Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders Artikel 8 Raadsfractie Hoofdstuk 3 Vergaderingen Paragraaf 1 Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen Artikel 9 Vergaderfrequentie Artikel 10 Oproep Artikel 11 Agenda Artikel 12 De wethouder Artikel 13 Ter inzage leggen van stukken Artikel 14 Openbare kennisgeving Paragraaf 2 Orde der vergadering Artikel 15 Presentielijst Artikel 16 Zitplaatsen Artikel 17 Opening vergadering; quorum Artikel 18 Spreekrecht burgers Artikel 19 Primus bij hoofdelijke stemming Artikel 20 Verslag en besluitenlijst Artikel 21 Ingekomen stukken; mededelingen Artikel 22 Aantal spreektermijnen Artikel 23 Spreektijd Artikel 24 Handhaving orde; schorsing Artikel 25 Beraadslaging Artikel 26 Deelname aan de beraadslaging door anderen Artikel 27 Stemverklaring Artikel 28 Beslissing Paragraaf 3 Procedures bij stemmingen Artikel 29 Algemene bepalingen over stemming Artikel 30 Stemming over amendementen en moties Artikel 31 Stemming over personen Artikel 32 Herstemming over personen Artikel 33 Beslissing door het lot Hoofdstuk 4 Rechten van de leden Artikel 34 Amendementen Artikel 35 Moties Artikel 36 Voorstellen van de orde Artikel 37 Initiatiefvoorstel Artikel 38 Collegevoorstel Artikel 39 Interpellatie Artikel 40 Vragenhalfuur Artikel 41 Schriftelijke vragen Artikel 42 Inlichtingen Hoofdstuk 5 Begroting en rekening Artikel 43 Procedure begroting Artikel 44 Procedure jaarrekening Hoofdstuk 6 Lidmaatschap van andere organisaties Artikel 45 Verslag; verantwoording Hoofdstuk 7 Besloten vergadering Artikel 46 Algemeen Artikel 47 Verslag Artikel 48 Geheimhouding Artikel 49 Opheffing geheimhouding Hoofdstuk 8 Toehoorders en pers Artikel 50 Toehoorders en pers Artikel 51 Geluid- en beeldregistratie Artikel 52 Verbod gebruik mobiele apparatuur Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 53 Uitleg reglement Artikel 54 Citeertitel Artikel 55 Inwerkingtreding Artikel1Begripsomschrijvingen. In dit reglement wordt verstaan onder: voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger; amendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig ontwerpverordening of ontwerpbeslissing, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen; subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement waarop het betrekking heeft; motie: een korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, opdracht, wens of verzoek wordt uitgesproken; voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering; initiatiefvoorstel: een door een lid van de raad ingediend voorstel voor een verordening of ander voorstel. interpellatie: het vragen van inlichtingen aan het college of de burgemeester op grond van artikel 155, lid 2 van de Gemeentewet over een onderwerp dat niet op de raadsagenda staat; interruptie: een korte onderbreking van een aan het woord zijnde spreker voor het leveren van een kort commentaar of het stellen van een korte vraag; vergadering: vergadering van de raad; raadsgriffier: de griffier van de raad of diens vervanger; burgerlid: een lid van een raadscommissie, niet zijnde een raadslid; Podiumbijeenkomst: bijeenkomst met als doel informatieoverdracht en informatie-uitwisseling tussen raadsleden, burgerleden, college, ambtenaren, burgers, instellingen en/of organisaties over een specifiek thema. Artikel2De voorzitter. De voorzitter is belast met: het leiden van de vergadering; het handhaven van de orde in de raadsvergadering; het doen naleven van het reglement van orde van de raad; hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder opdraagt; het nemen van verdagingsbesluiten namens de raad (mandaat) indien een beslistermijn op een bezwaarschrift overschreden dreigt te worden voordat de raad weer in vergadering bijeen komt. Artikel3De raadsgriffier. De raadsgriffier is in elke vergadering van de raad aanwezig. Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt de raadsgriffier vervangen door een door de raad daartoe aangewezen plaatsvervangend raadsgriffier. De raadsgriffier kan, indien daartoe door de voorzitter uitgenodigd, aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement deelnemen. Artikel4De gemeentesecretaris. De raad kan het college verzoeken de gemeentesecretaris in de vergadering aanwezig te laten zijn en deel te laten nemen aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement. Artikel5Fractievoorzittersoverleg. Er is een fractievoorzittersoverleg. Het fractievoorzittersoverleg bestaat uit de voorzitter van de raad en de fractievoorzitters. De raadsgriffier is in elke vergadering van het fractievoorzittersoverleg aanwezig. De voorzitter van de raad of diens vervanger is voorzitter van het fractievoorzittersoverleg. De raadsgriffier draagt zorg voor de verslaglegging van het fractievoorzittersoverleg en de verspreiding daarvan onder de leden. De vergaderingen van het fractievoorzittersoverleg zijn niet openbaar. De vergaderingen van het fractievoorzittersoverleg vinden tenminste vier maal per jaar plaats. Het fractievoorzittersoverleg wordt bijeengeroepen op verzoek van de voorzitter of van een of meer fractievoorzitters of van de raadsgriffier. In het fractievoorzittersoverleg wordt overlegd over algemene aspecten van het functioneren van de raad, de raadscommissies, de Raadsgriffie en de voorzitter van de raad. De voorzitter kan voorstellen derden uit te nodigen voor het fractievoorzittersoverleg. Elke fractievoorzitter kan zich bij zijn afwezigheid laten vervangen door een raadslid dan wel burgerlid van zijn fractie en maakt dat bij de raadsgriffier bekend. Elke fractievoorzitter heeft één stem in het fractievoorzittersoverleg. Artikel6Agendacommissie. De raad heeft een Agendacommissie. De Agendacommissie bestaat uit de voorzitter van de raad als voorzitter en de voorzitters van de raadscommissies alsmede een vaste vertegenwoordiger van de
, zijnde een raadslid, die daarmee nog niet vertegenwoordigd zijn. De raadsgriffier of diens plaatsvervanger is in elke vergadering van de Agendacommissie aanwezig. De leden van de Agendacommissie kunnen zich bij afwezigheid laten vervangen door een raadslid of burgerlid van hun fractie. De Agendacommissie stelt de vergaderfrequentie van de raad, de raadscommissies en de Podiumbijeenkomsten vast. De Agendacommissie stelt de concept-agenda’s van de raad, raadscommissies en Podiumbijeenkomsten vast. De Agendacommissie stelt vast of een adviesstuk voor de Adviescommissie een A-stuk of B-stuk is. De Agendacommissie stelt tevens vast of een ingekomen stuk voor de Adviescommissie een A- stuk of B-stuk is. De Agendacommissie kan voorstellen portefeuillehouders, de gemeentesecretaris alsmede raads- en/of burgerleden alsook griffiemedewerkers, anders dan genoemd in lid 2 van dit artikel, voor de vergadering uit te nodigen. Elke fractie heeft één stem in de vergadering van de Agendacommissie. De vergaderingen van de Agendacommissie zijn openbaar. De Agendacommissie kan een voorstel tot toepassing van spreektijd doen. De Agendacommissie toetst voorstellen op raadsrijpheid. Hoofdstuk2Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders;
Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van nieuw benoemde leden. De commissie brengt na haar onderzoek van geloofsbrieven verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt. Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste samenkomst van de raad in oude samenstelling na de verkiezingen. Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. Bij de benoeming van een wethouder wordt overeenkomstig het eerste lid een commissie ingesteld welke onderzoekt of de kandidaat voldoet aan de eisen van de Gemeentewet. Op de werkwijze van deze commissie is het tweede lid van overeenkomstige toepassing. Artikel8Raadsfractie. De leden van de raad, die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zittingsperiode van de raad als één raadsfractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke raadsfractie beschouwd. Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de raadsfractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien geen aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de fractie in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke naam deze raadsfractie in de raad wil voeren. De namen van degenen die als voorzitter van de raadsfractie en als diens plaatsvervanger optreden, worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de raadsgriffier en de voorzitter. Indien één of meer leden van de raadsfractie als zelfstandige raadsfractie gaan optreden, twee of meer raadsfracties als één raadsfractie gaan optreden, één of meer leden van een raadsfractie zich aansluiten bij een andere raadsfractie of een raadsfractie een andere naam gaat voeren, doet de betreffende raadsfractie hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de voorzitter. Met de in het vorige lid beschreven veranderde situatie wordt rekening gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad, na mededeling daarvan. Hoofdstuk3Vergaderingen Paragraaf1Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen Artikel9Vergaderfrequentie De vergaderingen van de raad vinden in de regel plaats op een donderdagavond en vangen aan om 19.30 uur en worden gehouden in het gemeentehuis. De Agendacommissie stelt het vergaderschema vast. De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en/of aanvangsuur bepalen en/of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie, overleg in de Agendacommissie. Indien de voorzitter tijdens een reguliere vergadering besluit de vergadering op een ander tijdstip voort te zetten, roept hij de raadsleden hiertoe in de vergadering op. Hij geeft per direct aan wat de voorlopige agenda van deze vergadering is. Deze oproeping met de bijbehorende voorlopige agenda wordt binnen 24 uur bevestigd en openbaar gemaakt. De vervolgvergadering uit het voorgaande lid vindt plaats binnen 6 werkdagen na de reguliere vergadering. Op een vervolgvergadering is paragraaf 1 van dit hoofdstuk met uitzondering van de artikelen 10, lid 1 en 2, 11, lid 1 en 13, lid 1 van toepassing. Paragraaf 2 van dit hoofdstuk is met uitzondering van artikel 18 van toepassing. Hoofdstuk 4 is met uitzondering van artikel 40 van toepassing. Artikel10Oproep De voorzitter zendt ten minste tien dagen voor een vergadering de leden een elektronische oproep onder vermelding van de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de elektronische oproep beschikbaar gesteld. Indien een aanvullende agenda wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 11, eerste lid, worden deze agenda en de daarop vermelde voorstellen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de vergadering aan de leden van de raad kenbaar gemaakt. Artikel11Agenda In spoedeisende gevallen kan de Agendacommissie na het verzenden van de elektronische oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van een vergadering een aanvullende agenda opstellen. De aanvullende agenda wordt aan de leden kenbaar gemaakt. Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op voorstel van een lid of de voorzitter kan de raad bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of van de agenda afvoeren. Wanneer de raad een onderwerp of voorstel onvoldoende voor de beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen naar een raadscommissie of aan het college nadere inlichtingen of advies vragen. Op voorstel van een lid of de voorzitter kan de raad de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen. Artikel12De wethouder De wethouders zijn standaard uitgenodigd om in de vergadering aanwezig te zijn. Een wethouder kan op verzoek van de raad aan de beraadslagingen deelnemen. Artikel13Ter inzage leggen stukken Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen, worden gelijktijdig met de digitale oproep via de website van de gemeente beschikbaar gesteld. De voorzitter maakt van de ter beschikkingstelling melding in de openbare kennisgeving, bedoeld in artikel 14. Indien na de oproep stukken ter beschikking worden gesteld wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk in een openbare kennisgeving. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kunnen stukken ook op een andere, elektronische wijze aan een ieder ter beschikking worden gesteld. Indien voor stukken op grond van artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste lid, bij de raadsgriffier en verleent de raadsgriffier de leden van de raad inzage. Artikel14Openbare kennisgeving De vergadering wordt door aankondiging in het gemeentelijk informatieblad of op de voor afkondigingen in de gemeente gebruikelijke wijze en digitaal door plaatsing op de gemeentelijke website openbaar gemaakt. De openbare kennisgeving vermeldt: de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige agenda van de vergadering; de wijze waarop en de plaats waar een ieder de agenda en de daarbij behorende stukken kan inzien; de mogelijkheid tot het uitoefenen van het spreekrecht als bedoeld in artikel 18 van dit reglement. Daarnaast worden de bij de voorlopige agenda behorende stukken op de website van de gemeente geplaatst. Paragraaf2Orde der vergadering Artikel15Presentielijst Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad een presentielijst. Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst door de voorzitter en de raadsgriffier ter ondertekening vastgesteld. Artikel16Zitplaatsen De voorzitter, de leden van de raad en de raadsgriffier hebben een vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg met de
en de raadsgriffier bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van de raad aangewezen. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien na overleg met de
. De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders, gemeentesecretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn uitgenodigd. Artikel17Opening vergadering; quorum De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur, indien het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de raad blijkens de presentielijst aanwezig is. Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de Gemeentewet. Artikel18Spreekrecht burgers Na de opening van de vergadering kunnen ingezetenen of belanghebbenden het woord voeren over geagendeerde en niet geagendeerde onderwerpen. Het woord kan niet gevoerd worden: over een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of beroep op de rechter openstaat of heeft opengestaan; over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; indien een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend; indien reeds over hetzelfde onderwerp het woord is gevoerd in de betreffende raadscommissie; het voorgaande (sub
die dan nog niet vertegenwoordigd zijn. De leden van de Agendacommissie kunnen zich bij afwezigheid laten vervangen door een raadslid of burgerlid van hun fractie. Elke fractie heeft één stem in de vergadering van de Agendacommissie. De vergaderingen zijn openbaar. De raadsgriffier is bij elke vergadering van de Agendacommissie aanwezig hetgeen efficiënt en effectief werkt mede vanwege diens procedurele en faciliterende verantwoordelijkheid. De aanwezigheid van derden, zoals portefeuillehouders, de gemeentesecretaris, raads- en/of burgerleden of raadsgriffiemedewerkers kan gewenst zijn. De Agendacommissie is belast met de volgende taken: – vaststellen van de vergaderfrequentie van de raad, de raadscommissies en de Podiumbijeenkomsten; – vaststellen van de planning van raads-, raadscommissievergaderingen en Podiumbijeenkomsten; – vaststellen van de wijze van agendering van vergaderstukken als A-stuk of B-stuk, Zie voor verdere uitleg over A- en B-stukken het Reglement van orde voor de raadscommissies; – voorstellen doen met betrekking tot toepassing van spreektijden; – voorlopige vaststelling van de raadsagenda en de, raadscommissieagenda; – bepalen van de inhoud van de Podiumbijeenkomsten; – uitnodigen van één of meer derden om in de raadsvergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslaging deel te nemen; – toetsing van de raadsrijpheid van voorstellen aan de hand van de volgende punten: · Het advies is duidelijk, kernachtig en puntsgewijs vermeld; · De aanleiding voor dit advies is helder; · Het beoogde effect is concreet verwoord; · Argumenten zijn duidelijk weergegeven; · Kanttekeningen bij het advies zijn duidelijk weergegeven; · Er is stil gestaan bij de volgende randvoorwaarden: Financiën, Communicatie, Uitvoering en Overleg; · Achtergrondinformatie is in de bijlage(n) te raadplegen. Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders;
Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2 Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een opgave van nevenfuncties, een uittrekstel uit de GBA met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, lid 2 Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het verslag van onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering worden gedaan. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties en belangenverstrengeling. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt in de laatste samenkomst van de raad in oude samenstelling na de verkiezingen. Het onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen. Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet vastgelegd. De mogelijkheid van beroep bij de Raad van State tegen de beslissing tot toelating als lid van de raad is vervallen door inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002. Het zesde lid geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet vloeit het onderzoek geloofsbrieven van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (Gemeentewet artikel 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen. Vandaar dat er een zesde lid aan dit artikel is toegevoegd. Dit artikel is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd, de incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te worden. Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, lid 2 Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een meerderheid heeft van één stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemen en een nieuw raadslid te benoemen. De beoogde wethouder mag meestemmen over zijn eigen benoeming. Het vooraf ontslag nemen als raadslid is wel een risico. Het kan immers gebeuren dat deze persoon of niet tot wethouder wordt benoemd of dat de geloofsbrieven niet worden goedgekeurd. Artikel 8 Raadsfracties In een aantal gevallen blijkt behoefte te bestaan aan een regeling van wat onder een raadsfractie moet worden verstaan. De Kieswet en de Gemeentewet kennen een dergelijk begrip niet maar de Gemeentewet gaat onder andere in artikel 33, tweede lid (recht op fractie-ondersteuning), wel uit van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen. In veel gemeenten bestaan regelingen ten aanzien van vergoedingen aan
, faciliteiten voor
, fractie-assistentie, etc. In deze nadere regelingen kan worden aangesloten bij het in dit reglement opgenomen fractiebegrip. Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst heeft staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee. In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. Het beëindigen van de zitting in de raad kan verschillende oorzaken hebben. Raadsleden kunnen ongeneeslijk ziek zijn, een conflict met hun fractie hebben, te weinig tijd hebben voor het raadswerk en zo zijn er nog vele redenen denkbaar. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen (een kandidaat wordt door de voorzitter van het stembureau benoemd). De Kieswet gaat niet uit van politieke partijen, een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van
en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie. Gevolg van een fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie is ook dat de fractievoorzitter van de nieuwe fractie lid wordt van het fractievoorzittersoverleg en recht heeft op fractieondersteuning en dergelijke. Hoofdstuk 3 Vergaderingen Paragraaf 1 Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen Artikel 9 Vergaderfrequentie Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. Het tweede lid brengt tot uitdrukking dat de voorzitter in het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg pleegt met de Agendacommissie. Op deze wijze houdt de Agendacommissie ook bij vergaderingen, die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering. Het wijzigen van het aanvangsuur is van gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde functie. Indien nodig kan binnen 6 werkdagen een vervolgvergadering worden gepland. Op een vervolgvergadering zijn niet alle artikelen van toepassing. Artikel 10 Oproep In artikel 19, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering. Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit wenst, dat de oproep en stukken niet per post maar per e-mail worden verzonden. In Oss is dit inmiddels gebruik. Vandaar dat het artikel spreekt over een elektronische oproep. Het eerste lid bepaalt dat de voorzitter tenminste tien dagen vóór een vergadering de leden een elektronische oproep stuurt, waarin de vergadering wordt aangekondigd. De oproep vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering. Het tweede lid stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, tegelijkertijd met de oproep beschikbaar worden gesteld. De in artikel 25, eerste en tweede lid, bedoelde stukken zijn stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd. Hier wordt melding van gemaakt op de stukken. Artikel 11 Agenda Op basis van de behandeling in de raadscommissies wordt bepaald hoe de agenda eruit komt te zien. Het versturen van de agenda en stukken is geregeld in artikel 11. Dit is echter een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om een week voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de 'waan' van de dag. In een dergelijke situatie kan de Agendacommissie na het verzenden van de elektronische oproep zo nodig een aanvullende agenda opstellen. Het gaat dan om nieuw te bespreken onderwerpen. De voorzitter stuurt deze agenda en de daarbij behorende stukken rond. Dit kan echter niet tot op het laatste moment, maar tot uiterlijk twee dagen voor de aanvang van de vergadering. Het tweede lid heeft tot doel om de raadsleden een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Zij kunnen echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda. De raad moet echter in meerderheid akkoord zijn om het onderwerp te behandelen of niet te behandelen. Het advies van de Adviescommissie kan luiden: ter bespreking, niet ter bespreking of niet behandelen in de raad. Ter bespreking plaatsen op de agenda kan in twee gevallen: 1. als een fractie aankondigt een motie of amendement te gaan indienen; 2. als door een bijzondere situatie nadere discussie wordt verlangd c.q. nodig is. Voor het advies ‘niet behandelen in de raad’ is unanimiteit van de aanwezige
in de Adviescommissie vereist. De voorlopige agenda van de raad wordt gelijktijdig met de voorlopige agenda van de raadscommissies door de Agendacommissie vastgesteld. Indien de Adviescommissie adviseert om het voorstel niet te behandelen in de raad zal dit advies worden besproken bij het agendapunt ‘vaststelling van de agenda van de raad’. Het derde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad van voldoende informatie te voorzien (artikel 169 Gemeentewet actieve informatieplicht). Als de raad niet voldoende op de hoogte is van de inhoud en strekking van een onderwerp, is het niet gewenst dat de raad zich over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft de raad de mogelijkheid het onderwerp naar een raadscommissie te verwijzen of aan het college nadere inlichtingen of advies te vragen. Het laatste lid regelt dat de raad op verzoek van een lid of op voorstel van de voorzitter de volgorde van behandeling van de agendapunten kan wijzigen. Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn. In de eerste plaats zijn dit het college en de burgemeester. Daarnaast kunnen raadsleden initiatiefvoorstellen indienen. Ook kan de raadsgriffie voorstellen indienen. Tenslotte kunnen burgers burgerinitiatiefvoorstellen indienen. Artikel 12 De wethouder Artikel 12 is een nadere uitwerking van artikel 21, tweede lid, van de Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid dat wethouders door de raad worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn. In Oss is het gebruik dat de wethouders aan het begin van de zittingsperiode van de raad worden uitgenodigd om in de vergaderingen van de raad aanwezig te zijn. Het gebruik van het werkwoord 'uitnodigen' geeft aan dat een wethouder kan weigeren te verschijnen in de raad. In de praktijk zal dat echter niet waarschijnlijk zijn, omdat een dergelijke weigering door de raad kan worden uitgelegd als een weigering inlichtingen te verschaffen of verantwoording af te leggen, met alle mogelijke onaangename politieke gevolgen van dien voor de betrokken wethouder. Gelet op de frequentie van de raadsvergadering zullen veelal zaken uit alle portefeuilles aan de orde komen, zodat in de praktijk alle wethouders worden uitgenodigd. Als de wethouders in de vergadering aanwezig zijn, zullen ze op verzoek van de raad deelnemen aan de beraadslagingen. Het kan echter wenselijk zijn dat een wethouder niet bij een vergadering aanwezig is als de raad een zelfstandige afweging over een onderwerp of voorstel wil maken, de raad bijvoorbeeld over het eigen functioneren van gedachten wil wisselen of bij de voorbereiding van een besluit tot het houden van een onderzoek naar het door het college gevoerde bestuur. Artikel 13 Ter inzage leggen van stukken In dit artikel gaat het, naast de geheime stukken, om de zogenaamde 'achterliggende' stukken waarvan vaak in de raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota's, etc.). Een agendapunt kan betrekking hebben op een grote hoeveelheid verschillende stukken, die bijvoorbeeld het voorstel tot het bouwen van een nieuwe openbare bibliotheek onderbouwen. Omdat raadsleden zich bezighouden met een groot aantal verschillende onderwerpen en voorstellen, is het in de meeste gevallen niet wenselijk dat raadsleden alle onderliggende stukken krijgen toegezonden. Uiteraard dienen ze wel de mogelijkheid te hebben om alle stukken desgewenst in te zien. Dit gebeurt via de gemeentelijke website. Een stuk is een 'document' in de zin van de Wet Openbaarheid van bestuur (Wob). Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda's, notulen, (concept)adviezen en magneetbanden verkrijgen de status van document in de zin van de Wob. De raadsgriffier vervult mede de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Het ligt dan ook in de rede dat stukken, die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage worden gelegd. Op verzoek van de leden van de raad kan de raadsgriffier inzage aan hen verlenen. Artikel 14 Openbare kennisgeving Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens is de verplichting opgenomen de agenda ook op het internet te plaatsen. Vanuit het oogpunt van service aan de burger is het plaatsen van de bijbehorende stukken op internet gewenst. Elke gemeente beschikt over een website. Dit is echter niet verplicht op grond van de Gemeentewet. In Oss is dit gebruik omdat de stukken digitaal worden verstrekt. In het reglement van orde wordt niet expliciet vastgelegd in welke dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen de aankondiging van de vergadering van de raad wordt geplaatst. Indien de gemeente echter vaak wisselende media benut, is het niet verstandig om de naam van een blad op te nemen, aangezien het reglement dan steeds opnieuw moet worden aangepast. Vandaar dat de bepaling ‘of op voor afkondigingen in de gemeente gebruikelijke wijze’ is opgenomen. Paragraaf 2 Orde der vergadering Artikel 15 Presentielijst De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen, dat het vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet. De raadsgriffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom stelt hij samen met de voorzitter de presentielijst vast en ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was. Artikel 16 Zitplaatsen De raadsgriffier is overeenkomstig artikel 3 van het reglement in elke vergadering aanwezig en heeft daarom een eigen zitplaats. De zitplaatsen worden aan het begin van de zittingsperiode van de raad in het fractievoorzittersoverleg vastgesteld. De voorzitter kan na overleg in het fractievoorzittersoverleg de indeling herzien, indien daartoe aanleiding bestaat. Op grond van artikel 12 van het reglement zijn de wethouders uitgenodigd om in de vergadering aanwezig te zijn. Ook andere personen kunnen uitgenodigd worden om ter vergadering aanwezig te zijn. De voorzitter is de aangewezen persoon om voor een zitplaats voor hen te zorgen. Artikel 17 Opening vergadering; quorum De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aanwezige aantal zitting hebbende raadsleden blijkens de presentielijst tegenwoordig is. Artikel 20 van de Gemeentewet voorziet in een procedure voor een tweede vergadering indien het vereiste aantal leden niet op komt dagen. Artikel 18 Spreekrecht burgers Bij de herziening van het model reglement van orde voor de raad door de VNG is het spreekrecht burgers komen te vervallen omdat uit de praktijk signalen kwamen dat het spreekrecht niet de goede manier zou zijn om burgers te betrekken bij de besluitvorming. Het zou gaan om schijninspraak. De raadsvergadering is immers het sluitstuk van het besluitvormingsproces dat lang daarvoor al is begonnen, waardoor de kans klein is dat de raad op dat moment – als reactie op het inspreken van een burger – nog van richting verandert. De mogelijkheden van burgers om tijdens de commissievergaderingen in te spreken zouden daarentegen vaker benut kunnen worden. In Oss is het spreekrecht bij de raad wel gehandhaafd. Ook het spreekrecht van burgers tijdens een raadsvergadering kan bijdragen aan het vergroten van de betrokkenheid van de burgers bij het bestuur; één van de doelstellingen van de vernieuwing van het lokaal bestuur. Het spreekrecht was eerst beperkt gehouden tot geagendeerde onderwerpen, zoals die zijn opgenomen in de door de Agendacommissie vastgestelde concept-agenda, omdat burgers op deze wijze een doelgerichte bijdrage kunnen leveren aan de beraadslaging van de raad. Op grond van nieuwe afspraken heeft de Agendacommissie op 14 juni 2016 besloten meer ruimte te bieden aan insprekers. Sindsdien kan inspreken tijdens gemeenteraadsvergaderingen en commissievergaderingen ook over onderwerpen die niet op de agenda staan. Ook nieuw is dat insprekers over wel geagendeerde onderwerpen hun inspreekruimte direct voorafgaand aan het betreffende onderwerp krijgen. Het spreekrecht is eveneens beperkt gehouden tot de mogelijkheid óf in de raad óf in de raadscommissie in te spreken over het zelfde onderwerp. Hiermee wordt voldoende tegemoet gekomen aan de genoemde doelstelling van het inspreekrecht van de burger waarbij de vergadering niet onnodig wordt belast. Indien er echter sprake is van nieuwe feiten die de besluitvorming in de raad zouden kunnen beïnvloeden, kan van een extra spreekrecht over hetzelfde onderwerp in de raad worden gebruik gemaakt. In het artikel zijn vier onderwerpen opgenomen, waar het spreekrecht niet voor geldt. Als een besluit van de raad of het college vatbaar is voor bezwaar en de burger belanghebbende is, kan de burger een bezwaarschrift indienen. Ook kan een burger beroep instellen bij de rechtbank. De reikwijdte van deze procedures houdt niet in dat alle burgers zich hierover kunnen uitspreken. Verder zijn de benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen van personen uitgesloten van het spreekrecht van burgers. Omdat inspraak over de benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen de belangen van kandidaten al dan niet in de uitoefening van hun ambt of functie kan schaden, kunnen burgers hierover geen uitlatingen doen. Als laatste kunnen burgers zich ook niet uitlaten over onderwerpen, waar zij op grond van artikel 9:2 Algemene wet bestuursrecht een klacht over kunnen indienen. Deze procedure gaat voor het spreekrecht van burgers. De uitzonderingen op het spreekrecht van burgers is in dit reglement aangevuld met de bepaling dat niet kan worden ingesproken op ingekomen stukken. Er is geen maximum totaaltijd voor het spreekrecht van de burgers in dit reglement opgenomen. In principe krijgt elke spreker maximaal vijf minuten het woord, ongeacht het aantal insprekers. De achtergrond van het beperken van tijd is dat na de inspreekronde nog een hele vergadering plaatsvindt, die ook ettelijke uren in beslag kan nemen. De voorzitter kan echter in bijzondere gevallen van de maximale lengte van de spreektijd afwijken. Een voorbeeld van zo’n bijzonder geval is bijvoorbeeld het feit dat de spreker een grotere groep van burgers vertegenwoordigt. In een dergelijke situatie kan ook voor andere praktische oplossingen gekozen worden zoals het beleggen van een aparte hoorzitting. Het is de bedoeling dat de bijdrage van de burger niet op zichzelf staat. Daarom kan de voorzitter of het raadslid een voorstel doen voor een verdere behandeling van de inbreng van de burger. Het is onder andere mogelijk dat de raad direct een antwoord geeft of dat een onderdeel van de ambtelijke organisatie met het onderwerp aan de slag gaat of dat raadsleden actie ondernemen om de burger tegemoet te komen. Artikel 19 Primus bij hoofdelijke stemming Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan het begin van de vergadering. Deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering, ook na een eventuele schorsing. Artikel 20 Verslag en besluitenlijst Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de raadsgriffier en de wijze waarop de besluitenlijst wordt gemaakt. Het maken van een (schriftelijk) verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting om een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid van de Gemeentewet). Een schriftelijke verslaglegging is dus niet nodig. Andere vormen van verslaglegging bijvoorbeeld een geluidsopname op CD is ook mogelijk. In Oss wordt, evenals bij de raadscommissies, ook de raadsvergadering op een beeld- en/of geluidsdrager geregistreerd. Daarnaast wordt een besluitenlijst gemaakt. De geluidsopname is, indien het een openbare vergadering betreft, terug te luisteren via de gemeentelijke website. De raadsgriffier verleent ondersteuning aan de raad. Daarom worden de beeld- en/of geluidsopnames worden gemaakt onder verantwoordelijkheid van de raadsgriffier. De raadsgriffier is aangewezen om de besluitenlijst op te stellen. Door een wijziging in de Gemeentewet in 2016 (artikel 32a, 2e lid) is het mogelijk het ondertekenen van raadsstukken aan de griffier (of diens plaatsvervanger) te mandateren. De voorzitter tekent dan niet meer mee. Dit mandaat is door de Raad in 2017 gegeven (raadsbesluit). De besluitenlijst bevat de raadsbesluiten, inclusief ingediende moties, (sub) amendementen, initiatiefvoorstellen, burgerinitiatieven en de naar de raadscommissies doorverwezen ingekomen stukken. De verplichting tot openbaar maken van de besluitenlijst is geregeld in artikel 23, vijfde lid, Gemeentewet. De besluitenlijst moet op zo kort mogelijke termijn worden gepubliceerd. Artikel 21 Ingekomen stukken; mededelingen De lijst van de ingekomen stukken wordt aan het begin van de raadsvergadering behandeld. De lijst ingekomen stukken bevat geen stukken ter informatie. Daarvan wordt een aparte nieuwsbrief ter informatie opgemaakt en per e-mail verspreid. (weggehaald: Ook deze stukken liggen ter inzage) Omtrent de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken, waaronder ook de schriftelijke mededelingen van het college aan de raad, worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, ter afdoening door het college, de raadsgriffie of een speciale commissie of doorsturen naar een raadscommissie of Podiumbijeenkomst etc. Verder kan worden aangegeven dat een ingekomen stuk bij een bepaald agendapunt kan worden betrokken. Indien een raadslid een toelichting wil op artikel 41 vragen dient hij dit aan te geven en wordt dit aan het einde van de vergadering behandeld. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid. De raad stelt op voorstel van de raadsgriffier de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. De categorieën zijn opgenomen in dit artikel. Ingekomen stukken worden alleen procedureel beantwoord. Omtrent artikel 41 vragen kunnen wel nadere inlichtingen worden gevraagd. Als de raad of een raadslid wil dat het college iets doet met signalen uit de samenleving dan moet de raad aangeven dat het ingekomen stuk in de raadscommissie wordt geagendeerd. Ook dient de raad aan te geven wat de reden is van agendering in de raadscommissie. Artikel 22 Aantal spreektermijnen Indien de raad van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en/of tweede termijn. Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren. De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het geagendeerde, aan de orde zijnde onderwerp, tenzij het een niet geagendeerd onderwerp betreft. Artikel 23 Spreektijd De voorzitter kan na overleg met de Agendacommissie een voorstel doen spreektijden toe te passen. Bij de begrotingsbehandeling, voorjaarsnota en politieke beschouwingen worden spreektijden gehanteerd, waarbij spreektijden naar rato van de grootte van de fractie worden toegekend. De voorzitter kan in het kader van zijn taak tot het handhaven van de orde tijdens de vergadering ook wijzigingen voorstellen in de omvang van de spreektijd. Artikel 24 Handhaving orde; schorsing Het eerste lid verzekert dat raadsleden in hun eerste termijn vrijelijk kunnen spreken. Een portefeuillehouder kan wel worden geïnterrumpeerd. In de tweede termijn zijn interrupties toegestaan. De voorzitter kan bij een overvloed aan interrupties of in het belang van de voortgang van de beraadslagingen bepalen dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten, is in artikel 22 van de Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte vervolgd kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. De voorzitter kan naast de leden die het woord voeren ook wethouders, de gemeentesecretaris, de raadsgriffier of andere personen die het woord voeren tot de orde roepen. Indien zij hieraan geen gehoor geven, kan hen het woord worden ontzegd. De bevoegdheid die in het derde lid aan de voorzitter wordt gegeven om een spreker over een aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen, gaat minder ver dan de mogelijkheid die artikel 26, derde lid, van de Gemeentewet biedt om aan dat lid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, de toegang tot de vergadering te ontzeggen. De laatstgenoemde bevoegdheid van de voorzitter blijft echter onverlet. Artikel 24 is slechts een aanvulling op de Gemeentewet. Een besluit van de voorzitter om iemand het woord te ontnemen is een op feitelijk handelen gerichte beslissing met een intern karakter. Dit is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. (JB 9
over adequate instrumenten te beschikken. Indien de schorsing als bedoeld in het tweede lid aan het einde van de tweede termijn plaatsvindt, zijn er vervolgens twee mogelijkheden: er wordt direct tot stemming overgegaan of aan de beraadslagingen wordt een derde termijn toegevoegd. In het tweede lid wordt onder meer gesproken over het college dat de mogelijkheid krijgt tot nader beraad. Dit is uiteraard alleen het geval indien het college bij de bespreking van het betreffende onderwerp vertegenwoordigd is. Artikel 26 Deelname aan de beraadslaging door anderen Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 van de Gemeentewet geregelde verschoningsrecht. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen (bijvoorbeeld de voorzitter van de deelgemeenteraad aan de beraadslaging over deelgemeente-aangelegenheden). De raad kan op grond van artikel 3, 4 respectievelijk 12 van het Reglement van Orde bepalen dat de raadsgriffier, de gemeentesecretaris en de wethouder(
te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft (geen drempelsteun). Door het recht van amendement kan de regelgevende taak van de raad reëel inhoud krijgen en mede ten dienste staan van de inkadering en de controle door de raad. Ook kleine
en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de effectuering van de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie van de raad. Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college, de raadsgriffier of op initiatiefvoorstellen, niet zijnde burgerinitiatiefvoorstellen, indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. Voor wat betreft de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel 30 van het reglement. Voorstel tot splitsing van een voorgesteld besluit kan, indien aangenomen, meebrengen, dat één onderdeel van een besluit wel en een ander niet wordt aanvaard. Artikel 35 Moties In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn conclusie trekken. Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt, dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt, dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp, waarop de motie betrekking heeft. Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp (in Oss ook “motie vreemd aan de orde van de dag” genoemd) vindt aan het einde van de vergadering plaats. De behandeling van dergelijke moties benaderen de in artikel 37 van het reglement geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine
te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de motie van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen. Artikel 36 Voorstellen van orde De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (artikel 32, lid 4 Gemeentewet is hierop niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 37 van dit reglement). Artikel 37 Initiatiefvoorstellen Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een ontwerpverordening of ontwerpbesluit ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede lid van dit artikel van de Gemeentewet bepaalt dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en behandeld. Artikel 147a, derde lid, bepaalt in tegenstelling tot artikel 147a, tweede lid van de Gemeentewet, dat voor andere initiatiefvoorstellen geen verplichte behandeling voorgeschreven is. Dit betekent dat de raad (aanvullende) voorwaarden kan stellen aan het in behandeling nemen van een ander initiatiefvoorstel. Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine
te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine
en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie. De raadsgriffie heeft een sjabloon voor een initiatiefvoorstel opgesteld. Dit dient als richtsnoer voor een in te dienen initiatiefvoorstel. Door een wijziging in de Gemeentewet in 2016 wordt de betrokkenheid van het college bij initiatiefvoorstellen van de raad versterkt. Aan artikel 147a is een nieuw vierde lid toegevoegd waarin wordt bepaald dat het college wensen en bedenkingen over dat voorstel kenbaar moet kunnen maken. Pas nadat het college daartoe in de gelegenheid is gesteld, kan de raad een besluit nemen over het betreffende initiatiefvoorstel. Op grond van dit nieuwe lid moet een ingediend initiatiefvoorstel door de voorzitter van de raad zo spoedig mogelijk ter kennis van het college worden aangeboden. Het college heeft vervolgens 2 weken de tijd om bedenkingen of wensen over het voorstel aan de raad kenbaar te maken dan wel kenbaar te hebben gemaakt hiertoe niet te zullen overgaan. Eerst na het verstrijken van de termijn van 2 weken wordt het voorstel op de agenda van de eerstvolgende raad geplaatst. (artikel 37, 3e lid). De voorzitter plaatst het voorstel echter niet meer op de agenda, nadat de oproep verzonden is. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 11, tweede lid, het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Aangezien het voor de hand ligt om de raad tevens de mogelijkheid te geven om een initiatiefvoorstel tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp te behandelen, is dit in het vierde lid opgenomen. Dit moet aan het begin van de raadsagenda aan de orde komen. Indien het initiatiefvoorstel in een raadscommissie wordt behandeld geeft de Agendacommissie een advies wanneer het op de agenda van de raadscommissie komt. Indien het initiatief voor het verzenden van de agenda aan de raad is ingediend wordt het initiatiefvoorstel op de agenda van die raad geplaatst en inhoudelijk besproken. De indiener van het initiatiefvoorstel kan aan de Agendacommissie voorafgaand aan de raad waarin het initiatiefvoorstel wordt behandeld een voorstel voor afhandeling indienen. Als de raad andere voorwaarden voor het indienen van een initiatiefvoorstel, niet zijnde een verordening, wenselijk acht, kunnen deze op basis van het vijfde lid worden vastgesteld. Hierbij kan gedacht worden aan strijd met het algemeen belang, het belang van de gemeente of het gemeentelijk beleid. De raad bepaalt of een voorstel in strijd is met de wet (bijvoorbeeld de Wet op de ruimtelijke ordening), het algemeen belang (bijvoorbeeld de volksgezondheid), het belang van de gemeente (bijvoorbeeld het terugtrekken uit een publiek-private samenwerking die gericht is op het renoveren van achtergestelde woonwijken) of het gemeentelijk beleid (het bouwen van een parkeergarage in het centrum als enkele maanden geleden de binnenstad autoluw is gemaakt). Het kamerlid Kalsbeek heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties vragen gesteld over het initiatiefrecht. De minister heeft aangegeven: "Het recht op initiatief houdt niet in dat individuele raadsleden en raadsminderheden het recht moeten hebben om onderwerpen op de agenda van de raad te plaatsen maar het houdt in dat zij in beginsel invloed moeten kunnen hebben op de agenda. Het is immers aan de raad om, aan het begin van de raadsvergadering, met meerderheid van stemmen, de agenda vast te stellen. Het is dan ook de raad die beslist welke onderwerpen worden behandeld. Zou elk individueel raadslid het recht toekomen om agendapunten voor de vergadering aan te dragen dan zou het effectief functioneren van de raad in gevaar kunnen komen. Een raadsminderheid die bij herhaling onderwerpen op de agenda plaatst, waarover de raadmeerderheid niet wenst te beraadslagen, kan de besluitvorming van de raad ernstig belemmeren". Het zevende lid is toegevoegd omdat de gedualiseerde Gemeentewet de mogelijkheid geeft een wethouder na een motie van wantrouwen te ontslaan (artikel 49 Gemeentewet). Zonder de bepaling in het zesde lid is deze ontslagmogelijkheid niet mogelijk door de procedure regels van het reglement van orde. Artikel 38 Collegevoorstel Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel kan agenderen, dat het college heeft voorbereid. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door haar voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is. De raad moet hier toestemming voor geven. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan de Agendacommissie overlaten. Artikel 39 Interpellatie Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig. De interpellatie komt op de lijst van ingekomen stukken. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine
te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Wel is hier gekozen voor een ondersteuning door de raad bij gewone meerderheid. Toenmalig minister Pechtold heeft in een brief van 16 december 2005 aan de GroenLinks fractie in Schoonhoven aangegeven dat de raad de ruimte heeft om eigen beleid te ontwikkelen, waardoor de raad dus de vrijheid heeft om te bepalen dat een raadsmeerderheid nodig is om een interpellatiedebat te houden. De minister juicht dit echter niet toe. Voor de democratie lijkt het hem goed om de regels van de Tweede Kamer te volgen. Dit houdt in dat de toestemming van een betekenende minderheid (ondersteuning door 30 van de 150 leden) volstaat. In een gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad. Toch is het van belang dat zij bij een instrument als de interpellatie ook op de hoogte worden gesteld van de inhoud van het verzoek. Door de toevoeging in het tweede lid wordt hiervoor gezorgd. De toelichting bij het artikel over het initiatiefvoorstel van de stuurgroep Leemhuis en de (verplichte) aanwezigheid van collegeleden is ook op dit artikel van toepassing. Artikel 40 Vragenhalfuur Deze bepaling vormt een invulling op het voorgesteld artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht. Het is een facultatieve bepaling. Het is aan de raad om te bepalen of de instelling van een vragenuur en daarmee het opnemen van een dergelijke bepaling in het reglement van orde wenselijk is. Wel kan het vragenuur bijdragen aan een vergroting van de betrokkenheid van burgers bij het bestuur: één van de doelstellingen van dualisering. Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenhalfuur. Veelal fungeert de rondvraag in de raadsvergadering als een mogelijkheid tot het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het echter niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen te stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In het vragenhalfuur krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen. Het karakter van het vragenhalfuur verschilt dan ook van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt. Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur. Het is voor de herkenbaarheid voor de burgers raadzaam om het vragenhalfuur op een vast tijdstip te houden. In Oss wordt aan het begin van een reguliere raadsvergadering een vragenhalfuur gehouden indien vragen tijdig zijn ingediend. De vragen moeten op zijn laatst om 12:00 uur op de dag van de vergadering bij de raadsgriffier worden ingediend. De voorzitter kan voorstellen een onderwerp tijdens het vragenhalfuur niet aan de orde te stellen indien hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven of indien het onderwerp in de raadsvergadering diezelfde dag aan de orde komt. In het tweede lid is een aanmeldingstermijn voor het indienen van vragen opgenomen vanwege het feit dat wethouders moeten worden uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragen van raadsleden. Vanwege het minder zware karakter van het vragenhalfuur vergeleken met de interpellatie is gekozen voor een korte aanmeldingstermijn (terwijl voor de interpellatie 48 uur geldt). Het vragenhalfuur moet geen debat tussen raadsleden worden maar dient uitsluitend voor vraag en antwoord. In principe is er gedurende een half uur de gelegenheid tot het stellen van vragen. De voorzitter kan hier van afwijken. De bedoeling is dat alle tijdig aangekondigde vragen kunnen worden gesteld en worden beantwoord. Artikel 41 Schriftelijke vragen Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. De verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester direct kan antwoorden op een vraag. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad anders kan beslissen. In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is, dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen. Ingekomen stukken worden alleen procedureel beantwoord. Omtrent artikel 41 vragen kunnen wel nadere inlichtingen worden gevraagd. Zie ook artikel 21 over ingekomen stukken. Artikel 42 Inlichtingen In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. Naast een ingewikkelde inrichting van de bestuursbevoegdheden bevat de Gemeentewet ook behoorlijk aangescherpte regels over de inlichtingenplicht van het college ten opzichte van de raad. Deze regels beogen de politieke verantwoordelijkheid van het college te activeren en de eindverantwoordelijkheid van de raad te bevestigen. Daar is in de eerste plaats de passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet. Dat is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee is een waarborg in het leven geroepen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Wel kan de raad via het reglement van orde op grond van doelmatigheidsoverwegingen een zekere ordening aanbrengen in de wijze waarop het inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde. De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is wettelijk objectief (‘is’) en algemeen omschreven. De wetgever beoogde daarmee dat een beroep daarop in de praktijk als een hoge uitzondering op de algemene regel zou moeten worden gebruikt. In de praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als raad en college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. Vervolgens kent de gedualiseerde Gemeentewet thans een algemene actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Blijkbaar moet het college permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht en bovendien zijn we dan weer terug in de cultuur van meeregeren uit het monistische tijdperk. Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot in een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid, verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Overigens kent ook deze actieve informatieplicht de nodige vaagheid. Wat is ingrijpend? Het antwoord op deze vraag moet volgens de wetgever worden gevonden in de plaatselijke omstandigheden. Waarschijnlijk heeft de wetgever het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. Blijkbaar moeten raad en college hier zelf een modus voor vinden. Een andere vraag is nog of ook deze inlichtingenplicht wordt beperkt door de weigeringsgrond van het openbaar belang als bedoeld in het derde lid van de artikelen 169 en 180 van de Gemeentewet. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord op basis van ongeschreven gemeenterecht. Het verstrekken van inlichtingen kan overigens niet via de rechter worden afgedwongen. Hoofdstuk 5 Begroting en rekening Artikel 43 Procedure begroting en artikel 44 Procedure jaarrekening In deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en jaarrekening vastgelegd. De desbetreffende procedure kan jaarlijks of in zijn algemeenheid voor een langere periode worden bepaald. In de financiële verordeningen en controleverordeningen van de gemeente Oss (artikel 212, 213, 213a Gemeentewet) wordt de inhoudelijke kant uitgewerkt. Hoofdstuk 6 Lidmaatschap van andere organisaties Artikel 45 Verslag en verantwoording Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder of de gemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling, verrichten aldaar hun taak zowel als leden van dat bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de wijze, waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling functioneren, zijn zij verantwoording verschuldigd aan de raad, die hen heeft aangewezen. Ook de gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten. In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge verslaglegging (uiteraard kan ook een ander moment worden gekozen) en wordt aangegeven dat bespreking in een raadscommi
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.