← Nederland

Brandbeveiligingsverordening (Capelle aan den IJssel)

De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 6 april 1993; gelet op artikel 12 van de Brandweerwet 1985 (Stb. 1985, 87); besluit : vast te stellen de volgende verordening BRANDBEVEILIGINGSVERORDENING HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.1Begripsomschrijving Onder inrichting wordt verstaan een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde plaats. Artikel1.2Werkingssfeer Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken, als bedoeld in de Woningwet en de Bouwverordening. HOOFDSTUK II BRANDVEILIG GEBRUIK Paragraaf 1 Vergunning Artikel2.1.1Vergunning gebruik inrichting 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een inrichting in gebruik te hebben of te houden, waarin: meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn; bedrijfsmatig de in artikel 2.2.2 bedoelde stoffen zullen worden opgeslagen; aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft; aan personen in het kader van de Wet op de bejaardenoorden huisvesting zal worden verschaft; aan meer dan tien personen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan tien lichamelijk en/of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal worden verschaft. Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand. 3.Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning nieuwe voorschriften verbinden en gestelde voorschriften wijzigen of intrekken. Artikel2.1.2Weigeren vergunning Een vergunning moet worden geweigerd indien de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik te zijn en door het stellen van voorschriften geen voldoende brandveilig gebruik kan worden bereikt. Artikel2.1.3Intrekken vergunning 1.Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken indien: blijkt dat zij de vergunning tengevolge van onjuiste of onvolledige gegevens hebben verleend; blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een voorschrift van de vergunning; van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning, dan wel de datum of periode waarop of waarin een activiteit is voorzien waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat bedoelde activiteit heeft plaatsgevonden; van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt; het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorschriften dat belang voldoende te beschermen. Artikel2.1.4Verplicht aanwezige bescheiden In de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden waarop de vergunning betrekking heeft moet de vergunning aanwezig zijn en moet op verzoek van degene die belast is met de zorg voor de naleving van deze verordening ter inzage worden gegeven. Paragraaf 2 Voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar Artikel2.2.1Gebruikseisen voor inrichtingen 1.Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik te zijn. 2.Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de gebruikseisen, zoals die per onderwerp vermeld staan in de van overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij de Bouwverordening, 3.Onverminderd het gestelde in het tweede lid, is het verboden een inrichting niet zijnde een woonschip, uitgezonderd een woonschip waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners in combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en begeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de gebruikseisen, zoals die per onderwerp vermeld staan in de van overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 4 bij de Bouwverordening. 4.Burgemeester en wethouders kunnen het 5e en 6e lid van artikel 3 van bijlage 3 bij de Bouwverordening buiten toepassing verklaren. Artikel2.2.2Verbod stoffen aanwezig te hebben 1.Het is verboden stoffen, als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104) in, op of nabij een inrichting aanwezig te hebben. Het in het Ie lid gestelde verbod geldt niet voor: het voorhanden hebben voor huishoudelijke en al het andere niet- bedrijfsmatige gebruik van de in het Ie lid bedoelde stoffen, indien dit de in bijlage 5 bij de Bouwverordening aangegeven maximum hoeveelheden nïèT overschrijdt; het voorhanden hebben van de in het Ie lid bedoelde stoffen in een inrichting waarvoor een vergunning overeenkomstig artikel 2.1.1 is verleend; de brandstof in het reservoir bij een verbrandingsmotor; de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmte- ontwikkelend toestel. Bij het bepalen van de hoeveelheden, als bedoeld in het 2e lid, onder a, worden de inhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof, als bedoeld in dat lid, volledig meegerekend. Artikel2.2.3Opslag en verwerking stoffen Stoffen, als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid, moeten worden opgeslagen volgens de in bijlage 6 bij de Bouwverordening aangegeven wijze. Paragraaf 3 Bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand Artikel2.3.1Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen De rechthebbende op een inrichting, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt. Artikel2.3.2Gebruik middelen en voorzieningen Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen of te hebben dat daardoor het onmiddellijke gebruik of de zichtbaarheid wordt belemmerd van: middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en bestrijding van brand; middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen en dieren bij brand. Artikel2.3.3Verrichten van werkzaamheden Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-, herstellings-, wijzigings-of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen, als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid, of gereedschappen worden gebruikt, waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand, moeten voldoende maatregelen zijn„getroffen tegen het ontstaan van brand. Artikel2.3.4Verbod open vuur en roken Het is verboden te roken of vuur te hebben: in een ruimte in gebruik als opslagplaats van één of meer van de stoffen, als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid; bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken; bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar gas? Van het verbod gesteld in het Ie lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen. Artikel2.3.5Verbod vuur te stoken Het is verboden in de openlucht vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het Ie lid gestelde verbod, De ontheffing, als bedoeld in het 2e lid, kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde en veiligheid; ter bescherming van de woon- en leefomgeving; ter bescherming van de flora en de fauna; ter voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu door ook, roet, stof, walm of stank* Het in het Ie lid gestelde verbod geldt niet voor zover: op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften of artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn (is), of het betreft verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke of het betreft vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar oplevert voor de omgeving. Artikel2.3.6Verboden handelingen met stoffen 1.Het is verboden een brandbaar gas of gasmengsels uit een vat te doen overstromen in een ander vat dat niet bestemd of ingericht is om dat gas of gasmengsel te bevatten. Het is verboden gassen of gasmengsels in drukvaten of in leidingen te verwarmen. Het is verboden een brandbaar gas te bezigen voor het vullen van speelgoed, hobby- en sportartikelen, anders dan luchtvaartuigen, als bedoeld in het Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen luchtvaartterreinen (Stb. 1988, 511). 4.Het is verboden een brandbare vloeistof, een brandbaar gas of gasmengsel of een brandbare damp te laten wegstromen op zodanige wijze dat daardoor brand kan ontstaan. 5.Het is verboden gloeiende vaste stoffen op te slaan, te vervoeren of weg te gooien op zodanige wijze dat daardoor brand ontstaat. Artikel2.3.7Melden van brand en broei Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit onmiddellijk aan de brandweer te melden. Artikel2.3.8Bossen, heidevelden, venen 1.De eigenaar van een naaldhoutbos, een heideveld, een veen of een ander terrein, dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht - na een van burgemeester en wethouders ontvangen aangetekende brief - de voorschriften op te volgen, die burgemeester en wethouders in die brief geven tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand. 2.Onder een in het eerste lid genoemd naaldhoutbos wordt verstaan elke aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand, die voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout. HOOFDSTUK III STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel3.1Toezicht op de naleving Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren. Artikel3.2Strafbepaling Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van de 3e categorie, met uitzondering van het bepaalde in artikel 2.3,5, waarvan overtreding gestraft wordt met hechtenis van ten hoogste 2 maanden of geldboete van de 2e categorie. Artikel3.3Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning 1.Een aanvraag om een gebruiksvergunning, als bedoeld in artikel 26 van de Brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit van 10 december 1990, alsmede enig beroep, ingesteld tegen een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag, wordt afgedaan op grond van die verordening. 2.Een gebruiksvergunning, als bedoeld in artikel 26 van de Brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit van 10 december 1990, geldt als gebruiksvergunning, als bedoeld in artikel 2.1.1, voor zover deze niet krachtens overgangsrecht van de Bouwverordening geldt als gebruiksvergunning, als bedoeld in artikel 6.1.1 van die verordening. Artikel3.4Slotbepaling 1.Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgende op die waarop zij is afgekondigd. 2.Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit van 10 december 1990. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad der gemeente Capelle aan den IJssel, gehouden op 7 juni 1993, de griffier, de voorzitter,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.