Levensloopreglement gemeente Capelle aan den IJsselArtikel1Definities In deze regeling wordt verstaan onder: Werkgever - De gemeente Capelle aan den IJssel. Medewerker - De ambtenaar zoals genoemd in artikel 1:1 van de CAR dan wel de werknemer met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan. Deelnemer - De medewerker die overeenkomstig artikel 3 aan de levensloopregeling deelneemt. Bezwarende functie - Een betrekking met een hoge belasting door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten. Instelling - De door de medewerker aan te wijzen instelling in de zin van artikel 19g, lid 4 van de Wet op de loonbelasting 1964, waarbij de levenslooprekening dan wel de levensloopverzekering dan wel het levenslooprecht van deelneming wordt aangehouden. Levenslooprekening - Een bij de instelling op naam van deelnemer geopende geblokkeerde rekening, waarnaar het ingehouden salaris wordt ingehouden. Levensloopverzekering - Een bij de instelling op naam van deelnemer afgesloten verzekering, waarna het ingehouden salaris wordt overgemaakt. Levenslooptegoed - Het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal. WAZ - De Wet Arbeid en Zorg; in deze wet zijn de navolgende wettelijke verlofrechten opgenomen: verlof in verband met zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg, calamiteiten en ander kortdurend verzuim, kortdurend zorgverlof en ouderschapsverlof. Artikel2Doel van de regeling De levensloopregeling heeft ten doel het treffen van een voorziening in geld, uitsluitend ten behoeve van het opnemen van een periode van extra verlof. Artikel3Deelname 3.1 Wie mogen deelnemen Ieder medewerker die in dienst is bij de werkgever, als genoemd in artikel 1, heeft het recht deel te nemen aan de levensloopregeling. 3.2Aanvang deelname De deelname aan de levensloopregeling vangt aan door invulling en ondertekening door deelnemer van het aanmeldingsformulier (bijlage 1). De deelnemer verklaart zich door ondertekening van het aanmeldingsformulier akkoord met de bepalingen van deze regeling. De werkgever willigt het verzoek in uiterlijk met ingang van de aanvang van de derde kalendermaand na de indiening ervan. De medewerker wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 3.3Einde deelname De deelname aan de levensloopregeling eindigt: van rechtswege: bij beëindiging van het dienstverband; bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd van de deelnemer dan wel - indien dit eerder is – op het moment van ingaan van het ouderdomspensioen; bij overlijden van de deelnemer; wanneer deelnemer zijn aanspraken ingevolge de levensloopregeling afkoopt, vervreemdt, prijsgeeft dan wel zijn aanspraken formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid maakt, anders dan ten behoeve van de in artikel 61k Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001 bedoelde verpanding. Op verzoek van de deelnemer: door schriftelijke mededeling door de deelnemer aan de werkgever dat hij niet langer wenst deel te nemen aan de levensloopregeling; bij faillissement van de deelnemer; bij van toepassing verklaring op de deelnemer van de wettelijke schuldsaneringsregeling zoals omschreven in titel III van de Faillissementswet; bij daadwerkelijk verhaal op basis van een executoriale titel ten laste van de deelnemer; bij onder curatele stelling van de deelnemer; indien de deelnemer duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Artikel4Opbouw verlofaanspraak 4.1 Levenslooprekening en/of levensloopverzekering De werkgever stort het op verzoek van de medewerker ter zake van een levensloopregeling ingehouden salaris op de door de medewerker geopende levenslooprekening of de gesloten levensloopverzekering. De medewerker geeft schriftelijk kennis (bijlage 1) aan de werkgever van de hoogte van het per kalenderjaar in het kader van de levensloopregeling in te houden salaris. Opbouwmogelijkheden Maximale opbouw 4.2.1.1Hoofdregel De inhouding per kalenderjaar ingevolge de levensloopregeling bedraagt: Indien aan het begin van het kalenderjaar het levenslooptegoed minder bedraagt dan 2,1 maal het salaris op jaarbasis gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten salaris: ten hoogste 12% van het salaris in het kalenderjaar; indien aan het begin van het kalenderjaar het levenslooptegoed gelijk is aan of meer bedraagt dan 2,1 maal het salaris gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten salaris: nihil. De totale aanspraak aan het einde van het lopende kalenderjaar mag - ten gevolge van de in dat kalenderjaar opgebouwde aanspraken - een periode van fulltime verlof tegen 100% van het laatstgenoten salaris van 2,1 jaar (de zogenoemde 210%-toets) niet te boven gaan. 4.2.1.2Uitzonderingen 4.2.1.2.1Oudere medewerkers Op grond van het overgangsrecht geldt de maximering van 12% per jaar niet voor medewerkers die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar, maar nog niet de leeftijd van 56 jaar hadden bereikt. De 210%-toets geldt evenwel ook voor hen overkort. 4.2.1.2.2 Wijziging in de aanstelling Voor de toetsing aan de begrenzing van 12% en de 210%-toets mag in twee situaties een salarisverlaging in de periode die aanvangt tien jaren direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum, buiten beschouwing blijven, te weten: de salarisverlaging is het gevolg van het aanvaarden van een deeltijdfunctie, mits de omvang van de functie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband direct voorafgaande aan de in de aanhef genoemde periode; de salarisverlaging is het gevolg van het benoemen in een lagere bezoldigde functie. 4.2.1.2.3 Afkoop prepensioen Op grond van het overgangsrecht geldt voor medewerkers die met toepassing van artikel 32, lid 4 Pensioen- en Spaarfondsenwet prepensioenafspraken afkopen en deze afkoop aanwenden voor het opbouwen van een voorziening ingevolge de levensloopregeling, de maximering van 12% per jaar niet. De 210%-toets geldt ook voor hen echter onverkort. 4.2.1.2.4Overdracht 'oude aanspraken' naar werkgever Bij aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking worden de aanspraken ingevolge een levensloopregeling die door de medewerker zijn opgebouwd bij een gewezen inhoudingsplichtige, geacht te zijn opgebouwd bij de inhoudingsplichtige bij wie de medewerker in dienst treedt. Hierop bestaan twee uitzonderingen, te weten: in de nieuwe dienstbetrekking worden geen aanspraken ingevolge een levensloopregeling opgebouwd; de bij de gewezen inhoudingsplichtige opgebouwde aanspraken worden reeds geacht te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de medewerker in dienstbetrekking staat. De deelnemer kan - behoudens in geval van de onder 2. genoemde situatie - bij indiensttreding de aanspraken die hij/zij ingevolge een levensloopregeling en/of een verlofspaarregeling heeft opgebouwd bij een vorige werkgever, ook feitelijk inbrengen in de levensloopregeling van de werkgever. 4.2.1.3Aangroei boven plafond Op het levenslooptegoed gekweekte inkomsten en daarmee behaalde rendementen leiden niet tot de constatering dat de levensloopregeling niet meer als zodanig kwalificeert. 4.2.1.4Overschrijding maximale opbouw Indien er in enig kalenderjaar een hoger bedrag wordt ingehouden dan op grond van het bepaalde in 4.2.1.1 toegestaan is, kan deze inhouding zonder gevolgen voor de levensloopregeling in hetzelfde kalenderjaar door de instelling worden teruggestort aan de werkgever, zulks op voorwaarde dat de werkgever deze terugstorting als salaris uitkeert aan de deelnemer. 4.3Bronnen 4.3.1Uit brutosalaris en/of door bijdrage van de werkgever Het opbouwen van een verlofaanspraak vindt plaats door inhouding op het (bruto)salaris van de deelnemer, voor zover dat uitgaat boven het minimumsalaris, en/of door een bijdrage van de werkgever (zie 4.4), waarbij het ingehouden salaris en/of de bijdrage van de werkgever wordt aangewend voor het treffen van een voorziening voor een periode van extra verlof. Naast het inzetten van brutosalaris kunnen ook de vakantietoelage en de eindejaarsuitkering worden ingezet als inleg in het kader van de levensloopregeling. Het is niet toegestaan de levenslooprekening of de levensloopverzekering of het levenslooprecht van deelneming op een andere wijze te vullen dan door middel van inhouding op het salaris, de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen. 4.3.2Vakantiedagen, overwerkuren et cetera Het is niet mogelijk om een voorziening in tijd op te bouwen. De medewerker kan daarentegen wel de werkgever verzoeken de waarde van zijn bovenwettelijke vakantiedagen dan wel overuren om te zetten in salaris in geld en dat bedrag in de levensloopregeling te storten, met inachtneming van de beperkingen zoals opgenomen in artikel 4.2.1.1. 4.4Levensloopbijdrage De medewerker die geboren is na 3 december 1949, met uitzondering van de ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met FPU is gegaan, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 400,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan medewerkers die zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht hebben op een uitkering (FPU) zoals bedoeld in hoofdstuk 5 van de CAR/UWO. In afwijking van het bovenstaande is de levensloopbijdrage 2,5% indien en voor zolang hoofdstuk 9a van de CAR/UWO op de medewerker van toepassing is. De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand juli betaald. Bij indiensttreding na 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de medewerker naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage op. Bij ontslag van een medewerker vindt betaling van de levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de medewerker werkzaam is geweest. De levensloopbijdrage behoort tot het percentage van het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g, van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP. 4.5(Wijzigings)verzoek De deelnemer kan slechts één keer per kalenderjaar een (wijzigings)verzoek (bijlage 4) met betrekking tot het in te houden bedrag doen. De deelnemer heeft echter wel te allen tijde de mogelijkheid om de werkgever te verzoeken de inhoudingen en stortingen te beëindigen. Artikel5Verlof 5.1Toestemming werkgever 5.1.1Aanvraag Het verzoek tot het opnemen van verlof op grond van de levensloopregeling - behoudens voor zover het verlofrechten op grond van de WAZ betreffen - dient te worden gedaan ten minste drie maanden voor beoogde ingangsdatum van de verlofperiode. Voor het aanvragen van het verlof dient de deelnemer de volgende formulieren in te vullen: Formulier Verzoek onbetaald verlof (bijlage 2); Melding opnemen levenslooptegoed (bijlage 3). Als werkgever akkoord gaat met het opnemen van het gevraagde verlof, ontvangt de deelnemer een door werkgever voor akkoord ondertekende aanvraag retour. 5.1.2 Toestemming Voor het opnemen van verlof op grond van deze regeling is toestemming van werkgever vereist, behoudens voor zover het verlofrechten op grond van de WAZ betreft. Werkgever zal bij de te maken afweging om toestemming te verlenen alle relevante feiten en omstandigheden betrekken, zoals onder andere de reden van het verlof, de aard van de functie van de deelnemer, de personele bezetting op de afdeling waar de deelnemer werkzaam is, persoonlijke omstandigheden van de deelnemer, de duur van het dienstverband, de lengte en de omvang van het aangevraagde verlof en de volgorde van binnenkomst van eventuele andere aanvragen. Indien de werkgever een verzoek weigert, treden partijen alsdan in overleg over de datum waarop en voorwaarden waaronder opname van verlof eventueel wel mogelijk is. Deelnemer dient - behoudens voor zover het verlofrechten op grond van de WAZ betreft - minimaal één jaar in dienst bij werkgever te zijn, alvorens verlof in het kader van de levensloopspaarregeling op te kunnen nemen. 5.2 Duur verlof Werkgever verleent - behoudens voor zover het verlofrechten op grond van de WAZ betreffen en/of de aanvraag ziet op verlof voorafgaande aan pensionering - geen toestemming voor verlof gedurende een periode korter dan één maand(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.