← Nederland

Verordening bedrijveninvesteringszone Westvlietweg Den Haag 2020 ('s-Gravenhage)

Verordening bedrijveninvesteringszone Westvlietweg Den Haag 2020De raad van de gemeente Den Haag, gezien het voorstel van het college van 4 juni 2019, gelet op de Wet op de bedrijveninvesteringszones en de tussen de gemeente Den Haag en de BIZ-stichting Westvlietweg gesloten Uitvoeringsovereenkomst; besluit vast te stellen de Verordening bedrijveninvesteringszone Westvlietweg Den Haag 2020: Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: bedrijveninvesteringszone Westvlietweg: het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. Het gebied omvat de volgende straten of delen van straten: Westvlietweg 74 tot en met 110 (even en oneven nummers), Winkelhaak (gehele straat), Waterpas (gehele straat), Schietlood (gehele straat), Prisma (gehele straat) en Schuifmaat (gehele straat); college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag; perceptiekosten: de kosten die de gemeente moet maken voor de heffing en inning van de BIZ-bijdrage; uitvoeringsovereenkomst: de tussen de gemeente Den Haag en de stichting BIZ Westvlietweg gesloten overeenkomst als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet; stichting: de stichting BIZ Westvlietweg; wet: de Wet op de bedrijveninvesteringszones. HoofdstukII Belastingbepalingen Artikel2Aard van de belasting Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone. Artikel3Belastbaar feit en belastingplicht

  1. De BIZ-bijdrage wordt gedurende een periode van 5 jaren jaarlijks geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en niet in gebruik zijnde als: trafo en windturbine.
  2. De BIZ-bijdrage wordt geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken.
  3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt: gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
  4. Indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik is, wordt de BIZ- bijdrage geheven van degene die van die zaak het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel4Belastingobject
  5. Als een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dient.
  6. Een onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
  7. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden twee of meerdere onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en die kenbaar naar buiten als één geheel door dezelfde gebruiker worden gebruikt, als één onroerende zaak aangemerkt. Artikel5Maatstaf van heffing
  8. De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde voor het belastingjaar 2019 (waardepeildatum 1 januari 2018).
  9. De heffingsmaatstaf als bedoeld in het eerste lid geldt voor de gehele in artikel 3, eerste lid genoemde periode.
  10. Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken, met dien verstande dat de waardepeildatum 1 januari 2018 is. Artikel6Belastingtarief De BIZ-bijdrage bedraagt bij een WOZ-waarde van: a. € 0 tot en met € 100.000 € 120 b. € 100.001 tot en met € 300.000 € 240 c. € 300.001 en hoger € 360 Artikel7Wijze van heffing De BIZ-bijdrage wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel8Termijnen van betaling
  11. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 worden de aanslagen betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
  12. In afwijking van het eerste lid geldt zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in twaalf gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
  13. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. Artikel9Nadere regels door het college Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de BIZ-bijdrage. HoofdstukIII Subsidiebepalingen Artikel10Algemeen
  14. De stichting BIZ Westvlietweg wordt aangewezen als de vereniging als bedoeld in artikel 7 van de wet.
  15. Op de subsidie op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening Den Haag 2014 niet van toepassing. Artikel11Subsidieverlening
  16. Het college verleent jaarlijks aan de stichting subsidie voor de uitvoering van de activiteiten, die zijn opgenomen in de met deze stichting gesloten uitvoeringsovereenkomst. De subsidie wordt verleend op een daartoe gedane aanvraag, die vergezeld moet gaan van een jaarplan.
  17. De subsidie bedraagt maximaal het bedrag van de jaarlijks te ontvangen BIZ-bijdragen, verminderd met de daarmee samenhangende perceptiekosten. Deze perceptiekosten bedragen 2,1% van de (begrote) opbrengst.
  18. Het college is bevoegd de subsidieverlening in te trekken of ten nadele van de stichting te wijzigen, voor zover het verleende subsidiebedrag met de opbrengst van de BIZ-bijdragen, bedoeld in artikel 3, eerste lid niet kan worden gedekt. Artikel12Voorschot Het college verleent de stichting jaarlijks een voorschot op de subsidie van 90% van het voor dat jaar te verlenen subsidiebedrag. Artikel13Vaststelling
  19. De stichting is verplicht jaarlijks uiterlijk 12 weken na afloop van het hieraan voorafgaande subsidiejaar, een jaarverslag te overleggen.
  20. Het college stelt de subsidie jaarlijks vast, uiterlijk 12 weken na ontvangst van het jaarverslag. Artikel14Melding van relevante wijzigingen
  21. De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie.
  22. De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van een wijziging van de statuten, dan wel van een verandering of beëindiging van activiteiten. HoofdstukIV Slotbepalingen Artikel15Inwerkingtreding en citeertitel
  23. Deze verordening treedt in werking op een door het college te bepalen tijdstip, dat gelegen is op een datum nadat van voldoende steun, als bedoeld in artikel 4 van de wet, is gebleken.
  24. De datum van ingang van de heffing op grond van deze verordening is 1 januari
  25. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening bedrijveninvesteringszone Westvlietweg Den Haag
  26. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 13 juni
  27. De griffier, Lilianne Blankwaard-Rombouts en de voorzitter, Pauline Krikke

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.