikel 9, lid 1 onderdeel a, WWB en TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 4). Met deze laatste beperking heeft de wetgever aangegeven dat gesubsidieerde arbeid, als voorziening in het kader van de WWB, weliswaar algemeen geaccepteerde arbeid, maar geen einddoel kan en mag zijn. Door geen beperkende voorwaarden te stellen aan aard en omvang van het werk en aan de aansluiting op opleiding en ervaring, verwacht de wetgever te bereiken dat een eventueel beroep op inkomensondersteuning zo kort mogelijk is. Het college dient uiteraard wel te letten op de aansluiting bij de individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid. Dienaangaande is het uitgangspunt van de WWB ook niet meer, zoals in de uitvoering van de Abw te doen gebruikelijk was, de belemmeringen als vertrekpunt te nemen, maar de mogelijkheden van de betrokken persoon. Een diagnostische voorziening is derhalve niet gericht op de belemmeringen maar op de mogelijkheden van belanghebbende. Het geheel van activiteiten dat (uiteindelijk) leidt tot arbeidsinschakeling van een belanghebbende wordt reïntegratie genoemd. De WWB stelt het college daarvoor mede verantwoordelijk door de opdracht om een belanghebbende bij zijn arbeidsinschakeling te ondersteunen (artikel 7, lid 1 onderdeel a, WWB). Daarbij worden een of meerdere voorziening aangeboden indien dit naar het oordeel van het college nodig is. Het primaat van arbeidsinschakeling laat onverlet dat het college de mogelijkheid heeft een voorziening aan te bieden in plaats van arbeid als daarmee voor betrokkene de kans op duurzame arbeidsinschakeling wordt vergroot (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 5). Voor een belanghebbende die bijstand ontvangt, is reïntegratie een plicht die aan het recht op bijstand is verbonden. Zowel bij het toekennen van rechten als bij het opleggen van verplichtingen speelt het leveren van maatwerk een primaire rol. De wetgever heeft gemeenten hierin derhalve veel beleidsruimte gegeven met de bedoeling een grotere snelheid van het reïntegratieproces te bewerkstelligen. Maatwerk bij het opleggen van verplichtingen acht de wetgever vooral van belang bij een aantal specifieke groepen. Zo wordt de integratie van allochtonen niet alleen bevorderd door deelname aan een reïntegratietraject maar ook door het beter leren beheersen van de Nederlandse taal. Dat vergroot ook de kansen van hun kinderen op een goede participatie in de Nederlandse samenleving. Maatwerk is eveneens van belang voor de groep alleenstaande ouders. Daarmee wordt zo goed mogelijk voorkomen dat de afstand tot de arbeidsmarkt toeneemt door een te lange afwezigheid uit het arbeidsproces. Vanuit het oogpunt van een verantwoorde zorg voor de kinderen moeten gemeenten er wel voor zorgen dat er adequate voorzieningen worden aangeboden die een combinatie mogelijk maken van betaalde arbeid en zorg voor de kinderen. Deze voorzieningen hebben betrekking op toereikende kinderopvang en op de eisen die aan regulier werk worden gesteld, zoals reistijd en werktijden (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 5). De verantwoordelijkheden van belanghebbende en college voor arbeidsinschakeling en reïntegratie vragen om een heldere formulering van rechten en plichten van belanghebbende. De gemeenteraad moet op grond van artikel 8, lid 1 onderdeel a, WWB bij verordening regels stellen met betrekking tot het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Het reïntegratiebeleid dient evenwichtig te zijn, zodat alle groepen met specifieke kenmerken daarin worden betrokken. In artikel 77 lid 1 WWB wordt de controlerende taak van de gemeenteraad op de uitvoering door het college van zijn reïntegratietaak sterk benadrukt, doordat de gemeenteraad het verslag over de uitvoering eerst vaststelt alvorens dit aan de Minister, die belast is met het oordeel over de uitvoering door het college geeft, te zenden. De Wwb stelt derhalve het primaat bij de eigen verantwoordelijkheid van de burger om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan door middel van arbeid. Pas als mensen niet in staat blijken te zijn in het eigen bestaan te voorzien hebben zij aanspraak op ondersteuning door de gemeente. De gemeente heeft als tegenhanger van de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende de verplichting ondersteuning aan te bieden. De gemeente heeft daartoe de volledige verantwoordelijkheid, de middelen en ruimte. Met het oog op de handhaving van rechten en verplichtingen dient deze verordening in onlosmakelijke samenhang met de afstemmingsverordening gelezen te worden. Ioaw en Ioaz De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers IOAW), en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), worden niet ingetrokken. De artikelen uit de Wwb die zien op reïntegratie zijn geïntegreerd in deze wetten, door wijziging via de Invoeringswet Wet werk en bijstand. Op grond van de artikel 35 Ioaw en art. 35 Ioaz dient in het kader van deze wetten een reïntegratieverordening te worden opgesteld. De inhoudelijke basis voor de verordening is ook met betrekking tot de Ioaw en de Ioaz de hiervoor genoemde nota Reïntegratiebeleid Werk en Bijstand. Gemeentelijke verantwoordelijkheid. De gemeente draagt een algemene zorg voor de reïntegratie van Wwb-ers, Niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers De gemeente dient, mede met behulp van een gedegen diagnose, te beoordelen of belanghebbende op eigen kracht in staat is algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of daarbij ondersteuning nodig heeft. Wanneer belanghebbende ondersteuning nodig blijkt te hebben, dan is de gemeente verantwoordelijk voor het leveren daarvan. Voorzieningen die de gemeente in deze kan aanbieden zijn scholing, activering, loonkostensubsidies, stages, premies, kinderopvang, sociale activering en gesubsidieerde arbeid. Aan de vormgeving en de mate waarin deze voorzieningen worden ingezet stelt de wet geen eisen. Hierdoor kan de gemeente de ondersteuning optimaal afstemmen op andere gemeentelijke beleidsterreinen, zoals zorg en onderwijs, en op de lokale arbeidsmarkt. Ook krijgt de gemeente ruimere mogelijkheden om personen met medische belemmeringen en/of meervoudige problemen een passend aanbod te doen, zo nodig in samenwerking met zorg- en welzijnsinstellingen. De gemeenten in Parkstad voeren geen specifiek doelgroepenbeleid. Dat is ook niet nodig omdat, uitgaande van een sluitende aanpak voor iedere klant, voor iedere klant een traject wordt gemaakt richting arbeidsmarkt. Algemeen geaccepteerde arbeid. Centraal in de Wwb staat het uitgangspunt van werk boven inkomen. De introductie van het begrip algemeen geaccepteerde arbeid in plaats van passende arbeid beoogt dit uitgangspunt sterker te benadrukken. Alle inspanningen van belanghebbende en de gemeente dienen te zijn gericht op arbeidsinschakeling. Hieronder wordt verstaan het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a Wwb. Gesubsidieerde arbeid is, als voorziening in het kader van de wet, in deze opvatting weliswaar algemeen geaccepteerde arbeid, maar kan geen einddoel zijn en valt derhalve niet onder het begrip (duurzame) arbeidsinschakeling. Gesubsidieerde arbeid wordt dus beschouwd als algemeen geaccepteerde arbeid; dit geldt niet voor de Wsw-dienstbetrekking. Hierbij dient aangetekend te worden, dat daarbij recht moet worden gedaan aan het vrijwillig karakter van de Wsw. Dit houdt in dat een indicatiestelling wel verplicht kan worden gesteld, maar dat de klant niet verplicht kan worden om het indicatieadvies te volgen. Het reïntegratietraject is, vanuit de optiek van de gemeente in de rol van procesbewaker, het geheel van één of meer voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, dan wel voorzieningen gericht op sociale activering, die gelijktijdig of opeenvolgend worden ingezet. Begindatum van de reintegratie is de datum waarop de daadwerkelijke inzet van de eerste activiteit van de eerst ingezette voorziening gericht op arbeidsinschakeling uitgevoerd wordt. Het reintegratietraject eindigt pas weer zodra de inzet van alle voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, volledig is beëindigd. De Wwb stelt het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk door de klant bij zijn arbeidsinschakeling te ondersteunen. Daarbij worden een of meerdere voorzieningen aangeboden indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is. Het primaat van arbeidsinschakeling laat onverlet dat de gemeente de mogelijkheid heeft een voorziening aan te bieden in plaats van arbeid wanneer daarmee voor belanghebbende de kans op duurzame arbeidsinschakeling wordt vergroot. Onder duurzaamheid wordt hierbij verstaan ten minste een half jaar een reguliere baan vervullen en hierdoor een (volledige) uitkeringsonafhankelijkheid bereikt. Ontheffingen. Voor personen tussen 18 en 65 jaar, wordt het niet wenselijk geacht om groepen uit te sluiten van reïntegratie; iedereen heeft immers mogelijkheden en talenten. Categoriale ontheffingen zijn dan ook niet meer toegestaan. Wel kan het college van burgemeester en wethouders in individuele gevallen om dringende redenen afzien van het opleggen van reïntegratieverplichtingen, voor zover en voor zolang reïntegratie in redelijkheid niet mogelijk is. Zorgtaken kunnen hierbij als dringende reden worden aangemerkt voor zover met deze taken geen rekening kan worden gehouden in het kader van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Wwb. De gemeente houdt hierbij rekening met een verantwoorde invulling van de combinatie arbeid en zorg en dient ook voorzieningen ter beschikking te stellen die deze combinatie mogelijk maken. Voor personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt kan sociale activering een eerste stap zijn. Deelname aan deze activiteiten is derhalve geen grond om tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen te verlenen. Anderzijds geldt echter ook, dat de verplichtingen afgestemd moeten worden op de mogelijkheden om eventueel pas op termijn uit te stromen naar regulier werk. Eventuele belemmeringen om deelname aan arbeid te realiseren, kunnen worden weggenomen door het aanbieden van voorzieningen. Bij uitzondering kunnen zich tijdelijk echter situaties voordoen waarbij ook dit niet mogelijk is. Het college van burgemeester en wethouders dient dan de op te leggen verplichtingen aan te passen aan de mogelijkheden die de betrokkene wel nog heeft. Medische belemmeringen zijn als zodanig geen aanleiding voor een ontheffing. Om een juiste, individuele beoordeling te garanderen dient het college gebruik te maken van adviezen van extern deskundigen, zoals het CWI, gespecialiseerde reïntegratiebedrijven, Wsw-indicatiecommissie etcetera. Aanspraak van belanghebbende. Naast de verantwoordelijkheid van de gemeente om voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan te bieden, heeft de belanghebbende een aanspraak op ondersteuning door de gemeente bij reïntegratie. Het gaat daarbij niet om een recht op een specifieke voorziening, maar om het recht om door de gemeente geholpen te worden bij de reïntegratie. Zo´n aanspraak stimuleert de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende voor zijn reïntegratie en kan ertoe bijdragen dat gemeenten dat niet ten onrechte negeren of over het hoofd zien bij het aanbieden van voorzieningen. Het is aan de gemeente om te beoordelen op welke wijze het verzoek van de belanghebbende wordt gehonoreerd. De gemeente bepaalt op de eerste plaats of ondersteuning richting arbeidsinschakeling noodzakelijk is. Zij doet dit mede op basis van diagnose-adviezen van het CWI of andere derden-deskundigen. Vervolgens moet de gemeente in samenwerking met de ketenpartners bepalen uit welke elementen deze ondersteuning bestaat. Het uiteindelijke aanbod zal moeten passen binnen wat de gemeente, mede gelet op de beschikbare financiële kaders, in een verordening heeft opgenomen over haar reïntegratiebeleid. Van belang bij de uiteindelijke keuze voor een traject is een actieve opstelling van de belanghebbende in de contacten met de klantmanager en met het reïntegratiebedrijf. Belanghebbenden die hun eigen traject mee kunnen samenstellen zijn meestal gemotiveerd. Inspelen op persoonlijke voorkeur en persoonlijke aandacht zijn belangrijke succesfactoren voor een geslaagde reïntegratie. De ideeën en voorstellen van de belanghebbende worden hierbij beoordeeld op hun bijdrage aan het vergroten van het arbeidsperspectief en aan het realiseren van de doelstelling van een (op termijn) duurzame arbeidsinschakeling. De aanspraak op ondersteuning door de gemeente bij reïntegratie geldt ook voor personen aan wie de gemeente tijdelijk een ontheffing heeft verleend. Het kan immers voorkomen dat de belanghebbende van mening is dat de situatie is veranderd en dat toeleiding naar de arbeidsmarkt weer aan de orde is. Wanneer bijstand aan gehuwden wordt verleend geldt de aanspraak op een voorziening voor beide partners. Ook geldt de aanspraak voor personen die op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Wwb werkzaam zijn in gesubsidieerde arbeid. Wanneer het college van burgemeester en wethouders een aanspraak op ondersteuning afwijst, zal dit met redenen omkleed moeten gebeuren. Tegen deze beslissing staat bezwaar en beroep open. Het college van burgemeester en wethouders moet bij het besluit op deze aanvraag maatwerk leveren. Dat geldt voor alle doelgroepen en categorieën die de gemeente op een evenwichtige wijze moet bedienen. Diverse aspecten maken deel uit van die individuele afweging zoals de individuele capaciteiten, mogelijkheden en omstandigheden, de noodzaak van een traject, de beoordeling van het diagnose-advies, de aanwezigheid van de benodigde voorzieningen of alternatieven daarvoor, de beschikbaarheid van zorg- en hulpverlening en de financiële middelen die beschikbaar zijn gesteld door de gemeenteraad op basis van de gemeentelijke verordening. De gemeente moet dus naar aanleiding van een aanspraak altijd een individuele afweging maken of zij die aanspraak wil of kan honoreren. Het ontbreken van financiële middelen alleen is onvoldoende als afwijzingsgrond. Een alternatief aanbod zou immers mogelijk kunnen zijn. Aan de andere kant is het uitdrukkelijk aan de gemeente om te beoordelen of er überhaupt ondersteuning noodzakelijk is en welke vorm die moet krijgen, gelet op het te bereiken doel van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn. Niet-uitkeringsgerechtigden (Nug-ers) en Anw-gerechtigden. Gemeenten hebben sinds 1 januari 2002 de taak om ook niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), indien nodig, een reintegratietraject aan te bieden. Deze taak vloeit voort uit het algemeen belang om te komen tot verhoging van de arbeidsparticipatie als voorwaarde voor een economisch gunstige ontwikkeling. In de Wwb is derhalve uitdrukkelijk de taak voor de gemeente opgenomen om ook te voorzien in voorzieningen voor deze beide doelgroepen. Van de andere kant hebben deze doelgroepen eveneens een aanspraak op reïntegratie. Ook hierbij geldt dat het gaat om een voorziening die via de kortste weg leidt naar duurzame arbeidsparticipatie. Sluitende aanpak Ter voorkoming van langdurige werkloosheid zijn binnen de EU richtsnoeren opgesteld. Het betreft de afspraak om te realiseren dat alle nieuwe werklozen binnen één jaar (jongeren binnen zes maanden) een reintegratietraject wordt aangeboden. De sluitende aanpak wordt niet dwingend voorgeschreven in de Wwb; doordat de wet condities en mogelijkheden creëert voor gemeenten meent het Kabinet dat het niet nodig is een sluitende aanpak wettelijk vast te leggen. De gemeente heeft door haar financiële verantwoordelijkheid, in met name het Inkomensdeel, al het belang om iedereen een aanbod te doen. De schadelast van het jarenlang in de uitkering laten zitten van klanten kan aanzienlijk oplopen. Daarbij heeft de gemeente door de verruimde beleidsvrijheid en het vrije reïntegratiebudget de mogelijkheid iedere klant een reintegratietraject op maat aan te bieden. Voor jongeren geldt het nog sterker dat het voor de gemeente loont om op korte termijn een aanbod te doen. Jongeren zonder werkervaring zijn een gevoelige groep die in een vroeg stadium een aanbod moeten krijgen. Hiermee wordt voorkomen dat zij langdurig in een uitkeringssituatie terechtkomen en hieraan wennen. Hierbij kan gekozen worden voor duale trajecten om werken te combineren met het behalen van een startkwalificatie. De gemeente handhaaft dus de sluitende aanpak van het bestand van werkloze werkzoekende uitkeringsgerechtigden. Dit betekent dat iedere uitkeringsgerechtigde die nieuw instroomt als werkloos werkzoekende binnen één jaar een aanbod in het kader van de inschakeling in de arbeid krijgt. Ook voor het zittende bestand geldt dat deze personen allen een aanbod richting werk krijgen. Ten aanzien van jongeren is een uitzondering gemaakt voor wat betreft de verplichting die in de Wiw gold, dat zij uiterlijk na een jaar een Wiw-dienstbetrekking aangeboden moesten krijgen. Deze verplichting geldt niet meer. Dit laat echter onverlet dat ook voor de jongeren de sluitende aanpak zoals voren omschreven geldt. Wanneer blijkt dat gesubsidieerde arbeid nodig is kan deze worden aangeboden. Daarin verschilt de aanpak niet van de oude systematiek, het is echter geen verplichting meer om die dienstbetrekking aan te bieden. Ook voor ouderen geldt nog steeds dat gesubsidieerde arbeid indien nodig en mogelijk kan worden aangeboden. Integrale dienstverlening. De samenwerking in de keten van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), het Uitvoerings-instituut Werknemersverzekeringen (UWV) en gemeenten stond in 2007/2008 voor een belangrijk deel in het teken van de ontwikkeling van geïntegreerde dienstverlening. Dit sluit aan bij de plannen van het kabinet om de beproefde experimenten uit de toonkamers een structurele plaats te geven in de Locaties Werk en Inkomen (LWI), zoals het Werkplein Kerkrade. Om de samenwerking verder te ontwikkelen – zowel binnen als buiten de keten – moeten belemmeringen worden weggenomen. De op stapel staande aanpassingen (vereenvoudiging) van de Wet SUWI zijn noodzakelijk om de partners ruimte te bieden. Hierdoor zullen zij beter in staat zijn om op de klant toegesneden, geïnte-greerde dienstverlening te bieden. Ruimte krijgen schept ook verantwoordelijkheden. Om de uitdagingen succesvol op te pakken, is een ondernemende houding nodig. Het is dus gewenst dat de uitvoeringsorganisaties de ruimte nemen, juist op regionaal en lokaal niveau. Aldus heeft het kabinet met de sociale partners en gemeenten afspraken gemaakt. Rode draad in deze afspraken is maatwerk. Maatwerk gericht op de specifieke wensen van de werkgevers en maatwerk gericht op klanten, zodat, rekening houdend met hun individuele omstandigheden, aangesloten kan worden bij de wensen van de werkgever. Hierbij is samenwerking met werkgevers in de regio een vereiste. Het kabinet staat een integrale en samenhangende aanpak voor. Het CWI, het UWV en gemeenten zijn bij het realiseren van deze aanpak de hoofdrolspelers. De verwachting is dat het kabinet door de beoogde vereenvoudiging van de SUWI-wet een aantal reële belemmeringen gaat wegnemen. Een succesvol opereren van de LWI’s is niet alleen afhankelijk van de vereenvoudiging van de wet. Integrale dienstverlening staat of valt met het gebruik van het integraal digitaal klantdossier. Ultimo maart 2008 leveren nagenoeg alle gemeenten gegevens aan voor het DKD. De betrouwbaarheid van de gegevens is in 2007/2008 vergroot doordat de meerderheid van alle gemeenten hun bestand binnen het DKD-traject hebben geschoond. Het gebruik van DKD bij de ketenpartners bevindt zich echter nog in de beginfase. De raadpleegfunctie, de minimale variant van gebruik, wordt redelijk veel gebruikt, maar voor een optimale benutting van het systeem zullen de ketenpartners het gebruik nog aanzienlijk moeten vergroten. Ook zullen overigens de ketenpartners vanuit het perspectief van de klant als één organisatie moeten functioneren. Onderzoek geeft aan dat op dit moment de samenwerking tussen UWV, CWI en gemeenten niet altijd soepel verloopt. Een belangrijke oorzaak hiervan is dat er nog sprake is van drie organisaties met verschillende belangen en culturen. Het succes van geïntegreerde dienstverlening wordt onder meer bepaald door de mate waarin de partijen in staat zijn steeds de klant centraal te stellen bij al hun handelen en zo hun eigen cultuur en belangen te overstijgen. De uitvoering zou maximaal gestimuleerd en gefaciliteerd moeten worden op het bereiken van het doel: geïntegreerde dienstverlening. Overigens hebben de ketenpartners op centraal niveau ook de intentie uitgesproken om geen blauwdrukken vast te leggen, maar om het decentrale niveau vooral te stimuleren en te faciliteren. Het uitgangspunt is dat de invulling van de integrale dienstverlening vooral op decentraal niveau moet plaatsvinden. Naar verwachting zullen CWI en UWV reintegratie met ingang van 1 januari 2009 formeel samengevoegd worden tot een WERKbedrijf UWV. Daar waar in deze verordening het CWI vermeld wordt zal na 1 januari 2009 hiervoor in de plaats UWV WERKbedrijf gelezen moeten worden. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1 Het begrippenkader in het kader van deze verordening zoekt aansluiting bij de toepasselijke wet- en regelgeving inclusief de Wwb statistiekregelingen. Een aantal begrippen krijgen in deze toelichting echter nog een expliciete uitleg. Definitie datum aanbod: Dit is de datum waarop de gemeente aan belanghebbende, voor het eerst na de mldingsdatum zoals bedoeld in artikel 44. tweede lid WWB of na definitieve beeindiging van een eerder reintegratietraject, het voorstel doet om een of meerdere specifiek benoemde voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling in te zetten en / of een al buiten toedoen van de gemeente nodig geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling die reeds gestart is, voort te zetten. Dit is dus niet de datum trajectvoorstel van het reintegratiebedrijf, aangezien dit trajectvoorstel pas tot stand komt nadat de eerste twee voorzieningen gericht op arbeidsin-schakeling, te weten intake dan wel diagnose/medische keuring reeds ingezet zijn. In de regel dient de datum waarop de kennisgeving inzake de (eerste) in te zetten voorzieningen aan de klant afgegeven wordt als de datum waarop de gemeente aan de klant het aanbod heeft gedaan een of meerdere voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling in te zetten. Indien deze kennisgeving een diagnostische voorziening (diagnose of medisch/psychische keuring) betreft, is deze diagnostische voorziening de eerste voorziening die ingezet wordt. Het aanbod hoeft niet noodzakelijkerwijs schriftelijk te geschieden, maar kan echter ook mondeling. Het verdient echter aanbeveling dit schriftelijk te doen. Een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Een voorziening gericht op arbeidsinschakeling is het geheel aan activiteiten die het College uitvoert of doet uitvoeren om de belanghebbende uiteindelijk aan ongesubsidieerde arbeid te helpen. Hiervan uitgesloten zijn onderzoeken en besluiten inzake de aard, hoogte en duur van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen, alsmede besluiten tot het niet inzetten van een voorziening. Indien naar het oordeel van het College belanghebbende in staat is om op eigen kracht arbeid te vinden, is er geen sprake van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Of iets een voorziening is hangt niet af van de inzet van een specifieke financieringsbron. Onder het begrip voorziening gericht op arbeidsinschakeling valt derhalve: · Een onderzoek van de medische, sociale en of psychologische eigenschappen, wensen en situatie van betrokkene met als doel het vaststellen van de meest geschikte in te zetten vervolgvoorziening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.