Protocol integriteitsonderzoeken Leidschendam-Voorburg 2019Burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, gelet op artikel 125, quater onder a, van de Ambtenarenwet 1929; besluit: vast te stellen het “Protocol integriteitsonderzoeken Leidschendam-Voorburg 2019”. Inleiding De gemeente Leidschendam-Voorburg voert een volwaardig integriteitsbeleid. Dat bestaat naast het vaststellen en implementeren van beleid uit het handhaven ervan. Een goede handhaving omvat adequaat en consequent optreden tegen integriteitschendingen dan wel vermeende misstanden. Signalen van vermoedelijke integriteitschendingen worden serieus opgepakt. Bijvoorbeeld door het onderzoeken van deze signalen en een krachtdadig optreden bij vastgestelde schendingen. En door het registreren van schendingen binnen de organisatie voor inzicht in de aard en omvang ervan en om als organisatie daaruit lering te trekken. Met dit vastgestelde ‘Onderzoeksprotocol vermeende integriteitschendingen’ kan op verantwoorde wijze onderzoek worden gedaan naar een vermoeden van een integriteitschending. In dit protocol wordt beschreven hoe een intern onderzoek naar een integriteitschending binnen een onderdeel van de gemeente verloopt en wat de rechten en plichten zijn van de bij het onderzoek betrokken personen en de onderzoekende instantie. Dit betekent dat de procedure, rechten en plichten zoals beschreven in dit protocol worden nageleefd door alle instanties die een intern onderzoek naar een vermoedelijke integriteitschending of misstand verrichten, ongeacht of dit bijvoorbeeld een particulier bureau is of de organisatie zelf. In dit onderzoeksprotocol staan de rechten en de plichten van de bij het feitenonderzoek betrokken personen, inclusief de onderzoekers. Betrokken personen ontvangen van de onderzoekers een exemplaar van dit onderzoeksprotocol, zodra om hun medewerking wordt verzocht. Van dit onderzoeksprotocol afwijken kan, in overleg met de opdrachtgever, uitsluitend als zwaarwegende belangen dit noodzakelijk maken. De afwijking en de reden daarvoor worden opgenomen in het onderzoeksrapport. 1.Definities In dit protocol wordt verstaan onder: Integriteitschending: aantasting van integriteit door onder andere: misbruik van bevoegdheden of positie; misbruik van (toegang) tot informatie; belangenverstrengeling; onverenigbare nevenactiviteiten; verspilling en misbruik van gemeentelijke eigendommen; strafbare feiten binnen werktijd zoals diefstal, verduistering, fraude en corruptie; (strafbare) misdragingen buiten werktijd; ongewenste omgangsvormen, zoals pesten, intimideren of discrimineren; schending van wettelijke voorschriften of beleidsregels; een gevaar vormen voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu. Opdrachtgever: de algemeen directeur geeft opdracht tot het uitvoeren van het onderzoek en wijst de interne dan wel externe onderzoekers aan. De onderzoeken worden begeleid door een functionaris die speciaal is aangewezen om onderzoeken te begeleiden, die over de voortgang en de beslissingen die genomen worden in nauw contact staat met de algemeen directeur. In het geval een dergelijke specifieke begeleider (tijdelijk) ontbreekt is het de integriteitscoördinator die het onderzoek begeleidt. De persoon in kwestie: de medewerker van de gemeente Leidschendam-Voorburg wiens handelingen worden onderzocht, inclusief de arbeidscontractanten, de stagiaires, uitzendkrachten en gedetacheerden die werkzaam zijn bij de gemeente Leidschendam-Voorburg voor zover die handelingen schadelijk zijn voor de gemeente. Intern betrokkenen: medewerkers en bestuurders van de gemeente Leidschendam-Voorburg waaronder ook de arbeidscontractanten, de stagiaires, uitzendkrachten en gedetacheerden die werkzaam zijn bij de gemeente Leidschendam-Voorburg en aan wie medewerking aan het onderzoek is verzocht; Extern betrokkenen: personen aan wie medewerking aan het onderzoek is verzocht, maar die niet werkzaam zijn bij de gemeente Leidschendam-Voorburg. Melding: een signaal dat door een medewerker van de gemeente Leidschendam-Voorburg, een burger, een bedrijf, politie/justitie en andere derden mondeling, schriftelijk, telefonisch of per e-mail is afgegeven over een vermoedelijke integriteitschending binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg en is ingediend bij het Meldpunt Integriteit. Melder: degene die een melding doet. Meldpunt Integriteit: virtueel organisatieonderdeel bestaande uit integriteitscoördinator en MT-lid verantwoordelijk voor integriteit. Onderzoekende instantie: de particuliere instantie danwel de interne instantie die wordt aangesteld om onderzoek te verrichten naar een vermoedelijke integriteitschending. 2.Aanleiding onderzoek en (eventueel) vooronderzoek 2.1 Vooronderzoek Alvorens tot een vooronderzoek wordt overgegaan, vindt een intakegesprek bij het Meldpunt Integriteit plaats (zie Meldingsprocedure (vermoeden) integriteitsschendingen, bijlage 2 Integriteitsbeleid). Een onderzoek zoals bedoeld in hoofdstuk 3 wordt voorafgegaan aan een vooronderzoek. Het vooronderzoek bestaat uit het verzamelen van algemene informatie om zodoende meer duidelijkheid te krijgen over de vermeende integriteitsschending. De bevoegdheden in de hoofdstukken 3 en 4 van dit Onderzoeksprotocol hebben alleen betrekking op een onderzoek en niet op een vooronderzoek. Het vooronderzoek heeft tot doel om meer duidelijkheid te krijgen over de vermeende integriteitsschending en de melding zodanig concreet te krijgen zodat beoordeeld kan worden of een melding direct afgedaan kan worden of dat een nader onderzoek noodzakelijk is. 2.2 Totstandkoming van een onderzoek Een onderzoek vindt alleen plaats nadat er op grond van concrete aanwijzingen een vermoeden van een integriteitschending is ontstaan. De opdrachtgever wijst de interne dan wel externe onderzoekers aan. De onderzoekers dienen voldoende objectief en deskundig te zijn. Zij mogen op geen enkele wijze betrokken zijn bij de vermeende integriteitsschending dan wel de mogelijke pleger daarvan. 2.3 De opdracht tot een onderzoek Na overleg tussen de opdrachtgever en de onderzoekende instantie wordt de opdracht tot het verrichten van het onderzoek schriftelijk vastgelegd. De opdracht bevat in ieder geval: de aanleiding; een duidelijk omschreven doelstelling; de onderzoeksvragen; de vermelding dat de opdrachtgever instemt met het gebruik door de onderzoekende instantie van de hem toekomende onderzoeksbevoegdheden, de onderzoeksmethoden en de vermoedelijke duur van het onderzoek. Als tijdens het onderzoek blijkt dat het onderzoek meer tijd zal vergen dan verwacht, wordt de opdrachtgever daarvan tijdig op de hoogte gesteld. Het Meldpunt Integriteit coördineert de opdracht tot een onderzoek. 3.Het onderzoek 3.1. Bevoegdheden Het onderzoek wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de opdrachtgever en met gebruikmaking van de onderzoeksbevoegdheden die hij als werkgever heeft. Er zijn bepaalde bevoegdheden, die niet in de arbeidsvoorwaardenregeling (cao) staan, waarvan een werkgever gebruik kan maken om zijn werknemers te controleren, als er een vermoeden bestaat dat zijn werknemers zich niet gedragen zoals een ‘goed werknemer’ dat hoort te doen. Deze bevoegdheden kunnen worden gebaseerd op jurisprudentie en analoge toepassing van artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek (goed werkgeverschap, goed werknemerschap) in het ambtenarenrecht. De onderzoeksprocedures en -strategieën worden, na overleg met de opdrachtgever door de onderzoekende instantie vastgesteld. Bij het bepalen van de procedures, strategieën en methoden van onderzoek worden de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit toegepast. Onder subsidiariteit wordt verstaan, dat bij de afweging welke procedure, strategie of methode wordt toegepast, gekozen wordt voor de variant die het minst ingrijpend is. Volgens het proportionaliteitsbeginsel wordt gekeken naar een redelijke verhouding tussen middel en doel (evenredigheid). Bij gebruikmaking van de bevoegdheden zoals genoemd onder 4.2 tot en met 4.4.3. wordt altijd afstemming gezocht met de Functionaris Gegevensbescherming. De onderzoekende instantie zal bewijs niet onrechtmatig (= in strijd met wettelijke bepalingen of jurisprudentie) vergaren. 3.2 Inlichten van de persoon in kwestie De opdrachtgever stelt, na overleg met de onderzoekende instantie, de persoon in kwestie in kennis van het feit dat een onderzoek is ingesteld naar zijn handelingen. Dit gebeurt zo spoedig mogelijk nadat het onderzoek is ingesteld naar zijn handelingen. In de regel gebeurt dit voordat de onderzoekende instantie de intern of extern betrokkenen verzocht heeft mondeling informatie te verschaffen. De opdrachtgever deelt de persoon in kwestie de aard en het doel van het onderzoek mee. Daarbij vermeldt de opdrachtgever dat de persoon in kwestie zich kan laten ondersteunen door een (externe) vertrouwenspersoon van de werkgever. Ook deelt de opdrachtgever aan de persoon in kwestie mee dat hij/zij en eventuele getuigen kunnen worden gehoord. De opdrachtgever deelt mee dat de persoon in kwestie zich kan laten bijstaan door een raadsman. Als het onderzoeksbelang zich tegen de kennisgeving verzet, wordt de kennisgeving aan de persoon in kwestie opgeschort. In verband met vertrouwelijkheid ten aanzien van de identiteit van de melder wordt diens naam niet bekend gemaakt bij de persoon in kwestie van wie de melding is gedaan. Ook de melding zelf wordt niet aan de persoon in kwestie verstrekt, tenzij op grond van een wettelijke verplichting of als de melder hiervoor toestemming geeft. 3.3 Onderzoekers De interne onderzoeksinstantie bestaat uit minimaal twee personen waarin de benodigde kennis en expertise met het doen van feitenonderzoek aanwezig is. Ook kan hierbij worden gedacht aan bijvoorbeeld financiële of ICT expertise. Tussen de onderzoekers en de betrokkenen/persoon in kwestie is voldoende afstand om een voldoende objectief onderzoek te garanderen. Alleen particuliere onderzoeksbureaus die op grond van artikel 2, eerste lid, Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus van de minister van Justitie een vergunning hebben verkregen, worden ingehuurd om interne onderzoeken te verrichten. De medewerkers van de onderzoekende instantie legitimeren zich desgevraagd. Indien nodig schakelt de onderzoekende instantie na overleg met de opdrachtgever derden met de vereiste deskundigheid in. De onderzoekende instantie is ten opzichte van de opdrachtgever verantwoordelijk voor de kwaliteit van de werkzaamheden van deze derden. 3.4 Informatieverstrekking door de onderzoekende instantie Tijdens het onderzoek wordt de opdrachtgever geregeld mondeling door de onderzoekende instantie over de voortgang op de hoogte gehouden. Hiervoor wordt door de onderzoekende instantie een journaal van het onderzoek bijgehouden. De opdrachtgever en de onderzoekende instantie maken afspraken over de wijze waarop tussenrapportages, mondeling of schriftelijk, worden uitgebracht. Voorafgaand aan, tijdens en na afloop van het onderzoek stelt de onderzoekende instantie zonder toestemming van de opdrachtgever geen informatie aan derden ter beschikking, tenzij de onderzoekende instantie daartoe door een wettelijk voorschrift of gerechtelijke uitspraak wordt verplicht. De opdrachtgever blijft te allen tijde eigenaar over de onderzoeksinformatie. 3.5 Informatieverstrekking door de opdrachtgever Verstrekking van informatie over het onderzoek aan de media, het publiek, de eigen organisatie en overige personen geschiedt door de opdrachtgever, na voorafgaand overleg met de onderzoekende instantie. De opdrachtgever stelt de onderzoekende instantie in kennis van de vragen die voor, tijdens en na het onderzoek door de media zijn gesteld en van de antwoorden die zijn gegeven. De opdrachtgever is verantwoordelijk voor de wijze waarop de persoon wiens informatie de aanleiding is geweest tot het geven van een onderzoeksopdracht, wordt ingelicht over het onderzoek en de resultaten ervan. Als de opdrachtgever deze persoon gedurende het onderzoek wil informeren, gebeurt dit na voorafgaand overleg met de onderzoekende instantie. 3.6 Uitbreiding van een onderzoek Vindt de opdrachtgever na het verkrijgen van de voortgangsrapportages en na overleg met de onderzoekende instantie dat het onderzoek moet worden uitgebreid, dan wordt die uitbreiding schriftelijk vastgelegd. 3.7 Medewerking aan een onderzoek De personen die worden verzocht hun medewerking te verlenen aan het onderzoek zijn daartoe niet verplicht, anders dan krachtens wet, overeenkomst of rechterlijk oordeel. Als een intern of extern betrokkene weigert mee te werken aan het onderzoek, zal dat worden gemeld bij de opdrachtgever en worden vermeld in de rapportage. De persoon in kwestie en de intern betrokkenen hebben als ambtenaar in beginsel de plicht om te voldoen aan een redelijk verzoek van hun werkgever. De persoon in kwestie heeft daarentegen het recht om zijn medewerking aan het onderzoek te weigeren, voor zover hij hiermee zichzelf zou belasten. Als hij geen medewerking verleent, kan dit mogelijk leiden tot rechtspositionele maatregelen. Dat is het geval als sprake is van gerechtvaardigde, ernstige twijfel aan de integriteit van de persoon in kwestie, wanneer zijn functie bijzondere eisen stelt aan de integriteit en door zijn weigering om mee te werken deze twijfel blijft bestaan. De weigering van een intern betrokkene om, in de uitoefening van zijn functie, mee te werken aan het onderzoek kan worden gemeld bij zijn eindverantwoordelijk leidinggevende. Als de weigering daartoe aanleiding geeft (bijvoorbeeld doordat er sprake is van plichtsverzuim) bestaat de mogelijkheid dat er passende rechtspositionele maatregelen genomen worden. Het voorgaande geldt ook als tijdens het onderzoek blijkt dat een intern betrokkene bewust onjuiste informatie heeft verstrekt of opzettelijk relevante informatie heeft achtergehouden. 4.Onderzoeksmethoden De onderzoekende instantie kan tijdens een onderzoek beschikken over de navolgende, van de opdrachtgever/werkgever afgeleide, bevoegdheden. Deze bevoegdheden worden pas aangewend na toestemming van de opdrachtgever en met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. 4.1 Het verkrijgen van informatie van personen Een ambtenaar dient de hem gegeven voorschriften op te volgen en in het algemeen alles te doen of na te laten dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Daaruit kan voortvloeien dat de werkgever (en de onderzoekende instantie tijdens een onderzoek in zijn opdracht) zijn werknemer verzoekt om informatie betreffende zijn functie, of datgene wat hij uit hoofde van zijn functie weet of heeft waargenomen. Ook de extern betrokkene kan verzocht worden om informatie te geven. Een verzoek tot informatieverstrekking valt te onderscheiden in een: verzoek tot het mondeling verstrekken van feiten of omstandigheden; verzoek tot het ter beschikking stellen van of inzage geven in schriftelijke stukken of andere goederen. ad
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.