Verordening Jeugdhulp gemeente Doesburg 2019De raad van de gemeente Doesburg; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 mei 2019; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; gehoord de commissie Maatschappelijke Ontwikkeling van 11 juni 2019; besluit: de Verordening Jeugdhulp gemeente Doesburg 2019 vast te stellen. Artikel1Begripsbepalingen 1.In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: aanvraag: een aanvraag als bedoeld in artikel 1.3, derde lid, van de Algemene wet srecht, gericht op een verzoek tot hulp aan een jeugdige; algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg; familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; gebruikelijke hulp: de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden; hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet; individuele voorziening: op de jeugdige of de jeugdige en zijn ouders toegesneden niet vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid, die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt op basis van een besluit; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; wet: Jeugdwet. 2.Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Algemene wet Bestuursrecht en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Artikel2Vormen van jeugdhulp 1.De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: Voorzieningen die erop gericht zijn om de algemene ontwikkeling en ontplooiing van jeugdigen te stimuleren, zoals het peuterspeelzaalwerk, jongerenwerk, educatieve-, sport- en culturele voorzieningen. Preventieve voorzieningen die erop gericht zijn problemen tijdig te signaleren en informatie en advies te geven, zoals het Centrum voor Jeugd en Gezin, cliëntondersteuning, sociaal raadsliedenwerk. Basishulp die kortdurend is en gericht op het versterken van de draagkracht om zelf problemen op te kunnen lossen, zoals het Centrum voor Jeugd en Gezin, lichte ondersteuning door het Jeugdteam Doesburg. Algemene voorzieningen zijn rechtstreeks toegankelijk zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling. 2.De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: Ambulante trajecten jeugd op het gebied van begeleiding en jeugd- en opvoedhulp; Ambulante trajecten jeugd op het gebied van behandeling, zoals basis- en specialistische jeugd GGZ, waaronder ook hulp bij enkelvoudige ernstige dyslexie; Ambulante trajecten jeugd op het gebied van observatie en diagnostiek; Crisishulp; Dagbesteding, Kortdurend verblijf jeugd inclusief vervoer; Pleegzorg; Residentiële en semi-residentiële jeugdhulp; Gesloten jeugdhulp; Preventieve jeugdbescherming en beschermingsmaatregelen door gecertificeerde instellingen. Individuele voorzieningen zijn niet vrij-toegankelijk. 3.Het college kan bij nadere regels vaststellen welke voorzieningen in aanvulling op de in het eerste en tweede lid genoemde vormen van voorzieningen beschikbaar zijn. Artikel3Toegang jeugdhulp 1.Jeugdigen en ouders met een hulpvraag kunnen het college middels een aanvraag verzoeken om toekenning van een door het college bij besluit te verlenen individuele voorziening. 2.Jeugdigen en ouders krijgen de gelegenheid om een familiegroepsplan op te stellen. 3.Het college merkt een familiegroepsplan aan als een aanvraag van de beschikking, zoals bedoeld in het eerste lid, als de jeugdige of de ouders dit op het familiegroepsplan hebben aangegeven. 4.Als een individuele voorziening in natura niet passend wordt geacht, kunnen de jeugdige of zijn ouders in de aanvraag vermelden een persoonsgebonden budget te wensen. Daarbij geven de jeugdige of zijn ouders in ieder geval aan: Wat de voorgenomen uitvoering van de individuele voorziening is, inclusief uitvoerder en kosten. Wat de kwalificaties van de uitvoerder zijn. Waarom het aanbod van de door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder niet passend is naar het oordeel van de jeugdige of zijn ouders. 5.Als de jeugdhulp betrekking heeft op een ander dan de aanvrager, behoeft de aanvraag de instemming van de jeugdige of zijn ouders waarop de aanvraag betrekking heeft. 6.Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige: die jonger is dan 12 jaar, of die ouder is dan 12 jaar en niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan is niet de instemming van de minderjarige vereist, maar van diens wettelijke vertegenwoordiger. 7.Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige die de leeftijd van 12 jaar, maar nog niet die van 16 jaar heeft bereikt, dan behoeft de aanvraag de instemming van zowel de minderjarige als de wettelijke vertegenwoordiger, mits de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Weigert de wettelijke vertegenwoordiger in te stemmen met de aanvraag, dan zal het college de aanvraag toch in behandeling nemen als de jeugdhulp voor de minderjarige kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de minderjarige te voorkomen, alsmede indien de minderjarige ook na de weigering van de toestemming de jeugdhulp weloverwogen blijft wensen. 8.Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door het jeugdteam, de behandelend huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, indien en voor zover de genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. De inzet van jeugdhulp, dan wel het afwijzen daarvan, wordt vastgelegd in een beschikking. 9.Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. Hiervoor hoeft het college geen beschikking te verstrekken als bedoeld in artikel 6. 10.In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. 11.Jeugdigen en ouders die menen een beroep te kunnen doen op een algemene voorziening kunnen zich rechtstreeks hiertoe wenden. Ook het jeugdteam, de huisarts, medisch specialist, jeugdarts of andere betrokken instanties kunnen rechtstreeks verwijzen naar een algemene voorziening. Artikel4.Toekenning jeugdhulp 1.Het college verleent een individuele voorziening wanneer het college de voorziening in het individuele geval noodzakelijk acht, gelet op het bepaalde in artikel 2.3 van de wet. 2.Criteria voor toekenning van een individuele voorziening: Jeugdigen of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover: zij op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag; zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een algemene voorziening, of; zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een andere voorziening. 3.In de afweging of het verlenen van een individuele voorziening noodzakelijk wordt geacht en welke hulp passend is, kan het college onder meer de volgende omstandigheden en factoren betrekken: de hulpvraag; de behoefte, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige; het gewenste resultaat van de jeugdhulp; het vermogen van de jeugdige en/of ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een algemene voorziening; de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige; de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget. 4.Tenzij een spoedeisend belang zich daartegen verzet, onderzoekt het college de noodzaak tot het verlenen van een individuele voorziening in samenspraak met de jeugdige of zijn ouders, dan wel wettelijk vertegenwoordiger. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken zorgt het college voor cliëntondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte. 5.Het college informeert de jeugdige en zijn ouders over de gang van zaken, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen, indien nodig, expliciet toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken. 6.Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 6. 7.Een besluit tot toekenning van een individuele voorziening vervalt, als de jeugdige of zijn ouders zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder. Artikel5.Persoonsgebonden budget (pgb) 1.Het college verleent met inachtneming van het bepaalde in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet op verzoek van de jeugdige en/of zijn ouders een pgb indien: de ouders, al dan niet met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde in staat zijn tot een redelijke waardering van hun belangen, en in staat kunnen worden geacht om de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; naar het oordeel van het college voldoende is gemotiveerd dat een individuele voorziening in natura niet passend en toereikend te achten is, en; gewaarborgd is dat de individuele voorziening die met het pgb betaald wordt van goede kwaliteit is. 2.Het college verstrekt geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt. 3.De hoogte van het pgb: wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan waarin in ieder geval uiteen is gezet: welke jeugdhulp, die tot een individuele voorziening behoort, de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, en indien van toepassing, welke hiervan de jeugdige of zijn ouders willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen; bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste, adequate individuele voorziening in natura, tenzij de jeugdige of zijn ouders de kosten die uitstijgen boven de kostprijs van deze voorziening in natura, zelf willen bekostigen. 4.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de jeugdige en/of ouders aan wie een pgb wordt verstrekt de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, op voorwaarde dat door de jeugdige en/of zijn ouders voldoende gemotiveerd is dat dit tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en doelmatiger is dan het betrekken van de jeugdhulp van een persoon buiten het sociale netwerk, gelet op de frequentie van de hulp; het type hulp; de aard van de hulpvraag waaraan met de verstrekking van het pgb tegemoet wordt gekomen; de duur van die hulpvraag; de mate van verplichting die voortvloeit uit het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden voor de persoon van wie de jeugdhulp betrokken wordt. 5.De hoogte van een pgb aan een persoon die behoort tot het eigen sociale netwerk bedraagt ofwel: indien er sprake is van een overeenkomst in het kader van een arbeidsrelatie óf indien er sprake is van een zorgovereenkomst van opdracht met een partner of een 1e of 2e graads-familielid: 100% van het wettelijk minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. ofwel: indien er geen sprake is van een overeenkomst zoals onder a beschreven (dus geen werkgeverschap of opdrachtgeverschap): een tegemoetkoming en/of een onkostenvergoeding. 6.Het college stelt nadere regels vast over de hoogte van een pgb en de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel6.Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura wordt in de beschikking verwezen naar de met de jeugdige en/of zijn ouders gemaakte afspraken. 3.Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval verwezen naar het opgestelde plan en wordt tevens vastgelegd: wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4.In de beschikking wordt aangegeven dat de toekenning van een individuele voorziening vervalt, als de jeugdige of zijn ouders zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder Artikel7.Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1.Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige en/of zijn ouders op verzoek of uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening. 2.Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de jeugdige en/of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige en/of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen; de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; de jeugdige en/of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of de jeugdige en/of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3.Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb. 4.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5.Het college onderzoekt uit het oogpunt van rechtmatigheid en kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s. Artikel8.Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 1.Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; kosten voor bijscholing van het personeel; een redelijke toeslag voor overheadkosten. Artikel9.Privacy 1.Het college verwerkt geen gegevens betreffende een jeugdige, tenzij dit voor de uitvoering van de wet noodzakelijk is. 2.Als er een wettelijke grondslag is voor de verwerking van de gegevens is er in algemene zin geen toestemming nodig voor de verwerking van de noodzakelijke gegevens. Deze grondslag kan de jeugdwet zijn, maar ook spoedeisend belang. Voor het verwerken van meer gegevens dan strikt noodzakelijk vanuit de wet of voor het delen van gegevens met anderen in de zorgketen, is wel toestemming nodig en kan gewerkt worden met een toestemmingverklaring. 3.Alleen die persoonsgegevens worden verzameld en eventueel gedeeld die noodzakelijk zijn voor een bepaald concreet omschreven doel (subsidiariteit) en vervolgens niet meer dan strikt nodig voor dat doel (proportionaliteit). 4.Persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan strikt noodzakelijk. 5.Het college beveiligt de persoonsgegevens die zijn verkregen ten behoeve van de uitvoering van de wet deugdelijk en adequaat. Artikel10.Klachtregeling Het college behandelt klachten van de jeugdige of zijn ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de klachtenprocedure van de gemeente Doesburg, conform de Algemene wet bestuursrecht hoofdstuk 9. Artikel11.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening indien onverkorte toepassing daarvan leidt tot disproportionele onredelijkheid of onbillijkheid. Artikel12.Nadere regels Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels stellen. Artikel13.Intrekking oude verordening De Verordening Jeugdhulp Doesburg 2015 wordt ingetrokken. Artikel14.Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de datum van publicatie. Artikel15.Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening Jeugdhulp gemeente Doesburg 2019”. Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Doesburg in zijn openbare vergadering van 27 juni 2019.De griffier, J.B.VoorhofDe voorzitter, drs. L.W.C.M. van derMeijsTOELICHTING OP DE VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE DOESBURG 2019 AlgemeenDeze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet (hierna: wet). Deze wet maakt onderdeel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Een van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. ArtikelsgewijsArtikel 1. BegripsbepalingenLid 1 onderdeel a: aanvraagOok de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb). Een jeugdige of ouders kunnen een aanvraag indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. In de verordening is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De regeling in de Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb). Lid 1 onderdeel b: algemene voorzieningEen algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Er vindt geen toegangsbeoordeling plaats, dan wel een zeer beperkte. Dit laatste betekent dat voorafgaand geen diepgaand onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers. Voor een algemene voorziening is in beginsel geen verleningsbeschikking nodig (zie ook artikel 4 van deze verordening en de toelichting daarbij). De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van 'overige voorziening'. In de memorie van toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever echter over een algemene of vrij toegankelijke voorziening. Ook de praktijk spreekt vaak over algemene dan wel vrij toegankelijke voorzieningen. Dit sluit ook aan bij de terminologie van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Omdat 'algemene voorziening' de meest gangbare term is, is deze overgenomen in de verordening. Lid 1 onderdeel c: andere voorzieningEen andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Lid 1 onderdeel d: collegeIn de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen: in Doesburg is dat het jeugdteam. Ook op andere plaatsen in deze verordening en in de wet waar "het college" staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht. De in deze verordening vervatte bepalingen gelden uiteraard ook onverkort voor de gemandateerden. Lid 1 onderdeel f: gebruikelijke hulpHet begrip 'gebruikelijke hulp' is overgenomen uit het (voormalige) Besluit zorgaanspraken Awbz. Het begrip is van belang voor de oude Awbz-functies begeleiding en verblijf die per 1 januari 2015 overgekomen zijn naar de Jeugdwet. Uitgangspunt is dat deze jeugdhulp niet hoeft te worden ingezet voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten elkaar deze zorg bieden. Dit is ook tot uitdrukking gebracht in artikel 4, lid 2 van deze verordening. Om in specifieke gevallen te bepalen wanneer sprake is van gebruikelijke hulp, kan de werkinstructie 'Indicatiestelling voor de Jeugd-GGZ' van Jeugdzorg Nederland (versie 8.0, d.d. 1 januari 2014) als richtlijn gebruikt worden. Lid 1 onderdeel i: pgbDe definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’. Lid 2Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de Jeugdwet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Dit zou overbodig zijn en bovendien voor verwarring kunnen zorgen als er bijvoorbeeld door een latere wetswijziging een verschil zou ontstaan tussen de omschrijving in de verordening en de wettelijke omschrijving. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als 'jeugdhulp', 'jeugdige', 'ouder' (zie artikel 1.1 van de Jeugdwet). In artikel 1.1 van de Jeugdwet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn. Tot slot hanteert artikel 9 van deze verordening enkele belangrijke begrippen uit de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), zoals 'verwerken' en 'persoonsgegevens'. Artikel 2. Vormen van jeugdhulpEen voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten zorg en ondersteuning omvatten. In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Een beperkte toegangsbeoordeling is nodig om te bepalen of de jeugdige of zijn ouders tot de doelgroep behoren, gezien bijvoorbeeld de leeftijd of woonplaats. Toegang tot een algemene voorziening kan geweigerd worden als de jeugdige of zijn ouders niet tot de doelgroep behoren. In dat geval heeft degene die toegang wordt geweigerd er recht op deze weigering op schrift te ontvangen in een voor bezwaar vatbare beslissing. Daarmee wordt de rechtsbescherming van de burger gewaarborgd. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen beschreven in artikel 2. Artikel 3 Toegang jeugdhulpToeleiding naar de jeugdhulp De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: via de gemeente; na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts; na verwijzing door het basisonderwijs (alleen bij dyslexie); via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI). Toegang jeugdhulp via de gemeenteIn Doesburg is de toegang via de gemeente gemandateerd aan het Jeugdteam Doesburg waarin professionals met verschillende expertise zitten. Het Jeugdteam Doesburg kan zelf kortdurende hulp en ondersteuning bieden zonder beschikking en geeft een bindend advies aan de gemeente voor het inzetten van individuele voorzieningen. Voor het inzetten van een individuele voorziening is wel een beschikking nodig. De beslissing welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt tot stand op basis van een onderzoek dat in samenspraak met die jeugdige en zijn ouders wordt uitgevoerd. Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen jeugdteam en de jeugdige en zijn ouders gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan geeft het jeugdteam een bindend advies hierover aan het college. Het college legt dit vast in een beschikking waarmee de noodzakelijke jeugdhulp kan worden ingeschakeld. Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialistDe Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn neergelegd in deze verordening. Toegang via het basisonderwijs (alleen bij dyslexie)De signalering en begeleiding van leerlingen met dyslexie maakt deel uit van de basisondersteuning die elke school moet bieden. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. Fysieke hulpmiddelen bij dyslexie horen ook daarbij. De gemeente hoeft hiervoor geen voorziening te treffen. Zodra er gespecialiseerde dyslexiezorg nodig is, wat in de praktijk veelal neerkomt op diagnose en behandeling van enkelvoudige ernstige dyslexie, zal de basisschool doorverwijzen naar de gemeente. Ouders en kinderen zullen dus eerst moeten kijken welke hulp en ondersteuning in het kader van passend onderwijs geboden wordt. Biedt het passend onderwijs een oplossing, dan gaat dat voor op de jeugdhulpplicht van de gemeente. Alleen als er naast de hulp die vanuit het onderwijs geboden wordt nog extra ondersteuning nodig is, kan de dyslexiezorg onder de jeugdhulpplicht van de gemeente vallen. Oftewel, valt de dyslexiezorg onder de zorgplicht van de school, dan is de Jeugdwet niet van toepassing. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichtingIn het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig achten ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet). Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Lid 1Anders dan de Wmo 2015 biedt de Jeugdwet zelf geen grondslag voor een intake procedure met een melding, een gesprek en vervolgens eventueel een aanvraag. Deze procedure van de Wmo 2015 wijkt af van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die alleen een aanvraag kent. Vanuit het perspectief van de rechtsbescherming kent de intake met een melding en pas daarna (eventueel) een aanvraag beperkingen. Jeugdigen en ouders komen in een voortraject terecht, dat niet is afgebakend met termijnen of andere waarborgen. Dat kan tot veel onduidelijkheid leiden voor jeugdigen en ouders over de status van hun melding en binnen welke termijn ze eventueel concrete stappen kunnen verwachten. Zolang er geen concrete aanvraag ligt, hebben jeugdigen of ouders ook geen rechtsmiddel om besluitvorming af te dwingen. Voor jeugd gaan wij dus uit van de intakeprocedure zoals beschreven in de Awb. Zoals eerder beschreven in deze toelichting is in de verordening daarom geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb). Dit kan nodig zijn in complexe situaties. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is, kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden. Het college verleent een individuele voorziening indien het college die voorziening in dat individuele geval noodzakelijk acht. Daarbij is artikel 2.3 van de Jeugdwet genoemd als kader. De voorziening moet dus, naar het oordeel van het college, noodzakelijk zijn voor de jeugdige om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Hierbij moet rekening gehouden worden met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. Lid 4Als de jeugdige of zijn ouders een pgb willen voor de individuele voorziening die nodig is, moeten ze daarvoor een aanvraag indienen, of moeten ze dit althans bij hun aanvraag (als bedoeld in lid 1) vermelden. De aanvraag is nodig om te kunnen beoordelen of de kwaliteit gegarandeerd is (onderdeel a en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.