Beleidsregels Sociaal Domeingemeente Oude IJsselstreek 2019Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Oude IJsselstreek; Overwegende dat het de bevoegdheid heeft om beleidsregels te stellen voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van de verordening Sociaal Domein nader te noemen de Verordening. Gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 de Jeugdwet en het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Besluit: Vast te stellen de navolgende: 1.Begrippenlijst In deze beleidsregels worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze beleidsregels zijn gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst? Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze beleidsregels zijn. Ook staan er voor de duidelijkheid enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze beleidsregels wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven. Andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan een maatwerkvoorziening. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een voorziening uit een andere regeling, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening zijn. Consulent: de medewerker in dienst bij de gemeente, die op grond van de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 bepaalt of en voor hoe lang een maatwerkvoorziening wordt ingezet. Fraude: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een maatwerkvoorziening is en om de duur van de maatwerkvoorziening vast te stellen. Als gevolg hiervan wordt een maatwerkvoorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt. Gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet wordt met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek. Gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het effect dat hij wil bereiken bespreekt. Hulp: maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015, jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft. Inwoner: de persoon die een direct belang heeft bij een besluit van de gemeente (artikel 1:2, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht). Als de inwoner een hulpvraag heeft die nog niet heeft geleid tot een verzoek om een besluit te nemen of tot feitelijk handelen door de gemeente, dan wordt met inwoner bedoeld: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen van de gemeente is ingeschreven. Jeugdhulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Jeugdige: de minderjarige. Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Maatwerkvoorziening: een op de inwoner afgestemde voorziening die door of namens de gemeente wordt verstrekt. Als het gaat om een voorziening in het kader van de Wmo 2015: een maatwerkvoorziening. Als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jeugdige of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet (individuele voorziening). Ondersteuningsplan: een plan van aanpak dat de gemeente opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner in het maatschappelijk leven ervaart, waarin de gewenste hulp wordt geïnventariseerd en de gemeente mogelijke oplossingen aandraagt. Er is opgenomen welke hulp kan worden ingezet, nadat de inwoner hiervoor de aanvraag indient. Persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn, inclusief de behoefte van de inwoner en de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging. Pgb: persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee iemand zelf hulp(middelen) kan in kopen. Pgb-plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de hulp die hij nodig heeft en die hij met het pgb wil inkopen. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd worden. Professional: iemand die beroepsmatig hulp verleent. Regiotaxi: Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV), is in Nederland vervoer van deur tot deur op afroep met een deeltaxi. Sociaal netwerk: huisgenoten of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (inclusief mantelzorgers). Voorziening: hulp in de vorm van een dienst, activiteit, product, pgb of geldbedrag. Wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet. Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. ZOOV: in de gemeente Oude IJsselstreek voert ZOOV de regiotaxi uit. 2.Inleiding Deze beleidsregels geven algemene regels over de volgende onderwerpen: • Gezond en veilig opgroeien; • Mogelijkheden om mee te kunnen doen aan het maatschappelijk leven; • Wonen in een veilige en gezonde omgeving. Artikel1.Waarom deze regels? De beleidsregels vullen de wettelijke regels en de regels uit de Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2019 en het Besluit Sociaal Domein 2019 aan. Het zijn algemene regels waarin bepaalde zaken uit de verordening en het besluit zijn uitgewerkt en die door de gemeente zijn vastgesteld. In onderstaande tabel is toegelicht welke type documenten er is, wat er in ieder document is geregeld en wie het document heeft vastgesteld. Document Wat Vaststelling Toelichting Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2019 Algemeen verbindende voorschriften die gemeente en inwoner binden. Gemeenteraad Het stellen van detailregels wordt vaak gedelegeerd aan het college. Besluit Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2019 Verlengstuk van de verordening: bevatten algemeen verbindende voorschriften. College Dit zijn de detailregels die gedelegeerd zijn door de gemeenteraad. Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2019 Algemene regels voor de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of uitleg van wettelijke voorschriften bij gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. Ze binden alleen het bestuursorgaan dat de regels zelf mag stellen. College Worden vastgesteld op basis van de eigen bevoegdheid van het college. Dit zijn geen gedelegeerde regels vanuit de gemeenteraad. Artikel2.Leidende principes en kernwaarden In hoofdstuk 2 van de Verordening Sociaal Domein zijn de leidende principes opgenomen die invulling geven aan wat de gemeente van inwoners verwacht en wat inwoners van de gemeente mogen verwachten. De leidende principes geven de koers aan die de gemeente binnen het sociaal domein wil varen en zijn het eerste (afwegings)kader waarbinnen een hulpvraag beoordeelt wordt. 1. Zelf, met het eigen netwerk en dan buiten het eigen netwerk. Inwoners zijn verantwoordelijk voor hun eigen leven. Pas wanneer het niet meer zelf of in het eigen netwerk gaat, helpt de gemeente. 2. Voorkomen is beter dan genezen. Inwoners nemen steeds meer verantwoordelijkheid voor hun gedrag, hun vitaliteit en een gezonde leefstijl. Hiermee worden problemen voorkomen of juist snel opgemerkt en aangepakt. 3. Iedereen doet mee en draagt bij aan de inclusieve samenleving. Inwoners helpen elkaar actief en/of worden geholpen. Iedereen draagt naar zijn of haar vermogen bij aan een samenleving waar iedereen er toe doet, waardevol is en er bij hoort. 4. Uitgaan van wat kan of wat geleerd kan worden. De gemeente gaat uit van wat een inwoner (nog) kan en wat er terug te winnen of bij te leren valt. 5. Zo licht en kort mogelijk, zo zwaar en lang als noodzakelijk. De inzet van ondersteuning, hulp en zorg is zo kortdurend en eenvoudig mogelijk en als het kan groepsgewijs. Hierdoor blijft ondersteuning, hulp en zorg beschikbaar voor wie dat echt nodig heeft. 6. Processen zijn simpel, direct en in samenhang. De gemeente richt processen zo in dat de inwoner ondersteund wordt in het proces. Als een inwoner toestemming geeft, hoeft een inwoner vereiste informatie maar één keer te verstrekken aan de gemeente. 7. Professionals: ‘het resultaat telt’. De gemeente maakt met partners afspraken over welke doelen gehaald moeten worden. De inspanning die een partner daarvoor nodig heeft, is niet leidend. 8. Lokaal waar het kan, regionaal waar het beter is. De gemeente zorgt er voor dat ondersteuning, hulp en zorg dichtbij en makkelijk bereikbaar is. Wanneer het voor een inwoner beter is, zorgt de gemeente voor een regionale (soms bovenregionale) oplossing. De leidende principes geven de richting van de gemeente aan. Hoofdstuk3.Criteria beoordeling hulpvraag Artikel3.Eigen verantwoordelijkheid De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet bieden uitsluitend mogelijkheden voor de inzet van maatwerkvoorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen of dat van zijn/haar ouders ligt het probleem op te lossen inclusief de inzet van andere voorliggende mogelijkheden. Tijdens het onderzoek (keukentafelgesprek) komt de eigen verantwoordelijkheid als een van de hoofdonderwerpen aan de orde. Voorbeeld 1. Huishoudelijke hulp Een oplossing van problemen kan al aanwezig zijn doordat deze feitelijk al jaren behoort tot iemands normale levenspatroon. Bij problemen met het schoonhouden van het huis zijn er mensen die gewend zijn daar iemand voor in te huren. In deze situatie hoeft feitelijk niets te veranderen wanneer men ouder wordt of door een ongeval beperkingen krijgt. Door voort te zetten wat men al had georganiseerd, ontstaat er geen probleem dat om een oplossing vraagt. Het wordt anders wanneer door het ontstaan van de beperking het inkomen daalt. Het kan dan zijn dat iemand de eerder ingehuurde schoonmaakhulp niet meer kan betalen. Dit kan aanleiding zijn om wel ondersteuning te bieden vanuit de gemeente. Uiteraard moet er dan zorgvuldig onderzoek verricht moeten worden, met name naar de eerdere situatie, zowel wat betreft hulp als wat betreft inkomen, en de veranderde situatie. Het kan ook zijn dat er (veel) meer hulp in de huishouding nodig is. Dan zou het kunnen zijn dat er wel sprake is van meerkosten en dat er daardoor gecompenseerd moet worden. Eigen verantwoordelijkheid betekent daarnaast bijvoorbeeld ook de aanschaf en het gebruik van zoveel mogelijk strijkvrije kleding om onnodig beroep op ondersteuning te voorkomen Zie o.a. Rechtbank Oost-Brabant 26-02-2014 en Centrale Raad van Beroep (CRvB) 11-11-2015. In het onderzoek kunnen ook samen met de inwoner nieuwe technische mogelijkheden worden verkend: slimme wasmachines, drogers of een robotstofzuiger kunnen voor extra ontlasting zorgen. Voorbeeld 2. Vervoer met auto Veel mensen zijn gewend om bijna hun hele leven gebruik te maken van een auto. Als zij een beperking krijgen, door leeftijd of door een ongeval, hoeft er in feite niets te veranderen, als zij met diezelfde auto in staat blijven hun verplaatsingen te maken. Er hoeft dan niet gecompenseerd te worden. Dat zou anders kunnen zijn als zij door hun beperking veel meer verplaatsingen moeten gaan maken, of als de auto voor hun handicap aangepast zou moeten worden. In het eerste geval kan onderzoek verricht worden naar de aard van de extra ritten en de kosten daarvan, in relatie tot het eerdere verplaatsingspatroon zou een maatwerkvoorziening mogelijk zijn als er blijkt dat er sprake is van extra kosten. In het tweede geval, waarin sprake is van noodzakelijke autoaanpassingen, zijn er extra kosten ten gevolge van de beperking: zonder beperking waren de autoaanpassingen namelijk niet nodig geweest. In deze situatie wordt in eerste instantie gekeken of collectief vervoer (ZOOV) een adequate oplossing biedt. Collectief vervoer is in deze situatie voorliggend. Het is in deze situatie de goedkoopste oplossing. Voorbeeld 3. Woningaanpassing Ook bij woonvoorzieningen speelt de eigen verantwoordelijkheid een grote rol. Als iemand 65 is en zijn badkamer gaat renoveren mag de gemeente veronderstellen dat hij - ook al zijn er nog geen beperkingen - rekening houdt met het gegeven dat hij/zij een dagje ouder wordt. Dat betekent dat de persoon in kwestie aan een douche moet denken in plaats van uitsluitend een bad. Daar spelen allerlei individuele factoren natuurlijk in mee, zoals: is er plaats voor? Er speelt ook nog iets anders mee: van mensen wordt verwacht dat ze anticiperen op mogelijk toekomstige problemen. De gemeente is zich ervan bewust dat daarover ook voorlichting nodig is, om duidelijk te maken waar verwachtingen mogen beginnen maar ook kunnen ophouden wat betreft de inzet van de gemeente in het geschikt maken van woningen. Artikel4.Gebruikelijke hulp Onder gebruikelijke hulp wordt (zie artikel 1.1.1. van de Wmo 2015) verstaan: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Het gaat hierbij dus om huisgenoten, personen die met de inwoner één woning delen en daardoor bepaalde momenten gezamenlijk met de inwoner aanwezig zijn. De vraag is hoe vaak dat voorkomt en of het mogelijk is op die momenten de hulp die nodig is te krijgen van de aanwezige huisgenoot of huisgenoten. Hierbij houden we ook rekening met taken die de mogelijkheid hebben om uitgesteld te worden tot een moment waarop de huisgenoot wel aanwezig is (bijvoorbeeld wekelijkse boodschappen). Dit kan concreet worden geïnventariseerd. Wanneer er voldoende gebruikelijke hulp aanwezig is, hoeft de gemeente geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Gebruikelijke begeleiding Gebruikelijke begeleiding valt in beginsel onder gebruikelijke hulp. Onder gebruikelijke begeleiding valt: • Het geven van ondersteuning op het terrein van de maatschappelijke participatie, zoals samen boodschappen doen, samen reizen of verplaatsen buitenhuis; • Het geven van ondersteuning binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals familiebezoek en huisarts; • Het bieden van hulp of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie; • Het leren omgaan van derden (familie en vrienden) met de inwoner. Het gaat bij deze dagelijkse activiteiten niet om directe zorg aan het lichaam, zodat argumenten als schaamte die daarbij kunnen spelen in het algemeen geen rol spelen. Behalve wellicht bij zelfzorg, afhankelijk van de situatie. Er mag in principe van uitgegaan worden dat het gebruikelijk is dat huisgenoten en zeker echtgenoten elkaar helpen met de dagelijkse activiteiten. Met name als deze activiteiten kortdurende hulp vragen hoeft het geen probleem te zijn voor huisgenoten. Het kan niet zo zijn dat de huisgenoten daardoor volledig in hun eigen activiteiten worden belemmerd. Zo nodig zal beoordeeld moeten worden wat wel en wat niet in redelijkheid van huisgenoten gevraagd kan worden. Het is denkbaar dat huisgenoten weigeren of bepaalde vormen van gebruikelijke hulp niet willen leveren. Daarbij is relevant om welke reden zij weigeren deze hulp te bieden en zal hun motivering beoordeeld moeten worden. In deze situatie is het belangrijk om ook met de betrokken huisgenoot te spreken. Uitgangspunt blijft dat van huisgenoten verwacht mag worden dat zij hulp bieden bij dagelijkse activiteiten maar met goede redenen onderbouwd zou een uitzondering op de regel gemaakt kunnen worden. Hulp en ondersteuning bij kinderen Gebruikelijke hulp is een term uit de Wmo 2015 en wordt in deze beleidsregels gebruikt om de hulp en ondersteuning aan kinderen te duiden om zo te kunnen beoordelen of een maatwerkvoorziening ingezet kan worden. Dit is aan de orde wanneer hulp aan kinderen (zorg, verpleging en begeleiding) in vergelijking tot hulp aan kinderen van dezelfde leeftijdscategorie met een normaal ontwikkelingsprofiel substantieel groter is dan de gebruikelijke hulp en naar verwachting langer dan drie maanden nodig is. Voor het aanleren van verpleegkundige handelingen aan de ouder en/of mantelzorger kan een maatwerkvoorziening worden getroffen, mits daarbij sprake is van doelmatigheid. Als ouders gescheiden zijn, kan er een verdeling gemaakt worden als het gaat om het verblijf van de kinderen, maar er kan ook een verdeling van taken gemaakt worden (zoals het naar school brengen / ophalen van kinderen). Verder moet bedacht worden dat een echtscheiding de ouders niet ontslaat van de plicht om voor de kinderen te zorgen. Die gezamenlijke verantwoordelijkheid, of het ontbreken daarvan, kan in beginsel niet worden afgewenteld op de Jeugdwet. Ook het aantal kinderen is een verantwoordelijkheid van de ouders. Het hebben van “veel” kinderen en de zorg daarvoor hoort bij de verantwoordelijkheid van de ouders. De gebruikelijke hulp van een ouder aan een kind/jeugdige is met name afhankelijk van de leeftijd van het kind. Kinderen van 0 tot 3 • hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig; • ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig; • zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen. Kinderen van 3 tot 5 • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer); • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; • kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; • ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers; • hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; • hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; • zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven. Kinderen van 5 tot 12 • kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week; • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is); • hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging; • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; • zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; • hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan. Kinderen van 12 tot 18 jaar • hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; • kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; • kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden; • kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; • hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; • hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; • hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen). Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook hulp omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomt. Deze hulp vervangt dan een soortgelijke reguliere hulp. Gebruikelijke hulp voor het functioneren van het huishouden Partners, ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten dragen een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van het huishouden omdat zij als leefeenheid gemeenschappelijk een woning bewonen. De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden. Wanneer is er een gezamenlijke huishouding? Een belangrijk criterium om te bepalen of er sprake is van een gezamenlijke huishouding is dat de betrokkenen voor elkaar zorgdragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (bijvoorbeeld het zorgcriterium). De aanwezigheid van een contract of van bewijsstukken dat huur of kostgeld wordt betaald, is onvoldoende bewijs om te bestrijden dat de betrokkenen een gezamenlijke huishouding voeren. Bij (onder)huurders en kostgangers is sprake van een zuiver zakelijke relatie. Daarvan is geen sprake als er een mate van financiële verstrengeling aanwezig is die verder reikt dan de betaling van de huur of het kostgeld en een wederzijdse verzorging die niet beperkt blijft tot het onderhoud van de gehuurde kamer of de levering van de overeengekomen diensten, zoals de maaltijden of de bewassing. Zoals dat ook het geval is in andere situaties waarin de betrokkenen beweren niet elkaars partners te zijn, kan de gemeente een onderzoek instellen naar de feitelijke omstandigheden van de betrokkenen. Als daaruit blijkt dat de betrokkenen in werkelijkheid een gezamenlijke huishouding voeren, moet worden geconcludeerd dat de overgelegde stukken een onjuiste weergave zijn van de feitelijke situatie en dat er sprake is van gebruikelijke hulp. Beoordeling omvang gebruikelijke hulp Van gebruikelijke hulp is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Bij de beoordeling van de aanwezigheid van gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot conform het MO-protocol Huishoudelijke hulp, bijlage 1 bij de Verordening Sociaal Domein 2019: • Huisgenoten tot 5 jaar leveren geen bijdrage in het huishouden; • Huisgenoten van 5 tot 18 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij licht huishoudelijke taken ((bv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien); • Huisgenoten van 18 tot 23 jaar kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Dit wil zeggen schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en één kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren. Er wordt wel onderzoek gedaan naar de belastbaarheid van het kind: mag gezien de leeftijd worden verwacht dat het kind deze taak doet of gaat doen waarbij rekening wordt gehouden met school, stage, hobby’s, een bijbaantje etc. Van huisgenoten van 18 tot 23 jaar wordt verwacht dat zij de huishoudelijke taken en het bijbehorende aantal uren dat gesteld is voor een eenpersoonshuishouden kunnen overnemen. Veel jongeren in deze leeftijdscategorie (denk aan studenten) wonen immers zelfstandig en moeten dan ook hun eigen huishouden doen. Gebruikelijke hulp en een baan Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen voeren. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten (MO-protocol: zeven etmalen) zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Het doen van boodschappen is uitstelbare hulp, het bereiden of opwarmen van maaltijden is niet-uitstelbare hulp. Hiermee kan bij de indicatiestelling rekening worden gehouden. Voor hulp bij de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, kan een indicatie worden gesteld op de onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke hulp worden gerekend. In eerste instantie is de indicatie van korte duur om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Dit betekent ook het zoeken naar een andere baan die past bij de nieuwe situatie. Tijdens de duur van de indicatie kan gesolliciteerd worden. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen. Leeftijd of het niet gewend zijn aan huishoudelijk werk kunnen invloed hebben op het vermogen van andere leden uit de leefeenheid om huishoudelijke taken over te nemen. Als dit noodzakelijk is door uitval van een van de leden kan aan de medebewoner zonder (medische) beperkingen een instructie worden gegeven voor het aanleren van vaardigheden op huishoudelijk gebied. Overbelasting De gemeente kan besluiten dat een huisgenoot of partner geen gebruikelijke hulp kan leveren als deze zodanige gezondheidsproblemen heeft dat redelijkerwijs geconcludeerd moet worden dat de betreffende taken niet door hem uitgevoerd kunnen worden. Er moet altijd onderzocht worden of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke hulp, door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt. Wanneer een partner of huisgenoot gezondheidsproblemen en beperkingen heeft of door de combinatie van een (volledige) baan of opleiding en het voeren van het huishouden overbelast dreigt te raken, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de inwoner moeten worden aangeleverd. De gemeente moet zich daar dan een geobjectiveerd oordeel over vormen. Wanneer de dreigende overbelasting aanwezig is, maar wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om een indicatie te stellen. De ondersteuning vanuit de gemeente zal veelal van tijdelijke aard zijn om te zorgen dat de leefeenheid andere oplossingen kan vinden en de overbelasting kan herstellen. In terminale of andere chronische situaties waarin huisgenoten zwaar belast worden met zorgtaken kunnen de normeringen betreffende gebruikelijke hulp soepeler worden gehanteerd, mits gemotiveerd. Leerbaarheid Ook het trainen van huisgenoten om bepaalde huishoudelijke handelingen te verrichten of om te gaan met huishoudelijke hulpmiddelen valt als activiteit onder de Wmo: instructie. Het gaat dan om een kortdurende indicatie voor beperkte tijd, waarin de noodzakelijke huishoudelijke vaardigheden worden aangeleerd. Uitgangspunt is immers dat men het werk zelf herverdeelt: gebruikelijke hulp dus. Hier geldt een termijn van 6 weken voor instructie. Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, zoals bij ouderen op hoge leeftijd kan, indien nodig, hulp voor die zwaar huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke hulp zouden worden gerekend. Artikel 5. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn in principe voor iedereen beschikbaar, of mensen nu wel of geen beperking hebben. Wat in een concrete situatie algemeen gebruikelijk is, hangt af van de op dat moment geldende maatschappelijke normen en van de individuele situatie van de inwoner. Algemeen gebruikelijke voorzieningen hoeven niet vanuit de Wmo te worden verstrekt. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als die: • niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking én; • in de reguliere handel verkrijgbaar is, én; • in prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten. Jurisprudentie De jurisprudentie verwoordt het zo: “een voorziening waarvan aannemelijk is te achten dat belanghebbende daarover ook zou hebben beschikt als hij niet gehandicapt was” (zie o.a. CRvB 14-07-2010, nr. 09/562). Bovendien blijkt uit jurisprudentie dat een voorziening voor de ene persoon wel algemeen gebruikelijk kan zijn en voor de ander niet. Zo kunnen beugels in het toilet voor een persoon van boven de 70 jaar algemeen gebruikelijk zijn, maar voor een jongere persoon die na een ongeluk gehandicapt is geraakt, juist niet. Uitzonderingen op deze criteria zijn situaties waarin: • de handicap plotseling ontstaat, waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal aangeschaft of vervangen moeten worden; • de inwoner een inkomen heeft, dat door aantoonbare kosten van de handicap onder de voor hem geldende bijstandsnorm dreigt te komen. Voorbeelden algemeen gebruikelijke voorzieningen Hieronder volgt een lijst met voorzieningen die in principe als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Dit is geen limitatieve lijst. Voorzieningen om te verplaatsen: • buggy (tot 4 jaar); • bakfiets; • tandem (uitgezonderd een ouder-kind tandem); • fietskar voor kinderen (zowel voor fiets als scootmobiel); • aankoppelfiets voor kinderen; • fiets met hulpmotor/trapondersteuning; • lage instapfiets; • elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap) voor een persoon van 16 jaar en ouder; • ligfiets; • reparatie verlichting, vervangen banden of fietszadel; • rollator; • personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn; • autoaccessoires: airconditioning; automatische transmissie in de auto; blindering auto (folie); stuurbekrachtiging; elektrische raambediening; trekhaak en aanhanger. Voorzieningen geschikte woning: • eenhendelmeng kraan; • thermostaatkraan; • keramische- of inductiekookplaat; • verhoogd toilet of toiletverhoger; • tweede toilet/sanibroyeur (tenzij eerste toilet niet toegankelijk is vanwege beperkingen); • antislipvloer/coating; • wandbeugels; • zonwering (inclusief elektrische bediening); • doucheglijstang; • losse douchestoel/kruk; • verrijdbare airco; • luchtbevochtiger; • wasmachine; • wasdroger; • vaatwasser; • korfladen; • centrale verwarming; • vervanging van vloerbedekking en gordijnen indien ouder dan 8 jaar; • vervanging van reeds afgeschreven zaken; • renovatie badkamer na 15 tot 20 jaar, afhankelijk van de uitvoering (eenvoudig of luxueus); • renovatie keuken na 15 tot 20 jaar, afhankelijk van de uitvoering (eenvoudig of luxueus); • elektrische garagedeuropener; • oplaadpunt ten behoeve van opladen elektrisch vervoermiddel; • extra trapleuning; • dorpels in de woning verwijderen; • drempelhulpen plaatsen; • opheffen van niveauverschillen bij de voordeur en achterdeur met behulp van oprijplaat of ophogen straatwerk; • ophogen tuin/bestrating bij verzakking; • verwijderen lavet, bad of douchecabine en realiseren douche zonder instap, voor zover het gaat om reguliere renovatie. Indien er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening hoeft er op grond van de Wmo 2015 geen maatwerkvoorziening verstrekt te worden. Veel voorzieningen worden niet meer verstrekt, omdat deze voorzieningen als algemeen gebruikelijk worden beschouwd, of omdat het – al dan niet deels – gaat om gebruikelijke vervanging of renovatie. Onderzoek algemeen gebruikelijkheid Bovenstaande voorzieningen kunnen op zichzelf algemeen gebruikelijk zijn. Per geval moet echter een beoordeling plaats vinden. Belangrijk is om op te merken dat de aanwezigheid van een medische noodzaak niet inhoudt dat de voorziening daarom niet algemeen gebruikelijk kan zijn. Daarnaast zal bijvoorbeeld van oudere inwoners of inwoners met een chronisch of zelfs progressief ziektebeeld verwacht worden dat zij anticiperen op de toekomst. Bij de keuze van een nieuw te betrekken woning mag uiteraard verwacht worden dat men rekening houdt met de eigen situatie. Dat betekent ook dat er met bestaande of bekende komende beperkingen rekening wordt gehouden. Blijft men wonen in de huidige woning, dan wordt van de inwoner gevraagd te anticiperen op, en te reserveren voor de toekomst. Er zijn voorzieningen waarvan voorzienbaar is dat deze ooit nodig zullen zijn, en waarvoor men zelf moet zorgen. Dit zijn in principe ook algemeen gebruikelijke voorzieningen. Artikel 6. Algemene voorzieningen In onze gemeente zijn veel inwonersinitiatieven, vrijwilligersorganisaties, scholen, buurthuizen, sportverenigingen en instellingen waar inwoners hulp en ondersteuning kunnen vragen. Dit is vrij toegankelijke hulp en een overzicht van deze voorzieningen is te vinden via de website van de gemeente: https://www.oude-ijsselstreek.nl/sociaal-domein De definitie van een algemene voorziening in de Wmo 2015 luidt: een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen voorzieningen in de markt, waarmee de gemeente geen bemoeienis heeft en voorzieningen die geheel of gedeeltelijk door de gemeente worden bekostigd. Deze voorzieningen zijn voorliggend aan een maatwerkvoorziening. Dit betekent dat de gemeente ook beoordeelt of het probleem van een persoon met een beperking of hulpvraag kan worden opgelost door middel van een algemene voorziening. Het abonnementstarief (voorheen eigen bijdrageregeling) is tot 1 januari 2020 niet van toepassing op algemene voorzieningen. Als een bijdrage voor een algemene voorziening wordt gevraagd, betaalt de gebruiker of de marktprijs of een al dan niet kostendekkend tarief als het gaat om een door de gemeente gesubsidieerde voorziening. Voorbeelden van algemene voorzieningen die door de overheid (mede) gefinancierd zijn: • peuteropvang en scholen; • Sociaal Medische Indicatie kinderopvang; • Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE); • jeugdgezondheidszorg; • algemeen maatschappelijk werk; • schuldhulpverlening en budgettering; • schuldhulpmaatjes; • Sociaal Raadslieden Werk; • kosteloze cliëntondersteuning; • welzijns-/ouderenwerk; • jeugd- en jongerenwerk; • Jeugd- en Gezinswerk; • informatie- en advieswerk (formulierenhulp); • eerste hulp bij administratie (GA!); • klussendiensten; • maaltijdvoorziening; • personenalarmering; • sportvoorzieningen; • passantenverblijf voor dak- en thuislozen; • vrijwilligerswerk op allerlei terreinen. Een deel van bovenstaande voorzieningen zijn beschikbaar via de gemeente. In principe kan de gemeente voor het gebruik van deze voorzieningen een kostendekkend tarief vragen. De gemeente mag geen winst maken op deze voorzieningen. Aan inwoners met een laag inkomen kan via de bijzondere bijstand of subsidie een lager tarief worden berekend. Voorbeelden van algemeen (gebruikelijke) voorzieningen in de markt zijn: • kinderopvang; • boodschappendiensten supermarkten; • kant- en klaar maaltijden verkrijgbaar bij de groenteboer en slager; • glazenwasser; • tuinonderhoud; • commercieel sportaanbod; • gemaksdiensten van de zorgverzekeraar. Artikel7.Voorliggende voorzieningen Dit zijn voorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan alvorens een maatwerkvoorziening wordt overwogen. De algemene voorzieningen opgenomen in artikel 6 zijn hier ook een voorbeeld van. De voorzieningen op het gebied van de thuisadministratie gaan voor op inzet van begeleiding op dit gebied. Wet langdurige zorg (Wlz) Bij het onderzoek door de gemeente moet beoordeeld worden of iemand in aanmerking komt voor een indicatie vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) of daarover al beschikt. Als dat zo is, kan een Wmo-maatwerkvoorziening dus ook een vorm van dagopvang op basis van artikel 2.3.5, lid 6 Wmo worden geweigerd. Die valt dan immers onder de Wlz. Ook wanneer de inwoner weigert mee te werken aan een onderzoek of er recht is op een Wlz-indicatie kan een voorziening vanuit de Wmo worden geweigerd. Het is goed om het recht op Wlz eerst te onderzoeken om onnodig onderzoek vanuit de gemeente te voorkomen. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verstrekt overigens de informatie over het Wlz-gerechtigd zijn als dat nodig is aan de gemeente. Wanneer duidelijk is dat de inwoner niet onder de Wlz valt, gaat het onderzoek naar de hulpvraag vanuit de gemeente verder. Bij het onderzoek naar wat de juiste plek voor de inwoner is mag het belang van de inwoner niet uit het oog worden verloren. Zorgverzekeringswet (Zvw) Bij het onderzoek door de gemeente moet ook beoordeeld worden of iemand in behandeling is vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw). De Zvw financiert ook de mogelijkheid om dagbesteding te declareren. Er kunnen vijf vormen van dagbesteding geregistreerd worden in de gespecialiseerde ggz. Doel is het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid van de patiënt. Dagbesteding vindt altijd plaats in het kader van de (psychiatrische) behandeling en is terug te vinden in het behandelplan van de patiënt. Dagbesteding vanuit de Wmo wordt dan geweigerd. Het gaat niet om het doel van de dagbesteding maar dat deze onderdeel is van de behandeling en noodzakelijk is om de behandeling te laten slagen. Pas wanneer er sprake is van afbouw en beëindiging van de behandeling gaat deze dagbesteding over naar de Wmo. In de overgangsfase kan er dus sprake zijn van dagbesteding vanuit de Wmo. We verliezen bij deze afweging niet het belang van de inwoner uit het oog. Regresrecht Wanneer een inwoner slachtoffer is van een ongeluk waarbij een andere partij aansprakelijk is voor de letselschade en een beroep doet op Wmo-voorzieningen, dan zal de gemeente de kosten hiervoor in kaart brengen voor de inwoner. De inwoner wordt dan geacht om de kosten voor de Wmo-voorzieningen mee te nemen bij het verhalen van de letselschade bij de aansprakelijke partij. Voorheen werd dit collectief afgekocht door het Verbond van Verzekeraars en kon de gemeente dit niet individueel in rekening brengen. Wanneer dit niet mogelijk is zijn de kosten van de Wmo-voorzieningen voor de gemeente. Arbeidsvoorzieningen Er zijn (wettelijke) arbeidsvoorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan voordat de maatwerkvoorziening “begeleiding” wordt overwogen. Op grond van de Ziektewet, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Wajong en Participatiewet zijn er namelijk mogelijkheden voor aangepast werk en trajecten die toe leiden naar werk. Wanneer er geen mogelijkheden zijn voor aangepast werk, een re-integratietraject of speciaal onderwijs op grond van de genoemde regelingen dan kan begeleiding groep (dagbesteding) worden overwogen. Jeugdgezondheidszorg In de Wet publieke gezondheid is het basispakket jeugdgezondheidszorg vastgesteld. De jeugdgezondheidszorg heeft o.a. als taak het geven van voorlichting, advies, instructie en begeleiding over thema’s die betrekking hebben op opvoeden en opgroeien. Voorbeelden hiervan zijn het consultatiebureau, videotraining, taalstimulering, consult bij een schoolarts, etc. Onderwijs Begeleiding van kinderen met problemen is de verantwoordelijkheid van school. Tevens zijn er mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs. Alleen in uitzonderlijke situaties; als toezicht en aansturen meer vraagt dan van school en ouders kan worden verwacht en de mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs ontoereikend zijn kan een maatwerkvoorziening worden ingezet. Kinderopvang Kinderopvang is ook voor kinderen met een beperking voorliggend. Leidsters leren omgaan met een kind met een beperking wordt gerekend tot de gebruikelijke hulp van ouders. Alleen in uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding nodig heeft die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan een maatwerkvoorziening worden ingezet. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek. Hoofdstuk3.Afwegingskaders Jeugdhulp en Wmo Artikel8.Ondersteuning van mantelzorg Mantelzorg heeft altijd twee kenmerken: Het is onbetaalde intensieve en langdurige zorg voor een persoon, vanwege een persoonlijke relatie met die persoon. Ondersteuning van mantelzorg moet de inwoner de mogelijkheid bieden in zijn eigen leefomgeving te blijven wonen als de mantelzorger zo zwaar belast is dat mantelzorgverlening in gevaar komt. Dat kan het geval zijn als de mantelzorger door verlening van mantelzorg in combinatie met diens eigen dagelijkse activiteiten overbelast raakt of dreigt te raken. Relatie met Wlz Als de mantelzorg erg zwaar is en ook als zodanig wordt ervaren kan het zijn dat het gaat om een inwoner die aangewezen is op verblijf en daarmee samenhangende Wlz-zorg. Kiest deze inwoner er voor zelfstandig te blijven wonen, dan zal de Wlz het kader zijn van waaruit ondersteuning bij mantelzorg geboden moet worden (Wmo, artikel 2.3.5, lid 6). Mantelzorgondersteuning die als algemene voorziening wordt geboden valt wel onder de Wmo. Bij een vraag om een maatwerkvoorziening betreffende de ondersteuning van mantelzorg is de vraag dus of iemand aanspraak heeft op verblijf vanuit de Wlz of dat hij daar van het CIZ een indicatie voor kan krijgen. Is er sprake van een Wlz-indicatie dan is er voor de gemeente geen taak. Opgemerkt moet worden dat het in artikel 2.3.5, lid 6 Wmo om een "kan" bepaling gaat. De gemeente kan dus een maatwerkvoorziening weigeren, maar kan ook besluiten wel iets te doen, al dan niet in de vorm van een maatwerkvoorziening. Het is niet zo dat er geen groep overblijft door deze regel. De groep dementerenden kan, zonder dat er een indicatie is voor verblijf in een instelling, een zware wissel trekken op de mantelzorger. Opname in een instelling én overbelasting van de mantelzorger moeten worden voorkomen. Het gaat er dus om de mantelzorger op een zodanig moment zoveel noodzakelijke hulp - in wat voor vorm dan ook - te geven dat het punt van dreigende overbelasting wordt voorkomen. Afwegingskader inzet ondersteuning mantelzorger Het is bij overbelasting van de mantelzorger van het grootste belang dat het onderzoek uitgevoerd wordt tijdens een gesprek waarbij de mantelzorger aanwezig is. Alleen in aanwezigheid van de mantelzorger kan een juist beeld ontstaan van de situatie, het stadium waarin de mantelzorger zich bevindt en de behoefte aan ondersteuning en de vorm waarin deze ondersteuning het beste gegeven kan worden. De vraag of iemand de ontlasting van de mantelzorger zelfstandig, in deze situatie samen met de mantelzorger zal kunnen bereiken, is een belangrijke start. Er zijn veel mogelijkheden denkbaar om de mantelzorger te ontlasten. Er kan gekeken worden naar andere vormen van persoonlijke hulp of mantelzorg. In praktijk blijkt dat soms niet aan een bepaalde persoon uit het netwerk gedacht wordt als ondersteuning of als extra mantelzorger, waardoor deze persoon niet is gevraagd. Als gebruikelijke hulp, (andere) mantelzorg, of het sociale netwerk geen mogelijkheden bieden, zal beoordeeld moeten worden of er (wettelijk) voorliggende voorzieningen zijn. Dat zou zowel binnen als buiten de Wmo kunnen zijn. Mogelijkheden via vrijwilligersorganisaties, dagopvang, dagbesteding, dagtherapie, of welke naam er ook voor bestaat kan hier onder gerekend worden. Veel dagopvang zal vallen onder de ondersteuning bij dagbesteding, en daarom binnen de Wmo opgelost worden. Maar er kunnen andere mogelijkheden bestaan die op dit punt beoordeeld kunnen worden. Een wettelijke mogelijkheid hierbij is gelegen in de Wlz, zoals hierboven al besproken. Andere wettelijke voorliggende voorzieningen zijn niet waarschijnlijk. Ook algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen zullen hier niet gemakkelijk een totaaloplossing bieden, maar wellicht wel een bescheiden bijdrage bieden. Heeft geen van de beoordeelde mogelijkheden een (gedeeltelijke) oplossing geboden dan zal naar een maatwerkvoorziening gekeken moeten worden. Artikel 9. Onderzoek Het artikel 2.3.8 lid 3 van de Wmo 2015 regelt in algemene zin dat de inwoner desgevraagd moet meewerken aan de uitvoering van de Wmo. Zorgvuldig onderzoek is vaak nodig, en in bepaalde gevallen kan zonder advies geen zorgvuldige besluitvorming plaatsvinden, zie ook artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.3.3 van de Verordening Sociaal Domein 2019. Het gaat om gegevens over de medische situatie van de inwoner. Financiële gegevens zijn niet van belang om een afweging te maken vanuit de Wmo. Uit de jurisprudentie blijkt dat indien een inwoner geen medewerking verleent, de aanvraag buiten behandeling gelaten mag worden op grond van de onmogelijkheid voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit onderzoek de (medische) noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus altijd beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de (medische) noodzaak vastgesteld kan worden. Gegevens verstrekken Op grond van artikel 2.3.8, lid 1 van de Wmo 2015 moet de inwoner de gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag aan de gemeente verschaffen. Hierbij kan gedacht worden aan medische, maar ook aan financiële gegevens of aan medische indicatiegegevens op grond van de Wlz. Bij medische gegevens komt het frequent voor dat informatie van de behandelende sector noodzakelijk is. Dit kan – zeker als dit schriftelijk moet - geruime tijd in beslag nemen. Dat werkt vertragend op de doorlooptijd van het onderzoek. Ook in dit soort situaties kan met inschakeling van de inwoner vaak sneller over de benodigde gegevens beschikt worden, met name indien de inwoner aangeeft welk belang hij heeft bij het verstrekken van de gevraagde informatie aan de medische adviseur. Overigens mag het opvragen van medische gegevens bij de behandelaar uitsluitend plaatsvinden met toestemming van de inwoner. Daarbij moet in de verklaring opgenomen worden welke adviserende arts de gegevens opvraagt, bij welke behandelaren de gegevens opgevraagd worden, om welke gegevens het gaat en met welk doel. In contact blijven met de inwoner De gemeente moet na de verstrekking van een voorziening beoordelen of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen bijdragen aan de gestelde doelen om de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner te vergroten. De gemeente moet daarvoor, conform artikel 2.3.9. van de Wmo 2015, onderzoek verrichten naar eerder verstrekte voorzieningen. In de gemeente Oude IJsselstreek vinden we het belangrijk om na de verstrekking van een maatwerkvoorziening met onze inwoners in contact te blijven. Zo weten we hoe het met de inwoner gaat en in hoeverre de toegekende voorziening de passende oplossing is voor zijn/haar ondersteuningsvraag. In dit contactmoment staat voorop dat de consulent kijkt hoe het met de inwoner gaat en of de toegekende voorziening bijdraagt aan de gestelde doelen. De huidige situatie wordt in de eigen omgeving van de inwoner onderzocht en er wordt gekeken of er aanleiding is tot aanpassing, aanvulling of wijziging van de eerder verstrekte voorziening(en). Hoe vaak en wanneer dit gebeurt is in zijn algemeenheid niet te bepalen. Wel hanteren we het uitgangspunt dat er na ieder toegekende voorziening een contactmoment met de inwoner wordt gepland. Het termijn tussen de start van de ondersteuning en het geplande contactmoment moet de inwoner voldoende tijd geven om de effecten van de voorziening in beeld te hebben. Artikel10.Advies Uit Wmo-jurisprudentie van de CRvB blijkt inmiddels ook dat de medische noodzaak in de ogen van de Raad aanwezig moet zijn om voorzieningen te verstrekken. Dit heeft tot gevolg dat een medisch advies van een onafhankelijk sociaal-medisch adviseur van cruciaal belang kan zijn. Onder de Wmo 2015 en de Jeugdwet kan een advies van een andere deskundige dan een medicus noodzakelijk zijn. Dit hangt af van de aard van de hulpvraag. Waar het altijd om gaat is dat, waar nodig, deskundigheid wordt ingeschakeld om op zorgvuldige wijze en dus op basis van voldoende en adequate gegevens, te kunnen besluiten. Het uitgangspunt is daarbij dat de adviseur onafhankelijk is en er is dan geen sprake van een cliënt/patiëntrelatie. Advies kan bijvoorbeeld worden gevraagd bij een inwoner die nog niet eerder een aanvraag heeft ingediend, dus niet bekend is bij de gemeente. Het belang van een medisch advies in een dergelijke situatie is dat er voor de gemeente een uitgangssituatie geschapen wordt, waarin (medisch) geobjectiveerd is vastgesteld wat er met de inwoner (medisch) aan de hand is, welke problemen ervaren worden en wat de prognose is. Jurisprudentie De rechtbank Almelo oordeelt dat een zorgvuldig onderzoek niet betekent dat de indicatiesteller zonder meer medisch geschoold behoort te zijn: als de medische beperkingen van de inwoner niet ter discussie staan, zal medisch onderzoek niet noodzakelijk zijn (Rechtbank Almelo 04-03-2009, nr. 08/299 Wmo). Naarmate een adviesorgaan meer ervaring heeft met het uitbrengen van adviezen over bepaalde besluiten, zal de gemeente eerder mogen afgaan op de expertise van dat adviesorgaan (CRvB 25-07-2007, nr. 05/4212 Wvg). Het verstrekken van voorzieningen zonder een objectieve bepaling van de huidige (uitgangs)situatie brengt het risico met zich mee dat in situaties waarbij vanuit medisch oogpunt beter geen verstrekking plaats had kunnen vinden, bijvoorbeeld omdat verstrekking van een voorziening anti-revaliderend werkt, of zelfs afhankelijk maakt, toch voorzieningen worden verstrekt. Voorzieningen kunnen dan –goed onderbouwd- worden geweigerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak LJN BH1077). Een kostenafweging kan ook reden zijn om (medisch) advies te vragen. Het kan dan gaan om een aanschafbedrag van een voorziening en/of een geschat bedrag dat de gemeente denkt per jaar kwijt te zijn aan bijvoorbeeld hulp bij het huishouden of begeleiding. Daarnaast wordt de medisch adviseur om een advies gevraagd als te verwachten is dat een aanvraag om medische reden zal worden afgewezen. Tot slot kan de gemeente aanleiding zien om medisch advies te vragen bij bijvoorbeeld een progressief ziektebeeld, maar zeker ook bij medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen. Per situatie zal dit beoordeeld worden. Bij twijfel wordt altijd een medisch advies gevraagd. Beoordeling van het advies De gemeente beoordeelt het medisch advies en neemt dit advies mee in de beoordeling van de melding. Hoofdstuk4.Verstrekkingsvormen Artikel11.Maatwerkvoorziening in natura Vanuit de Wmo 2015 en de Jeugdwet zijn twee vormen van verstrekking mogelijk. De eerste mogelijkheid is de maatwerkvoorziening in natura. Daarmee wordt bedoeld dat de gemeente de inwoner een voorziening verstrekt, die wordt geleverd op basis van een contract tussen gemeente en de aanbieder/leverancier. Een maatwerkvoorziening in natura verstrekt de gemeente meestal via een leverancier (bijvoorbeeld een thuiszorgorganisatie, een hulpmiddelenleverancier of een jeugdhulpaanbieder). Een toekenning van een voorziening in natura vindt bij beschikking plaats. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt. Afhankelijk van de aard van de verstrekking kan het bijvoorbeeld gaan om het tekenen van een bruikleenovereenkomst of een zorgovereenkomst of om andere voorwaarden, zoals het laten inspecteren van een woningaanpassing. Artikel12.Persoonsgebonden budget (pgb) De tweede vorm voor verstrekking is de mogelijkheid een maatwerkvoorziening te ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). In de Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2019 zijn de hoofdregels voor het verstrekken van een pgb vastgelegd en is bepaald dat er nadere regels gesteld kunnen worden onder welke voorwaarden een pgb wordt verstrekt en over de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. In het Besluit Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2019 is dit uitgewerkt. In deze beleidsregels zijn nog aanvullende algemene regels opgenomen over het pgb. Vaststelling omvang van het pgb Er zijn twee mogelijkheden: 1. Een pgb voor diensten, hulp via personen; 2. Een pgb voor voorzieningen, zoals hulpmiddelen, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. Bij diensten gaat het om de betaling van tijdseenheden aan dienstverleners. De uitbetaling zal dan ook plaats vinden per uur of een gedeelte daarvan. De wijze waarop de hoogte wordt bepaald is vastgelegd in de Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2019. De hoogte van het tarief is door de gemeente vastgesteld en vastgelegd in het Besluit Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2019. In dit besluit zijn de nadere regels rondom het pgb opgenomen, waaronder de eisen aan een toekenning, afschrijvingstermijnen van voorzieningen, etc. De kosten van een voorziening als de voorziening in natura zou worden verstrekt is het uitgangspunt voor de vaststelling van de hoogte van het pgb-bedrag. Dat kan, afhankelijk van het type voorziening afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte, zo nodig aangevuld met een bedrag voor onderhoud en reparaties van de voorziening. Pgb-bedragen voor onderhoud en reparatie kunnen meestal worden vastgesteld op basis van ervaringsgegevens; ook kunnen bij verstrekking via een leverancier bij de leverancier dergelijke gegevens worden opgevraagd. Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het pgb. Het is immers niet de bedoeling dat een pgb meer geld gaat kosten dan een maatwerkvoorziening in natura. Beschikking pgb De gemeente maakt bij beschikking het besluit aan de inwoner bekend. In de beschikking vermeldt de gemeente wat de omvang van het pgb is en voor welke periode het pgb bedoeld is. Om bij een pgb voor een hulpmiddel te zorgen dat duidelijk is wat met het pgb moet worden aangeschaft wordt in overleg met de inwoner een zo nauwkeurig mogelijk omschreven programma van eisen bij de beschikking gevoegd. Indien een inwoner dan toch een voorziening aanschaft die niet aan dat programma van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking. De gemeente neemt, indien van toepassing, in de beschikking ook op dat er een bijdrage in de kosten verschuldigd is. Omdat die bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het Centraal Administratiekantoor (CAK), zal in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen worden. Zodra de beschikking door de gemeente is verzonden, wordt het pgb voor diensten en/of hulp door zorgverleners beschikbaar gesteld via de Sociale Verzekeringsbank (Svb). De inwoner is verplicht voor de dienstverlening die hij wenst in te kopen met een pgb een schriftelijke overeenkomst af te sluiten met de zorgverleners die hij daarvoor in wenst te schakelen. De zorgovereenkomst moet voldoen aan het format, zoals dat door de Svb ter beschikking wordt gesteld. Hierin worden afspraken over het aantal te leveren uren en uurtarieven vastgelegd. De Svb faciliteert zowel betalingen via een vast maandloon als via facturering per uur of dagdeel. De budgetbeheerder is verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van de bestedingen uit het budget. De gemeente vindt het belangrijk dat de budgetbeheerder hier voldoende inzicht in heeft. Daartoe geeft de gemeente de voorkeur dat een betaling via facturatie de standaard is. Betaling via facturatie ondersteunt de controle op rechtmatigheid voor zowel budgetbeheerder als de gemeente. Betaling via een vast maandloon is mogelijk. Net als bij betaling via facturatie moet de inwoner de rechtmatigheid van de bestedingen kunnen aantonen en verantwoorden. Daartoe moet een administratie worden bijgehouden. Eventuele wijzigingen in de hoogte van de geleverde ondersteuning moeten worden doorgeven aan de Svb. Wanneer een budgetbeheerder kiest voor betaling via maandloon moet hij in het ondersteunings- en pgbplan aangeven dat hij zich van deze verantwoordelijkheid bewust is. Pgb-plan De inwoner is verplicht om bij een pgb voor dienstverlening een pgb-plan in te vullen volgens het vastgestelde format opgenomen in bijlage 2. De inwoner geeft in het pgb-plan inzicht in: • wie de ondersteuning gaat leveren en of deze partij beschikt over de benodigde kwalificaties (zie artikel 4.1.3 van het Besluit Sociaal Domein 2019); • wie het pgb gaat beheren (budgetbeheerder). Wanneer gekozen is voor een andere persoon die het pgb voor de inwoner beheert wordt dit gemotiveerd. De inwoner blijft in deze situatie als pgb-houder aansprakelijk voor de besteding van het pgb. Overgangsregeling bij aanpassen van bestaande pgb’s In het Besluit Sociaal Domein gemeente Oud IJsselstreek 2019 zijn de (nieuwe) Pgb-tarieven vastgesteld. Aanpassing van deze tarieven kan aanleiding zijn om bestaande pgb’s aan te passen. Ook een heronderzoek of een veranderende thuissituatie van de inwoner kan hiertoe aanleiding geven. Om bestaande pgb’s op een verantwoorde en acceptabele wijze aan te passen is een overgangsregeling nodig. Deze overgangsregeling voorziet in het afbouwen van de toegekende budgetten. Het verschil tussen het huidige toegekende budget en het nieuw vastgestelde budget is het afbouwbedrag. Belangrijke aandachtspunten hierbij zijn: • De duur van de afbouwtermijn hangt af van de duur van het toegekende pgb; • De afbouwtermijn (zowel duur als het afbouwbedrag) is afhankelijk van de mate waarin de pgb-houder afhankelijk is van het pgb; • De afbouwtermijn (zowel duur als het afbouwbedrag) is afhankelijk van de verplichtingen die hiermee gemoeid zijn; • De duur waarin de pgb-houder het huidige pgb ontvangt speelt geen rol bij de afbouwperiode; • Een overgangstermijn van een half jaar is redelijk in algemene zin; • Een kortere termijn kan in sommige gevallen gehanteerd worden, mits de inwoner tijdig (minimaal drie maanden) van de mogelijke komende wijzigingen op de hoogte is gesteld en/of er goede alternatieven geboden kunnen worden aan de inwoner. De afbouwperiode start op het moment van ontvangst van het besluit, waarmee de afbouwperiode kenbaar wordt gemaakt aan de budgethouder. In het besluit wordt de ingangsdatum bekend gemaakt; deze ligt tussen de 3 en 6 maanden na de bekendmaking. Verder wordt de reden van wijziging opgenomen en wordt beargumenteerd dat de benodigde hulp/zorg middels het nieuwe budget te betalen is(en/of blijft). De aanpassing van het pgb-tarief staat niet open voor bezwaar en beroep, omdat deze mogelijkheid voor het aanpassen is opgenomen in de verordening. Tot aan een totaal afbouwbedrag van € 250,- per maand/€ 3.000 per jaar is er geen overgangsregeling. Iedereen moet voor deze teruggang een oplossing kunnen vinden in 3 maanden die er zijn voordat het besluit in gaat. De verrekening vindt plaats per maand in gelijke delen. Vanaf een totaal afbouwbedrag van € 250,- per maand/€ 3.000,- per jaar geldt een afbouwperiode van een half jaar. De verrekening vindt plaats per maand in gelijke delen. Vanaf een totaal afbouwbedrag van € 833,- per maand/€ 10.000,- per jaar geldt een afbouwperiode van een jaar. De verrekening vindt plaats per maand in gelijke delen. Fraudebestrijding pgb Door goede voorlichting over een pgb probeert de gemeente fraude te voorkomen. Ook zijn de voorwaarden aan het toekennen van een pgb aangescherpt om fraude te voorkomen en om voldoende kwaliteit van zorg te garanderen. Daarnaast behoort het periodiek heroverwegen van een beschikking tot de middelen om misbruik en oneigenlijk gebruik tegen te gaan. De gemeente toetst voor aanvang van een pgb of de kwaliteit van de in te kopen zorg voldoende en toereikend is. Een verdenking dat een ingehuurde dienstverlener malafide is of onvoldoende kwaliteit biedt, kan reden zijn voor het niet accorderen van de zorgovereenkomst. Mits dit inhoudelijk is onderbouwd. Het komt voor dat malafide ondernemers kwetsbare groepen inwoners inzetten voor misbruik van pgb’s. Sommige burgers zijn bijvoorbeeld de Nederlandse taal onvoldoende machtig of hebben een (lichte) verstandelijke beperking. Zij zijn niet goed in staat de strekking van een gesprek of van documenten te begrijpen, dat maakt hun kwetsbaarder. Als een inwoner wordt vertegenwoordigd, worden de competenties van deze vertegenwoordiger noodzakelijkerwijs gecheckt. Als fraude wordt geconstateerd, wordt het pgb herzien of beëindigd. Het teveel betaalde bedrag aan pgb wordt teruggevorderd en eventueel wordt een aangifte gedaan bij de Officier van Justitie tegen de inwoner. Tegen degene die deze voorzieningen of diensten heeft geleverd via een pgb kan eveneens een aangifte volgen. Artikel13.Bijdrage in de kosten In het ‘Besluit Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2019’ is in paragraaf 4.2 opgenomen welke voorschriften van toepassing zijn bij de bijdrage in de kosten. Hoofdstuk5.Voorzieningen Wmo 2015 en Jeugdwet Artikel14.Voorzieningen Indien na beoordeling van de algemene toelatingscriteria uit hoofdstuk 3 een maatwerkvoorziening aan de orde is, worden op basis van de ondersteuningsvraag en het te bereiken resultaat richtlijnen in acht genomen met betrekking tot de toeleiding naar een passende vorm van ondersteuning. In dit hoofdstuk zijn de verschillende maatwerkvoorzieningen verder uitgewerkt. Hierin is het ook mogelijk dat verschillende maatwerkvoorzieningen met elkaar worden gecombineerd (gestapeld). Indien het beoogde resultaat niet met één van de onderstaande voorzieningen te behalen is dan kan de gemeente, mits voldoende gemotiveerd, een alternatieve voorziening inzetten. Artikel15.Algemene voorzieningen (hulpmiddelen) op locatie In onze gemeente bevinden zich diverse locaties waar inwoners met een Wlz-indicatie deze extramuraal inzetten via een Modulair Pakket Thuis (MPT) of Volledig Pakket Thuis (VPT). Inwoners doen dit thuis maar ook in locaties van verzorgingshuizen die beschikken over extramurale woningen. Op deze locaties heeft de gemeente diverse hulpmiddelen (bv. tilliften) collectief ingezet om te voorkomen dat de gemeente achter iedere voordeur separate voorzieningen inzet die in de intramurale setting ook collectief ingezet worden. Deze collectief beschikbare voorzieningen zijn voor inwoners woonachtig op deze locaties dan ook voorliggend op een maatwerkvoorziening. Artikel16.Ondersteuning bij het wonen in een geschikt huis Via de Wmo 2015 moet waar nodig ondersteuning worden geboden bij zelfredzaamheid en participatie. In de verordening is dit nader gespecificeerd, waarbij het wonen in een geschikt huis onderdeel is van de zelfredzaamheid. Daarbij is één belangrijke voorwaarde voordat gecompenseerd kan worden: er moet een woning zijn. Als er geen woning is, is het niet de taak van de gemeente Oude IJsselstreek om voor een woning te zorgen. Iedere Nederlandse burger moet zelf voor een woning zorgen, dat is geen Wmo-taak. (zie ook de uitspraak LJN BT6172). Het is de bedoeling dat mensen met een verblijfsindicatie recht hebben op voorzieningen via de Wlz als zij zelfstandig blijven wonen. In zo’n geval kan de gemeente een maatwerkvoorziening weigeren, zie artikel 2.3.5. lid 6 Wmo 2015. In bijlage 3 is een overzicht opgenomen met hoe de verdeling tussen Wlz en Wmo in 2019 wordt gemaakt. Afwegingskader ondersteuning bij het wonen in een geschikt huis Eigen verantwoordelijkheid Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg moet dragen voor een geschikte of zo geschikt mogelijke woning. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Een eigen woning kan zowel een koop- als huurwoning zijn. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van woning. Normaal gebruik van de woning Alleen problemen die de belanghebbende ondervindt bij het normale gebruik van de (huidige) zelfstandige woonruimte zijn relevant. Bij het normale gebruik van de woning gaat het om zogenaamde elementaire woonfuncties zoals slapen, (zorgen voor) eten en drinken, toiletgang en lichaamsreiniging. Verder is van belang de toe- en doorgankelijkheid van de woning. Het gebruik van hobby-, werk- of recreatieruimten in de woning valt in principe niet onder de elementaire woonfuncties. Therapeutisch gebruik evenmin. Eigen oplossingen Eigen oplossingen gaan voor bij het zoeken naar oplossingen voor problemen bij het normale gebruik van de woning. In redelijkheid mag er wat van de aanwezige huisgenoten verwacht worden, bijvoorbeeld het ophalen van de was van de bovenverdieping of het legen van de po op de bovenverdieping. Dit is al sinds de Wvg-tijd de vaste lijn in de jurisprudentie, zie bijvoorbeeld LJN AU8838. De Wmo-2015 noemt dergelijke oplossingen op eigen kracht of via gebruikelijke hulp ook expliciet. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid van herschikking binnen de woning. Ook die mogelijkheid kan worden meegewogen bij het zoeken naar oplossingen voor problemen bij het normale gebruik van de woning. Als bijvoorbeeld het anders plaatsen van inrichtingselementen in de woning een (deel-)oplossing is, gaat dat voor op een maatwerkvoorziening. Goedkoopst adequate voorziening In het Besluit Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2019 is een bedrag opgenomen waarboven in algemene zin gesteld wordt dat het primaat van verhuizen van toepassing is. Dit als nadere regel van de Verordening Sociaal Domein 2019. Afwegingsfactoren bij toepassing primaat verhuizen Indien de afweging tussen aanpassen en verhuizen wordt gemaakt, worden hierbij per geval alle relevante aspecten meegewogen, waaronder in elk geval de in de tabel opgenomen afwegingsfactoren. Afwegingsfactor Toelichting Aanwezigheid aangepaste/eenvoudig aan te passen woonruimte Er wordt contact opgenomen met de woningcorporatie om te bepalen of er een adequate woning (op korte termijn) beschikbaar is. Samenwerking Wonion Met Wonion zijn afspraken gemaakt over het beschikbaar houden van een door de gemeente aangepaste woning en over het toepassen van urgentie voor onze inwoners in bepaalde situaties. Deze en andere afspraken zijn vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. Belangrijk! Woningaanpassingen worden niet door de gemeente verwijderd (zie artikel 2.3.7 lid 3 van de Wmo 2015). Vergelijking aanpassingskosten huidige woning versus nieuwe woning Er dient een vergelijking gemaakt te worden met de direct noodzakelijke als ook voorzienbare aanpassingen van de huidige woning en de kosten van een verhuizing1. Termijn waarop het woonprobleem opgelost dient te zijn Verhuizing naar een woonruimte die voor de inwoner geschikt en betaalbaar is moet volgens Wvg-jurisprudentie binnen een medisch aanvaardbare termijn te realiseren zijn. Wat medisch aanvaardbaar is kan per geval verschillen, en zal middels onderzoek onderbouwd moeten worden. Prognose wonen-zorg De investeringskosten moeten in verhouding staan tot de verwachte duur van het gebruik van de geboden voorziening. Sociale omstandigheden Verhuizing kan leiden tot aantasting van het sociale netwerk van de inwoner. Er moet beoordeeld worden of dit leidt tot het wegvallen van mantelzorg die nodig is bij het normale gebruik van de woning; mantelzorg die ondersteunt bij algemene dagelijkse levensactiviteiten (ADL); buurtgebonden vrijwilligerswerk; gevolgen voor de aanwezige huisgenoten; overige door de inwoner aangehaalde factoren. Integrale afweging diverse Wmo-voorzieningen Het is nodig om een afweging te maken met andere Wmo-voorzieningen, bijvoorbeeld vervoersvoorzieningen (afstand tot OV-haltes, etc.) Eigen woning Verhuizing heeft voor de inwoner die eigenaar is van de woning meer gevolgen. Er dient nagegaan te worden of een verhuizing leidt tot vermogensverlies (5% of meer op de verwervingsprijs toeleggen). Noodzaak tot verhuizen door inkomensachteruitgang Wanneer er een inkomensverlies ontstaat door arbeidsongeschiktheid kan dit ertoe leiden dat een inwoner de woonlasten niet meer kan betalen waardoor verhuizen een adequatere oplossing is dan aanpassing van de huidige woning. 1: Volgende kosten: de tegemoetkoming voor de verhuis- en inrichtingskosten; aanpassingskosten nieuwe woning, inclusief eventuele kosten van aankoop van grond: eventuele kosten voor vrijmaken van de nieuwe woning: eventuele huurdersvingskosten (indien nieuwe woning leeg staat) de te betalen eigen bijdragen in de totale kosten Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening voor verhuizing en herinrichting houdt de gemeente rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of voorspelbare verhuizing wordt in principe geen voorziening toegekend. Dit geldt ook wanneer een inwoner verhuist naar een voor hem of haar inadequate woning. Artikel17.Mantelzorgwoning Als sprake is van een aanvraag voor een mantelzorgwoning gaat de gemeente daarbij ook uit van de eigen verantwoordelijkheid in het voorzien van eigen woonruimte. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. IN uitzonderlijke situaties is het mogelijk om een bestaande woning te splitsen t.b.v. de mantelzorg, waarbij iedere woning beschikt over een eigen huisnummer. De mogelijkheid hiervan zal in nauw overleg met de gemeente beoordeeld moeten worden. Het uitgangspunt is dat de uitgaven die de verzorgde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.