Handboek Bijzondere Bijstand Schagen 2019Inleiding Besluit Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen heeft tijdens zijn vergadering van 9 juli 2019 het navolgende besloten: het Handboek Bijzondere Bijstand Schagen 2019 vast te stellen; het Handboek Bijzondere Bijstand Schagen 2017 in te trekken; het Handboek Bijzondere Bijstand Schagen 2019 in werking te laten treden op de dag na die van de bekendmaking. HOOFDSTUK1Wijzingen Handboek Bijzondere Bijstand Schagen 2019 In het Handboek Bijzondere Bijstand Schagen 2019 zijn de volgende wijzingen zijn aangebracht: In hoofdstuk 3 van het Handboek worden de verschillende kostensoorten behandeld. Per kostensoort wordt aangegeven welke bewijsstukken door de klant moeten worden overgelegd om de noodzaak van de kosten te kunnen beoordelen. De kwestie van de bewijstukken wordt aanstonds nader geregeld in het Handhavingsplan. Alle tekst in het handboek die betrekking heeft op dit onderwerp wordt daarom geschrapt. Paragraaf 3.5 Garantietoeslag is geschrapt. Uit de geldende jurisprudentie kan worden afgeleid dat beleid op grond waarvan de ouder aanspraak maakt op compensatie van inkomensdaling in verband het verlies van de alleenstaande-ouderkop buitenwettelijk begunstigend beleid is (zie CRvB 11-08-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5297). Het 18-jarige kind kan namelijk zo nodig zelf (algemene) bijstand aanvragen. Als de lagere jongerennorm ontoereikend is om de kosten van levensonderhoud te bestrijden, zal hij een beroep moeten doen op de onderhoudsplicht van zijn ouder, die niet in gezinsverband met hem leeft. Als dat niet mogelijk is kan hij een beroep doen op artikel 12 P-wet. Paragraaf 3.13b Reiskosten schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs wordt gewijzigd. Het gaat om reiskosten: in verband met het reizen van huis naar school van kinderen die na de basisschool onderwijs volgen en voor wie de afstand van huis naar school meer is dan 15 kilometer enkele reis; die op maandbasis meer bedragen dan 3% van de toepassing zijnde bijstandsnorm. Besloten is de kilometergrens te verlagen naar 10 km. In het re-integratiebeleid wordt deze kilometergrens ook gehanteerd (zie Beleidsregels inzake de reiskostenvergoeding en vervoersvoorziening). Paragraaf 3.18 Kosten uit huis geplaatste kinderen is geschrapt. In de Jeugdwet, die op 1 januari 2015 in werking is getreden, was geregeld dat ouders voor jeugdhulp met verblijf een ouderbijdrage verschuldigd zijn. Het Centraal Administratie Kantoor (CAK) werd belast met de vaststelling en de inning van de ouderbijdrage. Gemeenten werden verplicht informatie te verstrekken aan het CAK over de aanvang, wijziging en beëindiging van jeugdhulp met verblijf. De opbrengsten van de ouderbijdrage waren bestemd voor de gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor het treffen van een voorziening voor de jongere. Er is maatschappelijk en politiek veel kritiek ontstaan op de ouderbijdrage. Zo werd de ouderbijdrage voor jeugdhulp met verblijf als onrechtvaardig beschouwd, omdat geen eigen bijdrage wordt gevraagd wanneer jeugdigen vanwege lichamelijke aandoeningen op grond van een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet worden behandeld en daarbij worden opgenomen in bijvoorbeeld een kliniek of een ziekenhuis. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek naar de uitvoeringspraktijk van de ouderbijdrage is besloten de ouderbijdrage af te schaffen per 1 januari 2016. De Wet hervorming kindregelingen heeft de aparte norm voor de alleenstaande ouder afgeschaft. Sinds 1 januari 2015 is de bijstandsnorm voor een alleenstaande die zelfstandig woont, met of zonder kinderen, 70% van het referentieminimumloon. In plaats van de extra 20%-punt is de alleenstaande-ouderkop gekomen, die wel afhankelijk is van het inkomen, maar verder niet van wel of niet werken. Dit beoogt de armoedeval weg te nemen. Vanaf 01-01-2015 (en voor het overgangsrecht vanaf 01-07-2015) is er derhalve geen grond meer voor toekenning van een afwijkende norm voor de dagen dat het kind thuis verblijft. Paragraaf 3.15 De Computerregeling is gewijzigd. Het beleid is verruimd. De beleidsregel inzake een computervoorziening ten behoeve van kinderen uit minimagezinnen bestaat uit twee onderdelen, namelijk: de Gezinscomputer; de Computervoorziening t.b.v. scholieren voortgezet onderwijs (Chromebook). Het college verstrekt een Gezinscomputer, indien de aanvrager: een of meer ten laste komende kinderen heeft die in groep 3 of hoger zitten van de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs dan wel een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; en meer dan drie jaar geleden, te rekenen vanaf de datum van indiening van de aanvraag, in aanmerking is gebracht voor een computer in het kader van de toentertijd vigerende beleidsregel ‘computers ten behoeve van kinderen uit minimagezinnen’; en een inkomen heeft dat lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet; en over een vermogen beschikt dat niet hoger is dan de in artikel 34, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, van de Participatiewet bedoelde vermogensgrens. Het college verstrekt een Computervoorziening t.b.v. scholieren voortgezet onderwijs (Chromebook), indien de aanvrager: een ten laste komend kind heeft dat onderwijs volgt aan een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; en een inkomen heeft dat lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet; en over een vermogen beschikt dat niet hoger is dan de in artikel 34, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, van de Participatiewet bedoelde vermogensgrens. Paragraaf 3.15 a Computervoorziening statushouders Als belanghebbende van buiten de EU langdurig in Nederland komt wonen, moet hij inburgeren. Met andere woorden, hij moet de taal leren spreken en de Nederlandse samenleving leren kennen. Daarom moet hij een inburgeringsexamen doen. De kosten van een inburgeringscursus worden vergoed uit een lening die de inburgeraars bij Duo aangaan. De kosten voor een laptop vallen hier buiten. Het is noodzakelijk dat inburgeraars de beschikking hebben over een laptop bij het volgen van de inburgeringslessen en voor het maken van het huiswerk c.q. opdrachten. De inburgeraar is zelf verantwoordelijk voor het regelen van de inburgeringscursus. Na aanmelding bij een taalinstituut met kenmerk Blik op Werk kan bij de gemeente een aanvraag worden ingediend voor vergoeding van een computervoorziening via de bijzondere bijstand. Deze beleidsregel staat alleen open voor alleenstaanden zonder kinderen, echtparen zonder kinderen, echtparen of alleenstaanden met kinderen die nog niet in groep 3 of hoger zitten van de basisschool. Inburgeraars met schoolgaande kinderen vanaf groep 3 van de basisschool vallen immers onder de computervoorziening ten behoeve van kinderen uit minimagezinnen. De computervoorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming van maximaal € 500,- per huishouden. Deze tegemoetkoming wordt, nadat de klant een pro forma nota heeft overgelegd, betaalbaar gesteld. Het begrip ‘per huishouden’ betekent dat als de aanvraag wordt ingediend door gehuwden zonder kinderen in principe slechts een computervoorziening wordt verstrekt. De computervoorziening wordt eenmalig verstrekt. Deze beleidsregel blijft van toepassing totdat de nieuwe Inburgeringswet in werking is getreden. Paragraaf 3.17 Kosten woninginrichting is gewijzigd. Kosten van woninginrichting kunnen bestaan uit: een volledige inrichting, meestal voorkomend bij toewijzing van een woning aan statushouders; een gedeeltelijke inrichting na verhuizing of echtscheiding; vervanging van inboedel of stoffering in geval van slijtage. Als een aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend ter voorziening in de kosten van een gedeeltelijke woninginrichting na verhuizing of echtscheiding of in de kosten van vervanging van inboedel of stoffering in geval van slijtage, dan wordt in de gemeente Schagen de volgende beleidslijn gevolgd. De kosten van woninginrichting of duurzame gebruiksgoederen zijn kosten die betaald kunnen worden uit de bijstandsnorm en/of de langdurigheidstoeslag. Als er geen spaargeld is om de kosten van te betalen, dan is een lening bij de Kredietbank Nederland (hierna: de kredietbank) de voorliggende voorziening. Is een lening niet mogelijk dan moet de volgende afweging gemaakt worden: bijstand in de vorm van een lening als er verwijtbaar niet (voldoende) gespaard is en de noodzakelijke verhuizing daardoor niet mogelijk is. bijstand om niet als er niet verwijtbaar niet (voldoende) gespaard is. Het beleid is aldus gewijzigd, dat de gemeente aanvragers niet meer standaard zal doorverwijzen naar de kredietbank. De gemeente zal een aanvraag om leenbijstand innemen. Dezelfde werkwijze dus zoals die bij de volledige woninginrichting wordt gevolgd. Bij de volledige woninginrichting (statushouders) vindt namelijk ook geen doorverwijzing naar de kredietbank plaats. Op deze wijze wordt de afhandeling van aanvragen om bijzondere bijstand in de kosten van woninginrichting geüniformeerd. Als het gaat om een volledige woninginrichting, dan wordt de bijstand in de vorm van een renteloze geldlening verstrekt. De gemeente brengt dus geen rente bij de klant in rekening. De reden hiervoor is dat het binnen de bestaande applicatie niet mogelijk is om rente te berekenen. Als je er als gemeente toch voor kiest om rente bij de klant in rekening te brengen, dan dient de rente handmatig te worden berekend. Dit handmatig berekenen van de rente is een tamelijk arbeidsintensieve aangelegenheid. De kosten om de rente te berekenen zullen vrijwel zeker hoger zijn dan de rente die bij de klant in rekening wordt gebracht. Niet erg efficiënt dus. Het college heeft daarom besloten om bij de gedeeltelijke woninginrichting ook geen rente in rekening te brengen. De bijzondere bijstand in de kosten van een gedeeltelijke woninginrichting wordt in de vorm van een (renteloze) lening verstrekt, als er verwijtbaar niet (voldoende) gespaard is en de noodzakelijke verhuizing daardoor niet mogelijk is. Echter, ingeval er niet verwijtbaar niet (voldoende) gespaard is, dan wordt de bijzondere bijstand om niet verstrekt. De regels met betrekking tot de volledige woninginrichting zijn ook gewijzigd. Het oude beleid luidde -kort samengevat- als volgt: “Van statushouders die zich vanuit een Asielzoekerscentrum in een woning vestigen, kan niet verwacht worden dat zij reserveren. Zij krijgen een volledige inrichting. Een deel wordt in natura verstrekt (het meubel- en witgoedpakket dat werd geleverd door Rataplan) en een deel in de vorm van geld. Het deel dat in de vorm van geld wordt verstrekt, moet worden terugbetaald. Er moet maximaal over een periode van drie jaren 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld worden terugbetaald. Nadat aan de aflossingsverplichting is voldaan, wordt het restantbedrag kwijtgescholden.” Het meubel- en het witgoedpakket zijn afgeschaft. Het beleid met betrekking tot de volledige woning inrichting is aldus gewijzigd, dat de bijzondere bijstand in de kosten van een volledige woninginrichting is opgebouwd uit de volgende twee componenten: een gift, zijnde een forfaitair bedrag van € 1.000,-., welk bedrag besteed moet worden aan het witgoed; een renteloze geldlening, waarvan de hoogte afhangt van de gezinssamenstelling en die bestemd is voor de overige kosten van woninginrichting (meubels, tv, stoffering etc. ). Het ene deel van de bijzondere bijstand inzake de kosten van woninginrichting wordt dus om niet verleend Onder witgoed wordt het navolgende verstaan: wasmachine, koelkast, stofzuiger en gasfornuis. Het andere deel van de bijzondere bijstand wordt dus verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening. Er moet maximaal over een periode van drie jaren 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld worden terugbetaald. Nadat aan de aflossingsverplichting is voldaan, wordt het restantbedrag kwijtgescholden.. Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aansluiting gezocht bij de NIBUD-prijzengids, met dien verstande dat deze normbedragen van het NIBUD met 45% worden verlaagd. Hieraan ligt de overweging ten grondslag dat vandaag de dag meubels voor een relatief lage prijs kunnen worden gekocht bij de kringloopwinkels of via het internet (Marktplaats of Marktnet). Deze beleidskeuze past bovendien bij het uitgangspunt dat bij bijstandsverlening uitgegaan moet worden van de goedkoopst adequate oplossing. In dat opzicht is het beleid dus ongewijzigd gebleven. Paragraaf 3.24 Broodnood voor jongeren tijdens zoektijd van 4 weken is geschrapt, omdat dit probleem op de reguliere wijze via de voorschotverlening kan worden opgelost. Paragraaf 3.20 Budgetbeheer. Het bijzondere bijstandsbeleid met betrekking tot het budgetbeheer is aangepast. Wat de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand betreft werd voorheen aansluiting gezocht bij de tarieven de door Plangroep gehanteerde tarieven. Aangezien Plangroep vanaf 1 januari 2017 niet meer de schuldregelingen en de complexe betalingsregeling voor de gemeente uitvoert, is het niet meer logisch om aansluiting te zoeken bij de tarieven die door dit bedrijf worden gehanteerd. Besloten is bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand uit te gaan van de daadwerkelijk gemaakte kosten. Wel geldt er een aanvullende eis. De budgetbeheerder dient ter zake kundig en betrouwbaar te zijn. Daarom verlangt de gemeente dat de budgetbeheerder lid is van PBI (Professionele bewindvoerders en inkomensbeheerders) of een vergelijkbare brancheorganisatie. Als de budgetbeheerder geen lid is van de PBI of een vergelijkbare brancheorganisatie, dan wordt er ter zake van de kosten van budgetbeheer geen bijzondere bijstand verleend. Paragraaf 3.27 Kindpakket Meedoen Noordkop is geschrapt en overgeheveld naar de Verordening Meedoen Schagen. Paragraaf 3.22 Reiskosten i.v.m. re-integratie, participatie en tegenprestatie wordt geschrapt en overgeheveld naar het document Beleidsregels inzake de reiskostenvergoeding en vervoersvoorziening Participatiewet Gemeente Schagen 2019. Aan deze overheveling ligt de overweging ten grondslag dat deze kosten moeten worden betaald uit het werkdeel en niet- zoals nu gebeurt- uit het budget bijzondere bijstand. Paragraaf 3.23 Vervoersvoorziening wordt geschrapt en overgeheveld naar het document Beleidsregels inzake de reiskostenvergoeding en vervoersvoorziening Participatiewet Gemeente Schagen 2019. Aan deze overheveling ligt de overweging ten grondslag dat deze kosten moeten worden betaald uit het werkdeel en niet - zoals nu gebeurt- uit het budget bijzondere bijstand. Paragraaf 5.4 Pedicurekosten is gewijzigd. Besloten is geen bijzondere bijstand meer te verlenen voor pedicurekosten. In het algemeen is het zo dat de Zvw en de Wlz alle noodzakelijke medische of paramedische kostensoorten vergoeden. Beide regelingen gelden samen als een aan de Participatiewet voorliggende voorziening die passend en toereikend is. Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten (artikel 15 lid 1 Participatiewet;). HOOFDSTUK2ALGEMEEN 2.1Bijzondere bijstand is maatwerk De mogelijkheid om bijzondere bijstand te verlenen voor bijzondere kosten is opgenomen in de Participatiewet. Er zijn situaties waarin het inkomen niet voldoende is om in bepaalde noodzakelijke en bijzondere kosten te voorzien. In het individuele geval moet het college de afweging maken of de situatie bijzonder is en of het inkomen voldoende is. Die afweging - in het individuele geval - maakt echter niet dat er geen beleidsregels opgesteld kunnen / moeten worden. Beleidsregels dragen bij aan rechtszekerheid en rechtsgelijkheid en zijn van belang voor een doelmatige uitvoering. De beleidsregels hebben in ieder geval betrekking op de wijze waarop er met inkomen en vermogen wordt omgegaan. De zogenaamde draagkrachtregels. Verder is het handig om afspraken te maken - en die vast te leggen – over een aantal kostensoorten. Er zijn namelijk bepaalde kosten die per definitie voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. In de rechtspraak is ook voor een aantal kostensoorten een bepaalde lijn uitgezet. Bijvoorbeeld: Het feit dat een cliënt een eigen bijdrage rechtshulp moet betalen, duidt er op dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, waarvoor bijstandsverlening op zijn plaats is. De beleidsregels zijn echter niet meer en niet minder dan een kader. In het individuele geval zal steeds een individuele afweging gemaakt moeten worden en kan er aanleiding zijn om van de beleidsregels af te wijken. Bij iedere aanvraag moeten vier vragen worden beantwoord: Doen de kosten zich voor? Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? Vloeien de kosten voort uit bijzondere omstandigheden? Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm? Hoofdstuk I van dit handboek is opgebouwd aan de hand van deze vier vragen, Het is een aanvulling op datgene wat in het handboek Grip Op en het handboek van StimulanSZ staat. 2.2Categoriale bijzondere bijstand Voor categoriale bijzondere bijstand is het voldoende om vast te stellen dat een persoon tot een bepaalde doelgroep behoort. Het enkele feit dat hij tot die doelgroep hoort, maakt dat er aangenomen kan worden dat er sprake is van bepaalde kosten. Die kosten hoeven niet te worden aangetoond en er hoeft dus ook geen onderzoek gedaan te worden naar de noodzaak van die kosten. Er moet alleen vastgesteld worden of er sprake is van draagkracht. Met ingang van 01-01-2015 is categoriale bijzondere bijstand alleen nog mogelijk voor de collectieve zorgverzekering. 2.3Doen de kosten zich voor (aantoonbaarheid) en is bijstand met terugwerkende kracht mogelijk? De aantoonbaarheid van de kosten Voor zover de kostensoorten beschreven zijn is daarbij aangegeven op welke wijze de kosten moeten worden aangetoond. Dat is afhankelijk van een aantal factoren. Het is afhankelijk van de voorwaarden waaronder de bijstand verleend wordt en of het om incidentele of periodieke bijstand gaat. De omvang van de kosten en de mate waarin je wil controleren is ook van belang. Aantoonbaarheid van kosten In het algemeen geldt dat er een bewijs van de betaling (nota of afschrijving) ingeleverd moet worden bij de aanvraag. In de beschrijving per kostensoort is opgenomen of er afgeweken wordt van deze hoofdregel. Bij toekenning van bijstand – en als een bewijsstuk wel noodzakelijk is – wordt in de beschikking een redelijke termijn genoemd waarbinnen de nota moet worden ingeleverd. Terugwerkende kracht Het uitgangspunt in de P-wet is dat de bijstand op aanvraag verleend wordt. Dat betekent dat er pas vanaf het moment van aanvraag bijstand verleend kan worden en dus niet met terugwerkende kracht. Dat geldt voor levensonderhoud en bijzondere bijstand. Voor de bijzondere bijstand is het echter niet wenselijk om daar te strikt mee om te gaan. De bijzondere omstandigheden zijn redenen om hier soepel mee om te gaan. Er moet wel een bepaalde relatie zijn tussen het moment dat de kosten gemaakt zijn en de aanvraag. De terugwerkende kracht beperkt zich in de regel tot een jaar. Bij het aanvragen via de snelbalie wordt gevraagd naar de datum van de nota. Als de datum niet kan worden ingevuld, omdat de nota niet meer aanwezig is, zal dat leiden tot een afwijzing. Terugwerkende kracht is niet mogelijk als de noodzaak van de kosten niet meer is vast te stellen. Terugwerkende kracht Bijzondere bijstand kan worden toegekend met een jaar terugwerkende kracht. Bepalend is het moment waarop de kosten zijn gemaakt (datum betaling of nota). Voorwaarde is wel dat er nog een bewijs van betaling aanwezig is en dat de noodzaak nog is vast te stellen. 2.4Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? Voor dit onderdeel verwijs ik naar het Handboek Grip Op, Bijstand > Bijzondere bijstand > 1. Recht op bijzondere bijstand >Vraag 2: Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? Ook in het Handboek van StimulanSZ treft u hierover informatie aan. In deze handboeken staat een overzicht met voorbeelden van noodzakelijke en niet-noodzakelijke kosten en de afweging die gemaakt moet worden om tot een bepaalde conclusie te komen. 2.5Vloeien de kosten voort uit bijzondere omstandigheden? Er zijn een aantal kosten die per definitie het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden. In die gevallen hoeven de bijzondere omstandigheden niet onderzocht te worden. Per concreet geval zal steeds de vraag beantwoord moeten worden of er in het individuele geval sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat kan ook het geval zijn als er in het algemeen geen bijstand verleend wordt voor bepaalde kosten, omdat ze in het algemeen niet als bijzonder zijn aan te merken. Het kan echter zijn dat ze in een bepaalde situatie wel bijzonder zijn. Maatwerk is en blijft de hoofdregel. Het bij wijze van individualisering afwijken van het vastgestelde eigen gemeentelijk beleid is op grond van wet en jurisprudentie toegestaan. Wanneer dit gebeurt is het college niet verplicht om vervolgens in andere gevallen ook van het eigen beleid af te wijken. Het gelijkheidsbeginsel gaat namelijk niet zo ver dat een incidentele afwijking van het beleid een verplichting schept om in andere gevallen ook af te wijken. De afwijking moet wel goed gemotiveerd zijn en zijn oorzaak hebben in de bijzondere omstandigheden. 2.6Reservering Ook de vraag of er wel of niet gereserveerd kan worden, maakt onderdeel uit van de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden. Er kan in het algemeen van worden uitgegaan dat er 5% gespaard kan worden van een bijstandsuitkering. Dat wordt echter moeilijker naar mate de bijstandsuitkering langer duurt. De individuele inkomenstoeslag is bedoeld als aanvulling op de bijstandsnorm als er langdurig sprake is van een laag inkomen. In de Verordening Individuele inkomenstoeslag P-wet Schagen 2015 is opgenomen dat er recht op een individuele inkomenstoeslag is als het inkomen langer dan drie jaren lager is dan 110% van de bijstandsnorm. Er moet ook voldaan zijn aan de voorwaarden die opgenomen zijn in de Beleidsregel Individuele inkomenstoeslag P-wet Schagen 2015 Uit de memorie van toelichting bij de Wet decentralisatie langdurigheidstoeslag blijkt dat de individuele inkomenstoeslag bedoeld is voor vervangingsuitgaven. Als er sprake is van vervangingsuitgaven mag er verwacht worden dat die betaald worden van de individuele inkomenstoeslag. Als er – ondanks het feit dat er een individuele inkomenstoeslag is toegekend – toch geen geld is voor vervangingsuitgaven, zal eerst gekeken moeten worden of er gespaard is en of dat mogelijk was. Er zijn situaties dat er wel gespaard had moeten worden, maar dat het niet gedaan is, terwijl er wel sprake is van noodzakelijk uitgaven. In dat geval wordt de bijzondere bijstand verleend in de vorm van een renteloze geldlening. Indien belanghebbende niet kan worden verweten dat hij niet heeft gereserveerd voor de noodzakelijke uitgaven, dan wordt de bijzondere bijstand verleend om niet. Het ontbreken van reserveringsruimte in verband met het aflossen van schulden is niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid waardoor niet gespaard kon worden. In dat geval wordt de bijzondere bijstand verleend in de vorm van een renteloze geldlening. Bijzondere omstandigheden, reservering en voorliggende voorziening Bijzondere omstandigheden is maatwerk. De bijstandsnorm voorziet in de noodzakelijke kosten van het bestaan en er kan geld opzij gelegd worden voor vervangingsuitgaven (5% van de norm). Bij een inkomen dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm, is er na drie jaar recht op een individuele inkomenstoeslag. Daarvan kunnen vervangingsuitgaven bekostigd worden. Als er geen middelen beschikbaar zijn voor noodzakelijke uitgaven, terwijl er gereserveerd had moeten worden dan wordt de bijzondere bijstand verleend in de vorm van een renteloze geldlening. Bij een inkomen van meer dan 100% van de bijstandsnorm wordt er van uitgegaan dat er 5% gespaard kan worden van het inkomen dat gelijk is aan de bijstandsnorm en dat het meer-inkomen volledig gespaard wordt voor algemene kosten. Het aflossen van schulden is geen excuus om niet te reserveren. 2.7Draagkracht Het college heeft bij de bijzondere bijstand volledige vrijheid in de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende. Dit betekent dat het college zelf bepaalt welk deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. Hierbij is het volgende van belang: vermogens- of inkomensbestanddelen die op grond van artikel 31 lid 2 Participatiewet niet tot de middelen worden gerekend, worden voor de bijzondere bijstand wel tot de middelen van belanghebbende gerekend; de vrijlatingsbepalingen voor het vermogen op grond van artikel 34 lid 2 Participatiewet geldt niet voor de bijzondere bijstand; het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en inkomen in aanmerking wordt genomen. Dat betekent dat het college deze voor de algemene bijstand wettelijk vrij te laten middelen geheel of gedeeltelijk kan betrekken bij de beoordeling van de draagkracht. Het college kan ook besluiten deze middelen voor de bijzondere bijstand buiten beschouwing te laten. Artikel 35 lid 1 Participatiewet bepaalt immers dat het college zelf oordeelt over draagkracht uit de middelen anders dan het inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm. NB Vaak speelt de vraag of een belanghebbende heeft kunnen reserveren voor de kosten. Dit speelt geen rol bij de vraag of een belanghebbende de kosten kan voldoen uit de draagkracht. Deze vraag maakt exclusief onderdeel uit van de beoordeling of er sprake is van bijzondere omstandigheden De draagkracht wordt nader uitgewerkt in de paragrafen 2.8, 2.9, 2.10, 2.11, 2.12 2.13 en 2.14 van dit handboek. 2.8De bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, het vermogen De bijstandsnorm is bedoeld voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Het gaat om de kosten van levensonderhoud, wonen, vervanging van duurzame gebruiksgoederen en kleding. Er is geen vaste lijst van wat wel en wat niet onder de noodzakelijke kosten wordt verstaan. Ik verwijs naar het hoofdstuk bijzondere bijstand van Grip Op voor een aantal voorbeelden uit de jurisprudentie. Zie Bijstand > Recht op bijzondere bijstand Vraag 4: Kunnen de kosten worden voldaan uit de aanwezige middelen? Ook het handboek van StimulanSZ bevat informatie over deze materie. Als er recht bestaat op een individuele inkomenstoeslag mag er verwacht worden dat de vervangingsuitgaven daarvan betaald worden (zie reservering) 2.9Het inkomen boven de bijstandsnorm Het college heeft besloten dat er bij een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm geen draagkracht is voor bijzondere kosten. Van het meer-inkomen is 35 % draagkracht en 65% van het meer-inkomen blijft vrij beschikbaar. Daarmee is er voldoende ruimte in het inkomen om de lagere inkomensafhankelijke voorzieningen als gevolg van het hogere inkomen op te vangen. In artikel 23 lid 1 Participatiewet is geregeld wat de norm is voor een alleenstaande/alleenstaande ouder en gehuwden bij een verblijf in inrichting. In het tweede lid wordt bepaald dat het bedrag van de norm bedoeld in het eerste lid wordt verhoogd met een bedrag van € 35,00 voor een alleenstaande/alleenstaande ouder en een bedrag van € 75,00 voor gehuwden (premie zorgverzekeringswet).Bij de berekening van de draagkracht gaan we uit van 110% van de norm als bedoeld in artikel 23 lid1 en het bedrag bedoeld in artikel 23 lid 2. Met andere woorden, het bedrag van de norm bedoeld in artikel 23 lid 1 en het bedrag van artikel lid 2 worden bij elkaar opgeteld en vervolgens wordt hiervan 110% van genomen. Draagkrachtpercentage algemeen noodzakelijke kosten Bij een inkomen dat hoger dan de bijstandsnorm, is het meer-inkomen voor de volgende kosten voor 100% draagkracht: woninginrichting; babyuitzet; kosten voor verhuizing en dubbele huur; bijzondere bijstand voor kosten van levensonderhoud (overbrugging, zakgeld jongeren in inrichting etc.); bijstand voor huur en woonlasten eigen woning; bijstand voor aanhouden van de woning tijdens een opname Draagkrachtpercentage bijzondere kosten Voor de bijzondere kosten van het bestaan is er bij een inkomen tot 110% geen draagkracht. Van het meer-inkomen hoger is 35% draagkracht; Deze draagkrachtregel geldt voor aanvragen die op of na 01-07-2012 zijn ingediend. Draagkrachtpercentage computervoorziening kinderen uit minimagezinnen (lees: inkomensgrens) De computer (zie paragraaf 3.15 computerregeling) wordt verstrekt in de vorm van tegoed, niet zijnde een geldbedrag, waarmee belanghebbende via de webwinkel Meedoen Schagen een keuze kan maken uit een ruim aanbod van verschillende computers en Chromebooks. Een van de voorwaarden om hiervoor in aanmerking te komen is dat het inkomen van de aanvrager lager is dan 110% van de toepassing zijnde bijstandsnorm, Het vorenstaande geldt ook voor de computervoorziening statushouders (paragraaf 3.15a. Categoriale bijzondere bijstand voor deelname collectieve zorgverzekering Met ingang van 01-01-2015 is de verplichte grens van 110% opgeheven. Het college heeft besloten dat de inkomensgrens voor deelname aan de collectieve zorgverzekering 130% van de bijstandsnorm is. 2.10Vaststelling bijstandsnorm voor vergelijking met inkomen Uitgangspunt voor de draagkrachtberekening is het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm waarop belanghebbende recht zou hebben als hij geen inkomen had. De bijstandsnorm is de norm zoals genoemd in de Participatiewet. Besloten is om de kostendelersnorm (artikel 20 lid 3 en 22 sub a, per 01-01-2016 artikel 19 sub a van de P-wet) niet toe te passen voor de bijzondere bijstand. In plaats daarvan wordt de norm die van toepassing is, verlaagd met 10% als er in de woning van belanghebbende andere meerderjarige personen wonen. Het aantal personen dat inwoont is niet van belang. Ook de uitzondering van studerenden en kamerbewoners – zoals bij de kostendelersnorm – is niet van toepassing. Er wordt geen rekening gehouden met inkomsten uit onderhuur. Deze systematiek komt overeen met de bepalingen van de Toeslagenverordening, zoals die van toepassing was voor de invoering van de kostendelersnorm. De Beleidsregel lage woonlasten en commerciële huur P-wet Schagen 2015 is alleen van toepassing voor wat betreft de lage woonlasten. Vaststelling bijstandsnorm Voor de bepaling van het inkomen wordt de P-wet vanaf 01-01-2015 toegepast, zoals bij algemene bijstand behalve de kostendelersnorm. Als er in de woning van belanghebbende (een) meerderjarige perso(o)n(
- en)het hoofdverblijf heeft / hebben wordt 10% van de norm afgetrokken. Er wordt geen verschil gemaakt tussen medebewoning en onderhuur. Inkomsten uit onderhuur worden niet in mindering gebracht. De beleidsregel lage woonlasten en commerciële huur is van toepassing voor wat betreft lage woonlasten. Regels onder 1, 2 en 3 hebben terugwerkende kracht tot 01-01-2015. 2.11Vaststelling inkomen Het inkomen wordt op dezelfde wijze bepaald als in de P-wet Dat betekent dat artikel 31 lid 2 van de P-wet (vrijlating van bepaalde middelen) en artikel 33 lid 5 (vrijlating deel van pensioen) worden toegepast. Het inkomen dat wordt vrijgelaten, wordt dus ook niet als inkomen gezien. Dat betekent dat bij alleenstaande ouders het kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouder kop, niet als inkomen wordt aangemerkt. In de P-wet is bepaald dat er moet worden uitgegaan van het inkomen waarover redelijkerwijs beschikt kan worden. Dat betekent bijvoorbeeld dat het bedrag dat afgelost wordt aan schulden, niet wordt afgetrokken van het inkomen. Op die regel zijn uitzonderingen, te weten: executoriaal beslag, WSNP en regelingen op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Executoriaal beslag Het deel van het inkomen waarop executoriaal beslag ligt, mag in het kader van de bijzondere bijstand niet tot het inkomen worden gerekend. Het is inkomen waarover hij feitelijk niet kan beschikken en hij heeft geen mogelijkheid om verandering in de situatie aan te brengen.(CrvB 28-03-2006, nr. 04/5465 NABW). Het is wel raadzaam om na te gaan bij de beslaglegger of de beslagvrije voet op correcte wijze is vastgesteld. Het kan ook zijn dat de beslagvrije voet laag is vastgesteld, omdat belanghebbende geen informatie heeft verstrekt aan de beslaglegger. In dat geval zal belanghebbende deze informatie alsnog moeten verstrekken aan de beslaglegger. De beslagvrije voet wordt dan aangepast. Verstrekt aanvrager geen gegevens aan de beslaglegger dan zal er voor de vaststelling van het inkomen uitgegaan worden van het inkomen minus het beslag dat op grond van de gegevens gelegd mag worden. Bijvoorbeeld: inkomen is € 2.000. Beslag € 1.000. Het beslag zou – als belanghebbende alle gegevens had verstrekt - € 750 moeten zijn. We gaan uit van een inkomen van € 2.000 minus € 750 = € 1.250, terwijl hij in werkelijkheid maar € 1.000 heeft. WSNP Tijdens het WSNP-traject (en ook tijdens een minnelijke schuldregeling) is het Vrij Te Laten Bedrag (VTLB) beschikbaar voor levensonderhoud en vaste lasten. Het VTLB wordt vastgesteld op 90% van de bijstandsnorm, vermeerderd met diverse correcties afhankelijk van de situatie van werk/inkomen en bepaalde lasten ( waaronder in ieder geval woonlasten en zorgkosten rekening houdende met toeslagen van de Belastingdienst in verband met het werkelijke inkomen).Wij gaan ervanuit dat er in deze situatie geen draagkracht is boven de 110% van de bijstandsnorm. Wel is 5% van de norm beschikbaar voor het doen van vervangingsuitgaven. Het deel van het inkomen dat gespaard wordt voor aflossing van de schulden is geen inkomen. De WSNP-bewindvoerder maakt de berekening VTLB. Bij de bijstandsaanvraag kan de verplichting opgelegd worden om de WSNP-bewindvoerder een hoger vrij te laten bedrag te laten berekenen. Dat hoeft alleen als er bijstand wordt gevraagd voor de volgende kosten: huur hoger dan maximumgrens huurtoeslag, noodzakelijke kosten budgetbeheer en beschermingsbewind. Gaat de bewindvoerder daar niet in mee, dan kan belanghebbende zich rechtstreeks tot de rechter wenden (CrvB 01-02-2005, nr. 02/93 NABW). Het verzoek om een hoger VTLB te laten vaststellen heeft alleen zin als er een bedrag gereserveerd wordt voor de schuldeisers. Is dat niet het geval, dan zal er ook geen ruimte in het inkomen ontstaan door de VTLB hoger vast te laten stellen. MSNP Instrumenten op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Budgetcoaching Wat is het? Budgetcoaching is nodig omdat er ondersteuning nodig is bij het beheren van het inkomen. Wat doen we berekening van het inkomen? De gewone draagkrachtberekening is van toepassing, want er kan beschikt worden over het inkomen. Is er sprake van beslag of moet er geleefd worden van het VTLB, dan moet gekeken worden naar het bovenstaande onder de kopjes ‘executoriaal beslag’ of ‘WSNP’, Stabilisatie ten behoeve van de schuldregeling Wat is het? Dit is de voorbereiding op de schuldregeling. In deze situatie leven belanghebbenden vaak van de beslag vrije voet, omdat er beslag ligt op het inkomen. Het geld dat gereserveerd kan worden, gaat dan naar beslagleggende schuldeiser waardoor de belanghebbende zelf nergens voor kan reserveren. Het doel van dit traject is om de situatie stabiel te krijgen, zodat gestart kan worden met een schuldregeling. Wat doen we met berekening van het inkomen? We houden rekening met het feit dat er executoriaal beslag ligt en we houden rekening met het bedrag dat gereserveerd wordt voor de schuldeisers. Het is belangrijk dat stabilisatie slaagt, zodat de schuldenregeling kan starten. Afwijzen van bijzondere bijstand voor noodzakelijke bijzondere kosten door geen rekening te houden met de reservering voor de schuldeisers, kan de stabilisatie frustreren en dat is niet wenselijk. Schuldbemiddeling Wat is het? Doel van schuldbemiddeling is het bewerkstelligen van een minnelijke regeling van de totale schuldenlast. Belanghebbende leven gedurende de schuldenregeling van het VTLB en het eventuele inkomen boven VTLB is voor de schuldeisers. Wat doen we met berekening van het inkomen? Hier wordt op dezelfde wijze mee omgegaan als bij een WSNP. Met dit verschil dat het VTLB niet is vastgesteld door de rechter, maar door de schulddienstverlener. Als er aanvragen zijn voor bijzondere kosten neemt de consulent inkomen contact op met de schulddienstverlener om na te gaan of er in het VTLB wel of geen rekening gehouden is of kan worden gehouden met de kosten. In geval van aanvragen voor vervangingsuitgaven (huisraad/witgoed) vraagt de consulent inkomen of er een bedrag opzij is gelegd voor de kosten. Toekenning aanvraag is afhankelijk van aanwezigheid reserve. In alle gevallen waarin er sprake is van schulden – ook als belanghebbende de schulden zelf hebben geregeld – wordt verwezen naar schuldhulpverlening als belanghebbende daar nog niet bekend is. In geval van twijfel over noodzaak of nut van de verwijzing, wordt vooraf contact opgenomen met de schulddienstverleners. Saneringskrediet Wat is het ? Bij een saneringskrediet wordt door een kredietbank of gemeente een lening aan de schuldenaar verstrekt. De schuldeisers krijgen meteen het bedrag uitgekeerd waarmee ze akkoord zijn gegaan en de schuldenaar lost het krediet af in 36 maanden. Het bedrag dat de schuldeisers ontvangen ligt hiermee vast. De hoogte van het krediet wordt vastgesteld aan de hand van de huidige draagkracht van de schuldenaar over een periode van 36 maanden. Saneringskrediet is in feite het afsluiten van een nieuwe lening om oude schulden af te betalen. Overigens kan bij weigering van een of meer schuldeisers evenals bij schuldbemiddeling een dwangakkoord worden aangevraagd bij de rechtbank. Wat doen we met de berekening het inkomen? U wordt verwezen naar hetgeen hierover is vermeld bij de schuldbemiddeling. 100% Betalingsregeling Wat is het? Doel van de 100% betalingsregeling is het volledig betalen van de vordering in een aantal termijnen. Belanghebbende leven gedurende de betalingsregeling ongeveer van het VTLB en het eventuele inkomen boven VTLB is voor de schuldeisers. Wat doen we met berekening van het inkomen? Hier wordt op dezelfde wijze mee omgegaan als bij een WSNP. Met dit verschil dat het VTLB niet is vastgesteld door de rechter, maar door de schulddienstverlener. Als er aanvragen zijn voor bijzondere kosten neemt de consulent inkomen contact op met de schulddienstverlener om na te gaan of er in het VTLB wel of geen rekening gehouden is of kan worden gehouden met de kosten. In geval van aanvragen voor vervangingsuitgaven (huisraad/witgoed) vraagt de consulent inkomen of er een bedrag opzij is gelegd voor de kosten. Toekenning aanvraag is afhankelijk van aanwezigheid reserve. In alle gevallen waarin er sprake is van schulden – ook als belanghebbende de schulden zelf hebben geregeld – wordt verwezen naar schuldhulpverlening als belanghebbende daar nog niet bekend is. In geval van twijfel over noodzaak of nut van de verwijzing, wordt vooraf contact opgenomen met de schulddienstverleners. Inkomen bij opname in een inrichting In de situatie dat belanghebbende opgenomen is in een inrichting is de bijstandsnorm voor personen in een inrichting van toepassing. De eigen bijdrage op grond van de Wet langdurige zorg wordt niet tot het inkomen gerekend. Vanzelfsprekend wordt voor de eigen bijdrage geen bijzondere bijstand verleend. Vaststelling inkomen Het deel van het inkomen waarop executoriaal beslag is gelegd, mag niet tot het inkomen worden gerekend, omdat er niet over beschikt kan worden. Belanghebbende moet medewerking verlenen aan de correcte vaststelling van de beslagvrije voet. Tijdens de WSNP-schuldsaneringsregeling of een minnelijke schuldregeling mag het deel van het inkomen dat naar de boedel gaat en waarover niet beschikt kan worden, niet tot het inkomen gerekend worden. Er is wel tot zekere hoogte ruimte om te reserveren voor vervangingsuitgaven. Bij de bijstandsaanvraag kan de verplichting worden opgelegd om het vrij te laten bedrag opnieuw te laten vaststellen. Deze verplichting heeft alleen zin bij bepaalde kosten en wanneer er gereserveerd wordt voor aflossing. Tijdens de periode van stabilisatie voorafgaand aan de schuldbemiddeling c.q. 100%betalingsregeling en gedurende de schuldbemiddeling dan wel 100% betalingsregeling op grond van de gedragscode van de NVVK ( branchevereniging voor de schuldhulpverlening) is het beschikbaar inkomen het VTLB. Er is wel tot zekere hoogte ruimte om te reserveren voor vervangingsuitgaven. Voor aanvragen voor bijzondere kosten moet nagegaan worden of hiermee rekening is gehouden bij de vaststelling van het VTLB en of dit wel of niet mogelijk is. Bij opname in een inrichting op grond van de Wet langdurige zorg wordt de eigen bijdrage niet tot het inkomen gerekend. 2.12De periode waarover rekening gehouden wordt met de draagkracht De periode waarover rekening wordt gehouden met het inkomen is een jaar. Het draagkrachtjaar begint te lopen met ingang van de 1e dag van de maand waarin de kosten zich voordoen. Voor de berekening van de draagkracht wordt uitgegaan van het inkomen op het moment van aanvraag. Wel wordt aan de hand van digitale bronnen gecontroleerd of er tijdens het draagkrachtjaar sprake was van een aanzienlijke daling of stijging van het inkomen. Bij een aanzienlijke verandering tijdens het draagkrachtjaar wordt er uitgegaan van het werkelijke inkomen. Bij een aanvraag tijdens het lopende draagkrachtjaar wordt uitgegaan van de berekende draagkrachtruimte en de wel of niet gebruikte draagkracht in dat jaar. Bijzondere kosten die tijdens de draagkrachtperiode door belanghebbende zijn gemaakt en waarvoor bijstand zou zijn verleend als er aangevraagd was, worden in mindering gebracht op de draagkracht. De draagkrachtperiode De draagkracht wordt vastgesteld over de periode van een jaar. Er wordt voor het hele jaar uitgegaan van het inkomen op moment van aanvraag. Bij een aanzienlijke verandering tijdens het draagkrachtjaar wordt er uitgegaan van het werkelijke inkomen. Het jaar vangt aan op de 1e van de maand waarin de kosten zich voordoen. Na afloop van het draagkrachtjaar wordt geen onderzoek gedaan naar de werkelijke draagkracht, tenzij belanghebbende daarvoor een verzoek indient. Als er geen draagkracht is, dan zit er geen einddatum in de draagkrachtperiode. We spreken ook wel van een draagkrachtperiode met een onbeperkte duur. 2.13Aflossing van leenbijstand Bijstand die in de vorm van een lening is verstrekt moet worden terugbetaald. De maximale aflossingstermijn is drie jaar, Met een inkomen gelijk aan de bijstand is het niet mogelijk om langer dan drie jaar af te lossen. Nadat er drie jaar trouw is afgelost, wordt de lening kwijtgescholden. Aflossing van een lening kan tijdens de uitkering door inhouding van het aflossingsbedrag op de uitkering. Na beëindiging van de uitkering bewaakt het team Terugvordering en verhaal de aflossing. Komt de belanghebbende zijn aflossingsplicht niet na, dan vordert het college de verleende bijstand terug en kan er vervolgens beslag worden gelegd op het inkomen van de belanghebbende. Het bedrag van de aflossing is 5% van de bijstandsnorm. De maximale aflossingstermijn is 3 jaar. De hoogte en duur van de aflossing zijn niet afhankelijk van de reden waarom de bijstand in de vorm van een lening is verstrekt. De hoogte van de aflossing, de ingangsdatum en de termijn waarover afgelost moet worden, staan in de beschikking waarmee de lening wordt toegekend. Ook staat in de beschikking dat de lening wordt kwijtgescholden als er over de periode van 3 jaren regelmatig is afgelost. Als belanghebbende uitstroomt naar betaalde arbeid en dientengevolge een hoger inkomen krijgt, blijf hij niettemin 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm aflossen. De beleidsregel, inhoudende dat bij een inkomen hoger dan 110% van de bijstandsnorm 5% van de bijstandsnorm plus 35% van het meer inkomen op de lening wordt afgelost, is dus komen te vervallen. Op het moment dat belanghebbende zijn aflossingsverplichting niet nakomt, wordt de verleende bijstand teruggevorderd, met alle mogelijke consequenties van dien: dwangbevel, beslaglegging enzovoorts. 2.14Vermogen Het college bepaalt zelf of het aanwezige vermogen wordt vrijgelaten. Tot nu toe wordt het vermogen op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand en wordt uitgegaan van de vrijlatingsgrenzen zoals genoemd in artikel 34 van de P-wet. Het vermogen is de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande, alleenstaande ouder of een gezin beschikt of kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. Vermogen De vrijlatingsgrenzen van het vermogen zijn voor de bijzondere bijstand hetzelfde als voor de algemene bijstand (artikel 34 van de P-wet). 2.15Vermogen in de eigen woning Op dit onderdeel is het beleid gewijzigd met ingang van 1 april 2011. Bij de vaststelling van het beleid in 2009 was uitgegaan van een vergissing. Er is abusievelijk vanuit gegaan dat er ook voor bijzondere bijstand in geval van vermogen in de eigen woning een lening verstrekt zou kunnen worden. Dat kan echter niet. Het kan alleen voor algemene bijstand (artikel 50 lid 2 van de P-wet). Als het niet mogelijk is om een lening af te sluiten bij een kredietverlenende instantie, moet bijstand worden toegekend en wel als een gift. Vermogen in de eigen woning Het vermogen in de eigen woning wordt vrijgelaten conform het genoemde onder artikel 34, tweede lid onder d van de P-wet. In geval van overwaarde in de eigen woning wordt het overige aanwezige vermogen apart vastgesteld en daarop is de vrijlating van artikel 34 lid 3 van de P-wet van toepassing. In geval van overwaarde in de eigen woning wordt een lening bij een kredietverlenende instantie en de vestiging van een hypotheek beschouwd als een voorliggende voorziening. Mocht deze mogelijkheid ontbreken, dan wordt bijstand verleend in de vorm van om niet. HOOFDSTUK3KOSTENSOORTEN 3.1Bijstand voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar, zelfstandig wonend Omschrijving van de kosten Jongeren van 18 tot en met 20 jaar die zelfstandig wonen, krijgen een lage norm. Er wordt vanuit gegaan dat de ouder(
- s)bijdra(a)g(en)t in de kosten van levensonderhoud. Als de ouders financieel niet kunnen of willen bijspringen, dan kan er bijzondere bijstand verleend worden als aanvulling op de norm. De wettelijke basis hiervoor is artikel 12 van de P-wet. Voorliggende voorzieningen De voorliggende voorziening bestaat uit de onderhoudsplicht van de ouders. De jongere die een aanvulling op zijn uitkering aan komt vragen zal dus in eerste instantie zelf aan de ouders een bijdrage moeten vragen. Als dat niet mogelijk is, vanwege verstoorde verhoudingen, dan neemt de verhaalsambtenaar contact op met de ouders en informeert naar de financiële situatie en de bereidheid om op vrijwillige basis bij te dragen. Als ook dat contact niet mogelijk is vanwege ernstig verstoorde verhoudingen dan wordt er voorlopig afgezien van verhaal vanwege dringende redenen. Het onderzoek naar de verstoorde verhouding wordt gedaan door de consulent. Om de objectiviteit van het onderzoek te waarborgen wordt er, indien aanwezig, contact opgenomen met de hulpverlener. Recht op bijzondere bijstand Er is in ieder geval recht op aanvullende bijzondere bijstand als: de ouders van belanghebbende zich in een ver buitenland bevinden en niet bereikbaar zijn; de middelen van de ouders niet toereikend zijn; de ouders van belanghebbende zijn overleden. Er kan recht op aanvullende bijzondere bijstand zijn als: de relatie tussen de jongere en de ouders ernstig is verstoord (een grondig onderzoek is nodig, informatie van hulpverlener en/of wederhoor bij de ouders); de jongere al geruime tijd zelfstandig woont en in redelijkheid niet verwacht kan worden dat hij terug gaat naar de ouders (onderhoudsplicht geldt dan wel); andere situaties die het zelfstandig wonen noodzakelijk maken. De opsomming kan niet limitatief zijn. De rechter heeft beleid, waarin de bijstand zich beperkt tot bepaalde situaties, afgekeurd. De bijstand op grond van artikel 12 van de P-wet kan verstrekt worden aan: alleenstaanden van 18 tot en met 20 jaar; alleenstaande ouders van 18 tot en met 20 jaar; gehuwden waarvan één van beide partners 18 tot en met 20 jaar is. Hoogte bijzondere bijstand De normen waarop recht zou bestaan als hij of beide partners 21 jaar zouden zijn(19 sub a van de P-wet) minus 15% van de norm (jongerennorm, zonder kinderen artikel 20 lid 1 P-wet en jongerennorm, met kinderen artikel 20 lid 2 P-wet). Het verschil tussen het minimum jeugdloon en de bijstand is anders te groot en de stimulans om te gaan werken klein. Deze aftrek op de normen is een afspiegeling van de systematiek op grond van de Toeslagenverordening van voor 01-01-2015. De eventuele bijdrage van de ouders die de jongere zelf ontvangt en de inkomsten van de jongere worden in mindering gebracht op de algemene bijstand. Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand voor levensonderhoud wordt om niet verleend en kan verhaald worden op de ouders. 3.2Bijstand voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar in een inrichting Omschrijving van de kosten Jongeren van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijven hebben geen recht op algemene bijstand op grond van artikel 13 lid 2 onder a van de P-wet De wetgever is van mening dat verstrekking van bijzondere bijstand in deze situatie geschikter is dan de verstrekking van een uitkering voor levensonderhoud. Het gaat bij verblijf in een inrichting om de kosten waarin niet voorzien wordt door de inrichting. Voor personen van 21 jaar en ouder is er een aparte norm bij verblijf in een inrichting. Voorliggende voorzieningen De voorliggende voorziening bestaat uit de onderhoudsplicht van de ouders. De jongere die een aanvulling op zijn uitkering aan komt vragen zal in eerste instantie zelf aan de ouders een bijdrage moeten vragen. Als dat niet mogelijk, is vanwege verstoorde verhoudingen, dan neemt de verhaalsambtenaar contact op met de ouders en informeert naar de financiële situatie en de bereidheid om op vrijwillige basis bij te dragen. Als ook dat contact niet mogelijk is vanwege ernstig verstoorde verhoudingen dan wordt er voorlopig afgezien van verhaal vanwege dringende redenen. Het onderzoek naar de verstoorde verhouding wordt gedaan door de consulent. Om de objectiviteit van het onderzoek te waarborgen wordt er, indien aanwezig, contact opgenomen met de hulpverlener. Recht op bijzondere bijstand Er is in ieder geval recht op bijzondere bijstand als: De ouders van belanghebbende zich in het buitenland bevinden en niet bereikbaar zijn; de ouders van belanghebbende zijn overleden. Er kan recht op bijzondere bijstand zijn als: De relatie tussen de jongere en de ouders ernstig is verstoord (een grondig onderzoek is nodig, informatie van hulpverlener en/of wederhoor bij de ouders); De opsomming kan niet limitatief zijn. De rechter heeft beleid, waarin de bijstand zich beperkt tot bepaalde situaties, afgekeurd. De bijstand op grond van artikel 12 P-wet kan verstrekt worden aan: Alleenstaanden van 18 tot en met 20 jaar; alleenstaande ouders van 18 tot en met 20 jaar ; gehuwden waarvan één van beide partners 18 tot en met 20 jaar is. Als één van de partners buiten de inrichting verblijft, ontvangt die de norm die voor hem geldt (zie artikel 23 lid 3 van de P-wet). Hoogte en ingangsdatum bijzondere bijstand De hoogte is gelijk aan de normen die gelden voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden van 18 tot en met 20 jaar (artikel 20 lid 1 en 2 P-wet). Het is niet redelijk om jongeren die opgenomen zijn in een inrichting een hoger bedrag te verstrekken dan waar zij recht op zouden hebben als zij thuiswonend zouden zijn. Het bedrag aan bijzondere bijstand wordt aangevuld met het bedrag zoals genoemd in artikel 23 lid 2 van de P-wet. Dat is het bedrag voor betaling van de premie zorgverzekering minus de zorgtoeslag. Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand voor levensonderhoud wordt om niet verleend en kan verhaald worden op de ouders. 3.3Bijstand voor personen opgenomen op grond van de Wet BOPZ ((Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen) of de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten Omschrijving van de kosten Personen die gedwongen zijn opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis zijn rechtens van hun vrijheid beroofd en daarom hebben zij geen recht op bijstand. De kosten van verblijf worden betaald op grond van de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Aangezien zij geen recht op bijstand hebben, hebben zij voor de persoonlijke uitgaven en de premie zorgverzekering geen geld. In de P-wet (artikel 13 lid 3, tweede zin) is voor de verstrekking van bijzondere bijstand een uitzondering gemaakt. Daarop bestaat wel recht. Voorliggende voorzieningen Er is geen voorliggende voorziening voor personen van 21 jaar en ouder. Voor personen van jonger dan 21 jaar, zijn de ouders onderhoudsplichtig (zie hiervoor 3.1 en 3.2 van dit hoofdstuk) Recht op bijzondere bijstand Aangezien de situatie vergelijkbaar is met personen die in een inrichting verblijven, is de hoogte van de bijstand gelijk aan de normen genoemd in artikel 23 van de P-wet. Voor personen van 18 tot en met 20 jaar is de hoogte van de bijstand gelijk aan de normen genoemd in artikel 20 lid 1 onder 1 en 2. De bedragen worden aangevuld met de toeslag voor de premie zorgverzekering minus de zorgtoeslag (artikel 23 lid 2 van de P-wet). Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand voor levensonderhoud wordt om niet verleend en kan voor de jongeren verhaald worden op de ouders. Zie wat dat betreft “3.2 Bijstand voor jongeren van 18 tot en met 20 die in een inrichting verblijven”. 3.4Vaste lasten tijdens verblijf in inrichting Artikel 13 lid 3 tweede volzin P-wet luidt als volgt: “Het eerste lid, onderdelen a en b, is voor zover het recht op bijzondere bijstand betreft, niet van toepassing op de persoon aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, dan wel van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht of, na ontslag van alle rechtsvervolging, van artikel 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en op de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende maatregel op grond van die artikelen.” Dit betekent dat het onderstaande niet alleen van toepassing is op personen die vrijwillig zijn opgenomen maar ook op personen die zijn opgenomen op grond van de Wet BOPZ ((Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen) of de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten. NB Deze paragraaf geldt niet voor personen die in detentie verblijven. Deze hebben immers op grond van artikel 13 lid 1 onder a P-wet geen recht op bijstand (algemene en bijzondere bijstand). Omschrijving van de kosten Als een belanghebbende wordt opgenomen in een inrichting ontvangt hij een norm voor zak- en kleedgeld. Uit dat normbedrag kunnen de vaste lasten van een woning niet betaald worden. Als de opname tijdelijk is en de woning wordt niet opgezegd lopen de kosten wel gewoon door. De CRvB is van mening dat de volgende kosten in ieder geval niet van de norm voor zak- en kleedgeld betaald kunnen worden: Kosten internet- televisieabonnement inclusief eventueel vast telefoonabonnement; huur; nota gas en elektrisch; water (omgerekend naar maandbedrag); premie van de inboedelverzekering (omgerekend naar maandbedrag). Daaraan valt op grond van beleid toe te voegen: Afvalstoffenheffing, omgerekend naar maandbedrag (tenzij kwijtscheldeling is verleend). Als niet noodzakelijke kosten worden beschouwd: Kosten van mobiele telefoon, huur van telefoon en televisie tijdens de opname. Voorliggende voorzieningen Er is geen voorliggende voorziening voor de kosten. Recht op bijzondere bijstand Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de bovengenoemde vaste lasten vanaf het moment dat de norm gewijzigd is naar de norm voor verblijf in een inrichting. Voorwaarde is dat het de bedoeling moet zijn om terug te keren naar de woning. Het is lastig om een uitspraak te doen over wat een tijdelijk opname is. Het is relevanter om de vraag te stellen of terugkeer naar de woning een reële optie is. Indien mogelijk en op grond van de situatie noodzakelijk wordt hierover – met toestemming van belanghebbende – informatie gevraagd bij de behandelend arts. Beëindiging van de bijzondere bijstand Zodra bekend is dat de woning opgezegd wordt, worden de vaste lasten doorbetaald tijdens de opzegtermijn van de huur en daarna wordt de bijzondere bijstand beëindigd. De bijzondere bijstand wordt eveneens beëindigd bij verlaten van de inrichting en wel met onmiddellijke ingang, tenzij het zo goed als zeker is dat het verblijf in de eigen woning zeer kort zal zijn. Er zal dan eventueel aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud verstrekt moeten worden. Nota gas, licht en water De gehele termijn van gas, licht en water komt voor vergoeding in aanmerking. Er wordt weliswaar niets verbruikt tijdens de periode van opname, maar voor gas, water en licht wordt een gemiddeld maandbedrag betaald, dat is gebaseerd op het hele jaarverbruik. In de zomer wordt als het ware te veel betaald in en in de winter te weinig. Het is handiger om het gehele termijnbedrag te betalen dan af te laten sluiten of het bedrag aan te laten passen. Hoogte en duur bijzondere bijstand en wijze van betaling De genoemde kosten worden volledig vergoed. De bijstand wordt periodiek per maand betaald. N.B. Voor deze kostensoort geldt 100% draagkracht voor inkomen boven bijstandsniveau. Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand wordt verstrekt om niet. 3.5Bijzondere bijstand voor huur Omschrijving van de kosten De huur moet betaald kunnen worden van de normbijstand en de huurtoeslag die de belanghebbende van de belastingdienst ontvangt. Er zijn situaties waarin er geen huurtoeslag is toegekend of waarin er voor een beperkte of blijvende periode geen recht op een huurtoeslag bestaat. Voor een aantal van deze situaties kan bijzondere bijstand verleend worden. Voorliggende voorzieningen Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening. De voorliggende voorziening is de huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de hoogte van het inkomen, de hoogte van de huur en de woonsituatie. Als er een medebewoner staat ingeschreven op het adres is de huurtoeslag lager, omdat uitgegaan wordt van het gezamenlijke inkomen. Kamerverhuur – die aan de belastingdienst is doorgegeven - heeft geen invloed op de huurtoeslag. Bij tussentijdse wijzigingen tijdens het huurtoeslagjaar wordt de hoogte van de huurtoeslag aangepast aan de nieuwe situatie, zodat er achteraf niet terugbetaald hoeft te worden. De wijziging moet wel door de huurder worden doorgegeven aan de belastingdienst. Recht op bijzondere bijstand Er kan een woonkostentoeslag voor een huurwoning verstrekt worden in de volgende situaties: De eerste maand huur van de woning is een gebroken maand. Is veelal het geval bij huisvesting statushouders en bij verhuizingen tijdens de bijstandsperiode. De verhuizing moet dan wel noodzakelijk zijn. Zie daarvoor onder verhuizingen. De huur is hoger dan maximum grens van de huurtoeslag. Er is geen andere woning beschikbaar en het valt de huurder niet te verwijten dat hij in een dure woning woont. Als niet noodzakelijke wordt beschouwd: De huur van een woning met een huurprijs boven de maximum huurprijs van de huurtoeslag, terwijl de woning geaccepteerd is tijdens de bijstandsperiode of kort daarvoor, terwijl bekend was dat huurder aangewezen zou raken op een uitkering. (Bij afwijzing voor een te hoge huur is het verstandig om de afwijzing te baseren op twee gronden: het feit dat de er bij een dergelijk hoge huur geen huurtoeslag verstrekt wordt (dus buiten de voorliggende voorziening is gelaten) en het ontbreken van bijzondere omstandigheden) Huur voor een niet zelfstandige wooneenheid. Een zelfstandige wooneenheid is een woning met een eigen toegangsdeur, die van binnen en buiten op slot kan. In de woning moeten op zijn minst aanwezig zijn: een eigen woon(slaap)kamer, een eigen keuken met aanrecht, aan- en afvoer voor water en een aansluitpunt voor een kooktoestel en een eigen toilet met waterspoeling De kosten verbonden aan het wonen in een stacaravan, pension, hotel of Bed&Breakfast. (De afwijzing voor deze situaties moet gebaseerd worden op grond van het feit dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Er kan niet verwezen worden naar het feit dat de huur voor deze situaties nadrukkelijk buiten de huurtoeslagwet is gelaten. De situatie dat de huurtoeslag te laat is aangevraagd, waardoor de huurtoeslag niet wordt toegekend of met ingang van een latere datum. De afwijzing hiervoor moet gebaseerd worden op het feit dat er gebruik gemaakt kan worden van een voorliggende voorziening, die toereikend is en waarvan door eigen toedoen geen gebruik is gemaakt. Toekenning voor in het algemeen gesproken niet noodzakelijke beschouwde kosten is alleen mogelijk in bijzondere omstandigheden, waarbij er geen sprake is van verwijtbaarheid en bij overmacht situaties. Hoogte en duur bijzondere bijstand Let op: Draagkrachtpercentage is 100% De hoogte van de woonkostentoeslag bij een gebroken maand is dezelfde als de huurtoeslag waarop recht bestaat. De site van de belastingdienst wordt daarvoor gebruikt. Het bedrag wordt berekend op basis van het aantal dagen van de maand waarop recht bestaat op de woonkostentoeslag. Bij een huur hoger dan maximumbedrag bedraagt de woonkostentoeslag in ieder geval het bedrag dat aan huurtoeslag toegekend kan worden bij een maximumhuur. De huur boven het maximumbedrag, wordt volledig vergoed. De woonkostentoeslag wordt verstrekt voor de duur van een half jaar onder de voorwaarde dat er gezocht wordt naar goedkopere woonruimte. Verlenging is alleen mogelijk als huurder zich aantoonbaar maximaal heeft ingespannen om andere woonruimte te zoeken. Er kan tijdelijk afgezien worden van de voorwaarde om goedkopere woonruimte te zoeken in geval van bijzondere omstandigheden. De hoogte van de woonkostentoeslag moet per 1 juli van ieder jaar herberekend worden in verband met wijziging bedragen huurtoeslag. Dan zullen ook de bewijsstukken, voor zover nodig, geactualiseerd moeten worden. Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand wordt verstrekt om niet. Bijstandsverlening in de vorm van een lening op grond van artikel 48 lid 2 onder b van de WWB is mogelijk als de bijstandsverlening noodzakelijk is als gevolg van tekort schietend besef van verantwoordelijkheid. 3.6Bijstand voor woonkosten bij bewoning eigen woning Omschrijving van de kosten Net als huur moeten de woonlasten in verband met de eigen woning betaald kunnen worden van de bijstandsnorm. Voorliggende voorzieningen Bij betaling van rente voor hypotheek bestaat er recht op een belastingteruggave. Die teruggave kan achteraf na afloop van het kalenderjaar via de belastingteruggave worden ontvangen. De teruggave kan ook maandelijks via de voorlopige teruggave worden ontvangen. De teruggave voorziet slecht in een deel van de kosten. Recht op bijzondere bijstand De woonlasten voor de eigen woning worden vergeleken met de huur. Zou er in een huursituatie recht bestaan op een huurtoeslag, dan wordt daarvoor in de plaats bij de eigen woning een woonkostentoeslag verstrekt. Bij woonlasten boven de maximale huurgrens geldt feitelijk hetzelfde als bij een huur boven de maximum huurgrens. Bij “Bijzondere bijstand voor huur” (3.5) van dit Handboek staan situaties omschreven waarin geen recht op bijzondere bijstand bestaat. Dat is vergelijkbaar van toepassing voor woonlasten bij de eigen woning. Kortheidshalve wordt daar naar verwezen. Hoogte en duur bijzondere bijstand De woonlasten worden berekend aan de hand van bovengenoemde bewijsstukken + de onderhoudskosten eigen woning. De onderhoudskosten voor de eigen woning zijn per 01-07-2012 voor het laatst gepubliceerd in Schulinck. Vanaf die datum worden de laatst gepubliceerde bedragen verhoogd met het percentage van de consumentenprijsindex. Als de teruggave van de belastingdienst op grond van een voorlopige teruggave wordt ontvangen, dan wordt het direct op de rente in mindering gebracht. Wordt het achteraf uitbetaald na aangifte en aanslag dan moet het bedrag dat terugontvangen wordt voor de rente, teruggevorderd worden. Let op: 100% draagkracht Na vaststelling van de hoogte van de woonlasten wordt de woonkostentoeslag berekend als bij “Bijzondere bijstand voor huur” (zie 3.5). De hoogte van de woonkostentoeslag moet per 1 juli van ieder jaar herberekend worden in verband met wijziging bedragen huurtoeslag. Dan zullen ook de bewijsstukken, voor zover nodig, geactualiseerd moeten worden. Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand wordt verstrekt om niet. De bijzondere bijstand wordt niet ten laste van de krediethypotheek gebracht. Zie artikel 50 lid 2 van de P-wet Dit is alleen mogelijk voor algemene bijstand. Bijstandsverlening in de vorm van een lening op grond van artikel 48 lid 2 onder b van de P-wet is mogelijk als de bijstandsverlening noodzakelijk is als gevolg van tekort schietend besef van verantwoordelijkheid. 3.7Babyuitzet Omschrijving van de kosten De kosten van de aanschaf van een babyuitzet zijn kosten die uit de bijstandsnorm en/of individuele inkomenstoeslag betaald moeten kunnen worden. Voorliggende voorzieningen Als er geen spaargeld is om genoemde kosten van te betalen kan ter zake van deze kosten bijzondere bijstand worden verleend. Als verwijtbaar niet (voldoende) gespaard is, dan wordt de bijstand verleend in de vorm van een renteloze geldlening. Als er geen sprake is van verwijtbaarheid aan de kant van de aanvrager, dan wordt de bijzondere bijstand om niet verleend. Recht op bijzondere bijstand In overleg met de aanstaande ouder(
- s)wordt bekeken wat er noodzakelijk is. Uitgangspunt is dat de onderstaande spullen tweedehands worden aangeschaft. Kan via Marktplaats, kringloopwinkel, Arker Boetje in Middenmeer, advertenties supermarkt etc. Het gaat om de volgende artikelen: bedje inclusief matras box kinderstoel combiwagen commode De hoogte van de bijzondere bijstand in de kosten van bovengenoemde artikelen wordt als volgt vastgesteld. Uitgegaan wordt van de NIBUD-norm minus 45% van voornoemde norm, met dien verstande dat ingeval de klant het desbetreffende artikel heeft aangeschaft tegen een prijs die lager is dan de NIBUD-norm minus 45% bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van dit lagere bedrag. Er wordt geen bijstand verleend voor de spullen die al aanwezig zijn. Als het om een 2e of daaropvolgende kind gaat, mag er van worden uitgegaan dat er volstaan kan worden met het babypakket en eventueel een bedje (ligt aan leeftijd van het oudere kind). Vorm bijzondere bijstand Zie onder kopje voorliggende voorziening. Babybox 1 van de Stichting babyspullen www.stichtingbabyspullen.nl. Inhoud van het pakket: kleertjes van maat 50 tot en met 65 en de meest noodzakelijke spullen zoals een fles met speen, een molton, een laken, een slaapzak, luiers etc. De babybox wordt als volgt geleverd, namelijk door verzending van het verwijsformulier dat op de website staat. De wijkteamconsulent vult desgevraagd samen met de klant dit formulier in, waarna dit wordt verzonden. De babybox wordt thuis bezorgd. Noodzakelijke bewijsstukken voor beoordeling noodzaak van kosten Een verklaring van arts of verloskundige waarin zwangerschap en vermoedelijke bevallingsdatum staat. 3.8Begrafenis- of crematiekosten Omschrijving van de kosten Alle kosten die verband houden met de begrafenis of crematie van een overledene, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn en niet betaald kunnen worden uit de nalatenschap. Voorliggende voorzieningen Wanneer een uitvaart-, levens- of ongevallenverzekering onderdeel uitmaakt van de nalatenschap, moeten de kosten daaruit zoveel mogelijk worden voldaan. Recht op bijzondere bijstand Bijzondere bijstand voor uitvaartkosten kan verleend worden aan ouders, kinderen, behuwd kinderen, schoonouders en stiefouders (Zie artikel 392-396 van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek) Het gaat om degenen die bij leven onderhoudsverplichting zouden zijn geweest voor de overledene. Bij de afhandeling van de aanvraag moet dus bepaald worden door hoeveel personen een bijdrage betaald kan worden. Alleen voor het aandeel in de kosten van aanvrager wordt bijstand verleend. Er bestaat geen recht op bijstand voor de kosten van of in verband met een begrafenis in het buitenland (territorialiteitsbeginsel) Hoogte bijzondere bijstand De volgende kosten kunnen als noodzakelijk worden aangemerkt: legeskosten overlijdensakte – bedrag van de kosten 50 rouwkaarten maximaal € 150,00 werkzaamheden uitvaartverzorger eenvoudige kist grafrechten (voor een algemeen graf, niet voor een graf in eigendom) - bedrag van de kosten rouwauto met maximaal 1 volgauto opbaren in rouwcentrum eenvoudige grafzerk Bij vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand ter zake van bovengenoemde kosten wordt uitgegaan van de NIBUD-normen. Als niet noodzakelijke kosten worden beschouwd: rouwadvertentie kosten eredienst en/of kosten die voortvloeien uit culturele en religieuze achtergrond koffietafel etc. Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt in beginsel om niet verleend. Een uitzondering wordt gemaakt in het geval de erfenis nog niet is vastgesteld en dat daaruit waarschijnlijk middelen beschikbaar komen (artikel 48 lid 2 onder b P-wet). Als bewijsstuk kan een kopie van de aangifte voor de successierechten worden opgevraagd. 3.9Kosten kinderopvang (sociaal medische indicatie) De Verordening financiële tegemoetkomingen kosten kinderopvang Schagen heeft betrekking op drie soorten voorzieningen, te weten De tegemoetkomingen voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst en wel hun peuters op school willen voorbereiden door twee maal per week een paar uur met andere kinderen te kunnen spelen (en ontwikkelen) bij een voorschoolse voorziening. Belanghebbende kan kinderopvangtoeslag krijgen als hij en zijn eventuele toeslagpartner aan de volgende voorwaarden voldoen: belanghebbende en zijn toeslagpartner werken, volgen een traject naar werk of een opleiding of inburgeringscursus. belanghebbende heeft met het kindercentrum of gastouderbureau een contract afgesloten. belanghebbende betaalt zelf een deel van de kosten van kinderopvang. Dit is zijn eigen bijdrage. belanghebbende en zijn toeslagpartner hebben de Nederlandse nationaliteit of een geldige verblijfsvergunning. belanghebbende krijgt kinderbijslag of een pleegouderbijdrage, of hij onderhoudt het kind in belangrijke mate. zijn kind gaat naar een geregistreerde kinderopvang. zijn kind staat ingeschreven op uw woonadres. zijn kind zit nog niet op het voortgezet onderwijs. De bekostiging van Voorschoolse educatie (VE) voor een peuter met ontwikkelingsachterstand. . Deze bekostiging van VE is tweeledig. Ten eerste is er een tegemoetkoming in de kosten voor de ouders, omdat de kinderen niet 6 uur maar 12 naar een voorschoolse voorziening moeten gaan om het volledige VE-programma aangeboden te krijgen. De eerste 6 uur worden opgevat als een reguliere situatie, met algemeen gebruikelijke kosten. Maar als het kind om het programma te volgen vaker naar de kinderopvang moet gaan, kan dat meer kosten met zich mee brengen. De gemeente vindt het niet wenselijke als deze extra kosten een drempel in het gebruik zouden vormen. Daarom springt de gemeente voor de kosten van het 7e t/m 12e financieel bij. Ten tweede is er een forfaitaire vergoeding voor de extra kosten die het geven van VE voor een houder met zich mee brengt. De SMI: gemeente ondersteunt tijdelijk inwoners op basis van een Sociale Medische Indicatie inwoners door een (zo kort mogelijke) periode een vergoeding te verstrekken voor kinderopvang om een crisissituatie te overbruggen en de gelegenheid (tijd) te bieden naar een andere structurele oplossing te zoeken. Eigen bijdragen Voor de inkomensafhankelijke eigen bijdragen kan bijzondere bijstand verleend worden. Dat staat in paragraaf 3.14. NB De SMI-vergoeding is in de meeste gevallen dekkend en is er dus geen sprake van een eigen bijdrage. 3.10Voor- en vroegschoolse educatie (voorheen peuterspeelzaal) Voor de eigen bijdrage in verband met kinderopvang op basis van VVE wordt bijzondere bijstand verstrekt. Zie paragraaf 3.14. 3.11Kleding, schoenen en/of beddengoed Omschrijving van de kosten De kosten van aanschaf en reiniging van kleding, schoenen en beddengoed zijn kosten die algemeen gebruikelijk zijn en die van de bijstandsuitkering betaald moeten kunnen worden. Er zijn bijzondere situaties dat de kosten in verband met kleding etc. hoger zijn dan gebruikelijk. Dat kan het gevolg zijn van ziekte of handicap. Voorliggende voorzieningen Ouders met een thuiswonend gehandicapt kind van 3 tot 18 jaar oud hebben recht op dubbele kinderbijslag als en voor het kind een CIZ-indicatie is afgegeven. De dubbele kinderbijslag is een voorliggende voorziening voor de extra kosten en kleding, schoenen en/of beddengoed. Voor volwassenen kan een deel van de kosten in een bepaalde situatie deel uitmaken van het PGB. Dit zal per situatie beoordeeld moeten worden. Recht op bijzondere bijstand De volgende kosten kunnen als noodzakelijk worden aangemerkt: de kosten van het draaien van meer wassen; het meer dan één keer douchen per dag; het meer dan gemiddeld vervangen van kleding of beddengoed; de aanschaf van duurdere kleding. Het moet in alle gevallen gaan om extra kosten ten opzichte van een gebruikelijke situatie en de kosten moeten noodzakelijk zijn. Voor de vaststelling van de noodzaak wordt advies gevraagd aan de GGD. Hoogte en duur bijzondere bijstand De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld met behulp van de prijzengids NIBUD. De duur van de periodieke bijzondere bijstand is afhankelijk van de duur van de indicatie. Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand wordt om niet verstrekt. 3.12Verhuiskosten en dubbele huur Omschrijving van de kosten Het gaat om de kosten van de verhuizing van de inboedel en de kosten van de dubbele huur. Voorliggende voorzieningen Vanaf het moment dat bekend is dat er een noodzaak is om te gaan verhuizen, mag er verwacht worden dat er gespaard wordt voor de kosten. Ook de individuele inkomenstoeslag kan gebruikt worden voor deze kosten. Als er geen spaargeld is, dan kan besloten worden ter zake van deze kosten bijzondere bijstand te verlenen. Onder spaargeld dient in dit verband het volgende te worden verstaan: het saldo op de lopende rekening(
- en)plus het saldo op spaarrekening(
- en)minus de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag. De vorm van de bijstand: De bijstand wordt verleend in de vorm van een renteloze geldlening als er verwijtbaar niet (voldoende) gespaard is en de noodzakelijke verhuizing daardoor niet mogelijk is. De bijstand wordt om niet verleend als er niet verwijtbaar niet (voldoende) gespaard is. De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is een voorliggende voorziening als de woning waarin belanghebbende woont niet aangepast kan worden en verhuizing naar een aangepaste woning de oplossing is. In dat geval kunnen de verhuiskosten door de Wmo vergoed worden. Recht op bijzondere bijstand Er bestaat recht op bijzondere bijstand als de verhuizing noodzakelijk is. Bij een medische indicatie moet de vraag beantwoord worden of het een verhuizing is die door de Wmo kan worden vergoed. Is dat niet het geval dan kan er in bepaalde situaties een GGD-advies gevraagd worden. Er zijn echter ook situaties die zo duidelijk zijn dat een advies niet nodig is. De sociale noodzaak om te verhuizen kan divers zijn. De consulent motiveert in het rapport de noodzaak van de verhuizing. De volgende kosten kunnen daarbij als noodzakelijk worden aangemerkt: voor de verhuizing van de inboedel wordt de huur van een bus met laadlift vergoed. kosten van een verhuizing door een verhuisbedrijf zijn alleen als noodzakelijk aan te merken als er geen andere oplossing voor handen is; de kosten van dubbele huur bij een verhuizing binnen de gemeente. Als niet noodzakelijke kosten worden beschouwd: de kosten van dubbele huur bij een verhuizing buiten de gemeente. Hoogte bijzondere bijstand Zie onder recht op bijzondere bijstand. Vorm bijzondere bijstand Zie onder kopje voorliggende voorziening. Als de bijstand in de vorm van een lening wordt verstrekt dan is dat op grond van artikel 48 lid 2 onder b van de P-wet. Er is dan sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. 3.13aReiskosten in verband met medische behandelingen en bezoek gezinsleden Omschrijving van de kosten Het gaat om reiskosten in verband met: bezoek aan een gedetineerde of persoon die in AZC verblijft en die tot het gezin behoorde of kan gaan behoren; bezoek aan een in het ziekenhuis of inrichting opgenomen gezinslid; regelmatig bezoek aan een arts, ziekenhuis of andere hulpverlener waarvoor de zorgverzekering een vergoeding geeft of de behandelkosten vergoed worden door de gemeente. NB Voor reiskosten die verband houden met een incidenteel bezoek aan een arts/specialist, gedetineerde of een persoon die verblijft in een ziekenhuis of AZC, wordt in principe geen bijzondere bijstand verleend. Deze kosten kunnen worden voldaan uit de uitkering. Voorliggende voorzieningen Het GemeentePakket Compleet kent de volgende vergoedingen: Met een specifieke medische indicatie worden reiskosten naar ziekenhuis en behandelaars vergoed. Er moet vooraf een machtiging worden gevraagd. Voor reizen met de eigen auto wordt € 0.31 per kilometer vergoed en de kosten van het openbaar worden volledig vergoed. De eigen bijdrage die betaald moet worden op grond van de basisverzekering wordt door GemeentePakket Compact vergoed.. Voor het overige zijn er geen voorliggende voorzieningen. Reiskosten zijn in het algemeen kosten die van de bijstandsuitkering betaald kunnen worden. De reiskosten zoals hier genoemd zijn kosten die het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden. Recht op bijzondere bijstand In geval van detentie of verblijf AZC worden reiskosten vergoed wanneer: de gedetineerde vóór de detentie tot het gezin van aanvrager behoorde of in geval van verblijf AZC tot het gezin kan gaan behoren; de gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting (= geen recht op verlof) en de inrichting binnen Nederland ligt; de bezoekfrequentie maximaal 1 keer per week per gezinslid is. In geval van in ziekenhuis of inrichting opgenomen gezinsleden geldt het volgende: bij opname in ziekenhuis is de frequentie 1 keer per dag voor 1 gezinslid; bij opname in een inrichting is de frequentie 1 keer per week per gezinslid. In geval bezoek aan arts etc. wanneer: eén van de gezinsleden regelmatig vaker dan 1 keer per maand naar een arts, ziekenhuis of andere hulpverlener moet reizen. Als niet noodzakelijke kosten worden beschouwd: reiskosten naar gedetineerden die met weekendverlof kunnen; reiskosten in verband met een incidenteel bezoek aan een arts etc. Er moet duidelijk sprake zijn van een periodiek karakter. Hoogte bijzondere bijstand Voor alle reiskosten geldt dat er voor het reizen met de auto € 0,19 per kilometer wordt vergoed. Voor het reizen met het openbaar vervoer wordt de goedkoopste vorm van reizen vergoed. Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand wordt om niet verstrekt. 3.13bReiskosten schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs Omschrijving van de kosten Het gaat om reiskosten in verband met het reizen van huis naar school van kinderen die na de basisschool onderwijs volgen en voor wie de afstand van huis naar school meer is dan 10 kilometer enkele reis. De bijzondere bijstand heeft betrekking op de reiskosten die de zogenaamde 3% norm overstijgen. Dit betekent dat de maandelijkse reiskosten tot het bedrag dat gelijk is aan 3% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor rekening van de ouder(
- s)blijven. De gemeente vergoedt dus alleen de meerkosten. Voorliggende voorzieningen Vanaf 1 januari 2017 is voor mbo-studenten onder de 18 jaar het studentenreisproduct (ov-jaarkaart) een voorliggende voorziening. Voor het overige zijn er geen voorliggende voorzieningen. De bijdrage op grond van WTOS en het kindgebonden budget zijn geen voorliggende voorzieningen (zie CRvB 27-01-2009, nr. 07/5172 WWB en Rechtbank Arnhem van 29-01-2008, nr. AWB 07/3591).Het kindpakket op grond van de Verordening Meedoen Schagen is evenmin een voorliggende voorziening. Het is niet bedoeld voor reiskosten van en naar school. Van ouders mag verwacht worden dat zij een bepaald bedrag per maand besteden aan de reiskosten. Dat bedrag is bepaald op 3% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit bedrag is gebaseerd op wat er normaliter voor woon-school-verkeer wordt uitgegeven per gezin. Recht op en hoogte van bijzondere bijstand Er is recht op bijzondere bijstand voor de reiskosten van huis naar school en vice versa. De bijzondere bijstand ziet uitsluitend op de reiskosten die de zogenaamde 3% norm overstijgen. Dit betekent dat alleen de meerkosten (de reiskosten boven de 3% van de toepassing zijnde bijstandsnorm) voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. De afstand tussen de woonadres van het kind en de school dient meer dan 10 km te bedragen. De school is de dichtstbijzijnde school, waar het passende onderwijs gevolgd kan worden. Voor de tweede en daarop volgende kinderen worden de reiskosten volledig vergoed. Er wordt verwacht dat er gebruik gemaakt wordt van de goedkoopste manier van reizen. Dat wil zeggen dat er gebruik gemaakt wordt van de korting op maand- of jaarkaarten. Zie OV9292 “Abonnementen op je OV chipkaart”. Tijdens de schoolvakanties wordt geen vergoeding gegeven. De bijstand wordt per maand betaald gedurende 10 maanden per jaar. Bij de start van het schooljaar (of de maand waarin de vergoeding start) wordt berekend hoe hoog de kosten gemiddeld per maand zijn. Daarvoor worden de websites van de vervoerders geraadpleegd of wordt een bewijsstuk van de scholier gevraagd. NB Wat de goedkoopste manier van reizen betreft, kan nog het volgende worden opgemerkt. Er doet zich wel eens de situatie voor dat de school zowel per bus als per trein is te bereiken. Het reizen met de bus is in het algemeen goedkoper en minder comfortabel dan het reizen per trein. In principe gaan we dan uit van de reiskosten per bus. Het vorenstaande lijdt uitzondering, ingeval de reistijd van huis naar school per bus een uur langer is dan die per trein. Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand wordt om niet verstrekt. 3.14Kosten in verband met kinderopvang – eigen bijdragen en overblijfkosten Omschrijving van de kosten Het gaat om de kosten van: de eigen bijdrage die de ouder moet betalen op grond van de Wet kinderopvang NB Als de klant kinderopvang heeft, betaalt hij deze kosten zelf. Een deel van deze kosten wordt vergoed door de kinderopvangtoeslag. De kinderopvangtoeslag dekt echter niet alle kosten van de opvang. De klant betaalt dus altijd een eigen bijdrage. de eigen bijdrage die de ouder moet betalen op grond van de Verordening tegemoetkoming kosten kinderopvang gemeente Schagen; Het gaat om de volgende eigen bijdragen: Ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst en wel hun peuters op school willen voorbereiden door twee maal per week een paar uur met andere kinderen te kunnen spelen (en ontwikkelen) bij een voorschoolse voorziening, ontvangen van de gemeente op grond van voornoemde verordening een financiële tegemoetkoming. Deze ouders betalen een eigen bijdrage waarvan de hoogte afhankelijk is van hun verzamelinkomen. De gemeente vergoedt dus slechts een deel van de kosten. Ouders van een peuter met een ontwikkelingsachterstand ontvangen van de gemeente een tegemoetkoming in de kosten van Voorschoolse educatie (VE). omdat de kinderen niet 6 uur maar 12 naar een voorschoolse voorziening moeten gaan om het volledige VE-programma aangeboden te krijgen. Deze tegemoetkoming dekt niet alle kosten. Ouder betalen altijd een eigen bijdrage waarvan de hoogte afhankelijk is van hun verzamelinkomen. Gemeente ondersteunt tijdelijk ouders op basis van een Sociale Medische Indicatie door ouders een (zo kort mogelijke) periode een vergoeding te verstrekken voor kinderopvang om een crisissituatie te overbruggen en de gelegenheid (tijd) te bieden naar een andere structurele oplossing te zoeken. De vergoeding van de gemeente dekt niet alle kosten. Ouders betalen een eigen bijdrage, waarvan de hoogte afhankelijk is van het inkomen. Hierbij zij nog vermeld dat bij een verzamelinkomen tussen 0 en € 19.433,- de eigen bijdrage nul is. het inschrijfgeld bij de kinderopvangorganisatie; de kosten van bemiddeling van de gastouderorganisatie; overblijfkosten op school. Voorliggende voorzieningen Er is geen voorliggende voorziening voor de kosten. Recht op bijzondere bijstand De kosten van de eigen bijdragen worden vergoed, ongeacht de reden waarvoor er gebruik gemaakt wordt van de kinderopvang. Dit betekent dat belanghebbenden die hun kinderen naar de kinderopvang sturen, zonder dat zij wegens werk, een opleiding, een re-integratie- of inburgeringtraject daartoe genoopt zijn, voor de kosten van de eigen bijdrage bijzondere bijstand kunnen krijgen. Het inschrijfgeld en de bemiddelingskosten die gemaakt worden voor de gastouderorganisatie worden in bovengenoemde gevallen eveneens vergoed. Overblijfkosten De overblijfkosten die gemaakt worden als de ouders de kinderen in verband met werk, re-integratie of inburgering tussen de middag niet thuis kunnen opvangen, worden vergoed. Geen recht op bijstand Er is geen recht op bijstand voor de kosten die betaald moeten worden door de ouder, indien de kinderopvangorganisatie een tarief in rekening brengt dat hoger is dan het maximumtarief voor kinderopvang dat door het Rijk wordt vastgesteld. Hoogte van de vergoeding, duur van de toekenning en wijze van betaling De hoogte van de vergoeding van de eigen bijdrage in verband met de Wet kinderopvang en kinderopvang op grond van SMI en peuterspeelplaatsen is gelijk aan de kosten die de ouder(
- s)zelf moet(
- en)betalen (behalve kosten boven maximumtarief). De bijzondere bijstand wordt voor maximaal een kalenderjaar toegekend. Het inschrijfgeld en de bemiddelingskosten gastouder worden eveneens volledig vergoed. De vergoeding wordt betaald aan de ouder zelf als deze zelf de rekening van de kinderopvang betaalt en aan de kinderopvangorganisatie als de toeslag op grond van de Wet kinderopvang of op basis van de Verordening tegemoetkoming kosten kinderopvang gemeente Schagen aan de kinderopvangorganisatie wordt betaald. De overblijfkosten worden volledig vergoed. De bijzondere bijstand wordt toegekend voor maximaal een schooljaar en wordt met ingang van het nieuwe schooljaar opnieuw toegekend. In afwijking van het vorenstaande kan een hoger tarief dan bovengenoemd maximumtarief voor kinderopvang vergoed worden, indien in de nabije omgeving geen goedkopere voorziening aanwezig is. Het hogere tarief dat wordt vergoed, mag evenwel het maximale uurtarief als bedoeld in de Nadere regels tegemoetkoming kosten kinderopvang niet overstijgen. Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand wordt verstrekt om niet. 3.15Computervoorziening t.b.v. kinderen uit minimagezinnen De beleidsregel inzake een computervoorziening ten behoeve van kinderen uit minimagezinnen bestaat uit twee onderdelen, namelijk: de Gezinscomputer; de Computervoorziening t.b.v. scholieren voortgezet onderwijs (Chromebook). Begrippen die in deze beleidsregel niet nader worden toegelicht hebben dezelfde betekenis als in de Algemene wet bestuursrecht, de Participatiewet, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het primair onderwijs, en de bij of krachtens deze wetten gestelde (nadere) regels. Het college verstrekt een Gezinscomputer, indien de aanvrager: een of meer ten laste komende kinderen heeft die in groep 3 of hoger zitten van de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs dan wel een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; en meer dan drie jaar geleden, te rekenen vanaf de datum van indiening van de aanvraag, in aanmerking is gebracht voor een computer in het kader van de toentertijd vigerende beleidsregel ‘computers ten behoeve van kinderen uit minimagezinnen’; en een inkomen heeft dat lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet; en over een vermogen beschikt dat niet hoger is dan de in artikel 34, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, van de Participatiewet bedoelde vermogensgrens. De Gezinscomputer is een voorziening die wordt verstrekt in de vorm van een tegoed, niet zijnde een geldbedrag, waarmee belanghebbende via de webwinkel Meedoen Schagen een keuze kan maken uit een ruim aanbod van verschillende computers (laptop of desktop), inclusief een officepakket. Het tegoed bedraagt € 500,00 per gezin. De Gezinscomputer wordt naar analogie van de regeling BYOD om de drie jaar verstrekt, met dien verstande dat vanaf de datum waarop het (jongste) ten laste komende kind onderwijs volgt aan een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra geen aanspraak meer kan worden gemaakt op deze voorziening. Het college verstrekt een Computervoorziening t.b.v. scholieren voortgezet onderwijs (Chromebook), indien de aanvrager: een ten laste komend kind heeft dat onderwijs volgt aan een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; en een inkomen heeft dat lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet; en over een vermogen beschikt dat niet hoger is dan de in artikel 34, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, van de Participatiewet bedoelde vermogensgrens. De Computervoorziening t.b.v. scholieren voortgezet onderwijs (Chromebook) is een voorziening die wordt verstrekt in de vorm van een tegoed, niet zijnde een geldbedrag, waarmee belanghebbende via de webwinkel Meedoen Schagen een keuze kan maken uit een ruim aanbod van Chromebooks met daarbij behorende accessoires, waaronder muis, tas, toetsenbord et cetera. Het tegoed bedraagt € 400,00 per kind. Het Chromebook wordt om de drie jaar verstrekt, met dien verstande dat het Chromebook voor het laatst wordt verstrekt in het schooljaar waarin het ten last komende kind 18 jaar wordt. Uit het vorenstaande volgt dat de Gezinscomputer per gezin en de Computervoorziening t.b.v. scholieren voortgezet onderwijs (Chromebook) per kind wordt verstrekt. Dit betekent dat: het college drie maal een Chromebook verstrekt, indien de belanghebbende drie ten laste komende kinderen heeft die (speciaal) voortgezet onderwijs volgen; en dat het college een maal een Gezinscomputer verstrekt, indien de belanghebbende drie ten laste komende kinderen heeft die op de basisschool in groep 3 of hoger zitten; het college verstrekt een maal een Gezinscomputer en twee maal een Chromebook, als de belanghebbende een ten laste komend kind heeft dat op de basisschool in groep 3 of hoger zit en twee ten laste komende kinderen heeft die (speciaal) voortgezet onderwijs volgen. Het college stelt met inachtneming van de artikelen 31, 32, 33 en 34 van de Participatiewet de hoogte van het inkomen en vermogen van de aanvrager vast. In afwijking van artikel 32 van de Participatiewet wordt niet onder inkomen verstaan: het bedrag dat tijdens een WSNP-traject gereserveerd wordt voor de aflossing van de schulden; het bedrag dat tijdens een minnelijke schuldsanering op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening voor de aflossing van schulden wordt gereserveerd; het bedrag van het inkomen waarop beslag is gelegd en het beslag op correcte wijze en op grond van de door belanghebbende volledig verstrekte gegevens is vastgesteld. 3.15a Computervoorziening statushouders Als belanghebbende van buiten de EU langdurig in Nederland komt wonen, moet hij inburgeren. Met andere woorden: hij moet de taal leren spreken en de Nederlandse samenleving leren kennen. Daarom moet hij een inburgeringsexamen doen. De kosten van een inburgeringscursus worden vergoed uit een lening die de inburgeraars bij Duo aangaan. De kosten voor een laptop vallen hier buiten. Het is noodzakelijk dat inburgeraars de beschikking hebben over een computer bij het volgen van de inburgeringslessen en voor het maken van het huiswerk c.q. opdrachten. Inburgeraar is zelf verantwoordelijk voor regelen van de inburgeringscursus. Na aanmelding bij een taalinstituut met kenmerk Blik op Werk kan bij de gemeente een aanvraag worden ingediend voor vergoeding van een computervoorziening via bijzondere bijstand. Dit geldt alleen voor meerderjarige alleenstaande inburgeraars, echtparen zonder kinderen, echtparen of alleenstaande met kinderen die nog niet in groep 3 of hoger zitten van de basisschool. Inburgeraars met schoolgaande kinderen vanaf groep 3 van de basisschool vallen immers onder de computervoorziening ten behoeve van kinderen uit minimagezinnen. Voorwaarden computervoorziening statushouders Het college verstrekt een computervoorziening, indien de aanvrager: op grond van de Wet inburgering verplicht is om in te burgeren en daadwerkelijk met de inburgering is aangevangen; aangemerkt kan worden als een alleenstaande, een gehuwde zonder kinderen, een gehuwde of alleenstaande met kinderen die nog niet in groep 3 of hoger zitten van de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs dan wel een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; een inkomen heeft dat lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet; en over een vermogen beschikt dat niet hoger is dan de in artikel 34, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, van de Participatiewet bedoelde vermogensgrens. De computervoorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming van maximaal € 500,- per huishouden. De financiële tegemoetkoming wordt, nadat de klant een pro forma nota heeft overgelegd, betaalbaar gesteld. Het begrip ‘per huishouden’ impliceert dat als de aanvraag wordt ingediend door gehuwden zonder kinderen in principe slechts één computervoorziening kan worden verstrekt. De computervoorziening wordt eenmalig verstrekt. Het college stelt met inachtneming van de artikelen 31, 32, 33 en 34 van de Participatiewet de hoogte van het inkomen en vermogen van de aanvrager vast. In afwijking van artikel 32 van de Participatiewet wordt niet onder inkomen verstaan: het bedrag dat tijdens een WSNP-traject gereserveerd wordt voor de aflossing van de schulden; het bedrag dat tijdens een minnelijke schuldsanering op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening voor de aflossing van schulden wordt gereserveerd; het bedrag van het inkomen waarop beslag is gelegd en het beslag op correcte wijze en op grond van de door belanghebbende volledig verstrekte gegevens is vastgesteld. Deze beleidsregel blijft van toepassing totdat de nieuwe Inburgeringswet in werking is getreden. 3.16Kosten in verband met inburgering Omschrijving van de kosten Het volgen van een inburgeringstraject brengt een aantal kosten met zich mee, die voor een deel te beschouwen zijn als bijzondere kosten van het bestaan. Het gaat om: Reiskosten in verband met de inburgering. Deze reiskosten zijn, evenals de reiskosten in verband met re-integratie, participatie, tegenprestatie en werk, overgeheveld naar Beleidsregels re-integratie. Kosten in verband met kinderopvang → Zie 3.14 Kosten in verband met kinderopvang op grond van de wet Kinderopvang Kosten keuring worden in deze paragraaf behandeld Kosten van de keuring komen in aanmerking voor vergoeding op grond van de bijzondere bijstand. Let wel: Het gaat om inburgeraars die geen uitkering hebben van de gemeente en voor wie het inburgeringstraject niet aangemerkt wordt als een re-integratievoorziening. Als dat laatste het geval is, worden de kosten vergoed uit het Participatiebudget op grond van artikel 10 P-wet. Keuringen kunnen alleen nog aan de orde zijn voor inburgeringstrajecten die voor 1 januari 2013 gestart zijn of die na 1 januari 2013 gestart zijn maar waarvan de datum van toekenning verblijfsdocument vóór 1 januari 2013 ligt en de inburgering niet onder nieuwe regeling via de DUO valt. Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand wordt om niet verleend. NB Deze beleidsregels blijven gelden totdat de nieuwe Wet Inburgering in werking is getreden. 3.17Kosten woninginrichting Omschrijving van de kosten Kosten van woninginrichting kunnen bestaan uit: een volledige inrichting, meest voorkomend bij toewijzing van een woning aan statushouders; een gedeeltelijke inrichting na verhuizing of echtscheiding; vervanging van inboedel of stoffering in geval van slijtage. Gedeeltelijke woninginrichting of vervanging van inboedel of stoffering De kosten van woninginrichting zijn kosten die betaald kunnen worden van de bijstandsnorm en/of de inkomenstoeslag Als dit niet mogelijk is en is er ook geen spaargeld om de kosten van te betalen, dan kan ter zake van de kosten bijzondere bijstand worden verleend. Onder spaargeld dient in dit verband het volgende te worden verstaan: het saldo op de lopende rekening(
- en)plus het saldo op spaarrekening(
- en)minus de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een renteloze geldlening verleend als er verwijtbaar niet (voldoende) gespaard is. De bijzondere bijstand wordt om niet verleend als er niet verwijtbaar niet (voldoende) gespaard is. Volledige woninginrichting Van statushouders die zich vanuit een Asielzoekerscentrum in een woning in de gemeente Schagen vestigen, kan niet verwacht worden dat zij reserveren. Zij krijgen een volledige inrichting. De bijzondere bijstand in de kosten van een volledige woninginrichting bestaat uit de volgende twee componenten: een gift, zijnde een forfaitair bedrag van € 1.000,-. welk bedrag besteed moet worden aan het witgoed; een renteloze geldlening, waarvan de hoogte afhangt van de gezinssamenstelling (zie onderstaande tabel) en die bestemd is voor de overige kosten van woninginrichting (meubels, tv, stoffering etc. ). Het ene deel van de bijzondere bijstand inzake de kosten van woninginrichting wordt om niet verleend Onder witgoed wordt het navolgende verstaan: wasmachine, koelkast, stofzuiger en gasfornuis. Het andere deel van de bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van renteloze geldlening. Er moet maximaal over een periode van drie jaren 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld worden terugbetaald. Nadat aan de aflossingsverplichting is voldaan, wordt het restantbedrag kwijtgescholden. Dit wordt vermeld in de toekenningsbeschikking. De bijzondere bijstand in kosten van een zowel een gedeeltelijk als volledige woninginrichting wordt verleend in de vorm van een renteloze geldlening. De gemeente brengt dus geen rente bij de klant in rekening. De reden hiervoor is dat het binnen de bestaande applicatie niet mogelijk is om rente te berekenen. Als je er als gemeente toch voor kiest om rente bij de klant in rekening te brengen, dan dient de rente handmatig te worden berekend. Dit handmatig berekenen van de rente is een tamelijk arbeidsintensieve aangelegenheid. De kosten om de rente te berekenen zullen vrijwel zeker hoger zijn dan de rente die bij de klant in rekening wordt gebracht. Gezinssamenstelling Totaal = 55% van het bedrag voor volledige inrichting Nibud-prijzengids Om niet, bestemd voor witgoed Renteloze geldlening, bestemd voor de overige kosten woninginrichting Alleenstaande 3.700 1.000 2.700 Echtpaar 4.200 1.000 3.200 Alleenstaande ouder met 1 kind 4.100 1.000 3.100 Alleenstaande ouder met 2 kinderen 4.500 1.000 3.500 Alleenstaande ouder met 3 kinderen 5.100 1.000 4.100 Alleenstaande ouder met 4 kinderen 5.500 1.000 4.500 Echtpaar met 1 kind 4.600 1.000 3.600 Echtpaar met 2 kinderen 5.200 1.000 4.200 Echtpaar met 3 kinderen 5.600 1.000 4.600 Echtpaar met 4 kinderen 6.100 1.000 5.100 Hoogte van bijzondere bijstand Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand is aansluiting gezocht bij de NIBUD-prijzengids, met dien verstande dat deze normbedragen van het NIBUD met 45% worden verlaagd. Hieraan ligt de overweging ten grondslag dat vandaag de dag meubels voor een relatief lage prijs kunnen worden gekocht bij de kringloopwinkels of via het internet (bijvoorbeeld Marktplaats of Marktnet). Deze beleidskeuze past bovendien bij het uitgangspunt dat bij bijstandsverlening uitgegaan moet worden van de goedkoopst adequate oplossing. Uitbetaling bijzondere bijstand De bijzondere bijstand in de kosten van woninginrichting wordt aan de cliënt uitbetaald in twee termijnen: tweederde van het totale bedrag wordt uitbetaald op de eerste dag na de regeldag; het restende bedrag (een derde van het totale bedrag) wordt uitbetaald op eerste dag na het keukentafelgesprek, doch uiterlijk op de 22e dag na de regeldag. Het keukentafelgesprek dient immers binnen 3 weken na de regeldag plaats te vinden. Begeleiding Vluchtelingenwerk De statushouder hoeft de aanschaf van goederen niet aan de gemeente te verantwoorden door middel van bonnen Voorwaarde bij deze werkwijze is dat de statushouder door vluchtelingenwerk begeleid wordt tijdens het proces van aanschaffen van de spullen (oriënteren op de mogelijkheden en de kostprijzen in verhouding tot beschikbare budget en de uiteindelijke aanschaf) Deze begeleiding is maatwerk, passend bij budgettaire zelfredzaamheid/inzichten van de statushouder, maar vraagt dus wel in de eerste weken op dit onderdeel hoe dan ook vinger aan de pols houden. De begeleiding is ook daar waar nodig, concreet gericht op het bevorderen van de budgettaire vaardigheden van de statushouder Tijdens het keukentafelgesprek wordt de woninginrichting (besteding woonkostenvergoeding) besproken en beoordeelt de consulent hoe dit verloopt en of (dan wel onder welke voorwaarden/ afspraken) het restant bedrag kan worden overgemaakt. Wanneer Vluchtelingwerk al eerder problemen signaleert of meent dat de klant het budget aan andere zaken besteedt, schaalt zij eerder op naar de wijkteamconsulent. Uitgangspunt bij dit proces is dat de statushouder uiteindelijk zelf verantwoordelijk is voor een doelmatige en rechtmatige besteding van de van gemeentewege verstrekte middelen. De consequenties van een ondoelmatige en /of onrechtmatige besteding van deze middelen kunnen niet worden afgewenteld op de gemeente. Wanneer door Vluchtelingenwerk of de wijkteamconsulent wordt gesignaleerd dat de besteding niet doelmatig plaatsvindt en de financiële zelfredzaamheid van de klant te wensen overlaat, wordt ter voorkoming van financiële problemen extra begeleiding ingezet, in de vorm van bijvoorbeeld budgetbeheer of budgetcoaching. Geen recht op bijzondere bijstand Voor de 1e woninginrichting wordt geen bijstand verleend. Er mag van worden uitgegaan dat iedereen daarvoor geld opzij legt. 3.18Overbruggingsuitkering Omschrijving van de kosten In de praktijk kan zich de situatie voordoen dat een bijstandsgerechtigde in acute financiële problemen raakt en daardoor de periode tot de volgende uitbetaling niet meer kan overbruggen. Oorzaken hiervan zijn bijvoorbeeld het verlies of diefstal van de portemonnee of een fors negatief saldo op de bankrekening. Ook kan het gaan om de wijziging van een weekbetaling naar een maandbetaling. De P-wet biedt geen mogelijkheid om voorschotten te verstrekken aan belanghebbenden die reeds een bijstandsuitkering ontvangen. Het inkomen – uit werk of een uitkering – is voldoende om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Voorliggende voorzieningen Het reguliere inkomen is toereikend. Als hoofdregel geldt dat een overbruggingsuitkering niet mogelijk is. Een overbruggingsuitkering is dus altijd een uitzondering. In bepaalde situaties kan er een beroep gedaan worden op de Voedselbank. Zie de info daarover op Intranet. Recht op bijzondere bijstand Er is één situatie waarin een overbrugging standaard verstrekt wordt. Dat is voor de statushouder die zich vanuit een asielzoekerscentrum in de gemeente vestigt en die een uitkering op grond van de P-wet gaat ontvangen. Er is dan sprake van de overgang van een laag wekelijks inkomen naar een maandelijks inkomen. Bij de start van de uitkering moet verplicht na 4 weken een voorschot worden verstrekt. Het voorschot wordt in de regel in één keer verrekend met de uitkering. In de situatie dat er bij de start van de uitkering geen geld beschikbaar is voor levensonderhoud en de verrekening in één keer tot problemen leidt, kan er voor gekozen worden om het voorschot in termijnen te verrekenen. Tijdens de uitkering kan er bij wijze van hoge uitzondering besloten worden om het gereserveerde vakantiegeld uit te betalen. Noodzakelijke bewijsstukken voor beoordeling noodzaak van kosten De statushouder moet een bewijs van zijn wekelijkse inkomsten tonen of bij het COA moeten gegevens opgevraagd worden over het inkomen. In alle andere gevallen gaat het om een noodsituatie die moet worden aangetoond met afschriften van de bank, waaruit blijkt dat er geen reserve is. Hoogte bijzondere bijstand De statushouder ontvangt een overbrugging die gelijk is aan één maanduitkering zonder vakantiegeld. Op de overbruggingsuitkering wordt de eerste maand huur ingehouden en doorbetaald aan de verhuurder. In de overige situaties is de hoogte van het bedrag maatwerk. Vorm bijzondere bijstand De overbruggingsuitkering wordt altijd om niet verstrekt. Bijstand in de vorm van een lening op grond van artikel 48 lid 2 van de P-wet, is in de jurisprudentie, uitgesloten. 3.18aKindgebonden budget alleenstaande ouder kop Omschrijving van de kosten De alleenstaande ouder die een bijstandsuitkering ontvangt op grond van de P-wet heeft vanaf 01-01-2015 recht op een alleenstaande ouderkop (alo-kop) op het kind gebonden budget. Deze alleenstaande ouderkop is in de plaats gekomen van de norm voor een alleenstaande ouder. De alleenstaande ouder heeft vanaf 01-01-2015 recht op de norm voor een alleenstaande. De alleenstaande ouderkop is een voorziening die bedoeld is voor de kosten van levensonderhoud. Het recht op het kind gebonden budget wordt beoordeeld op grond van de Algemene wet inkomensregelingen (Awir) en het wordt uitbetaald door de belastingdienst Toeslagen. Voorliggende voorzieningen De alleenstaande ouderkop is een voorliggende voorziening ten opzichte van de P-wet voor de kosten van levensonderhoud. Er zijn echter situaties dat de alleenstaande ouder geen recht heeft op de alo-kop en in die situaties wordt bijzondere bijstand verleend voor de kosten van levensonderhoud in aanvulling op de normbijstand voor een alleenstaande. Recht op bijzondere bijstand Er is recht op bijzondere bijstand in plaats van de alo-kop in de volgende situaties: De alleenstaande ouder heeft op grond van de bepalingen van de Awir een toeslagpartner en heeft daardoor geen recht op de alo-kop. De toeslagpartner kan als medebewoner onderdeel uitmaken van het huishouden van de alleenstaande ouder, maar kan ook een partner zijn die elders woont (duurzaam gescheiden maar er is nog geen verzoek om echtscheiding bij de rechtbank ingediend, opgenomen in een inrichting). Door gebruik te maken van de rekenhulp op de site van de belastingdienst Toeslagen kan worden vastgesteld of er een Toeslagpartner is. Er is recht op de alo-kop, maar het recht gaat in op de eerste van de maand volgend op de maand waarin de bijstand voor levensonderhoud is toegekend. Daarvan kan sprake zijn bij een nieuwe toekenning of een mutatie tijdens de uitkering. Hoogte en duur van de bijzondere bijstand In de situatie onder 1: De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de alo-kop en wordt als periodiek bijzondere bijstand betaald. De bijstand wordt gestopt, zodra er geen toeslagpartner meer is of de partner die elders verblijft zich weer bij het gezin voegt. Controle op wijziging van de situatie vindt plaats door uitwisseling gegevens met gemeente BRP. In de situatie onder 2: De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de alo-kop over het deel van de maand waarover recht op bijstand voor levensonderhoud bestaat. De bijstand wordt uitbetaald als incidentele bijstand. Vorm bijzondere bijstand De bijstand wordt om niet verstrekt. Het gaat in de situatie onder 1 om belaste bijzondere bijstand omdat het om kosten van levensonderhoud gaat en periodiek wordt betaald. 3.18b Kind gebonden budget alleenstaande ouder kop in geval van minderjarigen (<18) Omschrijving van de kosten Kosten van levensonderhoud van de baby van een tienermoeder die bij haar ouders inwoont. Kosten van levensonderhoud van een weggelopen minderjarige die inwoont bij familie of vrienden en niet wordt onderhouden door de ouders en de mensen bij wie hij inwoont. Voorliggende voorziening In beide gevallen is de Jeugdwet de voorliggende voorziening en is verwijzing naar het wijkteam de aangewezen weg. Tienermoeder Voor de baby van de tienermoeder is de onderhoudsplicht van de vader een voorliggende voorziening. De ouders van de tienermoeder zijn niet onderhoudsplichtig voor de baby (kleinkind). Er is geen recht op de alo-kop, omdat de ouders toeslagpartner zijn. De eventuele onderhoudsbijdrage die de tienermoeder ontvangt van de vader wordt in mindering gebracht op de bijstand. Weggelopen minderjarige Voor de weggelopen minderjarige die inwonend is, is de onderhoudsplicht van de ouder de voorliggende voorziening. Er wordt alleen bijstand verleend als zij de onderhoudsplicht niet of niet voldoende nakomen. De eventuele onderhoudsbijdrage die de minderjarige ontvangt van de vader wordt in mindering gebracht op de bijstand. Er zijn nog twee ander voorliggende voorzieningen: Pleeggeld Voor het kind dat niet bij de ouders kan wonen, kan door de verzorgers een pleeggeldvergoeding worden aangevraagd bij het Bureau Pleegzorg Nederland. Het bureau beoordeelt of er een indicatie is en als dat het geval is ontvangt de verzorger een pleeggeldvergoeding. Voogdij Voogdij is gezag over een minderjarig kind dat niet door de ouders wordt uitgeoefend, maar door iemand anders. De voogd neemt het recht en de plicht om voor een kind te zorgen over van de ouder(s). Voogdij kan door 1 voogd of door 2 voogden samen worden uitgeoefend. Als de voogdij door twee voogden wordt uitgeoefend zijn de voogden onderhoudsplichtig. In geval van één voogd is de voogd niet onderhoudsplichtig. Beoordeling van het recht en behandeling van aanvraag Tienermoeder Voor bijstand aan de baby van de tienermoeder hoeft er geen sprake te zijn van dringende redenen. Er moet worden onderzocht of de baby financieel onderhouden wordt. Is dat niet het geval dan is daarmee de noodzaak van de bijstand aangetoond. Aanvraag en beslissing De uitkering wordt toegekend aan de baby. Het verzoek van de moeder om bijstand voor haar baby te ontvangen, wordt ambtshalve opgevat als een aanvraag van de baby. De moeder moet het inlichtingenformulier voor een aanvraag levensonderhoud invullen en ondertekenen. Tijdens de afhandeling van de aanvraag wordt de moeder geattendeerd op het feit dat zij haar kind moet aanmelden bij de zorgverzekering. Dit wordt bij wijze van info in de beschikking opgenomen. Weggelopen minderjarige Dringende redenen Alleen in geval van zeer dringende redenen kan er bijstand verleend worden. Na een gesprek met de jongere zal dan allereerst bekend moeten worden of er een beroep gedaan kan worden op de jeugdhulpverlening en zo nee waarom niet. Daarvoor wordt de jongere verwezen naar het wijkteam. Vervolgens zal nagegaan moeten worden met welke hulpverleners er contact is en zal er informatie over de situatie ingewonnen moeten worden bij de hulpverleners. Als de jongere daar geen toestemming voor geeft, betekent het feitelijk dat er geen bijstand verleend kan worden. De jongere heeft feitelijk geen goed argument voor het weigeren van contact met een hulpverlener. Ook contact met de ouders is belangrijk. Het verhaal van de jongere is één kant van het verhaal. Er zullen jongeren zijn die niet willen dat er contact met de ouders wordt opgenomen, omdat zij bijvoorbeeld niet willen dat de verblijfplaats bekend wordt. De jongere kan daarvoor redenen hebben, maar dat moet dan wel met een geloofwaardig verhaal worden onderbouwd. Voordat bij wijze van hoge uitzondering tot bijstandsverlening wordt overgegaan, zal de gehele situatie goed in beeld gebracht moeten worden. De leeftijd van de jongere speelt natuurlijk ook nog een rol. Recht op bijzondere bijstand Er is recht op bijzondere bijstand in plaats van de alo-kop in de volgende situaties: De tienermoeder wordt onderhouden door haar ouders. Als de ouders van de tienermoeder de baby niet onderhouden dan kan er bijstand verleend worden aan de baby voor het gemis van de alo-kop. Het bedrag van de alo-kop is het bedrag dat extra nodig is in het gezin door aanwezigheid van de minderjarige. De tienermoeder heeft geen recht op de alo-kop, omdat de ouder(
- s)toeslagpartners zijn (is). De tienermoeder heeft wel recht op kinderbijslag maar dit is geen voorliggende voorziening voor de kosten van levensonderhoud. In de situaties dat de minderjarige inwoont en de mensen bij wie hij inwoont geen recht op de alo- kop hebben is er recht op bijzondere bijstand voor het gemis van de alo-kop. Het bedrag van de alo-kop is het bedrag dat extra nodig is in het gezin door aanwezigheid van de minderjarige. Hoogte en duur van de bijzondere bijstand De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de alo-kop en wordt als periodieke bijzondere bijstand betaald. De onderhoudsbijdrage van de vader van de baby of de ouders van de weggelopen minderjarige die betaald wordt aan belanghebbende wordt in mindering gebracht op de bijstand. De bijstand voor de baby wordt betaald aan de tienermoeder. De bijstand voor de weggelopen minderjarige wordt betaald aan de minderjarige. De bijstand wordt gestopt op het moment dat belanghebbende 18 jaar wordt of verhuisd. Controle op wijziging van de situatie vindt plaats door uitwisseling gegevens met gemeente BRP. 3.19Bewindvoering, mentor en curatele Omschrijving van de kosten Curatele, beschermingsbewind en mentorschap zijn verschillende maatregelen om mensen te beschermen die zelf niet goed beslissingen kunnen nemen. Bijvoorbeeld door een verstandelijke beperking, verslaving of dementie. Curatele is voor mensen die hun financiële en persoonlijke zaken niet zelf kunnen regelen en voor wie beschermingsbewind en/of mentorschap niet volstaat. Een curator beslist over geld, verzorging, verpleging, behandeling of begeleiding van de betrokkene. Iemand die onder curatele staat is handelingsonbekwaam. Dit betekent dat hij zonder toestemming van de curator geen rechtshandelingen kan verrichten die niet kunnen worden teruggedraaid. Bijvoorbeeld het kopen van een huis. Alle lopende ondercuratelestellingen staan in het openbare curateleregister. Beschermingsbewind is voor mensen die hun financiële zaken niet zelf kunnen regelen. De beschermingsbewindvoerder beheert het geld en de goederen van de betrokkene. Beschermingsbewind kan wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden worden ingesteld. Wie onder bewind staat, blijft handelingsbekwaam. Hij mag dus nog wel zelfstandig rechtshandelingen verrichten. Deze bewinden staan in het openbare bewindregister. Mentorschap is voor mensen die hun persoonlijke zaken niet meer zelf kunnen regelen. De mentor beslist over de verzorging, verpleging, behandeling of begeleiding van de betrokkene. Iemand die een mentor heeft, blijft handelingsbekwaam. Aanvraagprocedure Curatele, bewind of mentorschap vraag je aan bij de kantonrechter. Je hebt hiervoor geen advocaat nodig. Bewind en mentorschap kun je tegelijk aanvragen. Ook kun je eerst een bewind en later een mentorschap aanvragen of andersom. Het is niet mogelijk om naast een curatele ook een bewind of een mentorschap aan te vragen. Een curatele kan wel omgezet worden in een bewind of een mentorschap. Daarvoor moet je naar de kantonrechter. Je hebt een formulier nodig voor het aanvragen van curatele, bewind of mentorschap. Op het formulier staat welke stukken je mee moet sturen. Je stuurt het formulier naar de rechtbank in je regio. Curatele, bewind of mentorschap kan onder andere worden aangevraagd door de betrokkene zelf of zijn familie. Iedereen die meerderjarig is, kan tot curator, bewindvoerder of mentor worden benoemd. Wel gelden er eisen aan die benoeming. Je betaalt griffierecht voor de behandeling van je verzoek om curatele, bewind of mentorschap. De overheid bepaalt de hoogte van het griffierecht. Die hoogte kan jaarlijks op 1 januari worden aangepast. Beloning bewindvoerder, mentor en curator Bij de benoeming stelt de kantonrechter op verzoek de beloning vast. Voor de hoogte van deze vergoeding geldt sinds 1 januari 2015 een landelijke regeling, de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Volmacht of levenstestament Als betrokkene op dit moment nog wel in staat is om zijn (persoonlijke en financiële) zaken te regelen, dan kan de (soms langdurige) procedure voor het aanvragen van curatele, bewind en/of mentorschap waarschijnlijk voorkomen worden. De betrokkene kan bijvoorbeeld een algemene, notariële volmacht of zelfs een levenstestament maken waarin hij/zij zelf een gevolmachtigde en/of bewindvoerder aanwijst. Voorliggende voorzieningen Er is geen voorliggende voorziening voor deze kosten. De noodzaak van de kosten moet worden aangenomen. De rechter heeft bepaald dat er een bepaalde vorm van belangenbehartiging nodig is en dan kan er niet getornd worden aan de noodzaak. Dit blijkt uit constante jurisprudentie. Recht op bijzondere bijstand Er is recht op de kosten van de beloning van de bewindvoerder, mentor of curator. Met ingang van 01-01-2015 is de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren van toepassing. De kantonrechter bepaalt de beloning op basis van deze Regeling. Er zijn ‘familiecuratoren, -bewindvoerders en -mentoren’, of ‘familievertegenwoordigers’ en ‘professionele curatoren, bewindvoerders en mentoren’, of ‘professionele vertegenwoordigers. De “familievertegenwoordigers” zijn bijvoorbeeld de partner, een familielid, vriend of buurvrouw, terwijl de “professionele vertegenwoordigers” ten minste drie personen onder hun hoede moeten hebben en aan kwaliteitseisen moeten voldoen. Naast de jaarbeloning kunnen professionele vertegenwoordigers in voorkomende gevallen tevens aanspraak maken op een forfaitaire beloning voor bepaalde incidentele werkzaamheden, zoals werkzaamheden in verband met een verhuizing. De beloning voor deze extra werkzaamheden word