Beleidsregels behorende bij de Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum, overwegende dat het wenselijk is beleidsregels vast te stellen voor de uitvoering van de wetten in het sociaal domein (Jeugdwet, Participatiewet, Wet op het primair onderwijs (Wpo), Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo), Wet op de expertisecentra (Wec), (Passend onderwijs) en Wmo) en de Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018; gelet de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, van de Jeugdwet, de artikelen 6, 8, 8a, 8b, 10b, 36 en 36b en 47 van de Participatiewet, artikel 35 van de IOAW en artikel 35 van de IOAZ artikel 4 van Wpo, Wvo en Wec (Passend onderwijs), de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en gelet op de Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018; besluit vast te stellen de volgende beleidsregels behorende bij de Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018: Hoofdstuk1tot en met 3 Algemene bepalingen, Integrale benadering en Jeugdhulp Geen beleidsregels Hoofdstuk4en 5 Inkomensvoorziening Participatie Artikel4.1.Begrippen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 (Bbz), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: •Geldlening: geldlening als bedoeld in artikel 50, lid 2 van de Participatiewet; •Krediethypotheek: een te vestigen recht ter meerdere zekerheid op registergoederen; •Stil pandrecht: een te vestigen recht ter meerdere zekerheid op niet-registergoederen; •Woning: woning als bedoeld in 50 lid 1 en artikel 3, lid 6 van de Participatiewet; Artikel4.2.Uitsluitingen individuele inkomenstoeslag Niet voor een individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de cliënt: a.die uit Rijkskas bekostigd onderwijs volgt of tijdens de referte periode heeft gevolgd. b.van wie het perspectief op inkomensverbetering is verminderd ten gevolge van enige schending van de arbeids- of re-integratieverplichting. Artikel4.3.Uitsluitingen studietoeslag Niet voor een individuele studietoeslag komt in aanmerking de cliënt die een uitkering op grond van de Wajong ontvangt. Artikel4.4.Verlaging bij ontbreken woonkosten (indien geen kostendelersnorm van toepassing
- is)Het college verlaagt de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21 met 15% van de norm van gehuwden als bedoeld in artikel 21 onderdeel b, van de Participatiewet als de cliënt lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het bewonen van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden of het niet aanhouden van een woning. Artikel4.5.Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid Het college maakt behoudens de in deze beleidsregels beschreven uitzonderingen gebruik van de bevoegdheid tot: a.het opschorten van het recht op een bijstand of uitkering als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 17, eerste lid, van de IOAW, artikel 17, eerste lid, van de IOAZ; b.herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand of uitkering op grond van de IOAW of IOAZ indien ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand of uitkering is verleend, anders dan als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17 lid 1, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de IOAW en artikel 13, eerste lid, van de IOAZ; c.het terugvorderen van de kosten van bijstand of uitkering zoals bedoeld in artikel 58, tweede lid, en artikel 59, van de Participatiewet, paragraaf 5 van de IOAW, paragraaf 5, van de IOAZ; d.invorderen bij dwangbevel zoals bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 28, van de IOAW of artikel 28, van de IOAZ; e.het betekenen van een dwangbevel per post als bedoeld in artikel 60, vijfde lid, Participatiewet, of artikel 28, vijfde lid, IOAW en artikel 28, vijfde lid, IOAZ; f.verrekening van een vordering zoals bedoeld in artikel 60a, van de Participatiewet. g.verrekening van een geldlening als bedoeld in artikel 48, vierde lid, van de Participatiewet. Artikel4.6Afzien van terugvordering Het college kan afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit: a.indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 150; b.voor zover het betalingen betreft die zijn gedaan na een periode van zes maanden na de ontvangst van een signaal waaruit het college had moeten afleiden, dat ten onrechte of te veel werd betaald, tenzij de cliënt de inlichtingenplicht heeft geschonden; c.indien hiertoe naar oordeel van het college een dringende reden aanwezig is. Artikel4.7Kwijtschelding bij schuldregeling (vordering niet het gevolg van schending van de inlichtingenplicht) Het college kan besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand of uitkering op grond van de IOAW of IOAZ indien naar het oordeel van het college: a.de cliënt niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en b.redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in artikel 4.8 bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en c.de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand, uitkering op grond van de IOAW of IOAZ ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. d.de vordering is niet het gevolg van schending van de inlichtingenplicht Artikel4.8Afzien van kwijtschelding bij schuldregeling Kwijtschelding als bedoeld in artikel 4.7 is niet mogelijk indien de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden. Artikel4.9Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van terugvordering wegens schuldenproblematiek Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering, als bedoeld in artikel 4.7, treedt niet in werking voordat tussen het college en/of schuldeisers en cliënt een schuldregeling tot stand is gekomen. Artikel4.10Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering als bedoeld in artikel 4.7 wordt ingetrokken of ten nadele van de cliënt gewijzigd indien: a.de cliënt zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of b.onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid c.niet binnen twaalf maanden, nadat het besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen. Artikel4.11Kwijtschelding na het voldoen aan de betalingsverplichting bij terugvordering Het college kan besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, met uitzondering van de gevallen waarbij de vordering door schending van de inlichtingenplicht is ontstaan, indien de cliënt: a.gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en tenminste 50% van de hoofdsom heeft voldaan, of; b.gedurende drie jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald en ten minste 50% van de hoofdsom heeft voldaan, of; c.gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of d.een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten in één keer aflost, of; e.naar oordeel van het college op grond van dringende redenen voor kwijtschelding in aanmerking komt. Artikel4.12Geen kwijtschelding bij pand of hypotheekrecht Kwijtschelding als bedoeld in artikel 4.11 vindt niet plaats ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden. Artikel4.13Verplichtingen met betrekking tot de invordering 1.De verplichting tot betaling en de betalingstermijn worden in het besluit tot terugvordering medegedeeld. 2.Het college kan op verzoek van cliënt of in het kader van een schuldregeling uitstel van betaling verlenen. Indien uitstel van betaling wordt verleend stelt het college een betalingsregeling vast. 3.Het aflossingsbedrag in het besluit tot terugvordering of het aflossingsbedrag van de betalingsregeling geldt als opgelegde betalingsverplichting. 4.Indien tijdens de looptijd van de betalingsregeling een tweede vordering ontstaat, kan de betalingsregeling wordenbeëindigd. 5.Het college verricht periodiek onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van de vordering. 6.Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld. Artikel4.14Verrekening en beslaglegging 1.Indien de cliënt algemene bijstand of een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ ontvangt wordt de opgelegde betalingsverplichting als bedoeld in artikel 4.13 verrekend met de algemene bijstand of de uitkering. 2.Indien verrekening als bedoeld in het eerste lid niet (geheel) mogelijk is en cliënt de opgelegde betalingsverplichting niet nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van: a.een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; b.beslag in de zin van het Tweede boek van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering; of c.een conservatoir beslag in de zin van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. Artikel4.15Afzien van verrekening met vorderingen op het college Het college kan afzien van verrekening zoals bedoeld in artikel 60a, vierde lid van de Participatiewet indien hiertoe naar oordeel van het college een dringende reden aanwezig is. Artikel4.16Rente en kosten 1.De kosten van de betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder worden bij de cliënt in rekening gebracht (artikel 4:119 en artikel 4:120 Awb). 2.Indien bij dezelfde schuldenaar meerdere vorderingen tot een dwangbevel leiden, worden de verschillende vorderingen zoveel mogelijk in één dwangbevel gebundeld (artikel 4:119, tweede lid Awb). 3.Indien het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder ten uitvoer wordt gelegd, wordt het te vorderen bedrag verhoogd met de aanmaningskosten (artikel 4:113 Awb) en de wettelijke rente (artikel 4:98 lid 1 Awb). De wettelijke rente wordt berekend vanaf het moment waarop de vordering is overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder. Artikel4.17Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid Het college maakt behoudens de in deze regels beschreven uitzonderingen gebruik van de bevoegdheid tot: a.het opleggen van de verplichting ingevolge artikel 55 van de Participatiewet een verzoek in te stellen tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud voor kinderen krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover de cliënt hierop aanspraak heeft; b.het verhalen van de kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in artikel 62 van de Participatiewet; c.het verhalen van de kosten van bijstand op de ontvanger van een schenking zoals bedoeld in artikel 62 f, onderdeel a van de Participatiewet; d.het verhalen van kosten van bijstand op een nalatenschap als bedoeld in artikel 62 f, onderdeel b van de Participatiewet; e.Het doen van een verzoek aan de rechter tot wijziging van de vastgestelde verhaalsbedrag als bedoeld in artikel 62 e van de Participatiewet. Artikel4.18Afzien van verhaal Het college kan afzien van het nemen van een verhaalbesluit indien: a.de kosten van bijstand meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot verhaal zijn gemaakt; b.het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 50,00 per maand of € 25,00 per maand bij een verhaalsbedrag voor levensonderhoud van kinderen; c.de periode waarover bijstand is verstrekt beperkt is en het verhaalsbedrag op jaarbasis niet meer bedraagt dan € 600,00; d.daarvoor gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn. Artikel4.19Kwijtschelding bij schuldregeling Het college kan op verzoek van degene op wie verhaald wordt, besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van verhaal van kosten van bijstand voor zover het betreft verschuldigde verhaalsbedragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien: a.redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; b.redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van alle schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en c.de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. Artikel4.20Inwerkingtreding van het besluit tot kwijtschelding wegens schuldenproblematiek Het besluit tot besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verhaal, als bedoeld in artikel 4.19, treedt niet in werking voordat tussen het college en/of schuldeisers en persoon een schuldregeling tot stand is gekomen. Artikel4.21Intrekking besluit tot afzien van verhaal wegens schuldenproblematiek Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verhaal als bedoeld in artikel 4.19 wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: a.de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of b.onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; c.niet binnen twaalf maanden, nadat het besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen. Artikel4.22Verhaal in rechte 1.In het besluit tot verhaal, anders dan met toepassing van artikel 62b van de Participatiewet, wordt het verhaalsbedrag en de betalingstermijn medegedeeld. 2.Indien de cliënt niet alle informatie aan het college verstrekt die voor verhaal van belang is dan wel niet, of niet tijdig de verlangde gelden aan het college betaalt, gaat het college over tot verhaal in rechte. 3.Het college ziet, in afwijking van het tweede lid, af van verhaal in rechte indien het te verhalen bedrag een bedrag van € 600,00 per jaar niet te boven gaat. Artikel4.23Verhaal volgens rechterlijke uitspraak (artikel 62b van de Participatiewet) 1.Met inachtneming van het recht van degene die bijstand ontvangt om zelf de inning van alimentatie over te dragen aan het LBIO, vindt inning van alimentatieverplichtingen bij onderhoudsplichtigen, voor zover niet vrijwillig door deze onderhoudsplichtigen aan de betalingsverplichting wordt voldaan, plaats volgens lid 2 t/m 4 van dit artikel. 2.Indien een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die uitvoerbaar is, niet wordt nagekomen, wordt verhaald in overeenstemming met deze uitspraak ongeacht de hoogte van het verhaalsbedrag. 3.Het besluit tot verhaal wordt aan cliënt medegedeeld, met de aanmaning het verschuldigde binnen dertig dagen na verzending van het besluit te voldoen. 4.Indien aan de aanmaning geen gevolg wordt gegeven vordert het college het verschuldigde met uitsluiting van degene die de bijstand ontvangt. Artikel4.24Rente en kosten 1.De kosten van de betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder worden bij de cliënt in rekening gebracht (artikel 4:119 en artikel 4:120 Awb). 2.Indien bij dezelfde schuldenaar meerdere vorderingen tot een dwangbevel leiden, worden de verschillende vorderingen zoveel mogelijk in één dwangbevel gebundeld (artikel 4:119, tweede lid Awb). 3.Indien het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder ten uitvoer wordt gelegd, wordt het te vorderen bedrag verhoogd met de aanmaningskosten (artikel 4:113 Awb) en de wettelijke rente (artikel 4:98 lid 1 Awb). De wettelijke rente wordt berekend vanaf het moment waarop de vordering is overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder. Artikel4.25Onderzoek naar draagkracht a.Het college verricht periodiek onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbedrag. b.Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld. c.Er wordt niet overgegaan tot het gewijzigd vaststellen van het verhaalsbedrag indien de wijziging van de draagkracht minder bedraagt dan € 50,00 per maand of € 25,00 per maand bij een verhaalsbedrag voor levensonderhoud van kinderen. d.Er wordt geen verzoek aan de rechter gedaan tot wijziging van het verhaalsbedrag als bedoeld in artikel 62 e van de Participatiewet indien de wijziging van de draagkracht minder bedraagt dan € 50,00 per maand. Artikel4.26Hoogte geldlening De geldlening als bedoeld in artikel 50, tweed lid van de Participatiewet bedraagt ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden. Artikel4.27Krediethypotheek 1.De algemene bijstand voor de cliënt die eigenaar is van een woning, heeft de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek indien de overwaarde in de woning, na toepassing van de vermogensvrijlating van artikel 34, tweede lid, onder d van de Participatiewet, hoger is dan € 10.000,00. 2.Indien het, in de situatie als bedoeld in het eerste lid, niet mogelijk is een hypotheek te vestigen, dan wordt pandrecht gevestigd. 3.Als de verwachting bestaat dat de woning binnen korte tijd verkocht kan worden, dan kan worden afgezien van het vestigen van hypotheek. Artikel4.28Medewerkingsplicht 1.Bij verlening van de algemene bijstand onder verband van hypotheek of pandrecht wordt aan de cliënt de verplichting opgelegd dat hij meewerkt aan de vestiging van de hypotheek of het stil pandrecht. 2.Het niet verlenen van de medewerking als bedoeld in het eerste lid heeft tot gevolg dat de in de vorm van een geldlening verleende uitkering wordt teruggevorderd (artikel 58, tweed lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Artikel4.29Vaststelling waarde woning 1.Ter vaststelling van de waarde van de woning vindt taxatie plaats door een taxateur voor onroerende zaken die door het college in overeenstemming met de cliënt wordt aangewezen. 2.De kosten verbonden aan de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, het opmaken van de akte van pandrecht, inschrijving van het pandrecht in de registers van de Inspectie der Registratie en Successie van de Belastingdienst, evenals de bijkomende kosten, komen ten laste van de cliënt. De eventuele uitkering voor deze kosten wordt aangemerkt als bijzondere bijstand Artikel4.30Voorwaarden 1.Aan de geldlening worden in elk geval verbonden de voorwaarden genoemd in artikel 4.31 en artikel 4.32 van deze regels. 2.De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden tezamen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte of akte van pandrecht. Artikel4.31Aflossing en rente geldlening 1.De aflossing van de geldlening vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstand en vindt maandelijks plaats. 2.Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld overeenkomstig de draagkrachtberekening voor bijzondere bijstand. 3.Bij een inkomen, dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3 van de Participatiewet, wordt geen aflossing gevergd. 4.Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast. 5.Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vierde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van cliënt komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. 6.Indien cliënt tijdens de aflossingsperiode in verzuim is met het voldoen van de vastgestelde aflossingen, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is de wettelijke rente verschuldigd over de achterstallige aflossingstermijnen gedurende de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. 7.Over een rentevordering is geen rente verschuldigd. Artikel4.32Verkoop woning 1.Bij verkoop, overdracht of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 4.31, lid 6 bijgeschreven rente, terstond afgelost. 2.Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van cliënt dan wel wegens werkaanvaarding elders door cliënt, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat cliënt het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het vierde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning. 3.Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden. Artikel4.33Tussentijdse herbeoordeling geldlening 1.Gedurende de periode van bijstandsverlening vindt herbeoordeling van de waarde van de woning plaats en wordt bezien of de verlening van bijstand om niet in die vorm kan worden gehandhaafd. 2.Indien de situatie als omschreven in het eerste lid zich voordoet, wordt met toepassing van deze regels een (nieuwe) geldlening verstrekt. Artikel4.34Opnieuw recht binnen twee jaar Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandsverlening wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek of akte van pandrecht. Artikel4.35Opgave stand van de geldlening en rentevorderingen Aan cliënt wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen. Hoofdstuk6Leerlingenvervoer Geen beleidsregels Hoofdstuk7Wet maatschappelijke ondersteuning Deze beleidsregels hebben als doel om de uitkomsten van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet, te objectiveren. Tegelijkertijd bieden de beleidsregels ruimte tot maatwerk. Dat betekent automatisch dat gelijke gevallen leiden tot een gelijke uitkomst en dat ongelijke gevallen leiden tot een ongelijke uitkomst. 7.1 Resultaat Het belangrijkste resultaat waar de maatwerkvoorziening Huishoudelijke Hulp voor kan worden ingezet is een ‘schoon en leefbaar huis’. Een schoon en leefbaar huis betekent dat het huis niet vervuilt, dat gezondheidsrisico’s worden voorkomen en dat periodiek wordt schoongemaakt om zo een algemeen aanvaardbaar basisniveau van schoon te realiseren. Dit betekent dat de cliënt gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes (inclusief schoon beddengoed), de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap, hierna aangeduid als de noodzakelijke ruimtes. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat te worden schoongemaakt. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Een leefbaar huis staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Naast een schoon en leefbaar huis kan huishoudelijke hulp ook worden ingezet voor enkele andere resultaten, deze resultaten worden in 7.2 benoemd. 7.2 Indicatiestelling Indien er beperkingen zijn in het voeren van het huishouden, komt de cliënt mogelijk in aanmerking voor de maatwerkvoorziening Hulp bij het huishouden. De resultaten die bij deze maatwerkvoorziening horen zijn: zelfstandig wonen in een schoon en leefbaar huis; beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding; beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften (boodschappen kunnen doen); beschikken over maaltijden; brood- en warme maaltijden; het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren; dagelijkse organisatie van het huishouden. Huishoudelijke hulp kan worden ingezet om één of meer van deze resultaten te behalen. Een indicatie voor huishoudelijke hulp wordt afgegeven in de vorm van een budget per vier weken. De cliënt heeft daarmee de mogelijkheid flexibele afspraken te maken met de aanbieder over de inzet van dit budget binnen vier weken. De (hoogte van
- de)indicatie voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp wordt bepaald aan de hand van de gegevens uit het onderzoek. Indien nodig wordt er extra informatie opgevraagd. De volgende factoren worden in elk geval onderzocht en zijn van invloed op de indicatie: aard en omvang van de beperkingen; aanwezigheid van gebruikelijke/particuliere hulp; aanwezigheid van minderjarige kinderen; woonvorm; mogelijke inzet van voorzieningen op basis van andere wetgeving, of algemene voorzieningen. Op basis van de persoonlijke situatie van de cliënt stelt de consulent van de gemeente op maat een indicatie op. Om tot een objectief oordeel te komen wordt gebruikgemaakt van normtijden per deeltaak. (zie 7.4) 7.3 Gebruikelijke Hulp Er wordt geen maatwerkvoorziening getroffen wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp als bedoeld in bijlage 2 van de Verordening sociaal domein 2018. 7.4 Algemene uitgangspunten a. Indicaties worden per 4 weken afgegeven in combinatie met het daarvoor gestelde budget. Hierdoor kan de cliënt samen met zorgaanbieder de taken over de tijd verdelen. b. De gemeente ziet erop toe dat de huishoudelijke hulp duurzaam, passend en proportioneel wordt ingezet. Vanuit deze gedachte worden voor het frequente schoonmaakwerk alleen de ‘noodzakelijke ruimtes’ meegenomen in de indicatie. De noodzakelijke ruimtes zijn ruimtes die schoon moeten zijn om het zelfstandig wonen en participeren van de cliënt te kunnen realiseren. Indien er overige ruimtes aanwezig zijn, wordt voor deze ruimten in totaal maximaal 20 minuten per 4 weken gerekend om vervuiling te voorkomen. De omvang van de overige ruimtes kan vanuit de visie van de gemeente niet leiden tot een hogere indicatie, omdat de cliënt een eigen verantwoordelijkheid draagt om in een geschikt huis te wonen. Overige uitgangspunten: voor achterstallig werk wordt geen extra tijd geïndiceerd; er wordt geen extra tijd geïndiceerd vanwege aanwezigheid van huisdieren; de cliënt is zelf verantwoordelijk dat de hulp zijn/haar werk goed kan doen. Bijv. zorgen voor opgeruimde kamer, zodat de hulp kan stofzuigen; de cliënt is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van de noodzakelijke schoonmaakmiddelen en materialen. Het college kan extra tijd indiceren, indien er sprake is van specifieke aandoeningen. Deze aandoeningen kunnen om twee redenen leiden tot een hogere indicatie: 1. Als gevolg van de aandoening raakt het huishouden ernstiger en sneller vervuild, waardoor het schoonhouden meer tijd kost; 2. Als gevolg van de medische aandoening worden aantoonbaar hogere eisen gesteld aan de hygiëne dan gebruikelijk. De extra noodzakelijke schoonmaak dient een medische oorzaak te hebben, welke aantoonbaar is. 7.4.1 Normtijden De normtijden zijn gebaseerd op de ‘Richtlijnen indicatieadvisering hulp bij het Huishouden’ van de MO-zaak (voorheen CIZ). De normtijden zijn getoetst aan jurisprudentie en het onafhankelijk onderzoek dat KPMG in opdracht van de gemeente Utrecht uitvoerde en in september 2016 is gepubliceerd. 7.4.2 Maatwerk Het college bekijkt met de cliënt, wat de cliënt met hulp van het netwerk, zelf kan en wat vanuit de Wmo 2015 aangevuld moet worden. Op basis van het onderzoek wordt bepaald welke taken er worden genomen als uitgangspunt en welke deeltaken moeten worden gecompenseerd, de frequentie waarin deze moeten worden uitgevoerd en de tijdsinzet per deeltaak. Aan de hand hiervan wordt het budget per vier weken bepaald. Per huishoudelijke taak geldt de onderstaande normtijd per taak (per week) als uitgangspunt. Zwaar huishoudelijk werk Omschrijving Normtijd per week Stofzuigen Schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken Bedden verschonen Ramenlappen Eenpersoonshuidhouden, max 2 kamers 90 minuten Een persoonshuishouden, 3 of meer kamers 180 minuten Meerpersoonshuishouden 180 minuten Factoren meer hulp Kind(eren) <12 jaar 30 minuten extra (max. 90 min) Psychogeriatrische problematiek/gedragsproblematiek 30 minuten Allergie of aandoening aan de luchtwegen in een gesaneerde woning 60 minuten Grote woning met hoge bezettingsgraad 60 minuten Licht Huishoudelijk werk Omschrijving Normtijd per week Stof afnemen/raggen Opruimen Afwassen Bed opmaken Eenpersoonshuidhouden 60 minuten Meerpersoonshuishouden 90 minuten Factoren meer hulp Kind(eren) <12 jaar 30 minuten Psychogeriatrische problematiek/gedragsproblematiek 30 minuten Allergie of aandoening aan de luchtwegen in een gesaneerde woning 30 minuten Bijzonderheden Indien er ook een maaltijdvoorziening wordt geïndiceerd, dan tijd in mindering brengen bij licht huishoudelijk werk voor het afwassen. Afwassen is namelijk ook meegenomen bij maaltijdvoorziening. Wassen en strijken Omschrijving Normtijd per week Wasgoed sorteren en wassen in de wasmachine Wasgoed ophangen en afhalen Wasgoed drogen in de droger Wasgoed vouwen en opbergen Wasgoed strijken Eenpersoonshuidhouden 60 minuten Meerpersoonshuishouden 90 minuten Factoren meer hulp Kind(eren) <16 jaar 30 minuten per kind Bedlegerige cliënten 30 minuten Allergie of aandoening aan de luchtwegen in een gesaneerde woning 30 minuten Extra bewassing i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies etc. 30 minuten Bijzonderheden Strijken van bovenkleding is opgenomen in de normtijd. Extra tijd voor strijken van onderkleding en/of beddengoed is alleen mogelijk indien dit medisch noodzakelijk is. Boodschappen Omschrijving Normtijd per week Boodschappenlijst samenstellen Boodschappen inkopen Boodschappen opslaan 60 minuten Factoren meer hulp Leefeenheid > 4 personen 60 minuten Kind(eren) < 12 jaar 60 minuten Afstand tot dichtstbijzijnde winkel is > 2 km 30 minuten Bijzonderheden Eigen keuzes, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop wordt aangeboden, waardoor extra reizen nodig is of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, resulteert niet in extra tijd voor boodschappen doen. Alleen als dit medisch noodzakelijk is, kan men extra tijd krijgen. Maaltijden Omschrijving Normtijd per week Broodmaaltijden bereiden (smeren) Broodmaaltijden klaarzetten, tafel dekken Koffie/thee zetten Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine 15 minuten per keer, maximaal 2 x per dag Warme maaltijden opwarmen Warme maaltijden klaarzetten, tafeldekken Koffie/thee zetten Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine 15 minuten per dag Warme maaltijden koken Warme maaltijden klaarzetten, tafeldekken Koffie/thee zetten Afwassen of in/uitruimen vaatwasmachine 30 minuten per dag Factoren meer hulp Kind(eren) < 12 jaar 20 minuten per maaltijd Bijzonderheden Maaltijdenservice, kant en klare maaltijden, etc. gelden als voorliggende oplossingen Tijdelijke verzorging van kinderen Omschrijving Normtijd per week Het gaat hierbij om een ouder die ten gevolge van beperkingen tijdelijk niet in staat is de verzorging van gezonde kinderen uit te voeren. Denk aan persoonlijke verzorging, begeleiding en opvoedingsactiviteiten. Naar bed brengen/uit bed halen 10 minuten per kind per keer Wassen en kleden 30 minuten per dag per kind Eten en/of drinken geven 20 minuten per broodmaaltijd 25 minuten per warme maaltijd Babyvoeding: flesje/borstvoeding 20 minuten per keer per kind Luier verschonen 10 minuten per keer per kind Naar school/crèche brengen/halen 15 minuten per keer per gezin Factoren meer hulp Indien opvang noodzakelijk is Tot 40 uur per week Bijzonderheden Maximale duur voor de opvang/ondersteuning is 3 maanden. Afstemming met andere specifieke oplossingen, welke: zorgverlof, crèche, kinderopvang, buitenschoolse/tussentijdse opvang (gastouder), SMI etc. Dagelijkse organisatie van het huishouden Omschrijving Normtijd per week Organisatie van het huishouden Plannen en beheren van middelen m.b.t. het huishouden 30 minuten Factoren meer hulp Kind(eren) < 16 jaar 30 minuten Psychogeriatrische problematiek/ gedragsproblematiek 30 minuten Communicatie problemen door beperking. Niet door taalbarrière 30 minuten Advies instructie en voorlichting gericht op het huishouden Omschrijving Normtijd per week Instructie omgaan met (technische) hulpmiddelen Instructie huishoudelijke taken, boodschappen doen, maaltijden bereiden, het licht huishoudelijk werk, zwaar huishoudelijk werk, de wasverzorging en de dagelijkse organisatie van het huishouden. 30 minuten per activiteit, maximaal 90 minuten Dit komt bovenop de normtijd die geldt voor het overnemen van de activiteiten. Bijzonderheden Maximale duur 6 weken 7.4.3 Richttijden per deeltaak Onderstaande tabel laat zien wat de richttijden en frequenties zijn per deeltaak. De gemeente gebruikt deze richttijden om tot een objectiveerbare indicatie te komen. Op basis van het onderzoek wordt bepaald welke deeltaken vanuit de Wmo 2015 moeten worden gecompenseerd, de frequentie waarin deze moeten worden uitgevoerd en de tijdsinzet per deeltaak. Aan de hand hiervan wordt het budget per vier weken bepaalt. Zwaar huishoudelijk werk Deeltaak Gemiddelde frequentie Min p/w Afwijken bij toelichting Stofzuigen Woonkamer inclusief hal/gang, keuken, toilet en 1 slaapkamer. 1x p.w. 20 + 5 bij elke vaste trap + 5 voor elke extra (slaap)kamer die in gebruik is door bewoners + 10 hulphond Slaapkamer of hobbykamer in gebruik door bewoners, logeerkamers worden niet meegerekend. Sanitair (badkamer / toilet) Inclusief dweilen 1x p.w. 30 + 10 bij specifieke aandoeningen (bv. stoma, thuisdialyse, chemo, PG) Keuken, inclusief dweilen 1x p.w. 15 Bed verschonen 1x 2 weken, 10 minuten 5 - 5 als persoonlijke verzorging bed dit overneemt + 5 bij incontinentie + 5 voor elk extra bed wat in gebruik is door bewoners Ongeacht één of tweepersoonsbed, bepaald op basis van het KMPG onderzoek Utrecht. Als continentiemateriaal niet toereikend is Dweilen van overige ruimtes (indien nodig i.v.m. type vloer) 10 Ramen wassen (binnen) Inclusief raambekleding 1x per 6 weken, 60 minuten 10 Het wassen van de ramen aan de buitenkant valt niet onder de Huishoudelijke Hulp binnen de Wmo 2015. De cliënt kan hiervoor een glazenwasser inschakelen. Licht huishoudelijk werk Deeltaak Gemiddelde frequentie Min p/w Afwijken bij toelichting Stof afnemen nat en/of droog 1x p.w. 20 +5 bij elke vaste trap +5 voor elke extra (slaap)kamer die in gebruik is door bewoners + 10 hulphond Slaapkamer of hobbykamer in gebruik door bewoners, logeerkamers worden niet meegerekend. Opruimen 1x p.w 20 Minderen als leefeenheid dit volledig of gedeeltelijk zelf doet. Afwassen 10 Minder factor: indicatie maaltijd klaarzetten/opwarmen/ bereiden Vaatwasser of afwassen kost ongeveer net zoveel tijd. Bezoek kan eigen vaat afwassen. Wassen en strijken Deeltaak Gemiddelde frequentie Min p/w Afwijken bij toelichting Sorteren + inladen 1x p.w. 5 + 5 bij 2 persoons huishouden Ophangen / in droger doen 1x p.w. 10 + 5 bij 2 persoons huishouden Was afhalen/vouwen / opbergen 1x p.w 15 + 5 bij 2 persoons huishouden Strijken 1x p.w 15 + 5 bij 2 persoons huishouden +15 wanneer er een medische noodzaak is voor strijken onderkleding/ bed- en linnengoed. Alleen bovenkleding Ophogen tijd + 20 bij elk kind + 20 bij ernstige incontinentie + 20 bij bedlegerigheid Normtijd halveren als alleen beddengoed/linnengoed overgenomen wordt Deze meer/minder factoren gelden over de hele indicatie wasverzorging en niet per deeltaak Boodschappen Deeltaak Gemiddelde frequentie Min p/w Afwijken bij toelichting Lijstje maken en bestellen 1x p.w. 10 De boodschappendienst is als algemene voorziening beschikbaar voor de meeste cliënten. Indien nodig kan de hulp helpen bij de bestelling. Boodschappen doen 1x p.w. 20 +10 reistijd naar dichtstbijzijnde winkel > 2km +10 per extra persoon Boodschappen opruimen 1x p.w 10 Maaltijden Deeltaak Gemiddelde frequentie Min p/w Afwijken bij toelichting Broodmaaltijd 1x per dag 15 Tijd verdubbelen als de cliënt het de lunch niet zelf uit de koelkast kan halen. Voor dagen dat de maaltijd door mantelzorger/bezoek kan worden verzorgd geen tijd indiceren. Lunch kan tegelijk met ontbijt worden klaargemaakt en in koelkast worden gezet. Warme maaltijd opwarmen. 1x per dag 15 Koken 1x per dag 30 10 minuten extra bij meer dan 4 gezinsleden 10 minuten extra bij gezinnen met kinderen jonger dan 4 jaar. Het opwarmen van de maaltijd is in de meeste gevallen de goedkoopst passende oplossing. Algemeen Deeltaak Gemiddelde frequentie Min p/w Afwijken bij toelichting Plannen over te nemen taken, taakverdeling maken bij samen opwerken 1x p.w 10 Ernstige gedragsproblemen of communicatieproblemen als gevolg van beperkingen kunnen aanleiding zijn om extra tijd te indiceren. Instructie en advies 30 Samen activiteiten uitvoeren, resultaat binnen 6 weken bereiken. Check houdbaarheid levensmiddelen 1x p.w 10 Indirecte tijd 1x p.w 10 Het standaard toekennen van indirecte tijd is overgenomen uit het KPMG rapport dat in opdracht van de gemeente Utrecht is uitgevoerd. De omvang van de directe tijd is lokaal bepaald. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat in Gooise Meren op onderdelen al extra tijd wordt toegekend (maatwerk). Overige ruimtes 5 Er wordt maximaal 20 min per periode van vier weken toegekend om vervuiling van de ruimtes die niet frequent worden schoongemaakt te voorkomen.