Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Leiden houdende regels omtrent participeren in inspraak (Participatie- en inspraakverordening 2019)De raad van de gemeente Leiden: gelet op artikel 150 Gemeentewet; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders (raadsvoorstel 19.0037), mede gezien het advies van de commissie; BESLUIT: Vast te stellen: Participatie- en inspraakverordening 2019 luidende aldus: Hoofdstuk1Inleidende bepalingen Artikel1Onderwerp verordening Deze verordening bevat regels over de rol van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad bij burgerinitiatieven tot wijziging van het gemeentelijk beleid en de rol van inwoners, belanghebbenden en deskundigen bij gemeentelijke initiatieven tot wijziging van het beleid. Artikel2Begripsomschrijvingen 1.Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: Participatie: Het betrekken van inwoners, bedrijven en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid, alsmede het door de gemeente ondersteunen van, en bijdragen aan, initiatieven van inwoners, bedrijven en belanghebbenden met impact in de stad. Publieksparticipatie: Het op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, bedrijven en belanghebbenden bij de ontwikkeling en uitvoering van beleid, projecten en programma’s met impact in de stad ten behoeve van gemeentelijke besluitvorming. Publieksparticipatie kan de vorm aannemen van informatie geven, raadplegen, adviseren, coproduceren en meebeslissen; Burgerinitiatief: Initiatieven van inwoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven of andere belanghebbenden. Een burgerinitiatief kan indien het college geen overheidsparticipatie aanbiedt, met een advies van het college ter behandeling naar de gemeenteraad worden gestuurd. Overheidsparticipatie: De manier waarop de gemeente ondersteuning of een bijdrage geeft aan initiatieven van inwoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven of andere belanghebbenden. Deze ondersteuning kan de vorm aannemen van loslaten, stimuleren, faciliteren, regisseren en reguleren. Inspraak: Een door of namens een bestuursorgaan georganiseerde gelegenheid voor inwoners, bedrijven en belanghebbenden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken en daarover van gedachten te wisselen voorafgaand aan de definitieve besluitvorming door de gemeenteraad dan wel door het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester; Bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. Artikel3Reikwijdte 1.Deze verordening is niet van toepassing op publieksparticipatie of andere initiatieven van inwoners en bedrijven die in andere al dan niet gemeentelijke verordeningen, regelgeving of procedures zijn geregeld. 2.Participatie en inspraak wordt uitsluitend verleend aan inwoners, belanghebbenden en bedrijven of organisaties die lokaal van belang zijn of een lokaal belang hebben. Hoofdstuk2Publieksparticipatie Artikel4Participatieproces 1.Het bestuursorgaan stelt bij de start van elk participatieproces vast op welke manier publieksparticipatie wordt verleend. 2.Indien publieksparticipatie wordt verleend, neemt het bestuursorgaan over in ieder geval de volgende punten een besluit: het doel en de intentie van de participatie; het niveau van de participatie, waarbij een keuze wordt gemaakt uit: informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren of meebeslissen; de inhoudelijke, financiële, procedurele en overige kaders voor de participatie en de wijze waarop deze kaders vooraf met de deelnemers worden gecommuniceerd; de schaal waarop het participatieproces speelt; wie de deelnemers zijn van het participatieproces; de wijze en het tijdstip waarop de deelnemers hun inbreng kunnen leveren; de wijze waarop deelnemers over de voortgang op de hoogte worden gehouden; de verdeling van verantwoordelijkheden voor de verschillende stappen in het participatieproces tussen initiatiefnemers of deelnemers enerzijds en de gemeente anderzijds; de wijze en het tijdstip waarop burgemeester en wethouders reageren op de uitkomsten van het participatieproces; de begroting van de kosten van het participatieproces. 3.Het bestuursorgaan maakt voorafgaand aan de start van het publieksparticipatieproces het voornemen hiertoe bekend op de voor dat proces geschikte wijze. In deze kennisgeving wordt ingegaan op de in het tweede lid, onder a. tot en met j. bedoelde punten. 4.Indien omstandigheden het noodzakelijk maken om de kaders bedoeld in het tweede lid onder c. of de inrichting van het proces als bedoeld in het tweede lid onder g. aan te passen, draagt het bestuursorgaan er zorg voor dat dit onverwijld bekend wordt gemaakt aan de participanten. 5.Indien publieksparticipatie wordt verleend bij de voorbereiding van een raadsvoorstel sturen burgemeester en wethouders het procesbesluit zo spoedig mogelijk ter kennis aan de raad. 6.Burgemeester en wethouders kunnen voor specifieke beleidsterreinen nadere regelingen treffen. Artikel5Eindverslag participatieproces 1.Ter afronding van de participatieproces, zoals bedoeld in het voorgaande artikel maakt het bestuursorgaan een eindverslag op. Het eindverslag bevat in elk geval: een overzicht van het gevolgde participatieproces; een weergave van de inbreng van degenen die hebben deelgenomen aan de participatie; een overzicht van de afspraken die op basis van het participatieproces zijn gemaakt. een reactie van het bestuursorgaan op de inbreng als bedoeld onder b., met redenen omkleed welke punten al dan niet van invloed zullen zijn op het beleidsvoornemen. een overzicht van de kosten van het participatieproces. een evaluatie van het participatieproces zelf, de belangen die zijn afgewogen en de mening van de deelnemers over het gelopen proces.. 2.Het bestuursorgaan maakt het eindverslag openbaar. 3.Burgemeester en wethouders brengen het eindverslag ter kennis aan de raad indien het participatie bij een raadsvoorstel betreft. Hoofdstuk3Publieksparticipatie en Inspraak Artikel6Publieksparticipatie en inspraak 1.Het bestuursorgaan besluit ten aanzien van de uitoefening van zijn eigen bevoegdheden op welke wijze gebruik wordt gemaakt van publieksparticipatie en/of inspraak. 2.Publieksparticipatie en/of inspraak kan worden verleend wanneer het redelijkerwijze is te verwachten dat er belanghebbenden zijn bij de voorbereiding van een beleidsvoornemen. 3.Geen publieksparticipatie wordt verleend: indien sprake is van beleidsvoornemens op basis van de reguliere of uitgebreide procedure als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; indien sprake is van uitvoering van regelingen van hogere overheden waarbij van enige beleidsvrijheid geen sprake is; ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; ten aanzien van een beleidsvoornemen dat rechtstreeks voortvloeit uit een beleidsvoornemen waarover al participatie of inspraak heeft plaatsgehad en dat tijdens deze participatie of inspraak het beleidsvoornemen redelijkerwijs te voorzien was; ten aanzien van een beleidsvoornemen dat uitsluitend of hoofdzakelijk betrekking heeft op interne of organisatorische aangelegenheden van de gemeente. 4.Naast het bepaalde in het derde lid geldt in het bijzonder voor inspraak, dat geen inspraak wordt verleend: als dit bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten, of al bij of krachtens wettelijk voorschrift in een openbare voorbereidingsprocedure is voorzien; als dit is gebaseerd op hogere wet- en regelgeving die het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid biedt; als dit betrekking heeft op de begroting, de rekening, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen als bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet. 5.Het bestuursorgaan kan besluiten van inspraak af te zien als: de belanghebbenden al op een andere manier in een vroeg stadium bij de voorbereiding van het beleidsvoornemen zijn betrokken en voldoende aannemelijk is dat het bestuursorgaan daardoor alle relevante belangen bij zijn afweging heeft kunnen betrekken; het beleidsvoornemen rechtstreeks voortvloeit uit een beleidsvoornemen waarover al inspraak heeft plaatsgevonden; het beleidsvoornemen van ondergeschikte betekenis is dan wel uitsluitend of hoofdzakelijk om juridisch-technische dan wel redactionele redenen plaatsvindt; het belang van de inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving; het beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat de uitkomst van de inspraak niet kan worden afgewacht. Hoofdstuk4Inspraak Artikel7Inspraakgerechtigden 1.Inwoners, bedrijven en belanghebbenden kunnen individueel of gezamenlijk aan de inspraak deelnemen. 2.Deelnemers aan inspraakactiviteiten kunnen zich op een door hen te bepalen wijze laten begeleiden. Zij kunnen zich doen vertegenwoordigen, waartoe een machtiging is vereist. 3.Indien inspraak wordt verleend over een beleidsvoornemen waarvan redelijkerwijs te verwachten valt dat veel niet-Nederlandstaligen zich daarbij in het bijzonder betrokken voelen, wordt daarmee bij het verlenen van inspraak rekening gehouden. Artikel8Inspraakprocedure 1.Inspraak vindt plaats overeenkomstig afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. 2.In afwijking van het eerste lid kan het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststellen. 3.Nadat het bestuursorgaan heeft besloten het beleidsvoornemen vrij te geven voor inspraak, brengt hij het beleidsvoornemen ter kennis van de raadscommissie tot welk taakveld het beleidsvoornemen behoort. Artikel9Verantwoording 1.Het eventueel bijgestelde beleidsvoornemen wordt samen met de schriftelijke ingekomen reacties, het vastgestelde verslag van de inspraakbijeenkomst(en) en een document waarin een verantwoording wordt gegeven van de wijze waarop met de ingekomen reacties, respectievelijk de gemaakte opmerkingen is gehandeld, door burgemeester en wethouders vastgelegd in een eindrapportage, met dien verstande dat dat zo spoedig mogelijk plaatsvindt doch uiterlijk binnen6maanden na afloop van de inspraaktermijn. Burgemeester en wethouders kunnen eenmaal schriftelijk en gemotiveerd besluiten deze termijn met6 maanden te verlengen. Dit besluit wordt ter kennis van de raad gebracht. 2.Degenen die een schriftelijke reactie hebben ingezonden dan wel aanwezig waren bij een inspraakbijeenkomst wordt een afschrift van deze stukken toegezonden of worden geïnformeerd over de tijd en plaats waar deze stukken ter inzage liggen. Bij die gelegenheid worden betrokkenen tevens geïnformeerd over de nader te volgen procedure, inclusief het tijdpad. 3.Degenen die aan de inspraak hebben deelgenomen worden geïnformeerd over het uiteindelijke besluit. Hoofdstuk5Overheidsparticipatie Artikel10Verlenen Overheidsparticipatie 1.Overheidsparticipatie wordt verleend indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders het burgerinitiatief past binnen de kaders van het gemeentelijk beleid en bijdraagt aan de doelstellingen van het gemeentelijk beleid. 2.Burgemeester en wethouders besluiten welke vorm van overheidsparticipatie wordt verleend: loslaten, stimuleren, faciliteren, regisseren en reguleren. 3.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten om aan de overheidsparticipatie vooraf de voorwaarde te verbinden dat inwoners, bedrijven en direct belanghebbenden in voldoende mate bij het burgerinitiatief worden betrokken. 4.Burgemeester en wethouders kunnen overheidsparticipatie aan burgerinitiatieven weigeren, als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat: het initiatief doelstellingen beoogt die in strijd zijn met het algemeen belang; het initiatief discriminatie oplevert wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, burgerlijke staat, seksuele gerichtheid, leeftijd of op welke andere grond dan ook. er sprake is van onvoldoende draagvlak voor het initiatief bij omwonenden, belanghebbenden of de betrokken inwoners. het initiatief naar het oordeel van burgemeester en wethouders op financiële, juridische of praktische gronden niet haalbaar is. 5.Burgemeester en wethouders weigeren medewerking aan een burgerinitiatief indien dat zich richt op: de uitvoering van besluiten van hogere bestuursorganen waaromtrent de gemeente geen beleidsvrijheid heeft; gemeentelijke belastingen en tarieven; vaststelling en wijziging van de gemeentelijke begroting, de jaarrekening en de goedkeuring van de begroting; een onderwerp dat niet behoort tot de bevoegdheid van de gemeente; benoeming en functioneren van personen; handelingen en gedragingen van collegeleden, raadsleden of ambtenaren waartegen een klacht in de zin van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend of een door de gemeenteraad of college vastgestelde klachtenregeling; onderwerpen waartegen een bezwaar- of beroepsprocedure in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht openstaat of heeft opengestaan of onderwerpen waarover de burgerlijke rechter is gevraagd een oordeel uit te spreken of heeft uitgesproken; een onderwerp waarover de gemeente korter dan 2 jaren voor indiening van het initiatief een besluit heeft genomen; een onderwerp dat overwegend het privébelang van de indiener dient; doelstellingen die in strijd zijn met de wet. 6.Als burgemeester en wethouders op grond van het eerste lid besluiten geen overheidsparticipatie te verlenen en het vijfde lid is niet van toepassing, sturen zij het burgerinitiatief, met advies, ter behandeling aan de gemeenteraad. 7.Als burgemeester en wethouders op grond van lid 5 van dit artikel participatie weigeren, zenden zij dit besluit voor kennisgeving aan de gemeenteraad. 8.Het college houdt een openbaar register bij waarin alle ingediende burgerinitiatieven en hun voortgang en status worden bijgehouden. Hoofdstuk6De gemeenteraad Artikel11Ontvangen burgerinitiatieven De gemeenteraad neemt uitsluitend burgerinitiatieven in behandeling die van burgemeester en wethouders zijn ontvangen op basis van artikel 10, zesde lid en zijn ingediend door degenen die kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad alsmede ingezetenen van de gemeente van zestien jaar en ouder die met uitzondering van hun leeftijd voldoen aan de vereisten voor het kiesrecht voor de leden van de gemeenteraad. Artikel12Behandeling in de raad 1.De raad beslist in de eerstvolgende vergadering na het advies van burgemeester en wethouders over het burgerinitiatief, met dien verstande dat ten minste twee weken is gelegen tussen de dag waarop het advies is ontvangen en de dag van de raadsvergadering waar op het verzoek wordt beslist. 2.De raad kan participatie aan het burgerinitiatief weigeren indien dit initiatief naar haar oordeel onvoldoende bijdraagt aan een verbetering van het gemeentelijk beleid of indien het effect van het burgerinitiatief naar haar oordeel beperkt is tot een beperkt geografisch gebied. Artikel13Beraadslaging en besluitvorming 1.De voorzitter van de raad zal de initiatiefnemers schriftelijk uitnodigen voor de vergadering waarvoor het burgerinitiatiefvoorstel is geagendeerd. De initiatiefnemers hebben tijdens deze vergadering de gelegenheid om het initiatief mondeling toe te lichten en eventuele vragen uit de raad te beantwoorden. 2.De voorzitter van de raad kan een of meer initiatiefnemers of de vertegenwoordiger toestemming geven om deel te nemen aan de beraadslaging in de raad over het initiatief. 3.Het eerste en tweede lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het initiatief in een raadscommissie. 4.De raad stelt de initiatiefnemers binnen twee weken na de datum van de raadsvergadering waarin besluitvorming over het burgerinitiatief heeft plaatsgevonden schriftelijk in kennis van zijn besluit. Indien de raad geheel of gedeeltelijk afwijkt van het burgerinitiatief geeft hij de redenen daarvoor. 5.Zo spoedig mogelijk nadat de raad over het burgerinitiatiefvoorstel een besluit heeft genomen wordt dit besluit bekendgemaakt door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. 6.Indien de raad geheel of gedeeltelijk overeenkomstig het burgerinitiatief besluit, overlegt het college binnen twee weken na de raadsvergadering waarin de besluitvorming over het burgerinitiatief heeft plaatsgevonden met de initiatiefnemers over de verdere uitvoering van het besluit. Hoofdstuk7Overgangs- en slotbepalingen Artikel14Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan. Op die datum vervallen de Participatie en inspraakverordening 2012 (RV 12.0105) en de Verordening Burgerinitiatief 2005 (RV 05.0013). Artikel15Overgangsregeling Op inspraakprocedures die voortvloeien uit besluiten genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, blijven de bepalingen van toepassing van de inspraakverordening zoals die luidden ten tijde van dat besluit. Artikel16Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Participatie- en inspraakverordening
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.