Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Gouda houdende regels omtrent Sociaal Statuut (Sociaal statuut gemeente Gouda 2000)de raad der gemeente gouda; Op de voordracht van burgemeester en wethouders van 16 mei 2000, nr. 2000.09493-43; Gelet op: de Organisatieverordening van de gemeente Gouda; de Wet op de ondernemingsraden, met name artikel 25; de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector Gemeenten en de Goudse Uitwerkingsovereen-komst, met name de artikelen 8:4, 8:4:1, 12:1:5, 12:2 en 15:1:10; Gezien de instemming van de plaatselijke commissie voor Georganiseerd Overleg d.d. 23 februari 2000; besluit: vast te stellen het volgende Sociaal statuut: HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN artikel1:1begripsomschrijvingen In dit sociaal statuut wordt verstaan onder: ambtenaar: de ambtenaar in de zin van de CAR, alsmede de werknemer met wie de werkgever een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht heeft gesloten; werkgever: de gemeente Gouda; organisatiewijziging: een belangrijke inkrimping of wijziging van de werkzaamheden van de gemeente (of een onderdeel daarvan) of een belangrijke wijziging van de laatst vastgestelde organisatiestructuur van de gemeente (of een onderdeel daarvan), die niet van tijdelijke aard is en die personele gevolgen met zich meebrengt; privatisering: een organisatiewijziging die het gevolg is van de verzelfstandiging van een deel van de organisatie tot een nieuwe (privaatrechtelijke) rechtspersoon of de overdracht van een deel van de orga-nisatie aan een derde (privaatrechtelijke) partij; publiekrechtelijke taakoverheveling: een organisatiewijziging die het gevolg is van de overheveling van een deel van de organisatie naar een ander publiekrechtelijk orgaan; personele gevolgen: gevolgen voor de functie of de rechtspositie van de betrokken ambtenaren; salaris: het voor de ambtenaar geldende bedrag van de aan de ambtenaar toegekende schaal als bedoeld in artikel 3:1 van de CAR; salarisperspectief: de opeenvolgende salarisperiodieken tot en met het hoogste bedrag van het functionele salarisniveau én, voor zover van toepassing, het eindniveau van de ambtenaar en eventueel schriftelijk vastgelegde extra individuele salarisafspraken; bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen, niet zijnde onkostenvergoedingen; toelage: de toelage waarmee het salaris wordt vermeerderd ingevolge de Bezoldigingsverordening gemeente Gouda 1999; functiegebonden toelage: de toelage waarmee het salaris wordt vermeerderd ingevolge de artikelen 20, 21 en 22 van de Bezoldigingsverordening gemeente Gouda 1999; functie: het geheel van werkzaamheden dat de ambtenaar volgens zijn functiebeschrijving verricht; ongewijzigde functie: een functie die gelijk of nagenoeg gelijk is aan de functie die de ambtenaar voor de organisatiewijziging vervulde; passende functie: een functie van gelijkwaardig werk- en denkniveau die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. Een passende functie is doorgaans van hetzelfde functieniveau als de oude functie, maar kan ook van een hoger niveau of maximaal één niveau lager zijn dan het niveau van de oude functie; geschikte functie: een functie die niet valt onder het begrip passende functie, maar die de ambtenaar bereid is te vervullen. Een geschikte functie kan één of twee functieniveaus lager zijn dan het niveau van de oude functie; herplaatsing: plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de gemeentelijke organisatie als gevolg van een organisatiewijziging; CAR: Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector Gemeenten; Georganiseerd Overleg: de commissie voor Georganiseerd Overleg zoals bedoeld in artikel 12:1 van de CAR; ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet op de ondernemingsraden; onderdeelcommissie: een door de ondernemingsraad op grond van artikel 15, leden 1 en 3, van de Wet op de ondernemingsraden ingestelde commissie; sociaal plan: nadere afspraken, gebaseerd op en aanvullend op dit sociaal statuut, bestaande uit afspraken met betrekking tot de personele gevolgen van een organisatiewijziging. artikel1:2werkingssfeer Dit sociaal statuut is van toepassing op alle organisatiewijzigingen in de gemeentelijke organisatie, niet zijnde een organisatiewijziging als gevolg van een gemeentelijke herindeling. artikel1:3bevoegdheid tot het nemen van het besluit tot organisatiewijziging 1.De gemeenteraad is bevoegd tot het nemen van besluiten inzake het vaststellen of wijzigen van de hoofdstructuur van de gemeentelijke organisatie. 2.Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het nemen van besluiten inzake het vaststellen of wijzigen van de nadere inrichting of invulling van deze hoofdstructuur. 3.De sectordirecteuren zijn bevoegd tot het nemen van besluiten inzake het vaststellen of wijzigen van de structuur, werkwijze en werkzaamheden van hun sector als zodanig en van de onder hen ressorterende organisatie-onderdelen. artikel1:4bevoegdheid tot het nemen van besluiten betreffende individuele ambtenaren Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het nemen van besluiten over wijziging van de aanstelling, herplaatsing en ontslag van ambtenaren, tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is bepaald. HOOFDSTUK2PROCEDURELE BEPALINGEN artikel2:1onderzoek naar organisatiewijziging 1.Als de werkgever voornemens is de mogelijkheid en wenselijkheid van een organisatiewijziging te onderzoeken, worden de ondernemingsraad en de betrokken ambtenaren hier in een vroeg stadium van op de hoogte gesteld. 2.Het tijdstip van kennisgeving is dusdanig, dat de ondernemingsraad zijn mening over het onderzoek kenbaar kan maken. 3.De ambtenaren en de ondernemingsraad worden zoveel mogelijk betrokken bij de uitvoering van het onderzoek. Bovendien worden zij, indien mogelijk, tussentijds op de hoogte gehouden van de vorde-ringen van het onderzoek. 4.De schriftelijke eindrapportage van het onderzoek wordt ter kennisneming toegezonden aan de ondernemingsraad en het Georganiseerd Overleg. artikel2:2extern advies Indien de werkgever voornemens is om over de wenselijkheid van de organisatiewijziging extern advies te vragen, wordt de ondernemingsraad om advies gevraagd over het verstrekken en formuleren van de adviesopdracht, conform artikel 25 van de Wet op de ondernemingsraden. artikel2:3overleg over de personele gevolgen en maatregelen 1.Voordat een definitief besluit wordt genomen ten aanzien van de organisatiewijziging, wordt in het Georganiseerd Overleg overleg gevoerd over de personele gevolgen van het besluit en de naar aanleiding daarvan te nemen maatregelen. 2.Als het Georganiseerd Overleg van mening is dat de organisatiewijziging zodanig ingrijpende gevolgen met zich meebrengt dat hierover aanvullende afspraken moeten worden gemaakt, wordt door de werkgever een sociaal plan opgesteld. Over dit sociaal plan moet in het Georganiseerd Overleg overeenstemming worden bereikt. 3.Onverlet het gestelde in artikel 12:2:4 van de Goudse Uitwerkingsovereenkomst kunnen de leden van het Georganiseerd Overleg tussentijds bijeen worden geroepen dan wel schriftelijk worden geraad-pleegd, wanneer de omstandigheden een versnelde procedure vereisen. artikel2:4advies ondernemingsraad over organisatiewijziging 1.Voordat een definitief besluit wordt genomen ten aanzien van de organisatiewijziging, wordt de ondernemingsraad schriftelijk om advies gevraagd, conform artikel 25 van de Wet op de onderne-mingsraden. 2.De adviesaanvraag bevat een heldere omschrijving van het voorgenomen besluit, de beweegredenen van het besluit, de personele gevolgen van het besluit en de naar aanleiding daarvan te nemen personele maatregelen. 3.Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd, dat het nog van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. artikel2:5taakverdeling ondernemingsraad en Georganiseerd Overleg Ten aanzien van de medezeggenschap van ambtenaren en vakcentrales geldt het algemene uitgangspunt dat onderwerpen die gedurende het proces van organisatiewijz¬iging aan bod komen, primair door één orgaan worden behandeld. De taakverdeling tussen het Georganiseerd Overleg en de ondernemingsraad is vastgelegd in het convenant inzake de taakafbakening tussen het Georganiseerd Overleg en de ondernemingsraad . artikel2:6kennisgeving en uitvoering besluit 1.Als er een definitief besluit is genomen tot wijziging van de organisa¬tie, wordt dit besluit zo spoedig mogelijk meegedeeld aan het Georganiseerd Overleg, de ondernemingsraad en de betrokken ambtena¬ren. Daarbij wordt tevens ingegaan op de personele gevolgen van het besluit. 2.Als in het besluit wordt afgeweken van het advies van de ondernemingsraad, zal deze afwijking duidelijk worden gemotiveerd. De uitvoering van het besluit tot organisatiewijziging wordt in dit geval uitgesteld tot op zijn vroegst een maand nadat de ondernemingsraad van het besluit in kennis is gesteld, conform artikel 25, lid 6, van de Wet op de ondernemingsraden. artikel2:7sectorspecifieke organisatiewijziging Wanneer de organisatiewijziging uitsluitend betrekking heeft op een organisatieonderdeel waarvoor een onderdeelcommissie is ingesteld, dient in de artikelen 2:1 tot en met 2:6 in plaats van 'ondernemings-raad' te worden gelezen 'onderdeelcommissie'. HOOFDSTUK3ALGEMENE UITGANGSPUNTEN VOOR SOCIAAL BELEID BIJ INTERNE ORGANISA-TIEWIJZIGING artikel3:1werkingssfeer hoofdstuk Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op interne organisatiewijzigingen, niet zijnde privatiseringen en publiekrechtelijke taakoverhevelingen. artikel3:2werkgelegenheid bij interne organisatiewijziging De werkgever zal zich tot het uiterste inspannen om te voorkomen dat de bij de organisatiewijzi¬ging betrokken ambtenaren onvrijwillig werkloos raken. artikel3:3voorkeursvolgorde bij herplaatsing 1.De werkgever hanteert, bij het nemen van besluiten ten aanzien van de ambtenaren die betrokken zijn bij de organisatiewijziging, de volgende voorkeursvolgorde: de ambtenaar blijft zijn eigen, ongewijzigde functie vervullen; de ambtenaar wordt overgeplaatst naar een passende functie binnen de gemeentelijke organisatie; de ambtenaar wordt overgeplaatst naar een geschikte functie binnen de gemeentelijke organisatie. 2.Herplaatsingsbesluiten als bedoeld in het eerste lid onder 2 en 3 worden genomen met inachtneming van de herplaatsingsprocedure, zoals beschreven in hoofdstuk 4. artikel3:4uitgangspunten herplaatsing Bij het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 3:3, lid 1, wordt met de volgende gegevens rekening gehouden: de geschiktheid van de ambtenaar voor een functie, zoals die blijkt uit opleidings- en ervaringsgege-vens, beoordelingsgesprekken en eventuele geschiktheids¬testen; de voorkeur van de ambtenaar voor bepaalde functies; de diensttijd van de ambtenaar bij de gemeente Gouda; de leeftijd van de ambtenaar; het type dienstverband van de ambtenaar. artikel3:5belangstellingsregistratie Voordat herplaatsingsbesluiten als bedoeld in artikel 3:3, lid 1, onder 2 en 3, worden genomen, wordt de betrokken ambtenaar in de gelegenheid gesteld zijn voorkeur voor maximaal drie functies kenbaar te maken. artikel3:6geen passende of geschikte functie 1.Indien de werkgever er niet in slaagt om de ambtenaar een passende dan wel geschikte functie aan te bieden binnen de gemeentelijke organisa¬tie, zullen de werkgever en de ambtenaar zich inspannen om gezamenlijk een structurele oplossing te vinden. Onderdeel van deze oplossing kunnen zijn: bijscholing en omscholing; tijdelijke tewerkstelling binnen de gemeentelijke organisatie, al dan niet bovenformatief; een passende functie binnen de gemeentelijke organisatie, die na de herplaatsingsprocedure is ontstaan; tijdelijke detachering naar een externe organisatie: outplacementbegeleiding; een passende functie buiten de gemeentelijke organisatie; flankerende maatregelen. 2.De kosten van bijscholing, omscholing en outplacementbegeleiding zijn voor rekening van de werkge¬ver. 3.Indien de werkgever na maximaal 24 maanden én na zorgvuldig onderzoek constateert dat geen structu¬rele oplossing als bedoeld in het eerste lid kan worden gevonden, zal de ambtenaar eervol ontslag wegens reorganisatie worden verleend, als bedoeld in artikel 8:4 van de CAR. De wachtgeld- en uitkeringsregeling van de CAR zijn van toepassing. artikel3:7toetsingscommissie Indien de ambtenaar bedenkingen heeft tegen het voornemen tot verlening van het in artikel 3:6, lid 3, bedoelde ontslag, kan hij deze bedenkingen schriftelijk indienen bij het college van burgemeester en wethouders binnen 14 dagen nadat hij van het voornemen tot ontslag schriftelijk in kennis is gesteld. Een toetsingscom¬missie brengt ter zake advies uit aan het college van burgemeester en wethouders. De in het vorige lid bedoelde commissie wordt, na overleg hierover in het Georganiseerd Overleg, samengesteld door het college van burgemeester en wethouders en bestaat uit: één lid, aangewezen door het college van burgemeester en wethouders; één lid, aangewezen door de werknemersvertegenwoordiging in het Georganiseerd Overleg; één lid, aangewezen door de onder a en b genoemde leden, welk lid tevens voorzittervan de commissie is. Het gestelde in de artikelen 4:3, lid 2, en 4:4 is van overeenkomstige toepassing. artikel3:8verplichting ambtenaar 1.De ambtenaar is verplicht, onverminderd het recht op bezwaar en beroep, een passende functie die hem met inachtneming van de herplaatsingsprocedure is toegewezen, te aanvaarden. 2.Wanneer de ambtenaar na zorgvuldig overleg niet meewerkt of weigerachtig is ten aanzien van aanvaarding van een passende functie of niet meewerkt aan het vinden van een oplossing als bedoeld in artikel 3:6, lid 1, kan het college van burgemeester en wethouders overgaan tot ontslag. Daarbij kan het college van burgemeester en wethouders besluiten tot verval van het wachtgeld of de uitkering. artikel3:9salarisgarantie De ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen de gemeentelijke organisatie, behoudt recht op het salaris en het salarisperspectief, zoals die voor hem golden in de oude functie. artikel3:10functiegebonden toelagen 1.Voor de ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen de gemeentelijke organi-satie vervallen de functiegebonden toelagen. 2.Aan de ambtenaar, wiens bezoldiging als gevolg van het vervallen van de functiegebonden toelagen een blijvende verlaging ondergaat, wordt een aflopende compensatie toegekend met inachtneming van het bepaalde in artikel 23 van de Bezoldigingsverordening gemeente Gouda 1999 en de Regeling afbouwtoelage inkomensverlies 1999. artikel3:11persoonsgebonden toelage De ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen de gemeentelijke organisatie, behoudt recht op zijn persoonsgebonden toelage. Indien aan de functie waarnaar de ambtenaar is overgeplaatst een hoger functioneel salarisniveau is verbonden, wordt de persoonsgebonden toelage verminderd met het bedrag, waarmee de bezoldiging die de ambtenaar gaat genieten uitstijgt boven de bezoldiging die hij direct voorafgaande aan de herplaatsing genoot. artikel3:12studiefaciliteiten 1.De ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen de gemeentelijke organisatie, behoudt de rechten die hem op grond van de studiefaciliteitenregeling zijn toegekend, indien hij de studie voortzet. 2.De ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen de gemeentelijke organisatie en die in overleg met zijn nieuwe leidinggevende besluit te stoppen met zijn studie, wordt ontheven van terugbetalingsverplichtingen die voortvloeien uit de studiefaciliteitenregeling. artikel3:13aanvullende scholing De werkgever onderzoekt of het nodig is de ambtenaar, die is overgeplaatst naar een passende of geschikte functie binnen de gemeentelijke organisatie, bij of om te scholen voor het vervullen van zijn nieuwe functie. De kosten van de scholing zijn voor rekening van de werkgever. artikel3:14functie buiten de gemeentelijke organisatie 1.Indien de ambtenaar, waarvoor in de herplaatsingsprocedure geen passende of geschikte functie is gevonden, een functie accepteert buiten de gemeentelijke organisatie, wordt hem eervol ontslag verleend. 2.De ambtenaar die overeenkomstig het eerste lid ontslag wordt verleend, wordt ontheven van eventuele terugbetalingsverplichtingen die voortvloeien uit de studiefaciliteitenregeling, de verhuiskostenregeling en de regeling betaald ouderschapsverlof. 3.Indien de ambtenaar als bedoeld in het eerste lid een functie van ten minste een gelijke betrekkingsomvang accepteert buiten de gemeentelijke organisatie, vult de werkgever het brutosalaris gedurende drie jaar aan tot aan het niveau van het brutosalaris dat de ambtenaar genoot direct voorafgaand aan het ontslag. De ambtenaar die een functie accepteert met een kleinere betrekkingsomvang ontvangt gedurende drie jaar een aanvulling van zijn brutosalaris naar rato. HOOFDSTUK4HERPLAATSINGSPROCEDURE artikel4:1herplaatsingsprocedure 1.Het college van burgemeester en wethouders kan een herplaatsingscommissie in het leven roepen, die als taak heeft om de benodigde gegevens te verzamelen en om het college van burgemeester en wethouders te adviseren over de te nemen herplaatsingsbesluiten. 2.De herplaatsingscommissie wordt, na overleg hierover in het Georganiseerd Overleg, samengesteld door het college van burgemeester en wethouders. De herplaatsingscommissie bestaat uit: één lid, aangewezen door het college van burgemeester en wethouders; één lid, aangewezen door de werknemersvertegenwoordiging in het Georganiseerd Overleg; één lid, aangewezen door de onder a en b genoemde leden, welk lid tevens voorzitter van de commissie is. artikel4:2advies over herplaatsing 1.De herplaatsingscommissie verzamelt alle volgens haar benodigde gegevens en adviseert op basis van deze gegevens het college van burgemeester en wethouders over de herplaatsing van de betrokken ambtenaren. 2.Het college van burgemeester en wethouders informeert de ambtenaar schriftelijk over het advies van de commissie over zijn herplaatsing, respectievelijk over het advies van de commissie om hem vooralsnog geen passende of geschikte functie aan te bieden. artikel4:3bedenkingen tegen voorstel 1.Indien de ambtenaar bedenkingen heeft tegen het advies van de commissie over zijn herplaatsing, respectievelijk tegen het advies van de commissie om hem vooralsnog geen passende of geschikte functie aan te bieden, kan hij deze binnen 14 dagen schriftelijk indienen bij het college van burgemeester en wethouders. 2.De ambtenaar kan verzoeken om mondeling te worden gehoord door (een vertegenwoordiging van) het college van burgemeester en wethouders. De ambtenaar die hiertoe een verzoek indient, zal binnen 14 dagen worden gehoord. Van de hoorzitting wordt schriftelijk verslag opgemaakt. artikel4:4herplaatsingsbesluiten 1.Het college van burgemeester en wethouders neemt het besluit tot herplaatsing van de betrokken ambtenaar. De ambtenaar wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte gesteld van het besluit. In de motivering van het besluit wordt ingegaan op eventuele bedenkingen die door de ambtenaar zijn ingediend. 2.De ambtenaar voor wie in de herplaatsingsprocedure geen passende of geschikte functie is gevonden, wordt zo spoedig mogelijk van dit besluit in kennis gesteld. In de motivering van het besluit wordt ingegaan op eventuele bedenkingen die door de ambtenaar zijn ingediend. 3.De ambtenaar kan bezwaar en beroep aantekenen tegen de besluiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, conform de Algemene wet bestuursrecht. HOOFDSTUK5PRIVATISERING EN TAAKOVERHEVELING artikel5:1werkingssfeer hoofdstuk Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op privatiseringen en publiekrechtelijke taakoverhevelingen. artikel5:2werkgelegenheid 1.De werkgever zal zich tot het uiterste inspannen om ervoor te zorgen dat de werkgelegenheid van de bij de privatisering of overheveling van taken betrokken ambtenaren behouden blijft. 2.De werkgever treedt met de betrokken privaatrechtelijke of publiekrechtelijke instantie in overleg over de overname van de ambtenaren van het betreffende organisatieonderdeel. Gemaakte afspraken worden schriftelijk vastgelegd. 3.Voordat de werkgever een besluit neemt over de overgang van een ambtenaar naar de betrokken privaatrechtelijke of publiekrechtelijke instantie, biedt hij betrokkene de gelegenheid om zijn belangstelling kenbaar te maken voor passende functies die op dat moment vacant zijn of op korte termijn vacant worden in de gemeentelijke organisatie. artikel5:3geen passende of geschikte functie 1.Indien de werkgever er niet in slaagt om de ambtenaar onder te brengen bij de nieuwe werkgever dan wel een passende functie aan te bieden binnen de gemeentelijke organisatie, zullen de werkgever en de ambtenaar zich inspannen om gezamenlijk een structurele oplossing te vinden. Onderdeel van deze oplossing kunnen zijn: bijscholing en omscholing; tijdelijke tewerkstelling binnen de gemeentelijke organisatie, al dan niet boven formatief; een geschikte functie binnen de gemeentelijke organisatie; een na de plaatsingsprocedure vrijgekomen passende functie binnen de gemeentelijke organisatie, waarbij de ambtenaar in de selectieprocedure voorrang geniet boven andere interne kandidaten; tijdelijke detachering naar een externe organisatie; outplacementbegeleiding; een passende functie buiten de gemeentelijke organisatie; flankerende maatregelen, die erop gericht zijn financiële nadelen voor betrokkene van een mogelijke oplossing weg te nemen. 2.De kosten van bijscholing, omscholing en outplacementbegeleiding zijn voor rekening van de werkgever. 3.Indien de werkgever na maximaal 24 maanden én na zorgvuldig onderzoek constateert dat geen structurele oplossing als bedoeld in het eerste lid kan worden gevonden, zal de ambtenaar eervol ontslag wegens reorganisatie worden verleend, als bedoeld in artikel 8:4 van de CAR. De wachtgeld- en uitkeringsregeling van de CAR zijn van toepassing. artikel5:4toetsingscommissie 1.Indien de ambtenaar bedenkingen heeft tegen het voornemen tot verlening van het in artikel 5:3, lid 3, bedoelde ontslag, kan hij deze bedenkingen schriftelijk indienen bij het college van burgemeester en wethouders binnen 14 dagen nadat hij van het voornemen tot ontslag schriftelijk in kennis is gesteld. Een toetsingscom¬missie brengt ter zake advies uit aan het college van burgemeester en wethouders. 2.De in het vorige lid bedoelde commissie wordt, na overleg hierover in het Georganiseerd Overleg, samengesteld door het college van burgemeester en wethouders en bestaat uit: één lid, aangewezen door het college van burgemeester en wethouders; één lid, aangewezen door de werknemersvertegenwoordiging in het Georganiseerd Overleg; één lid, aangewezen door de onder a en b genoemde leden, welk lid tevens voorzitter van de commissie is. 3.Het gestelde in de artikelen 4:3, lid 2, en 4:4 is van overeenkomstige toepassing. artikel5:5sociaal plan 1.Als het Georganiseerd Overleg van mening is dat de privatisering of taakoverheveling zodanig ingrijpende gevolgen met zich meebrengt dat hierover aanvullende afspraken moeten worden gemaakt, wordt door de werkgever een sociaal plan opgesteld. Dit plan regelt de overplaatsingsprocedure (inclusief de ontslag- en aanstellingsprocedure van het over te plaatsen personeel) en bevat rechtspositionele bepalingen. Over dit sociaal plan moet overeenstemming worden bereikt in het Georganiseerd overleg. 2.Er worden geen definitieve besluiten genomen ten aanzien van ambtenaren voordat er overeenstemming is over het sociaal plan. artikel5:6rechtspositievergelijking 1.Indien de betrokken ambtenaren overgaan naar een privaatrechtelijke of een andere publiekrechtelijke werkgever waarvoor een afwijkende rechtspositieregeling of CAO geldt, maakt de werkgever een vergelijking tussen de arbeidsvoorwaardenpakketten die van toepassing zijn op de gemeentelijke werkgever en de nieuwe werkgever. 2.Indien uit de vergelijking blijkt dat het totaalpakket van arbeidsvoorwaarden (bestaande uit in ieder geval salaris, uitkeringen en toelagen, (pré-)pensioen, vakantie, ziektekostenregeling en werkloosheidsuitkering) bij de nieuwe werkgever minder is dan het totaalpakket bij de gemeentelijke werkgever, worden in het sociaal plan nadere afspraken gemaakt over afbouw, behoud of compensatie van aanspraken. HOOFDSTUK6SLOTBEPALINGEN artikel6:1hardheidsclausule 1.In gevallen waarin toepassing van het sociaal statuut zou leiden tot een onbillijke situatie voor een ambtenaar, kan het college van burgemeester en wethouders van het sociaal statuut afwijken in een voor de ambtenaar gunstige zin. 2.In gevallen waarin het sociaal statuut niet voorziet, beslist het college van burgemeester en wethouders , na overleg hierover in het Georganiseerd Overleg. artikel6:2citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Sociaal statuut gemeente Gouda 2000. artikel6:3inwerkingtreding 1.Deze regeling treedt in werking met ingang van heden en werkt terug tot en met 1 januari 2000. 2.Bij inwerkingtreding van deze regeling vervalt de Leidraad bij organisatieverandering/Sociaal plan, zoals vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van 19 januari 1987 en nadien gewijzigd. Aldus vastgesteld in de vergadering van 29 mei 2000.DE RAAD VOORNOEMD,drs. J.H. Boone, voorzitterdrs. A.W. M. de Bever, secretarisAlgemene toelichting 1. Inleiding Deze algemene toelichting gaat in op de personele aspecten van een organisatieveranderingstraject en is bedoeld als achtergrondinformatie bij het sociaal statuut. In deze paragraaf zal eerst worden ingegaan op het verschijnsel organisatieverandering, waarna het doel en de betekenis van een sociaal statuut en een sociaal plan zullen worden beschreven. In de volgende paragrafen zal achtereenvolgens worden ingegaan op de diverse typen organisatieverandering, de medezeggenschaps- en inspraakmogelijkheden en de rechtspositionele aspecten van organisatieverandering. Organisatieverandering was in het verleden doorgaans een vrij statisch proces. De organisatiestructuur van een gemeente bleef jarenlang onaangeroerd, tot het moment dat men tegen onoverkomelijke problemen aanliep. Dan werd een nieuwe organisatieindeling bedacht die een definitieve oplossing moest zijn voor de geconstateerde problemen. Deze nieuwe indeling ging vervolgens een aantal jaren mee, waarna men opnieuw tegen problemen aanliep en de organisatiestructuur opnieuw gewijzigd werd. Reorganisaties waren vaak organisatiebrede, ingrijpende projecten. Heden ten dage begint een andere visie op organisatieverandering de overhand te krijgen. Deze visie op organisatieontwikkeling heeft als kerngedachte dat moderne organisaties continu in beweging zijn. Organisatieverandering vindt niet meer met horten en stoten plaats, maar is een continu en vloeiend proces. Soms vinden er ingrijpende organisatiewijzigingen plaats (bijvoorbeeld een herindelingsoperatie of een 'kanteling' van de organisatie) maar veel vaker zijn de wijzigingen minder ingrijpend, afgemeten aan het aantal betrokken personen of organisatie-onderdelen. Bij een nieuwe visie op organisatieverandering hoort een nieuwe visie op het sociaal beleid bij organisatieverandering. immers, continue organisatieontwikkeling vereist een andere aanpak dan de horten-en-stotenaanpak. Had het sociaal beleid bij organisatieverandering in het verleden vaak uitsluitend het karakter van 'oplossen van problemen' bij omvangrijke reorganisaties (overtolligheid, zoeken naar passende/geschikte functies binnen de gemeente, non-activiteitsregelingen), tegenwoordig wordt daarnaast de nadruk gelegd op 'voorkomen van problemen' door het creëren van mobiliteit. In een organisatie die continu in beweging is, zullen ambtenaren mee moeten bewegen. De organisatie schept door mobiliteits- en employability-bevorderend beleid een klimaat waarin beweging als 'normaal' wordt ervaren. Hierdoor zal organisatieontwikkeling aanzienlijk soepeler verlopen. Het sociaal beleid bij organisatieverandering is verankerd in het sociaal statuut. Een sociaal statuut is een reglement, dat de 'spelregels' bevat, waar de werkgever en de werknemers (en hun vertegenwoordigers) zich aan moeten houden wanneer zich een organisatiewijziging voordoet. Het sociaal statuut is vastgesteld door de gemeenteraad, nadat overeenstemming is bereikt in de commissie voor Georganiseerd Overleg, en heeft het karakter van een gemeentelijke verordening. Het statuut bestaat onder andere uit procedurele bepalingen, de rechten en plichten van werkgever en werknemers bij reorganisatie, mobiliteitsbevorderende bepalingen en eventuele afbouw, garantie of compensatie van arbeidsvoorwaarden. Het sociaal statuut kent drie doelstellingen: het garanderen van een zorgvuldige procedure met voldoende inspraakmogelijkheden voor betrokkenen; het vooraf scheppen van duidelijkheid voor het bestuur, het management en adviseurs over de spelregels die zij bij organisatieverandering moeten hanteren; het vooraf scheppen van duidelijkheid voor ambtenaren over de eventuele gevolgen van toekomstige organisatieveranderingen voor hun rechtspositie. Een helder sociaal statuut neemt onduidelijkheid en weerstand ten aanzien van organisatieverandering voor een deel weg, zodat alle betrokkenen zich kunnen concentreren op het verbeteren van de organisatie. Elke organisatieverandering is uniek. Daarom is een algemeen geldend sociaal statuut niet in alle gevallen voldoende. Ingrijpende organisatieveranderingen kunnen immers specifieke sociale gevolgen met zich meebrengen, die een regeling op maat verdienen. Het zal daarom soms nodig zijn om op basis van het algemeen geldend sociaal statuut een aanvullend sociaal plan voor een specifieke organisatiewijziging op te stellen. 2. Typologie van organisatieveranderingen In de gemeente kunnen zich zeer uiteenlopende organisatieveranderingen voordoen. Ten eerste kan de omvang van de organisatieverandering (te meten aan het aantal medewerkers en afdelingen dat bij de organisatieverandering betrokken
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.