← Nederland

Havenverordening North Sea Port Netherlands 2019 (Terneuzen)

Obsah (6)§ 1Artikel 1Artikel 2Artikel 3Artikel 4Artikel 5

lege van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen gelet op de artikelen 149 en 154 van de Gemeentewet; overwegende dat het ter bevordering van een goed havenbeheer noodzakelijk is om regel

Havenverordening North Sea Port Netherlands 2019 Aanleiding Met ingang van 1 januari 2011 is North Sea Port Netherlands N.V. (Voorheen N.V. Zeeland Seaports) een zelfstandig bedrijf waarvan 100% van de aandelen in handen waren van de gemeenschappelijke regeling Zeeland Seaports. Inmiddels heeft een fusie plaatsgehad met Havenbedrijf Gent. Hierdoor houdt de GR ZSP nog 50% van de aandelen in het opgerichte fusiebedrijf Nort Sea Port SE en is Nort Sea Port Netherlands N.V. een van de twee dochterondernemingen. Door de GR ZSP is besloten tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling. In verband met de opheffing van de GR ZSP zijn bij overeenkomst afspraken gemaakt over gevolgen voor de uitoefening van de publieke taken. Dit betekent onder meer dat de gemeenten afzonderlijk voor hun eigen grondgebied een verordening dienen vast te stellen voor de orde en veiligheid binnen het havengebied. Uitoefening bevoegdheden op grond van havenverordening. De gemeente heeft binnen haar grondgebied verordende bevoegdheid ten aanzien van de belangen die op grond van de Uitvoeringsovereenkomst opheffing GR ZSP door de deelnemers aan North Sea Port Netherlands N.V. zijn opgedragen. De bevoegdheden, genoemd in de verordening, zijn door de gemeenteraad toegekend aan het college. Het college heeft deze bevoegdheden grotendeels aan de havenmeester gemandateerd. De havenmeester oefent deze bevoegdheden derhalve niet op eigen gezag uit, maar namens het college (het bestuursorgaan). In hoofdstuk 10 van de Awb is de verhouding tussen de mandaatgever en de gemandateerde geregeld. In de eerste plaats kan de mandaatgever de gemandateerde per geval of in het algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. Voorts verschaft de gemandateerde de mandaatgever op diens verzoek inlichtingen ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. De mandaatgever blijft bevoegd om de bevoegdheid zelf uit te oefenen. Ook kan de mandaatgever de bevoegdheid te allen tijde intrekken. Het beslissen op een bezwaarschrift dat gericht is tegen een in mandaat uitgeoefende bevoegdheid leent zich niet voor mandatering. Op de bezwaarschriften dient te worden beslist door het bestuursorgaan namens wie het besluit is genomen. Dit betekent dat op de bezwaarschriften door het college wordt beslist. De Havenverordening De bij het inwerking treden van deze verordening ingetrokken Havenverordening Zeeland Seaports 2018 en de daaraan gekoppelde regelgeving is in december 2017 geactualiseerd. Hierbij is de regelgeving die bij de verzelfstandiging van de Gemeenschappelijke Regeling Zeeland Seaports tot de NV Zeeland Seaports in 2011 in werking was getreden, ingetrokken. De onderhavige verordening (Havenverordening Nort Sea Port Netherlands 2019) is behoudens een enkele noodzakelijke aanpassing één op één een omzetting van de op 1 januari 2018 in werking getreden Havenverordening Zeeland Seaports 2018. Wel is uit praktisch oogpunt vastgehouden aan een eenduidige verordening die geldt binnen het beheersgebied waarvoor aan North Sea Port Netherlands het beheer is opgedragen. Bepaalde bepalingen zijn hierdoor uitsluitend van toepassing voor zover gelegen binnen de gemeentegrenzen van respectievelijk de gemeenten Borsele, Terneuzen en Vlissingen. Artikelsgewijze

§ 1

Algemene bepalingen

Artikel 1

.1 Begripsomschrijvingen De begrippen die in de Havenverordening worden gebruikt, zijn ondergebracht in artikel 1.1. Enkele begrippen uit dit artikel behoeven nadere

: d. Behandeling van een gevaarlijke stof Deze begripsomschrijving omvat niet alleen de overslag, maar ook verschillende andere soorten handelingen aan boord van een schip (zoals het intern verpompen of mengen, maar ook schoonmaken), die vanwege de aard van de stoffen een bepaald risico inhouden, met uitzondering van debunkeren of bunkeren van bunkerolie of LNG-brandstof. Het debunkeren of bunkeren is uitgezonderd, aangezien deze handelingen onder specifieke regelgeving in de verordening vallen. m. Brandstofolie Ook brandstofolie van binnenvaartschepen valt onder het toepassingsbereik. z. Exploitant Onder exploitant wordt verstaan: de eigenaar, beheerder, rompbevrachter of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van het schip. Deze definitie hangt samen met artikel 1.11 waarin de normadressaat is opgenomen: degenen tot wie de bepalingen van de Havenverordening zich richten. hh. Havenmeester Onder het begrip havenmeester wordt de havenmeester van North Sea Port Netherlands verstaan. In artikel 2.1 is opgenomen dat het college de havenmeester aanwijst. qq. en lll. Kapitein en schipper De kapitein of de schipper is degene die de feitelijke leiding heeft over een schip. Dit is in principe de (papieren) kapitein, maar kan ook zijn vervanger zijn, of iemand anders van de bemanning die op dat moment de feitelijke leiding heeft. De definities hangen samen met artikel 1.11 waarin de normadressaat is opgenomen: degenen tot wie de bepalingen van de Havenverordening zich richten. ss., tt, uu en vv. LNG Met de introductie van LNG als nieuwe en schonere brandstof voor de scheepvaart was het noodzakelijke een apart regiem voor LNG-bunkeractiviteiten vast te stellen. In dit kader worden enkele begrippen die betrekking hebben op de LNG-bunkeractiviteiten in dit artikel gedefinieerd. iii. Schadelijke stoffen In deze definitie wordt alleen nog naar de Wet voorkoming verontreiniging door schepen verwezen. In deze wet worden alle schadelijke stoffen aangewezen. Om die reden behoeft het college – zoals voorheen het geval was – deze stoffen niet nader aan te wijzen. jjj. Scheepsafval Aan de definitie scheepsafval is bijlage VI van het internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen toegevoegd. Bijlage VI omvat ozon aantastende stoffen die ook in scheepsafval kunnen voorkomen. kkk. Schip Aan de definitie schip zijn de begrippen boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object opgenomen. Dit begrip hangt samen met artikel 3.10, waarin het verbod tot het opvijzelen van boor- en werkeilanden is geregeld. Door deze begrippen hier op te nemen, wordt voorkomen dat een werkeiland of soortgelijk object niet onder de definitie van "schip" zou vallen. Voorts wordt hiermee voorkomen dat een opgevijzeld (op zijn poten staand) booreiland buiten de werking van de definitie zou vallen. ooo. Schoonmaken Ten aanzien van dit begrip wordt ter voorkoming van onduidelijkheden opgemerkt dat als schoonmaakhandeling tevens wordt aangemerkt het wassen van een schip met ruwe olie. uuu. Spudpaal Een spudpaal is een inrichting, anders dan ankers, waarmee het schip zichzelf in de onderwaterbodem kan verankeren. cccc. Zeeschip Ten aanzien van de definitie zeeschip wordt opgemerkt dat schepen die de vereiste documenten hebben om op de binnenwateren en op zee te varen (zogenaamde binnen-buitenschepen), op grond van deze definitie worden aangemerkt als zeeschip.

Artikel 1

.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied strekt zich uit tot het gehele beheersgebied van North Sea Port Netherlands. Naast de havenverordening gelden de gemeentelijke APV’s ten aanzien van onderwerpen die niet in de onderhavige havenverordening zijn geregeld.

Artikel 1

.3 Aanvulling of afwijking van de Algemene wet bestuursrecht Artikel 1.3 regelt de verhouding van de havenverordening in relatie tot de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 1

.4 Verlenen van toestemmingen en beslistermijn Voor de duidelijkheid is deze algemene regel, conform artikel 4.13 van de Awb nu opgenomen in de verordening. Het verlengen van de beslistermijn is vastgesteld op vier weken. Op grond van het derde lid is mogelijk gemaakt dat bij of krachtens deze verordening voor bepaalde besluiten een andere afwijkende beslistermijn kan worden vastgesteld. Vooralsnog wordt van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Artikel 1

.5 Voorschriften en beperkingen In de strafbepalingen van deze havenverordening wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Dat geldt dus ook voor overtreding van de aan de toestemming verbonden voorschriften of beperkingen.

Artikel 1

.6 Meldings- of kennisgevingsplicht De meldings- of, kennisgevingsplicht uit deze verordening staat los van verplichtingen die de gebruiker van het havengebied heeft op grond van andere wetgeving.

Artikel 1

.7 Geldigheidsduur In het eerste lid wordt geregeld dat een vergunning of vrijstelling wordt verleend voor de duur van maximaal vijf jaar. Wel bestaat de mogelijkheid bij of krachtens de havenverordening te bepalen dat een andere maximale termijn wordt vastgesteld. Het tweede lid regelt dat een erkenning voor maximaal vijftien jaar kan worden verleend. Het derde lid bepaalt dat een ontheffing, indien deze wordt verleend voor een eenmalige gedraging of handeling, wordt verleend voor de duur van die gedraging of handeling. Kanttekening hierbij is dat een ontheffing nooit langer dan voor zes maanden kan worden verleend. Op grond van het vierde lid kan de ontheffing in spoedeisende gevallen voor een eenmalige gedraging of handeling mondeling worden verleend. Wel wordt de ontheffing daarna zo spoedig mogelijk op schrift gesteld.

Artikel 1

.8 Weigeren, wijzigen of intrekken van toestemming Onder het bepaalde in onderdeel d, worden ook beleidswijzigingen bedoeld. Deze kunnen tot intrekking of wijziging van de toestemming leiden. Daarbij moeten vanzelfsprekend door het bestuursorgaan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden genomen. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking dan wel wijziging van de vergunning of ontheffing wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. Met name het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.

Artikel 1

.9 Grond voor verlening van een ontheffing Dit artikel bepaalt dat een ontheffing bij of krachtens deze verordening slechts kan worden verleend, indien het belang dat door het betrokken verbod wordt beschermd, zich daartegen niet verzet.

Artikel 1

.10 Verplichtingen van houders van toestemmingen Op grond van dit artikel moet de houder – indien een toestemming op een schip betrekking heeft – de toestemming of een kopie daarvan, aan boord van het schip houden, tenzij het schip geen bemanningsverblijf heeft.

Artikel 1

.11 Normadressaat Dit artikel bepaalt tot wie de voorschriften van de verordening zich richten. Tenzij uit de tekst anders blijkt, is de kapitein of de schipper verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. De kapitein of schipper is degene die de feitelijke leiding heeft over een schip. Dit is in principe de (papieren) kapitein of schipper, maar kan ook zijn vervanger zijn, of iemand anders van de bemanning die op dat moment de feitelijke leiding heeft. Overal waar in de verordening staat “het is verboden”, richt de norm zich dus in de eerste plaats tot de kapitein, de schipper, of zijn plaatsvervanger. Met nadruk zij hier opgemerkt dat er enkele artikelen in de verordening zijn opgenomen waarin expliciet is bepaald dat “een ieder” zich aan dat voorschrift dient te houden. De normen in die artikelen richten zich derhalve niet tot de kapitein of de schipper, maar tot iedereen. Voor dit systeem is in deze verordening gekozen om eenduidigheid ten aanzien van het normadressaat te verkrijgen. Bijkomend voordeel is dat niet langer in elk artikel afzonderlijk behoeft te worden bepaald tot wie de norm zich richt. § 2 Havenmeester

Artikel 2

.1 Aanwijzing havenmeester en mandatering bevoegdheden Artikel 2.1 vormt de basis voor het college om de havenmeester aan te wijzen de uitvoering van de bevoegdheden en taken in deze verordening. De hier bedoelde havenmeester is de havenmeester in dienst van de North Sea Port Netherlands N.V. § 3 Orde in en gebruik van de haven

Artikel 3

.1 Meldplicht zeeschepen Op grond van dit artikel kan het college in nadere regels vastleggen welke gegevens door zeeschepen aan de Havenmeester moeten worden gemeld, op welke wijze de melding dient te geschieden en wanneer deze melding dient plaats te vinden.

Artikel 3

.2 Operationele melding Daar waar artikel 3.1 de administratieve meldplicht regelt voor zeeschepen, voorziet artikel 3.2 in voorschriften m.b.t. de operationele meldingen voor alle schepen die de havens binnen willen varen, zich aldaar bevinden of deze juist willen verlaten.

Artikel 3

.3 Verkeerstekens Zowel in het Binnenvaartpolitiereglement als in het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen is een voor Nederland uniform systeem van verkeerstekens geregeld. Afhankelijk van de ligging van de haven binnen de gemeentegrens is een van deze reglementen van toepassing.

Artikel 3

.4 Bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken In niet alle gevallen is het mogelijk om in de haven een verkeersteken te plaatsen. Het vaarwater kan bijvoorbeeld te breed zijn waardoor het plaatsen van een bord niet effectief is. In zulke gevallen bestaat de mogelijkheid om een besluit te nemen inhoudende een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken. In artikel 1.1 wordt het begrip “bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken” gedefinieerd.

Artikel 3

.5 Verbod tot nemen van ligplaats In principe is het verboden ligplaats te nemen of zich met een schip op een ligplaats te bevinden, tenzij een of meerdere van de uitzonderingsbepalingen, genoemd in het eerste lid in acht worden genomen. Door opname van een ontheffings- en vrijstellingsregeling kan het college middels beperkingen en voorschriften die aan een vergunning, ontheffing of vrijstelling worden verbonden, anticiperen op de specifieke omstandigheden van de ligplaats. Het nemen van ligplaats omvat tevens ankeren of gebruik maken van spudpalen op de aangewezen ankerplaatsen.

Artikel 3

.6 Aanwijzing operationele ruimte De ligplaatsen, genoemd onder artikel 3.5, eerste lid onder b, zijn alle ligplaatsen die in de haven aanwezig zijn. De afmeervoorzieningen, waar zij aan liggen, kunnen onder beheer staan van verscheidene partijen: huurders, erfpachters of eigenaren. In verband met aan de ene kant een toenemende verkeersintensiteit en aan de andere kant een optimalisering en intensivering van het gebruik van het aanwezige wateroppervlak in de haven, is een maatregel noodzakelijk gebleken om uit het kader van ordening en veiligheid in de haven de operationele ruimte van een ligplaats te reguleren. Door middel van een publiekrechtelijk besluit, de aanwijzing, kan het college aan een ligplaats een operationele ruimte toewijzen, een in drie dimensies afgebakend waterperceel, waarbinnen schepen ligplaats kunnen nemen om hun activiteiten uit te voeren. Het vaststellen van de grenzen van deze ruimte geschiedt op een zodanige wijze, dat de eigenaar van de ligplaats onder praktisch alle omstandigheden al zijn reguliere scheepvaartontvangsten kan afhandelen, waarbij ook voldoende manoeuvreerruimte overblijft voor het vertrek en de aankomst van schepen op naburige ligplaatsen.

Artikel 3

.7 Verbod overschrijding operationele ruimteligplaatsen In het eerste lid van dit artikel wordt de verantwoordelijkheid voor de naleving van het afhandelen van de schepen binnen de vastgestelde operationele ruimte neergelegd bij de huurder, erfpachter of eigenaar (=beheerder) van de afmeervoorzieningen, waar de ligplaats aan ligt, aangezien deze beschikt over de actuele planning van verwachte scheepvaart op zijn of haar ligplaats. Mocht de operationele ruimte geheel of gedeeltelijk overschreden gaan worden, dan biedt het derde lid van dit artikel de mogelijkheid aan het college om onder het stellen van voorschriften en beperkingen ontheffing te verlenen van het verbod tot overschrijding van de operationele ruimte. Bij het al dan niet afgeven van de ontheffing zullen criteria als maximale tijdsduur, afstemming met omliggende bedrijven ten aanzien van verwachte scheepvaart en de grootte van de overschrijding een rol spelen. Op deze wijze wordt aan de voorkant van de afhandeling van het scheepvaartproces ingespeeld op een veilige en verantwoorde afhandeling van de scheepvaart en worden plotseling optredende knelpunten in ligplaats- en manoeuvreerruimte voorkomen. In het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor de zogenaamde faciliterende schepen; de bunkerschepen en dienstverlenende schepen. De activiteiten van deze schepen worden afgestemd tussen de schepen op de ligplaats en de faciliterende schepen. Veelal heeft de beheerder van de ligplaats hier géén directe planning van beschikbaar en deze activiteiten vallen ook niet onder diens directe verantwoordelijkheid. Gelet op het relatief kortdurende karakter van deze activiteiten is er voor gekozen om deze bunkerschepen en dienstverlenende schepen een operationele melding aan de havenmeester te laten doen. Deze kan overzien of de operationele ruimte wordt overschreden en zo ja, of dit een knelpunt gaat opleveren in de scheepvaartafhandeling. Indien dit niet het geval is, zal aan het bunkerschip of dienstverlenende schip toestemming worden gegeven. Ten slotte zij vermeld dat aan de aanwijzing van de operationele ruimte door het college nadere voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden van een nautische aard, voor zover deze uit het oogpunt van ordening, veiligheid, milieu en de omgeving van de haven noodzakelijk zijn. Te denken hierbij valt aan het verplicht stellen van bepaalde borden en verlichting op afmeerpalen of het vaststellen van de minimale kielspeling van een schip op die ligplaats.

Artikel 3

.8 Ligplaatsverbod niet bedrijfsmatig vervoer Dit artikel regelt het verbod op het innemen van een ligplaats voor schepen die niet deelnemen aan het bedrijfsmatig vervoer. Onder bedrijfsmatig vervoer wordt verstaan: ten eerste: vervoer in de uitoefening van een bedrijf of beroep; ten tweede: vervoer van goederen, uitsluitend bestemd voor of afkomstig van de eigen onderneming; ten derde: slepen en duwen van schepen met sleep-, duw- en sleepduwboten; De reden van opname van dit artikel is gelegen in het feit dat er in beginsel voldoende ligplaatsen beschikbaar blijven voor schepen die wel deelnemen aan bedrijfsmatig vervoer te water.

Artikel 3

.9 Verbod onderbemande schepen Indien zich een calamiteit voordoet in de haven, moeten schepen - in verband met de veiligheid of het milieu - met spoed verhaald kunnen worden. Bij een brand zouden de schepen bijvoorbeeld in de weg kunnen liggen voor incidenten bestrijdingsvaartuigen. In lid 2 wordt een uitzondering gemaakt voor duwbakken, pontons etc. Deze uitzondering is echter niet van toepassing op offshore-pontons, die gelet op hun omvang nadere aandacht behoeven.

Artikel 3

.10 Verbod opvijzelen boor- of werkeiland Op grond van dit artikel is het verboden om een boorinstallatie, een werkeiland of een soortgelijk object (hierna: werkeiland) op te vijzelen. Dit artikel is opgenomen in verband met het toenemend gebruik van de haven door werkeilanden. Bij het opvijzelen - dat is het met behulp van de aan boord geplaatste vijzels op eigen kracht verheffen van een werkeiland - worden de poten van het werkeiland op de bodem geplaatst. Vervolgens werkt het werkeiland zich omhoog. In artikel 1.8 is bepaald dat het college de afgifte van een ontheffing kan weigeren indien een of meer van de belangen die worden beschermd door deze verordening, waaronder redenen die de orde, de veiligheid of het milieu in de haven en de omgeving van de haven betreffen, dat wenselijk maken. De gegevens die moeten worden verstrekt bij de aanvraag tot een ontheffing bieden de mogelijkheid om tot een goede beoordeling van de nautische en andere veiligheidsaspecten van de haven te komen. De exploitant van een werkeiland, die eerstverantwoordelijke is voor de activiteiten, heeft tevens belang bij een zo effectief mogelijke informatie-uitwisseling met de havenbeheerder. In de bodem kunnen zich bijvoorbeeld leidingen, kabels of duikers bevinden die door de vrijkomende krachten beschadigd kunnen worden. Ook dient rekening te worden gehouden met de vergrote windgevoeligheid van het werkeiland tijdens en na het opvijzelen. De gegevens die moeten worden overgelegd bij de aanvraag om een ontheffing omvatten dan ook tevens een mededeling omtrent de resultaten van het door de exploitant uit te (laten) voeren bodemonderzoek. Indien een werkeiland zich bevindt op een scheepswerf of bij een herstellingsinrichting geldt het verbod niet, voor zover de activiteiten vallen binnen de werkingssfeer van de vergunning die is afgegeven krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 3

.11 Voorzieningen/voorwerpen in de haven Dit artikel bepaalt in algemene zin dat het verboden is voorzieningen of voorwerpen in, op, onder of boven water te hebben of aan te brengen indien daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan. De havenbeheerder dient in verband met het veilig gebruik van de haven op de hoogte te zijn van alle voorzieningen die in, onder of boven water worden aangebracht en die van een min of meer permanent karakter zijn. Uitgezonderd zijn scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen om een schip te laden en te lossen. Daarbij wordt de eis gesteld dat deze voorzieningen ook werkelijk (als zodanig) in gebruik zijn, teneinde te voorkomen dat voorzieningen die hinderlijk of gevaarlijk voor anderen zijn (bijvoorbeeld meerdraden en fenders) blijvend worden aangebracht.

Artikel 3

.12 Verhalen van schepen Indien zich een calamiteit voordoet in de haven, moeten schepen - in verband met de veiligheid of het milieu - met spoed verhaald kunnen worden, ook al liggen deze schepen er met ontheffing van het college (de havenmeester) of met een vergunning. Bij een brand zouden de schepen bijvoorbeeld in de weg kunnen liggen voor incidenten bestrijdingsvaartuigen. Aangezien normaal gesproken niet in strijd met bestaande wettelijke voorschriften wordt gehandeld, is bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:21 Awb in dergelijke gevallen niet mogelijk. Teneinde de havengebruiker tegen onnodig optreden te beschermen, wordt in het eerste lid bepaald dat - overeenkomstig artikel 5:24 Awb - de beslissing op schrift dient te worden gesteld. Voorts kan uitsluitend van de bevoegdheid gebruik worden gemaakt indien dit noodzakelijk is in het kader van de orde of ter bescherming van veiligheids- of milieubelangen. Een voorbeeld van een niet-spoedeisend belang in het kader van de orde van de haven is het noodzakelijk worden van het plegen van onderhoud aan een kademuur of steiger waaraan reeds voor langere periode een schip gemeerd ligt. In deze gevallen voorzien de algemene voorwaarden van North Sea Port Netherlands N.V.

Artikel 3

.13 Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven In, onder en langs de haven bevinden zich onder meer kunstwerken, kabels, tunnels, pijpleidingen, kades en zinkers. Het gebruik van voortstuwers (schroeven), boegschroeven of hekschroeven kan schade veroorzaken aan deze voorzieningen indien het in andere gevallen wordt gebruikt dan voor het bereiken of verlaten van een ligplaats. Het verbod betreft ook die situatie waarbij het schip op spudpalen ligt of indien men anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren, het schip gaande houdt of tegen de kade of oever drukt waarbij het schip niet met meerdraden is afgemeerd. Voorts kan – met name – het proefdraaien van machines, maar ook het trachten los te komen indien een schip aan de grond zit, grote schade veroorzaken. Het bij- of afdraaien door een bunker- of bevoorradingsschip, dat afgemeerd is aan een ander schip, ter voorkoming van schade levert een verwaarloosbaar risico op voor de haveninfrastructuur en is gelet op de vaak moeilijke afmeersituatie ter voorkoming van directe schade aanvaardbaar. Ontheffingen worden slechts in beperkte gevallen verleend. Voor het proefdraaien wordt slechts op een beperkt aantal locaties ontheffing verleend. Ten slotte is in het artikel een verplichting opgenomen dat tijdens het inwerking zijn van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven een persoon in de stuurhut aanwezig dient te zijn die bekend is met de bediening van het schip. In de praktijk is gebleken dat dit regelmatig niet het geval is. Dit kan tot zeer gevaarlijke en ongewenste situaties leiden.

Artikel 3

.14 Deugdelijk afmeren Door het opnemen van de verplichting op deugdelijke wijze af te meren, kan hiertegen worden opgetreden. Het schip moet zodanig zijn afgemeerd dat het geen voor- of achterwaartse verplaatsing kan ondergaan, met dien verstande dat enige beweging als gevolg van golfslag of winddruk onvermijdelijk is en schade, anders dan door toedoen van menselijk handelen wordt voorkomen. Daarnaast moet worden voorkomen dat tijdens laden of lossen het risico ontstaat dat lading in het oppervlaktewater wordt gemorst of schade aan haveninfrastructuur ontstaat.

Artikel 3

.15 Gebruik van ankers In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen infrastructurele voorzieningen, zoals bodembescherming, leidingen en kabels. Het gebruikmaken van ankers zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit te voorkomen is uitgangspunt in de haven dat het verboden is van een anker gebruik te maken. Daarnaast is het in verband met de orde in de haven niet acceptabel dat willekeurig ten anker wordt gegaan. Het gebruikmaken van een anker is, op grond van onderdeel a van het eerste lid, wel toegestaan indien ligplaats wordt genomen in een boeienspan of op een palenligplaats. Vanzelfsprekend mag het anker niet in de nabijheid van een boei of een paal worden neergelaten aangezien het anker de boei of paal zou kunnen beschadigen. Tevens is het gebruik van een anker toegestaan indien dit geschiedt door een drijvende kraan en zeker is gesteld dat gebruik van een anker geen schade toebrengt aan de in de onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of oever- of kadeverdedigingswerken. Indien een drijvende kraan zijn anker wil gebruiken, dient dit gemeld te worden aan de havenmeester. Tot slot kan het college op grond van het vierde lid ontheffing verlenen van het verbod om een anker te gebruiken.

Artikel 3

.16 Gebruik van spudpalen In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich op een groot aantal plaatsen infrastructurele voorzieningen, zoals, bodembescherming, leidingen en kabels. Het gebruikmaken van spudpalen zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit te voorkomen is uitgangspunt in de haven dat het verboden is van spudpalen gebruik te maken. Daarnaast is het in verband met de orde in de haven niet acceptabel dat willekeurig een schip zijn spudpalen gebruikt. Het verbod geldt niet indien dit geschiedt in overeenstemming met ter plaatse aangebrachte verkeerstekens en nadere aanduidingen als bedoeld in artikel 3.3 van de havenverordening. Tot slot kan het college op grond van het tweede lid ontheffing verlenen van het verbod om spudpalen te gebruiken.

Artikel 3

.17 Recreatievaart en zeilvaart in de haven Dit artikel regelt in het eerste lid dat het - in principe - verboden is de recreatievaart te beoefenen in de haven. Het eerste lid stelt dat het verbod niet van toepassing is indien het schip zich op weg is naar of afkomstig is van een jachthaven. Binnen het gebied waar North Sea Port Netherlands N.V. het beheer voert zijn jachthavens gelegen in een de Zijkanalen A, E en H te Terneuzen. Binnen deze Zijkanalen staat de recreatievaart de beroepsvaart niet in de weg. Tevens is het verbod niet van toepassing indien "het schip zich rechtstreeks en zonder onderbreking begeeft van of naar een in de haven gelegen jachthaven, private ligplaats of werf". Het varen met pleziervaartuigen in havens die worden gebruikt door de beroepsvaart, kan zeer gevaarlijke situaties met zich meebrengen. Het gaat hierbij om havens die onder invloed staan van de eb- en vloedstroom en die derhalve in directe verbinding staan met open zee. In het tweede lid wordt bepaald dat het verboden is de zeilvaart te beoefenen in de haven, tenzij hiervoor een ontheffing is verleend. De recreatievaart in het eerste lid heeft geen betrekking op de zeilvaart, die in het tweede lid wordt omschreven. Zeilvaart kan bedrijfsmatig - dus tegen vergoeding - worden beoefend en niet bedrijfsmatig, dus recreatief. Beide worden in het tweede lid geregeld. Een ontheffing van het verbod kan bijvoorbeeld worden verleend ingeval van een zeilwedstrijd of een manifestatie, dan wel ingeval van motorpech. Het derde lid regelt dat het verbod niet van toepassing is indien wordt gehandeld met een door het college verleende ontheffing. Dit geldt normaal voor een enkel schip. Tot slot kan het college op grond van het vierde lid een vrijstelling geven voor de in dit artikel gestelde verboden in geval van evenementen.

Artikel 3

.18 Overlast aan schepen In de praktijk van de haven komt het regelmatig voor dat handelingen plaatsvinden, zoals het vasthouden en losmaken van schepen alsmede het zich begeven en bevinden op schepen, die worden verricht door onbevoegden en dus onrechtmatig zijn. Met de invoeging van dit artikel wordt handhaving mogelijk gemaakt.

Artikel 3

.19 Vissen in de havens Aanvullend op het bepaalde bij of krachtens de Visserijwet wordt ook voor die havens die onder invloed van de getijdebeweging staan, het rapen en vissen met de hengel, spieringtuig, peur en schepen verboden. § 4 Veiligheid en milieu

Artikel 4

.1 Verontreiniging van lucht; stank, hinder of risico veroorzakende stoffen Het eerste lid van dit artikel, regelt dat het verboden is om roet uit een schip te laten ontsnappen ten gevolge van het doorblazen van het uitlaatgassensysteem. Het tweede lid bepaalt dat het verboden is stoffen uit een schip te laten ontsnappen, indien hierdoor gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden beperken zich tot handelingen die plaatsvinden aan boord van een schip. Handelingen gepleegd vanaf de wal vallen buiten deze bepalingen. Het derde lid regelt dat het college ontheffing kan verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

Artikel 4

.2 Gebruik afvalverbrandingsoven In dit artikel is ter voorkoming van gevaar, schade en hinder voor de omgeving door bijvoorbeeld ernstige rookontwikkeling (maar ook het gebruik van de afvalverbrandingsoven (incinerator) terwijl het schip is afgemeerd in een petroleumhaven) een verbod opgenomen op het gebruik van afvalverbrandingsovens aan boord van schepen. Eventueel zich aan boord bevindend afval kan worden afgegeven aan de daartoe bestemde inzamelaars.

Artikel 4

.3 Ernstig gevaar, schade of hinder opleverende schepen In het kader van een goed havenbeheer is het noodzakelijk ten aanzien van schepen die ernstig gevaar, schade of hinder of ernstige gevolgen voor de orde met zich mee (kunnen) brengen, maatregelen te kunnen treffen van min of meer ingrijpende aard. Hierbij kan gedacht worden aan schepen die in brand staan, dreigen te zinken of schepen waaruit gevaarlijke stoffen lekken. De maatregelen kunnen variëren van het treffen van noodvoorzieningen aan boord van het schip, tot - in het uiterste geval - het verbieden van binnenkomst of van verblijf van het schip in de haven. De te treffen maatregelen en het verbod zullen (zo nodig achteraf) schriftelijk worden meegedeeld.

Artikel 4

.4 Veilige toegang Dit artikel is opgenomen aangezien er in de havenpraktijk zich bij de betreding van schepen regelmatig zeer gevaarlijke en onaanvaardbare situaties voordoen. Veilige toegang tot een schip was nergens geregeld, tenzij een schip uitsluitend als een werkplaats werd gezien, dan waren er in de Arbo-wetgeving algemene voorschriften dat de werkplek veilig moest kunnen worden betreden. Echter er wordt niet altijd gewerkt, er wordt op een schip ook gewoond en geleefd en ook dan dient een schip op veilige wijze te kunnen worden betreden. Het motief voor deze regeling is gelegen in het wonen en leven aan boord, met al het daartoe noodzakelijk maatschappelijk verkeer. In dit artikel wordt als norm gesteld dat het schip over een toegang dient te beschikken waardoor in redelijkheid geen gevaar of schade voor personen kan ontstaan. Voor binnenschepen is het in sommige gevallen niet mogelijk of zeer onpraktisch om een veilige toegang tot het schip mogelijk te maken. Enerzijds is dit het geval bij laad- of loshandelingen. Door het laden of lossen van lading aan boord van een binnenschip kan het schip aanzienlijk bewegen. In dit soort situatie kan een veilige toegang niet worden gegarandeerd, sterker nog een toegang is in dit soort gevallen juist onveilig. Anderzijds meert een binnenschip soms kort af, bijvoorbeeld om passagiers of een auto af te zetten. Om in dit soort korte handelingen van een binnenschipper te eisen dat hij een veilige toegang creëert, zou een onevenredige belasting voor een binnenschipper opleveren.

Artikel 4

.5 Verbod gebruik generator In het kader van het leveren van een bijdrage aan het verbeteren van de (lokale) luchtkwaliteit realiseert Nort Sea Port Netherlands N.V. in de haven bij de openbare ligplaatsen aansluitingen voor de afname van elektriciteit (ten behoeve van de binnenvaart). Een binnenschip dat direct of indirect is afgemeerd op een openbare ligplaats in de haven, die voorzien is van een mogelijkheid voor afname van walstroom ten behoeve van dat schip, moet van deze mogelijkheid gebruik maken. Het schip mag in dat geval geen gebruik maken van een (scheeps-)generator voor het opwekken van elektriciteit, zelfs niet met gebruikmaking van een zogenaamde fluisterset. Het verbod geldt uitsluitend bij ligplaatsen waar een aansluiting voor walstroom met een afnamecapaciteit van 400 volt en ten minste 63 ampère beschikbaar is. Op het moment dat het op een ligplaats dermate druk is met binnenschepen dat geen aansluitingen meer beschikbaar zijn (bijvoorbeeld tijdens kerst of andere feestdagen), dan kunnen schepen onverkort gebruik maken van hun scheepsgenerator om elektriciteit op te wekken. Dit geldt ook voor schepen die voor hun elektriciteitsvoorziening meer stroom nodig hebben dan de walstroomvoorziening kan leveren.

Artikel 4

.6 Verbod gebruik hoofdmotor Het komt zeer regelmatig voor dat afgemeerde schepen hun hoofdmotor onnodig laten draaien, anders dan direct voor vertrek van het schip. Dit betekent een onnodige belasting van het milieu en het kan hinder voor omwonenden veroorzaken. Vergunning of ontheffing kan verleend worden voor bijvoorbeeld scheepsreparatiebedrijven.

Artikel 4

.7Verrichten van werkzaamheden Artikel 4.7 geeft regels over het verrichten van werkzaamheden aan schepen. Hieronder vallen ook werkzaamheden die buitenboord of onderwater aan het schip plaatsvinden. Grote reparaties aan schepen vinden doorgaans plaats op of aan een werf of in een dok. Kleine reparaties worden echter vaak aan boord verricht door de eigen bemanning of door buitenstaanders. Het verrichten van reparaties kan onder bepaalde omstandigheden gevaren met zich meebrengen. Het verbod richt zich niet alleen op de kapitein of de schipper, maar tevens op alle andere personen, door de toevoeging van de zinsnede “een ieder”. Zie voor een

hierop tevens de

op artikel 1.11 van deze havenverordening. Teneinde te voorkomen dat een kleine scheepsreparatie buiten een werf of herstellingsinrichting tot een reparatie van grote omvang, met inherente veiligheidsrisico's en grote tijdsduur uitgroeit, is in het eerste lid onder b, opgenomen dat de reparatieduur ten hoogste drie dagen mag duren. In het eerste lid onder b, zijn tevens de beperkingen en voorschriften opgenomen uit de thans bestaande ontheffing ter zake, zodat deze ontheffing (en aanvraag) kan vervallen, voor zover de drie dagen niet worden overschreden en wordt voldaan aan de in het artikel gestelde criteria. Het eerste lid is ook van toepassing ten aanzien van de bedrijfsgereedheid van het schip. Werkzaamheden aan bijvoorbeeld de voortstuwingsinstallatie mogen niet leiden tot het belemmeren van de bedrijfsgereedheid voor een periode van meer dan drie dagen. Indien de werkzaamheden langer dan drie dagen in beslag nemen, kan ontheffing worden aangevraagd.

Artikel 4

.8 Schoonmaakschepen, alleen afvalstoffen aan boord Schoonmaakschepen mogen op grond van dit artikel uitsluitend afvalstoffen aan boord hebben. Deze verplichting is opgenomen om te voorkomen dat schoonmaakschepen naast afvalstoffen ook lading aan boord vervoeren.

Artikel 4.9 Ontsmetten van schepen Artikel 4.9 regelt het ontsmetten van schepen.

Het verbod van behandeling van lading van schepen met (bepaalde) gassen is opgenomen in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en wordt derhalve niet langer in de havenverordening geregeld. Het in het eerste lid opgenomen verbod is beperkt tot het nemen van ligplaats. Tijdens het gassen van ruimten aan boord van een schip kunnen risico's ontstaan voor het havengebied. In verband met de veiligheid van deze omgeving, is het noodzakelijk dat de havenmeester instemt met het nemen van ligplaats door een schip en met het op die bepaalde plaats verrichten van ontsmettingsactiviteiten in de haven. In het tweede lid is het begrip “zeeschip” gewijzigd in “schip”, als gevolg waarvan de bepaling tevens van toepassing is op binnenschepen. Hierdoor wordt de bepaling in overeenstemming gebracht met de bestaande praktijk. De redactie van het tweede lid houdt tevens rekening met schepen die in het buitenland zijn beladen met aldaar (in de silo) aan de wal ontsmette lading, die in de haven wordt gelost. Deze lading kan vanzelfsprekend eveneens bepaalde risico’s met zich meebrengen. Voorts is het tweede lid beperkt tot schepen, geladen met losgestorte bulklading in vaste vorm. Hierdoor worden alle containerschepen van de toepassing uitgesloten. Deze schepen hebben containers als lading onder gas aan boord en zouden dus allemaal een ontheffing dienen te krijgen, hetgeen niet wenselijk is. Het onder gas staan van te vervoeren containers is in de IMDG-Code geregeld, inclusief de labeling. Het onder gas zetten van containers geschiedt binnen een inrichting en valt onder de vergunningplicht uit de Wet milieubeheer. In het derde lid is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen.

Artikel 4

.10 Verbod inzamelen scheepsafval Nederland heeft op 2 juli 1983 het (gewijzigde) Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen geratificeerd. Dit zogenaamde Marpol-Verdrag heeft tot doel verontreiniging van de zee (en van de kusten) ten gevolge van het lozen van schadelijke afvalstoffen van schepen te voorkomen. Het betreft afvalstoffen, afkomstig uit de normale bedrijfsvoering aan boord, zoals olierestanten en oliehoudende mengsels, schadelijke vloeibare chemicaliën, gevaarlijke en voor het milieu schadelijke stoffen in verpakte vorm, sanitair afval en vuilnis. Het Marpol-Verdrag is geïmplementeerd in de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs). Op basis van het onderhavige artikel kunnen bedrijven worden aangewezen als bedrijf met ontvangstvoorzieningen zodat kan worden voldaan aan de wettelijke verplichting, bedoeld in de Wvvs, om zorg te dragen voor voldoende voorzieningen, geschikt voor het in ontvangst nemen van restanten van schadelijke stoffen, afkomstig van zeeschepen, zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken. Daarbij kunnen 3 groepen van bedrijven worden onderscheiden: de overslagterminals en scheepsreparatiewerven, de bedrijven met een vaste inrichting aan de wal om de aangeboden schadelijke stoffen te ontvangen en eventueel te bewerken, te verwerken of te vernietigen en ten slotte de (transport)bedrijven die de afvalstoffen uitsluitend inzamelen met mobiele voorzieningen (lichters, voertuigen). Een overslagterminal of scheepsreparatiewerf, die is aangewezen voor het in ontvangst nemen van afvalstoffen, mag slechts afvalstoffen accepteren die afkomstig zijn van zeeschepen die bij het bedrijf worden geladen, gelost of gerepareerd. Ter voorkoming van een te grote belasting van de zuiveringsinstallaties van deze bedrijven mogen zij, op basis van hun lozingsvergunningen, slechts afvalstoffen die bij het laden, lossen of repareren van zeeschepen zijn ontstaan, in ontvangst nemen. Het spreekt voor zich dat bedrijven, die het in ontvangst nemen, bewerken, verwerken en vernietigen van afvalstoffen als hoofdbedrijf uitoefenen, door de aanwijzing ook verplicht zijn om alle aangewezen schadelijke afvalstoffen te accepteren. Transportbedrijven, zonder een vaste inrichting aan de wal voor het bewaren, bewerken of verwerken van afvalstoffen komen ook voor aanwijzing in aanmerking, mits zij ingevolge de milieuwetgeving gerechtigd zijn gevaarlijke afvalstoffen in te zamelen of te bewaren. Deze bedrijven worden door de aanwijzing verplicht tot aflevering van de ingezamelde scheepsafvalstoffen aan een bedrijf dat op basis van de milieuwetgeving bevoegd is die stoffen te bewerken, verwerken of vernietigen.

Artikel 4

.11 Verbod communicatievaren Voor het varen met een communicatievaartuig is een vergunning nodig. Communicatievaren, het tegen vergoeding vervoeren van personen van en naar schepen, is zonder vergunning toegestaan indien het vervoer geschiedt met een sleepboot, die bij aankomst of vertrek het zeeschip assisteert.

Artikel 4

.12 Verbod vast- en losmaken schepen Dit artikel bevat het algemene verbod tot het verrichten van diensten van een bootman. Schepen groter dan 80 meter moeten worden vast- en losgemaakt door een bootman. Schepen van 80 meter of kleiner die gevaarlijke stoffen bevatten, moeten eveneens door een bootman worden vast- en losgemaakt. In de Zeeuwse haven zijn schepen met een lengte van 80 meter of meer loodsplichtig, onafhankelijk van de plaats in de haven. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op het verbod diensten van bootman te verrichten. De mogelijkheid om vast te kunnen maken door bemanningsleden van het schip zelf is opgenomen voor gevallen waarbij geen hulp van derden is vereist, bijvoorbeeld indien vanwege de afmetingen van het schip het voorschrijven van professionele hulp niet redelijk zou zijn. Voorkomen moet worden dat ruimte wordt geboden voor situaties waarbij de bemanning op de kade achterblijft, het schip losmaakt en vervolgens met de auto naar de nieuwe ligplaats gaat om het schip vast te leggen. Het oprekken van de mogelijkheden om “met eigen bemanning los en vast te maken” zou immers kunnen leiden tot het ontstaan van semi-roeiersmaatschappijen, zonder daartoe opgeleid personeel, met als gevolg veiligheidsrisico’s en onbeheersbaarheid van het logistieke scheepsafwikkelingsproces (beschikbaarheid loodsen en slepers). Voorts werkt een dergelijke verruiming onderbemand varen in de hand en bestaat het gevaar dat de bemanningsleden de afmeerlocatie niet tijdig zullen bereiken. Bovendien zou het beschikbaarheids- en kwaliteitsniveau van de bootmannen kunnen worden aangetast. Onder lengte wordt in dit artikel verstaan: de lengte over alles volgens Lloyd’s Register of ships.

Artikel 4.13 (Verbod verhalen zonder loods aan boord) Dit artikel is vervallen.

In de Havenverordening Zeeland Seaports 2018 was een bepaling is opgenomen voor het verhalen zonder loods met een mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing. Deze bepaling was gebaseerd op het huidige Loodsplichtbesluit 1995 en de mogelijkheid die artikel 7 van dit besluit geeft maar waarin niet specifiek vrijstelling is geregeld voor de regio Scheldemonden, zoals wel is geschied in sub b, c. en d. van het Loodsplichtbesluit 1995 voor de andere regio's. Om in lijn daarmee toch een mogelijkheid voor langere tijd te bieden ten behoeve van verhaalreizen zonder dat er sprake is van een ingaande of uitgaande reis en zonder dat de hoofdvaarweg binnen het betreffende havenbekken/de betreffende haven wordt bevaren was een ontheffingsmogelijkheid gecreëerd. Hierbij was North Sea Port al uitgegaan van een mogelijkheid alleen voor schepen zonder gevaarlijke lading. Deze ontheffingsmogelijkheid verdraagt zich om verschillende reden niet met het gevolgde systeem van de hogere regelgeving heeft het ministerie aangegeven. Het vastleggen van deze categorale vrijstelling in de vast te stellen Loodsplichtregeling 2020 biedt hiervoor de juiste mogelijkheid om dit te regelen. Wetgeving hiervoor is in voorbereiding en North Sea Port gaat er vanuit dat deze vrijstelling zal worden opgenomen.

Artikel 4

.14 Verbod sjorren Voor zeeschepen met een lengte van 170 meter of meer (deepsea containerschepen) dient altijd gebruik gemaakt te worden van sjorders die zijn aangesloten bij een sjorbedrijf dat in het bezit is van een vergunning. Vanwege het feit dat op laatstgenoemde schepen bovendeks containers soms zeven of acht containers hoog worden gestapeld is het uit oogpunt van veiligheid in de haven en de omgeving van belang dat sjorren op verantwoorde wijze geschiedt. De op het zeeschip aanwezige kernbemanning, zijnde de bemanning die op grond van internationale regelgeving aan boord verplicht aanwezig moet zijn om een zeeschip veilig te kunnen varen, navigeren en manoeuvreren, wordt in deze in ieder geval als voldoende gekwalificeerd beschouwd om containers te sjorren op zeeschepen met een lengte van maximaal 170 meter. Indien op een zeeschip gebruik gemaakt wordt van andere bemanningsleden dan de bovengenoemde kernbemanning moet ten aanzien van deze bemanning aan de havenmeester worden aangetoond dat zij over een zodanige mate van ervaring en opleiding beschikt dat het sjorren op veilige en verantwoorde wijze kan geschieden. Onder lengte wordt in dit artikel verstaan: de lengte over alles volgens Lloyd’s Register of ships.

Artikel 4

.15 Bunkercontrolelijst Dit artikel heeft betrekking op het bunkeren van zeeschepen en is een bepaling van beperkte omvang. De in het artikel genoemde bunkercontrolelijst is te vinden in het ISGOTT. In het vierde lid is opgenomen dat ieder bunkerschip dat bij de bunkeractiviteit is betrokken een bunkercontrolelijst dient in te vullen, ongeacht welke rol het bunkerschip heeft. Hiermee wordt geregeld dat op iedere schip voorzieningen worden getroffen om het bunkeren conform de regels te laten verlopen. Tot slot wordt opgemerkt dat wanneer meerdere bunkerschepen zijn betrokken bij het bunkeren van een zeeschip en de brandstof wordt via de ladingtanks van het tweede bunkerschip in het zeeschip gebunkerd, er geen sprake is van bunkeren. Deze activiteit – de overslag tussen de bunkerschepen – valt onder artikel 8.1 ‘overslag van vloeibare gevaarlijke of schadelijke stoffen in bulk’. § 5 Petroleumhavens Deze paragraaf stelt regels inzake petroleumhavengebieden. Gebieden waar schepen zich alleen onder voorwaarden mogen bevinden. De voorwaarden staan vermeld in deze paragraaf.

Artikel 5.1 Aanwijzing petroleumhaven Dit artikel is vervallen.

Het aanwijzen van petroleumhavengebieden geschiedt door het college op grond van artikel 10.1 (delegatiebepaling). Dit verandert niet ten opzichte van de vorige verordening. Per abuis was de grondslag voor de aanwijzing opgenomen in dit vervallen artikel.

Artikel 5

.2 Verbod open vuur en vonkvorming Er is toegevoegd dat het verbod op open vuur en vonkvorming niet geldt op boeien, indien er ter plaatse aan boord van een tankschip wordt gerepareerd en voor de betreffende werkzaamheden een Veiligheids- en gezondheidsverklaring is afgegeven door een erkend gasdeskundige als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenregeling. Tevens zijn criteria opgenomen voor het aansteken van een lasapparaat in de petroleumhaven en is nader gespecificeerd dat een schip zich niet in de petroleumhaven mag bevinden.

Artikel 5

.3 Verbod te roken Roken in een petroleumhaven is – gelet op de risico’s – voor een ieder verboden, tenzij aan boord van een schip in een door de schipper of kapitein aangewezen rookruimte. Deze rookruimte dient aan voorwaarden te voldoen. De rookruimte mag

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.