Huisvestingsverordening gemeente Hendrik-Ido-Ambacht 2019De RAAD van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht; Gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 14 mei 2019, kenmerk 2293143; gelet op paragraaf 3 en artikel 12 van de Huisvestingswet 2014; BESLUIT: vast te stellen de navolgende Huisvestingsverordening gemeente Hendrik-Ido-Ambacht 2019. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: DG&J: Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland Zuid; huisvestingsprofiel: de omschrijving van het type huisvesting waarvoor een woningzoekende met een voorrangsverklaring in aanmerking komt; inkomen: het rekeninkomen zoals bedoeld in Artikel 1, onder i van de Wet op de huurtoeslag; lijst van opvang- en begeleidingsinstellingen: door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde lijst van opvang- en begeleidingsinstellingen waarvan de cliënten op basis van art. 2.11 in aanmerking kunnen komen voor voorrang; onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, die geen eigen toegang heeft en die niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte; PUV (Platform Uitvoering Voorrangsregeling): overlegorgaan voor toedeling van voorrangskandidaten aan woningcorporaties. In het PUV zijn vertegenwoordigd: de woningcorporaties, de ambtenaar die door het college van burgemeester en wethouders is gemandateerd te beslissen op aanvragen voor voorrang, de Dienst Gezondheid & Jeugd Zuid-Holland zuid / Specialistisch Team Wonen (DG&J Specialistisch Team Wonen) en de Sociale Dienst Drechtsteden; regio: gebied bestaande uit het grondgebied van de gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht; voorrangsverklaring: verklaring op grond waarvan een woningzoekende met een ernstig huisvestingsprobleem met voorrang in aanmerking kan komen voor de toewijzing van een woonruimte; woningcorporatie: een toegelaten instelling, als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet, die sociale huurwoningen exploiteert; woonruimte: het daaromtrent in artikel 1, lid 1, sub j van de Huisvestingswet bepaalde; Hoofdstuk2Verdeling van woonruimte Paragraaf2.1Voorrangsregeling bij woningtoewijzing Artikel2.1.1Toegang tot de voorrangsregeling Toegang tot de voorrangsregeling hebben de woningzoekenden, die op grond van de normen als geformuleerd in de Wet op de huurtoeslag wat het inkomen en het vermogen betreft, horen tot de doelgroep van het volkshuisvestingsbeleid en een maatschappelijke binding hebben met de regio in de zin dat zij op het moment van de aanvraag blijkens de Gemeentelijke Basisadministratie minstens twee jaar onafgebroken ingezetene is van de regio, dan wel daar gedurende de voorafgaande tien jaar minstens zes jaar onafgebroken ingezetene van zijn geweest. In afwijking van het bepaalde in lid 1, hebben geen toegang tot de voorrangsregeling woningzoekenden, die inwonend zijn en bewoners van onzelfstandige woonruimte, anders dan in een opvang- en begeleidingsinstelling in de regio. Het college van burgemeester en wethouders kan in afwijking van het bepaalde in lid 1 en 2, na voorafgaande afstemming met het Drechtstedenbestuur andere normen stellen wat het inkomen en het vermogen betreft indien de situatie op de woningmarkt in de regio Drechtsteden daar aanleiding voor geeft Het college van burgemeester en wethouders kan vrijstelling verlenen van het in lid 1 genoemde vereiste van maatschappelijke binding met de regio. Artikel2.1.2Voorrangsverklaring Het college van burgemeester en wethouders kan een voorrangsverklaring verlenen op grond waarvan een woningzoekende met een ernstig huisvestingsprobleem met voorrang in aanmerking komt voor de toewijzing van een woonruimte. Tot de in lid 1 genoemde woningzoekende die in aanmerking komt voor een voorrangsverklaring behoort de woningzoekende die zijn woning in de regio heeft enzal moeten verlaten in verband met: een medische indicatie; een mantelzorg indicatie; een sociale indicatie; een calamiteit; een herstructureringsplan; een sloopindicatie. Tot de in lid 1 genoemde woningzoekende die in aanmerking komt voor een voorrangsverklaring behoort tevens de woningzoekende die: een opvanginstelling moet verlaten; vergunninghouder is; mantelzorg gaat verlenen; een zeer schaarse woning achterlaat. Artikel2.1.3Aanvragen van een voorrangsverklaring Een aanvraag voor een voorrangsverklaring wordt ingediend bij het college van burgemeester en wethouders, via een daartoe door het college beschikbaar te stellen aanvraagformulier. De woningzoekende die een voorrangsverklaring aanvraagt, is verplicht het door het college van burgemeester en wethouders beschikbaar gestelde aanvraagformulier volledig in te vullen en alle daarin gevraagde bewijsstukken te overleggen. Artikel2.1.4Beoordeling van aanvraag voorrangsverklaring Bij de beoordeling van de aanvraag voor een voorrangsverklaring kan het college van burgemeester en wethouders zich laten adviseren door een door het college aan te wijzen instantie. Artikel2.1.5Weigeringsgronden van aanvraag voorrangsverklaring De aanvraag om een voorrangsverklaring wordt geweigerd in de volgende gevallen: De woningzoekende heeft op grond van artikel 2.1.2 van de verordening geen toegang tot de voorrangsregeling; De aanleiding om voorrang bij de woningtoewijzing te vragen, is door eigen handelen veroorzaakt en was voorzienbaar. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt in situaties waarin sprake is van een verstandelijke stoornis of beperking; De woningzoekende moet in staat worden geacht om het huisvestingsprobleem zelf op te lossen; De aanvrager moet op grond van zijn/haar aantal woonduurpunten in staat worden geacht om zonder voorrang binnen een redelijke termijn aan geschikte woonruimte te komen. Dit is het geval als het aantal van zijn/haar woonduurpunten gelijk of groter is dan het gemiddeld aantal punten dat vereist is om voor het meergezinswoning (MGW) zonder lift in aanmerking te komen; De aanvrager heeft in de periode van 3 jaar voorafgaand aan de aanvraag, om dezelfde reden, al een aanvraag ingediend. Artikel2.1.6Eigen initiatieven Een woningzoekende kan pas een beroep doen op de voorrangsregeling nadat hij, zodra het huisvestingsprobleem zich openbaarde, aantoonbaar zelf al het mogelijke heeft gedaan om daar een oplossing voor te vinden. De aanvrager dient daarvoor: aan te tonen dat hij gedurende acht achtereenvolgende weken zonder resultaat heeft meegedongen naar iedere woning die via de woonruimteverdelingssystemen in de regio Drechtsteden is aangeboden, voor zover die woning een bij zijn omstandigheden passende oplossing kon bieden of zou kunnen bieden voor zijn huisvestingsprobleem, of aantonen dat er gedurende acht achtereenvolgende weken geen bij zijn omstandigheden passend woningaanbod is geweest. Afwijking van het bepaalde in het vorige lid is mogelijk, indien de aanvrager aantoonbaar bij voorbaat geen kans heeft op de toewijzing van een woning binnen de aangegeven termijn. Artikel2.1.7Huisvestingsprofiel Het huisvestingsprofiel genoemd in artikel 2.1.18. onder d. van de verordening omvat in beginsel geen eengezinswoning maar een meergezinswoning. Indien op basis van de situatie van de woningzoekende in het woningprofiel bepaalde kenmerken zijn vermeld, kan de woningzoekende hieraan rechten ontlenen. Artikel2.1.8Voorrangsgronden: Medische indicatie De aanvrager, of een lid van zijn huishouden, komt op medische indicatie in aanmerking voor een voorrangsverklaring, indien hij een lichamelijk of medisch probleem heeft waardoor de huidige zelfstandige woning niet langer geschikt is. Een aanvraag om voorrang bij de woningtoewijzing van medische aard wordt voor gemotiveerd besluit voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders. Het college van burgemeester en wethouders kan zich op medisch terrein laten adviseren door het aangewezen medische adviesbureau of door de DG&J. De aanvrager komt niet in aanmerking voor een voorrangsregeling op medische indicatie, indien hij op het moment van het betrekken van de huidige woning al een medisch probleem had als genoemd in lid 1. Artikel2.1.9Voorrangsgronden: Mantelzorg indicatie De aanvrager, of een lid van zijn huishouden, komt op mantelzorg indicatie in aanmerking voor een voorrangsverklaring, indien: hij aannemelijk maakt dat hij in de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht zorg gaat verlenen of ontvangen gedurende meer dan 8 uur per week aan/van een naaste, en de reistijd in verband met de te verlenen mantelzorg meer dan 2 uur per dag is. Een aanvraag om voorrang in verband met het verlenen van mantelzorg wordt voor een gemotiveerd besluit voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders. Het college van burgemeester en wethouders kan zich op medisch terrein laten adviseren door het aangewezen medisch adviesbureau of door de DG&J. Artikel2.1.10Voorrangsgronden: Sociale indicatie De aanvrager, of een lid van zijn huishouden, komt op sociale indicatie in aanmerking voor een voorrangsverklaring, indien hij een probleem heeft van sociale en/of maatschappelijke aard dat past binnen de criteria genoemd in lid 4 onder a, b of c van dit artikel en waardoor de huidige zelfstandige woning niet langer geschikt is. Een aanvraag om voorrang bij de woningtoewijzing van sociale en/of maatschappelijke aard wordt voor een gemotiveerd besluit voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders. Het college van burgemeester en wethouders kan zich laten adviseren door de DG&J. De aanvrager komt niet in aanmerking voor een voorrangsverklaring op sociale indicatie, indien hij op het moment van het betrekken van de huidige woning al een sociaal en/of maatschappelijk probleem had als genoemd in lid 1 van dit artikel. Voorrangscriterium Omschrijving a. leefbaarheid aanvrager ondervindt ernstige, structurele problemen van sociale/maatschappelijke aard in de directe woonomgeving b. financiële nood door een onvoorziene, niet verwijtbare daling van het inkomen dakloos dreigt te worden c. einde duurzame relatie het beëindigen van een relatie, waarbij de partners met kinderen duurzaam hebben samengewoond is geen reden voor een voorrangsverklaring, behalve als er minderjarige kinderen bij betrokken zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het niet aanvaardbaar dat minderjarige kinderen dakloos worden als ouders uit elkaar gaan. Van duurzame samenwoning is sprake als de partners minstens twee jaar onafgebroken hebben samengewoond, blijkend uit de inschrijving in de Basisregistratie Personen. Slechts één van de ouders kan aanspraak maken op een voorrangsverklaring onder de volgende voorwaarden: er moet sprake zijn van dagelijkse zorg door de aanvrager (dus geen bezoekregeling of gedeelde zorg) de aanvrager moet de kinderbijslag van de SVB ontvangen op de eigen bankrekening; de aanvrager moet aantoonbaar gedwongen zijn de gezamenlijke woning te verlaten. Bij co-ouderschap en gedeelde zorg wordt geen voorrang toegekend als de andere co-ouder (dan de aanvrager) over woonruimte blijft beschikken. Het bepaalde onder artikel 2.1.5 en 2.1.6 is hierbij onverkort van toepassing. Artikel2.1.11Voorrangsgronden: Dakloos buiten schuld door calamiteiten Indien de woning als gevolg van een calamiteit onbewoonbaar is geworden, ontstaat er een directe noodzaak tot herhuisvesting van de dakloos geworden bewoner(s). Onder calamiteit wordt in dit geval verstaan ‘een van binnen of van buiten komend onheil, dat onvoorzienbaar is en niet door verwijtbaar handelen van de bewoner(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.