Protocol integriteitonderzoeken Purmerend 2019 GriffieDe gemeenteraad van Purmerend; Gelet op artikel 125quater van de Ambtenarenwet en norm 13; Modelaanpak Basisnormen Integriteit Openbaar Bestuur en Politie, april 2006; Gelet op het instemmende besluit van de Ondernemingsraad d.d. 9 mei 2019; B E S L U I T: Het Protocol integriteitsonderzoeken vast te stellen. Inhoudsopgave Inleiding 2 1. Definities 2 2. Aanleiding tot een onderzoek 3 2.1 Totstandkoming van een onderzoek 3 2.2 De opdracht 3 3. Het onderzoek 4 3.1 Bevoegdheden 4 3.2 Inlichten van de persoon in kwestie 4 3.3 Onderzoekers 4 3.4 Informatieverstrekking door de onderzoekende instantie 4 3.5 Informatieverstrekking door de Werkgeverscommissie 5 3.6 Uitbreiding van een onderzoek 5 3.7 Medewerking aan een onderzoek 5 4. Onderzoeksmethoden 5 4.1 Het verkrijgen van informatie van personen 5 4.2 Observatie 7 4.3 Doorzoeken van de werkomgeving 7 4.4 Onderzoek telecommunicatie 8 5. De resultaten van het onderzoek 9 5.1 Wederhoor 9 5.2 Rapportage 9 5.3 Onderzoeksbevindingen naar de Werkgeverscommissie 9 5.4 Openbaar maken van de onderzoeksbevindingen 9 6. Privacybescherming 10 7. Indienen klacht 10 8. Inwerkingtreding 10 Inleiding In dit protocol wordt beschreven hoe een intern onderzoek naar een integriteitschending, dan wel een vermoeden van een misstand zoals bedoeld in de Regeling Melding Vermoeden Misstand Purmerend 2018, binnen een onderdeel van de gemeente Purmerend verloopt en wat de rechten en de plichten zijn van de bij het onderzoek betrokken personen en de onderzoekende instantie. Dit betekent dat de procedure, rechten en plichten zoals beschreven in dit protocol worden nageleefd door alle instanties die een intern onderzoek naar een vermoedelijke integriteitschending of misstand verrichten, ongeacht of dit bijvoorbeeld een particulier bureau is of de organisatie zelf. Alle bij het onderzoek betrokkenen personen ontvangen van de onderzoekende instantie een exemplaar van dit protocol, zodra om hun medewerking wordt verzocht. Als een zwaarwegend belang het noodzakelijk maakt, kan na toestemming van de Werkgeverscommissie worden afgeweken van het protocol. In het geval wordt besloten af te wijken van het protocol, dan vindt daarover verantwoording plaats in het rapport. Daarnaast wordt het voornemen af te wijken van het protocol vooraf gemotiveerd voorgelegd aan de Commissie Integriteit. 1. Definities In dit protocol wordt verstaan onder: vermoeden van een misstand: een vermoeden van een werknemer, dat binnen de organisatie waar hij werkt of bij een andere organisatie indien hij door zijn werkzaamheden met die organisatie in aanraking is gekomen, sprake is van een misstand voor zover: het vermoeden gebaseerd is op redelijke gronden, die voortvloeien uit de kennis die de werknemer bij zijn werkgever heeft opgedaan of voortvloeiend uit de kennis die de werknemer heeft gekregen door zijn werkzaamheden bij een ander bedrijf of een andere organisatie, en het maatschappelijk belang in het geding is bij: de (dreigende) schending van een wettelijk voorschrift, waaronder een (dreigend) strafbaar feit, een (dreigend) gevaar voor de volksgezondheid; een (dreigend) gevaar voor de veiligheid van personen; een (dreigend) gevaar voor de aantasting van het milieu; een (dreigend) gevaar voor het goed functioneren van de organisatie als gevolg van een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten. integriteitsschending: een aantasting van de integriteit voorzover deze niet valt onder de omschrijving van een vermoeden van een misstand. opdrachtgever: de Werkgeverscommissie geeft opdracht tot het uitvoeren van het onderzoek en wijst de interne dan wel externe onderzoekers aan. De onderzoeken worden begeleid door een functionaris die speciaal is aangewezen om onderzoeken te begeleiden, die over de voortgang en de beslissingen die genomen worden in nauw contact staat met de Werkgeverscommissie. In beginsel is dit de integriteitscoördinator. In het geval een dergelijke specifieke begeleider (tijdelijk) ontbreekt is het de teammanager P&O die het onderzoek begeleidt, mits de absolute onafhankelijkheid gewaarborgd kan worden. Indien dit niet het geval is, wijst de Werkgeverscommissie iemand anders aan. de persoon in kwestie: de ambtenaar of medewerker wiens handelingen worden onderzocht. intern betrokkenen: ambtenaren en bestuurders waaronder ook de arbeidscontractanten, uitzendkrachten, inhuurkrachten en gedetacheerden die werkzaam zijn bij de gemeente Purmerend en aan wie medewerking aan het onderzoek is verzocht. extern betrokkenen: personen aan wie medewerking aan het onderzoek is verzocht, maar die niet werkzaam zijn bij de gemeente Purmerend. onderzoekende instantie: de particuliere instantie danwel de interne instantie die wordt aangesteld om onderzoek te verrichten naar een vermoedelijke integriteitschending. commissie Integriteit: commissie die als doel heeft vanuit de bestuurlijke en ambtelijke top, sturing geven aan de ontwikkeling, uitvoering en de naleving van een eenduidig integriteitbeleid binnen de gemeente Purmerend. De taken en de samenstelling van de commissie zijn vastgelegd in een Instellingsbesluit Commissie Integriteit. 2.Aanleiding tot onderzoek 2.1 Totstandkoming van een onderzoek Een onderzoek vindt alleen plaats nadat er op grond van concrete aanwijzingen een vermoeden van een misstand of integriteitschending is ontstaan. In geval van een concrete aanwijzing van een vermoeden van een misstand of integriteitschending kan onderzoek achterwege blijven als het bijvoorbeeld de verwachting is dat onderzoek (nagenoeg) geen resultaat zal opleveren of het vermoeden niet of nauwelijks te onderzoeken valt. Is de melding onvoldoende concreet, dan kan besloten worden om eerst een vooronderzoek[1] te starten om meer duidelijkheid te krijgen over de vermeende misstand of integriteitschending. De Werkgeverscommissie wijst de interne dan wel externe onderzoekers aan. De onderzoekers dienen voldoende objectief en deskundig te zijn. Zij mogen op geen enkele wijze betrokken zijn bij de vermeende integriteitsschending dan wel de mogelijke pleger daarvan. [1] Een vooronderzoek heeft als doel te onderzoeken of het vermoeden voldoende aanknopingspunten biedt om een feitenonderzoek te starten. Een vooronderzoek is geen feitenonderzoek en heeft ook niet dat karakter. 2.2 De opdracht Na overleg tussen de Werkgeverscommissie en de onderzoekende instantie wordt de opdracht tot het verrichten van het onderzoek schriftelijk vastgelegd. De opdracht bevat in ieder geval: de aanleiding een duidelijk omschreven doelstelling de onderzoeksvragen de vermelding dat de Werkgeverscommissie instemt met het gebruik door de onderzoekende instantie van de hem toekomende onderzoeksbevoegdheden, de onderzoeksmethoden en de vermoedelijke duur van het onderzoek. Als tijdens het onderzoek blijkt dat het onderzoek meer tijd zal vergen dan verwacht, worden de Werkgeverscommissie en overige betrokkenen daarvan tijdig op de hoogte gesteld. 3. Het onderzoek 3.1 Bevoegdheden Het onderzoek wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Werkgeverscommissie en met gebruikmaking van de onderzoeksbevoegdheden die hij als werkgever heeft. Er zijn bepaalde bevoegdheden, die niet in het CAR/UWO staan, waarvan een werkgever gebruik kan maken om zijn werknemers te controleren, indien het vermoeden bestaat dat zijn werknemers zich niet gedragen als een ‘goed werknemer’ (artikel 15:1 CAR/UWO) dat hoort te doen. Deze bevoegdheden zijn dan gebaseerd op jurisprudentie en analoge toepassing van artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek in het ambtenarenrecht. De onderzoeksprocedures en -strategieën worden, na overleg met de Werkgeverscommissie, door de onderzoekende instantie vastgesteld. Bij het bepalen van de procedures, strategieën en methoden van onderzoek worden de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit toegepast. Onder subsidiariteit wordt verstaan, dat bij de afweging welke procedure, strategie of methode wordt toegepast, gekozen wordt voor de variant die het minst ingrijpend is. Volgens het proportionaliteitsbeginsel wordt gekeken naar een redelijke verhouding tussen middel en doel (evenredigheid). De onderzoekende instantie zal bewijs niet onrechtmatig, dat wil zeggen niet in strijd met wet- en regelgeving of jurisprudentie vergaren. 3.2 Inlichten van de persoon in kwestie Het is de verantwoordelijkheid van de Werkgeverscommissie om, na overleg met de onderzoekende instantie en de griffier, de persoon in kwestie op de hoogte te stellen van het feit dat een onderzoek is ingesteld naar zijn handelingen. Dit gebeurt zo spoedig mogelijk nadat het onderzoek is gestart, tenzij het onderzoeksbelang zich hier tegen verzet. 3.3 Onderzoekers De medewerkers van de onderzoekende instantie legitimeren zich op verzoek. Indien nodig schakelt de onderzoekende instantie na overleg met de Werkgeverscommissie derden met de vereiste deskundigheid in. De onderzoekende instantie is ten opzichte van de Werkgeverscommissie verantwoordelijk voor de kwaliteit van de werkzaamheden van deze derden. 3.4 Informatieverstrekking door de onderzoekende instantie Tijdens het onderzoek wordt de Werkgeverscommissie geregeld mondeling door de onderzoekende instantie over de voortgang op de hoogte gehouden. Hiervoor wordt door de onderzoekende instantie een journaal van het onderzoek bijgehouden. De Werkgeverscommissie en de onderzoekende instantie maken afspraken over de wijze waarop tussenrapportages, mondeling of schriftelijk, worden uitgebracht. Voorafgaand aan, tijdens en na afloop van het onderzoek stelt de onderzoekende instantie zonder toestemming van de Werkgeverscommissie geen informatie aan derden ter beschikking, tenzij de onderzoekende instantie daartoe door een wettelijk voorschrift of gerechtelijke uitspraak wordt verplicht. De Werkgeverscommissie blijft te allen tijde eigenaar van de onderzoeksinformatie. 3.5 Informatieverstrekking door de Werkgeverscommissie Verstrekking van informatie over het onderzoek aan de media, het publiek, de eigen organisatie en overige personen geschiedt uitsluitend door de Werkgeverscommissie, na voorafgaand overleg met de onderzoekende instantie. De Werkgeverscommissie stelt de onderzoekende instantie in kennis van de vragen die voor, tijdens en na het onderzoek zijn gesteld en van de antwoorden die zijn gegeven. De Werkgeverscommissie is verantwoordelijk voor de wijze waarop de persoon wiens informatie de aanleiding is geweest tot het geven van een onderzoeksopdracht, wordt ingelicht over het onderzoek en de resultaten ervan. Als de Werkgeverscommissie deze persoon gedurende het onderzoek wil informeren, gebeurt dit na voorafgaand overleg met de onderzoekende instantie. 3.6 Uitbreiding van een onderzoek Vindt de Werkgeverscommissie na het verkrijgen van de voortgangsrapportages en na overleg met de onderzoekende instantie dat het onderzoek moet worden uitgebreid, dan wordt die uitbreiding schriftelijk vastgelegd. 3.7 Medewerking aan een onderzoek De personen die worden verzocht hun medewerking te verlenen aan het onderzoek zijn daartoe niet verplicht, anders dan krachtens wet of rechterlijk oordeel. Als een intern of extern betrokkene weigert mee te werken aan het onderzoek, wordt dat gemeld bij de Werkgeverscommissie en vermeld in de rapportage. De persoon in kwestie en de intern betrokkenen hebben als ambtenaar in beginsel de plicht om te voldoen aan een redelijk verzoek van hun werkgever. De persoon in kwestie heeft daarentegen het recht om zijn medewerking aan het onderzoek te weigeren, voorzover hij hiermee zichzelf zou belasten. Als hij geen medewerking verleent, kan dit leiden tot rechtspositionele maatregelen. Dat is het geval als sprake is van gerechtvaardigde, ernstige twijfel aan de integriteit van de persoon in kwestie, wanneer zijn functie bijzondere eisen stelt aan de integriteit en door zijn weigering om mee te werken deze twijfel blijft bestaan. De weigering van een intern betrokkene om, in de uitoefening van zijn functie, mee te werken aan het onderzoek kan worden gemeld bij zijn leidinggevende. Als de weigering daartoe aanleiding geeft (bijvoorbeeld doordat er sprake is van plichtsverzuim) bestaat de mogelijkheid dat er passende rechtspositionele maatregelen genomen worden. Het voorgaande geldt ook als tijdens het onderzoek blijkt dat een intern betrokkene bewust onjuiste informatie heeft verstrekt of opzettelijk relevante informatie heeft achtergehouden. 4. Onderzoeksmethoden De onderzoekende instantie kan tijdens een onderzoek beschikken over de navolgende, van de Werkgeverscommissie/werkgever afgeleide, bevoegdheden. Deze bevoegdheden worden pas aangewend na toestemming van de Werkgeverscommissie en met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. 4.1 Het verkrijgen van informatie van personen Artikel 15:1 CAR/UWO bepaalt dat de ambtenaar is gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Daaruit kan voortvloeien dat de werkgever (en de onderzoekende instantie tijdens een onderzoek in zijn opdracht) zijn werknemer verzoekt om informatie betreffende zijn functie, of datgene wat hij uit hoofde van zijn functie weet of heeft waargenomen. Ook de extern betrokkene kan verzocht worden om informatie te geven. Een verzoek tot informatieverstrekking valt te onderscheiden in een: verzoek tot het mondeling verstrekken van feiten of omstandigheden; verzoek tot het ter beschikking stellen van of inzage geven in schriftelijke stukken of andere goederen. Ad
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.