Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal houdende regels omtrent toepassing Wet Bibob (Beleidsregel toepassing Wet Bibob Veenendaal)Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal en de burgemeester van Veenendaal elk voor zover het hun bevoegdheden betreft; Gelet op de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Overwegende dat de Wet Bibob beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van de uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden; het wenselijk is om beleid te formuleren voor de wijze waarop de gemeente het Bibob-instrument toepast; Besluit vast te stellen de Beleidsregel toepassing Wet Bibob gemeente Veenendaal (Beleidsregel toepassing Wet Bibob Veenendaal). Hoofdstuk 1Algemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijvingen In deze beleidsregel wordt verstaan onder: APV Algemene Plaatselijke Verordening Veenendaal Bibob toets: de behandeling van een aanvraag ofwel de beoordeling van een wederpartij waarbij met toepassing van de Wet Bibob door het bestuursorgaan wordt beoordeeld of er redenen aanwezig zijn om een aanvraag te weigeren, een beschikking in te trekken, te beëindigen, wijzigen of hieraan voorschriften te verbinden dan wel een overeenkomst niet aan te gaan of beëindigen of een overheidsopdracht niet te gunnen, al dan niet na adviesaanvraag bij het Bureau; het Bureau: het Landelijk Bureau Bibob; bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester; college: college van burgemeester en wethouders; rechtspersoon met een overheidstaak: de gemeente Veenendaal; betrokkene: de aanvrager van een beschikking of de partij waarmee de gemeente Veenendaal voornemens is een overeenkomst aan te gaan. OM-tip: vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob; overeenkomst: een privaatrechtelijke rechtshandeling tussen de gemeente Veenendaal en een wederpartij, te denken aan een vastgoedtransactie, een overheidsopdracht etc. RIEC: Regionaal Inlichtingen- en Expertisecentrum (Midden-Nederland) voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onder d, van de wet Bibob; Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; wet Bibob: Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur Artikel 2 Toepassing beleidsregel Deze beleidsregel ziet uitsluitend op de toepassing van de wet door de gemeente Veenendaal als rechtspersoon en door diens bestuursorganen. Hoofdstuk 2 Toepassingsbereik Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen Artikel 3 Situaties die altijd een Bibob-toets rechtvaardigen Uitvoering van de Bibob-toets zal in elk geval plaatsvinden wanneer vanuit: eigen ambtelijke informatie; informatie verkregen van het Bureau; informatie afkomstig van een van de partners uit het RIEC; een OM-tip; of, overige signalen; vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene, zijn potentiele, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob, de organisatiestructuur of de wijze van financiering. Artikel4Betrokkenen waarbij geen Bibob-toets wordt gestart Geen Bibob-toets wordt gestart indien een aanvraag voor een beschikking of een overeenkomst afkomstig is van: overheidsinstanties; semi-overheidsinstanties; toegelaten woning(bouw)corporaties conform Woningbesluit 1932 middels een daartoe verstrekte vergunning; door het college bij besluit aangewezen aanvragers zoals PPS constructies van particuliere ondernemingen en overheid. Paragraaf 2.2 Bibob bij beschikkingen Artikel 5 Aanvragen waarop altijd een Bibob-toets plaatsvindt Uitvoering van de Bibob-toets vindt in ieder geval plaats bij elke aanvraag voor een beschikking op grond van: artikel 3 van de Drank- en Horecawet, met uitzondering voor een horecavergunning voor de zogenaamde para-commerciële rechtspersonen als bedoeld in artikel 1 van die wet; artikel 2.28 van de APV (horeca of coffeeshop exploitatievergunning); artikel 3.4 van de APV (seksinrichting/escortbedrijf); artikel 2.39 van de APV (speelautomatenhal) indien er sprake is van: een nieuwe vestiging van een inrichting of bedrijf; een overname of wijziging van een exploitant. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid zal het bestuursorgaan ten aanzien van para-commerciële instellingen en slijterijen alleen een Bibob-onderzoek starten indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregel. Artikel 6 Aanvragen waarop een Bibob-toets kan plaatsvinden Naast de in artikel 5 genoemde gevallen kan uitvoering van de Bibob-toets ook plaatsvinden bij het zich voordoen van één of meer van de indicatoren op de in de bijlage opgenomen indicatorenlijst of een situatie als bedoeld in artikel 3 met betrekking tot nieuwe aanvragen of genomen besluiten aangaande een aanvraag om een besluit op grond van: artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a. van de Wabo (omgevingsvergunning bouwactiviteit). Indien uit informatie blijkt dat voorafgaande aan het indienen van de betreffende aanvraag de betreffende bouwactiviteit illegaal (o.a. zonder omgevingsvergunning) is gestart zal nadrukkelijker overwogen worden om een Bibob-toets plaats te laten vinden. artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e. van de Wabo, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van die wet (omgevingsvergunning inrichtingen Wet milieubeheer); artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder i. van de Wabo voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van die wet is bepaald, dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet kan worden geweigerd (omgevingsvergunning beperkte milieutoets); artikel 30a Drank- en Horecawet en artikel 2:31A van de APV (wijziging leidinggevende op bestaande vergunning); artikel 2.25 van de APV (evenementenvergunning); een verordening waarbij een vergunning verplicht is gesteld voor inrichting of bedrijf anders dan de situaties bedoeld in artikel 5; artikel 21 en 22 van de Huisvestingswet 2014 (ontrekkingsvergunning c.q. splitsingsvergunning); de Algemene subsidieverordening gemeente Veenendaal of een daarop gebaseerde nadere regeling indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregel. Artikel 7 Verleende beschikking In geval van een reeds verleende beschikking zal het bestuursorgaan alleen een Bibob- onderzoek starten indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels of indien blijkt dat er andere zwaarwegende redenen zijn om een Bibob-onderzoek te starten. Paragraaf 2.3 Bibob bij overeenkomsten Artikel 8 Toepassing wet Bibob bij vastgoedtransacties Bij de start van onderhandelingen voor een vastgoedtransactie, als bedoeld in artikel 1 onder o van de wet Bibob, zal de rechtspersoon met een overheidstaak de wederpartij ervan in kennis stellen dat een Bibob-onderzoek deel kan uitmaken van de procedure. In de overeenkomst kan een integriteitsclausule worden opgenomen, op basis waarvan kan worden overgegaan tot ontbinding, opzegging, vernietiging of opschorting van de overeenkomst. De Bibob-toets wordt beperkt tot de gevallen, die één of meerdere van onderstaande kenmerken hebben: hoge mate van financiële complexiteit; hoge mate van complexiteit met betrekking tot de bedrijfsstructuur; exceptioneel financieel risico voor het bestuursorgaan of de rechtspersoon met overheidstaak; er is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3. Indien de Bibob-procedure niet is afgerond voor het sluiten van de overeenkomst, wordt hieromtrent een ontbindende voorwaarde opgenomen. Artikel 9 Toepassing wet Bibob bij overheidsopdrachten De rechtspersoon met een overheidstaak zal de Bibob-toets ten aanzien van een gegadigde of onderaannemer in de zin van de wet, alleen uitvoeren bij aanbestedingen en overheidsopdrachten, die vallen binnen het bereik van de wet Bibob die, conform het Inkoop- en Aanbestedingsbeleid Gemeente Veenendaal, openbaar moeten worden aanbesteed. De gemeente zal in elk geval Bibob-onderzoek starten indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels. Hoofdstuk 3 Uitvoering Bibob-toets en gevolg Daar waar in de paragrafen 3.1 en 3.2 de term bestuursorgaan is gebruikt, wordt tevens de rechtspersoon met overheidstaak bedoeld. Paragraaf 3.1 Eigen onderzoek Artikel10Procedure Indien het bestuursorgaan of de rechtspersoon met overheidstaak beslist om een Bibob-toets te starten, vult betrokkene een Bibob-formulier in en dient deze in. Daarbij worden de documenten gevoegd die in dat formulier zijn vermeld en de beantwoording van de eventuele aanvullende vragen die bij de uitreiking daarvan door of namens het bestuursorgaan zijn gesteld. Een betrokkene aan wie een Bibob-formulier is uitgereikt, wordt gedurende een termijn van tien werkdagen in de gelegenheid gesteld om dit samen met de gevraagde informatie bij het bestuursorgaan in te dienen. Indien een Bibob-formulier, volgens de daarin of daarbij gegeven aanwijzingen, onvolledig is ingevuld, niet alle verzochte bijlagen daaraan zijn toegevoegd of gegevens bevat waarvan gelijk duidelijk is dat deze onjuist zijn, wordt de indiener krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht gedurende tien werkdagen de gelegenheid geboden tot herstel. Artikel 11 Gevolg gebrekkige informatievoorziening door betrokkene Indien gedurende de hersteltermijn geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid de gebreken op te heffen en de ontbrekende gegevens die van belang zijn voor de Bibob-toets alsnog in te dienen, wordt een aanvraag niet in behandeling genomen, dan wel treden de gevolgen in zoals weergegeven in de leden 4 en 5. In gevallen waarin blijkt dat de gegevens die in of bij de eventuele aanvraag of het Bibob-formulier zijn verstrekt onvoldoende duidelijk of inconsistent blijken te zijn, kan de betrokkene, zo nodig in een persoonlijk onderhoud, om een nadere toelichting worden gevraagd. Bij een weigering om de Bibob-formulieren volledig ingevuld te retourneren, zullen allereerst de daartoe gestelde regels van de Algemene wet bestuursrecht toegepast worden. Bij volharding zal de weigering worden beschouwd als een ernstige mate van gevaar als genoemd in artikel 4 juncto artikel 3 van de Wet Bibob. De verstrekte vergunning zal als gevolg daarvan worden ingetrokken. In aanvulling op de gevolgen die artikel 4 van de wet Bibob verbindt aan het niet (volledig) invullen van een formulier of het verschaffen van aanvullende gegevens met betrekking tot beschikkingen, kan het niet volledig, onduidelijk of niet consistent beantwoorden van vragen op grond van artikel 30 en artikel 12 van de wet Bibob leiden tot ontbinding van al aangegane vastgoedtransacties. Het niet dan wel niet volledig invullen van het Bibob-formulier kan tevens van invloed zijn op de gunning in een aanbestedingsprocedure. Artikel12Inhoud eigen onderzoek Alvorens het eigen onderzoek naar het zich voordoen van weigeringsgronden als bedoeld in de artikelen 3, 5, 6 en 7 van de wet Bibob wordt gestart, zal een aanvraag eerst beoordeeld worden conform de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de reguliere weigeringsgronden vanuit de onderliggende regelgeving van de desbetreffende vergunning. Het eigen onderzoek naar het zich voordoen van de weigeringsgronden als bedoeld in de artikelen 3, 5, 6 en 7 van de wet Bibob behelst in ieder geval de controle en analyse van: de door de betrokkene aangereikte informatie/documenten bij de Bibob-formulier(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.