← Nederland

Nota bodembeheer Nissewaard (Nissewaard)

Obsah (5)§ 4§ 7§ 2§ 6§ 1

Nota bodembeheer NissewaardDe Raad heeft op 25 september 2019 besloten de Nota bodembeheer Gemeente Nissewaard en de bijbehorende bodemkwaliteitskaarten vast te stellen en zes weken ter inzage te legg

nswijze naar voren te brengen of als u wilt reageren op aangebrachte wijzigingen ten opzichte van de ontwerp van de Nota bodembeheer. Een beroepschrift dient te worden ondertekend en bevat ten minste naam en adres van de indiener, dagtekening, omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht alsmede de gronden/motivering van het beroep. Het instellen van beroep heeft geen schorsende werking. Degene die beroep heeft ingesteld kan een verzoek om voorlopige voorziening indienen bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De raad van de gemeente Nissewaard; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 augustus 2019; gelet op artikel 44 eerste lid van het Besluit bodemkwaliteit. gelet op artikel 156 Gemeentewet. gezien het advies van de commissie Leefomgeving van 11 september 2019; besluit vast te stellen: de nota bodembeheer Nissewaard waarbij de bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten: Rotterdam, Maassluis, Schiedam en Vlaardingen gelegen in het beheergebied, worden geaccepteerd als een wettig bewijsmiddel, voor het toepassen van grond en bagger in onze gemeente. het delegatiebesluit met de volgende regels: Het college mag het bodembeheergebied uitbreiden met die gebieden die binnen de provincie Zuid-Holland zijn gelegen. Het college mag uitsluitend bodemkwaliteitskaarten accepteren die gebieden omvatten die binnen de begrenzing van het bodembeheergebied zijn gelegen.. Het college mag voor het eigen grondgebied de bodemkwaliteitskaarten actualiseren, mits dit alleen feitelijk geconstateerde nieuwe waarden betreft, of nieuwe waarden voorschrijft die lager zijn dan de maximale waarden die de raad reeds voorschreef en Het college mag voor de stof PFAS de wijzigingen die worden voorgesteld door de DCMR vaststellen. Intrekking oude regeling De Nota bodembeleid Regio Voorne-Putten voor het toepassingsgebied Nissewaard (voormalig Bernisse en Spijkenisse met grenscorrectie Oudenhoorn) wordt ingetrokken. Inwerkingtreding De nota bodembeheer Nissewaard treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking in het gemeenteblad. Citeertitel Dit beleid wordt aangehaald als: “nota bodembeheer Nissewaard”. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Nissewaard van 25 september 2019. De griffier, S.J.M. Mackaij De voorzitter, G. Veldhuijzen Nota bodembeheer Nissewaard “Beleid voor het tijdelijk opslaan en/of toepassen van grond en gerijpte baggerspecie op of in de bodem” Overzicht bijlagen Bijlage 1 – Begrippenlijst Bijlage 2 – Wet- en regelgeving Bijlage 3A – Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart Bijlage 3B – Specificatie uitbijters Bijlage 4 – Statistische parameters bodemkwaliteitszones (gebiedsspecifiek beleid) Bijlage 5 – Mogelijkheden vrij grondverzet (grondstromenmatrix) Bijlage 6, 7 – Onderbouwing Lokale Maximale Waarden Bijlage 8 – Vragenformulier historische gegevens Overzicht kaartbijlagen Kaartbijlage 1 – Bodemfunctieklassenkaart Kaartbijlage 2 – Ligging bodemkwaliteitszones Kaartbijlage 3 – Ontgravingskaart Kaartbijlage 4 – Toepassingskaart – gebiedsspecifiek beleid Kaartbijlage 5 – Toepassingskaart - generiek beleid Nota bodembeheer Nissewaard Beleid voor het tijdelijk opslaan en/of toepassen van grond en gerijpte baggerspecie op of in de bodem Inleiding De gemeente Nissewaard heeft de wens het grondstromenbeleid verder af te stemmen met andere gemeenten in het werkgebied van de DCMR Milieudienst Rijnmond en grondverzet mogelijk te maken met andere gemeenten in dit werkgebied. Daarnaast wil de gemeente nog beter invulling geven aan haar huidige duurzame grondstromenbeleid. Om dit te realiseren heeft de gemeente de eerder vastgestelde bodemfunctieklassenkaart, de bodemkwaliteitskaart en de nota bodembeheer geactualiseerd. De kaarten zijn de instrumenten bij de uitvoering van het grondstromenbeleid. Deze geactualiseerde nota bodembeheer geeft aan hoe vrijgekomen grond en gerijpte baggerspecie mag worden opgeslagen (tijdelijk), hergebruikt of toegepast. Ook zijn regels en procedures voor dit beleid geformuleerd. Deze nota bodembeheer is bedoeld voor professionele partijen. De gemeente vult haar grondstromenbeleid in door vrijkomende grond en gerijpte baggerspecie (bij graaf- en baggerwerkzaamheden) zoveel als mogelijk te hergebruiken zodat minder materiaal wordt gestort en minder primaire grondstoffen worden gewonnen. De wet- en regelgeving voor het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie is geregeld in het Besluit en Regeling bodemkwaliteit. Het is niet zonder meer toegestaan om grond en gerijpte baggerspecie ergens te ontgraven en op een andere plaats toe te passen of tijdelijk op te slaan. Voorkomen moet worden dat het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en gerijpt baggerspecie de ontvangende bodem verontreinigt en risico's vormt voor het (toekomstige) bodemgebruik. Met de geactualiseerde nota bodembeheer, bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart zijn de eerder bestuurlijk vastgestelde nota bodembeheer, bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart vervangen. Gemeentelijk beleid In de onderstaande tabel is het (gebiedspecifieke) gemeentelijke beleid weergegeven waarbij is aangegeven of het beleid een voorzetting of een aanpassing van het tot nu toe gevoerde beleid dan wel nieuw beleid is. Beleidsonderwerp Voortzetting beleid Aanpassing beleid Nieuw beleid Het uitbreiden van het bodembeheergebied van de gemeente Nissewaard en het accepteren van de bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten Maassluis, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen als erkend bewijsmiddel bij het toepassen van grond (

§ 4.2).

V Het uitbreiden van het bodembeheergebied van de gemeente Nissewaard en het accepteren van de bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne als erkend bewijsmiddel bij het toepassen van grond zodra deze gemeenten de bodemkwaliteitskaart hebben geactualiseerd. Als het Waterschap Hollandse Delta een nieuwe waterbodemkwaliteitskaart bestuurlijk heeft vastgesteld wordt ook deze kaart geaccepteerd als erkend bewijsmiddel bij het toepassen van onderhoudsbaggerspecie (

§ 4

.2) V Het vaststellen van strengere eisen bij het toepassen van grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en (

§ 4.3.2).

V Het verruimen van de regels voor het toepassen van grond vanuit en ter plaatse van onverharde wegbermen van aangewezen wegen (

§ 4.3.3).

V Het stellen van eisen bij het toepassen van grond met PFAS-verbindingen (§ 4.3.4). V Het verruimen van regels bij het hergebruik onderhoudsbaggerspecie vanuit bebouwde kommen op percelen in het buitengebied met een landbouwbestemming (

§ 4.3.5).

V Het vaststellen van (strengere) eisen bij het toepassen van grond met bijmenging van bodemvreemd materiaal (

§ 4.4).

V Het vaststellen van strengere eisen bij het toepassen van grond met asbestverdacht/-houdend materiaal op gevoelig bodemgebruik dat in opdracht van de gemeente wordt uitgevoerd (

§ 4.5).

V Het vaststellen van strengere eisen voor grond vanuit gebieden waar de gemeente de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel voor de stedelijke kwaliteit van de toe te passen grond, als deze wordt toegepast in gebieden waarvoor de gemeente zelf strenger beleid heeft vastgesteld dan de landelijke regelgeving (

§ 4.6).

V Het verruimen van de regels bij grondstromen met kleine partijen grond (

§ 4.7).

V Het toepassen van grond in grootschalige bodemtoepassingen (

§ 4.8).

V Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag (

§ 4.9).

V Het verruimen van de regels voor het toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld (

§ 4.10).

V Gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij het Activiteitenbesluit (bij de interpretatie van een eindsituatie-onderzoek als geen nulsituatie-onderzoek beschikbaar is;

§ 4.11).

V Het toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag of leeflaag in een sanering (

§ 4.12).

V Het toepassen van grond vanuit of in gebieden die zijn uitgesloten van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart en grond vanuit oude categorie-1 werken (

§ 4.13.1).

V De geldigheidsduur van een eventueel uitgevoerd onderzoek (

§ 4

.13.2) V Het gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart als al een kwaliteitsonderzoek is uitgevoerd (

§ 4

.13.2) V Grondverzet ter plaatse van gesaneerde en te saneren locaties (

§ 4.13.3).

V Grondverzet ter plaatse van beschermingsgebieden (

§ 4.13.4).

V Het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie (

§ 4

.14) V Het verruimen van de regels bij de tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur én groenvoorzieningen (

§ 4.15).

V Het voorkomen van verspreiding van plaagsoorten (flora, zoals de Japanse duizendknoop;

§ 4

.16) V Het verruimen van de regels voor het melden van grond die voorafgaand aan de toepassing tijdelijk wordt opgeslagen (

§ 7.2.3).

V Vrijstellingsregeling bodemonderzoek bij aanvraag van een omgevingsvergunning (bouw en/of bestemmingsplan;

hoofdstuk 8). V Beoogd effect Met het vaststellen van dit geactualiseerde grondstromenbeleid wordt gefaciliteerd dat: de gemeente duurzaam grondstromenbeleid in uitvoering brengt dat praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant is; meer grondstromen kunnen plaatsvinden zonder dat voorafgaand de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Voor de gemeente en derden kunnen besparingen worden gerealiseerd in uitvoeringstijd en -kosten; meer toepassingslocaties beschikbaar komen om vrijkomende grond duurzaam te hergebruiken; het gebruik en de aankoop van primaire én secundaire bouwstoffen (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank) wordt verminderd; de druk op het wegennet, de uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof en het gebruik van energie wordt verminderd (grond hoeft minder ver te worden getransporteerd, geen extra productie door grondverwerker). Financiën Het grondstromenbeleid heeft voor de gemeente geen nadelige financiële gevolgen. Met het beleid kunnen voor de gemeente en derden besparingen worden gerealiseerd bij: onderzoekskosten voor de toe te passen grond en de ontvangende bodem en bij het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie; transport-, reinigings- en/of stortkosten van vrijkomende grond; aanschafkosten voor de toe te passen primaire grondstoffen (zand uit zandwinputten) en secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld grond van een grondbank). Communicatie De mogelijkheden voor het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie, wordt door de gemeente digitaal en interactief inzichtelijk gemaakt met een website die voor iedereen te raadplegen is: https://dcmr-bbkweb.lievense.com. Hiermee wordt al vooruitgelopen op één van de doelstellingen van de Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2021 in werking treedt. Ook worden de kaarten van deze nota bodembeheer raadpleegbaar op de website van het Bodemloket http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. 1Inleiding 1.1Aanleiding en doelstelling De gemeente heeft de wens het grondstromenbeleid verder af te stemmen met andere gemeenten in het werkgebied van de DCMR Milieudienst Rijnmond (hierna aangeduid als ‘DCMR’) en grondverzet mogelijk te maken met andere gemeenten in dit werkgebied. De gemeente streeft ook naar een zo optimaal en duurzaam mogelijke hergebruik van (licht verontreinigde) grond en gerijpte baggerspecie, zodat het nuttig en milieuhygiënisch verantwoord hergebruik hiervan mogelijk wordt gemaakt. Om dit te realiseren heeft de gemeente de eerder vastgestelde bodemfunctieklassenkaart, bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer[1] geactualiseerd. De geactualiseerde bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart (

bijlage 3) en deze nota bodembeheer vervangen de eerder vastgestelde bodemfunctieklassenkaart, bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer. Bij allerlei graafwerkzaamheden en bewerkingen van de (water)bodem komt grond en baggerspecie vrij. Het tijdelijk opslaan en het hergebruik of toepassen van grond en gerijpte baggerspecie valt onder het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit[2] [3] (hierna aangeduid als 'het Besluit' en 'de Regeling'). Het grondstromenbeleid moet praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant zijn. Hiermee wordt vorm gegeven aan het duurzaam en verantwoord hergebruik, toepassing en tijdelijke opslag van grond en gerijpte baggerspecie in de gemeente. Er zijn vier motieven voor het duurzaam en verantwoord grondstromenbeleid: Een ‘standstill’ voor de bodemkwaliteit op het niveau van het bodembeheergebied (de kwaliteit van de bodem moet gelijk blijven en op termijn verbeteren). Beperking van het gebruik en aankoop van primaire en secundaire grondstoffen (aanvoer en gebruik van zand uit zandwinputten of grond van een grondbank). Kostenbesparing (minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond). Minder grondtransportbewegingen en energiebesparing (minder druk op het wegennet, minder uitstoot van fijnstof en CO2 en minder grondverwerking). Deze nota bodembeheer geeft aan hoe vrijgekomen grond en gerijpte baggerspecie (hierna tezamen aangeduid als 'grond') op en in de landbodem van de gemeente kan en mag worden opgeslagen (tijdelijk), hergebruikt of toegepast. De bodemfunctieklassen- en bodemkwaliteitskaart zijn de instrumenten bij de uitvoering van dit duurzame grondstromenbeleid. Op de bodemfunctieklassenkaart zijn de functies ‘Natuur’, ‘Landbouw’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’ weergegeven. De bodemkwaliteitskaart geeft voor de gemeente de te verwachten (stedelijke) bodemkwaliteit aan van voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties weer voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2 meter diepte. Deze nota is bedoeld voor professionele partijen die te maken hebben met het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond op of in de landbodem van het grondgebied van de gemeente Nissewaard. De gemeente heeft binnen de mogelijkheden van het Besluit, gebiedsspecifiek beleid opgesteld. Bij het gebiedsspecifieke beleid is een afweging gemaakt tussen enerzijds de risico’s voor bodemverontreiniging en behoud van de bestaande bodemkwaliteit en anderzijds de mogelijkheden voor hergebruik of toepassing van grond binnen de gemeente. De kaarten en de nota bodembeheer zijn niet afzonderlijk van elkaar te gebruiken. 1.2Afbakening nota bodembeheer 1.2.1Bevoegd gezag In de meeste situaties is bij het toepassen van grond op of in de landbodem de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Binnen inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit vallen, is hiervoor de vergunningverlener het bevoegd gezag. Voor toepassingen op of in de waterbodem en in een oppervlaktewaterlichaam is de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag. In de gemeente Nissewaard is dat het Waterschap Hollandse Delta (binnendijks) of Rijkswaterstaat (buitendijks). 1.2.2Reikwijdte Deze nota bodembeheer heeft betrekking op het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem op het grondgebied van de gemeente. Voor alle toepassingen van grond geldt dat deze functioneel, nuttig, moeten zijn (

§ 2.1.1 van bijlage 2).

Als dat niet zo is, wordt de grond niet nuttig hergebruikt en wordt de grond als afvalstof gezien. Dit geldt óók voor schone grond. Een voorbeeld hiervan is het creëren van overhoogte op een geluidswal zonder dat dit vanuit geluidswering noodzakelijk is. Voor het ontgraven en tijdelijk opslaan van grond in het kader van gevallen van ernstige bodemverontreiniging geldt de Wet bodembescherming[4]. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2021 in werking en vervalt de Wet bodembescherming. Diverse onderwerpen vanuit de Wet bodembescherming komen in het Besluit activiteiten leefomgeving aan de orde. Ook moeten bepaalde onderwerpen worden opgenomen in het Omgevingsplan en/of de Omgevingsverordening. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder kader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Waterwet en de Keur van waterschappen. Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet in de gemeente een omgevingsvergunning (vroeger aanlegvergunning) worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie is ook een ontheffing noodzakelijk van het daar geldende bestemmingsplan. Het in deze nota geformuleerde grondstromenbeleid heeft geen betrekking op toepassingen van grond in een oppervlaktewaterlichaam tenzij het om een demping van een oppervlaktewaterlichaam gaat waardoor feitelijk een landbodem ontstaat. In die situatie worden nadere afspraken gemaakt tussen de waterkwaliteitsbeheerder (Waterschap Hollandse Delta) en de gemeente. 1.2.3Gebied waar dit beleid van toepassing op is Het gebied waarvoor de gemeente gebiedsspecifiek beleid heeft opgesteld in het kader van het (nuttig) toepassen van grond omvat het gemeentelijke grondgebied met uitzondering van: Aangegeven op de kaarten: Provinciale wegen, de metrolijn en wegen in het beheer van het Waterschap Hollandse Delta inclusief de onverharde (weg- en metrolijn)bermen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart). Gemeentelijke verharde wegen in het buitengebied (asfalt, beton, klinkers) inclusief de onverharde bermen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart). Het plangebied ‘De Elementen’ in Spijkenisse[5] (is apart gebiedsspecifiek grondstromenbeleid voor vastgesteld). Waterbodems (andere beheerorganisaties) met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling[6]. Niet aangegeven op de kaarten: Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging (lokale bron/puntbron). (Voormalige) stortplaatsen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart). Locaties die in het Kadaster zijn geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (de locaties met een beschikking ‘Ernstig’; specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart). Ook het grondwater maakt geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. 1.3Geldigheid Deze nota bodembeheer wordt door de gemeente vastgesteld voor een periode van maximaal 10 jaar. De geactualiseerde bodemkwaliteitskaart wordt maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling van deze nota geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie wordt vastgesteld of aanpassingen van de kaarten of één van beide kaarten noodzakelijk is. Als de bodemfunctieklassenkaart moet worden aangepast, moet deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn (

artikel 4.3.5 van de Regeling). Op basis van de evaluatie van de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart wordt vastgesteld of aanpassing van deze nota noodzakelijk is of dat de nota in de huidige vorm nog een volgende 5 jaar kan worden gebruikt. Alleen als het gebiedsspecifieke beleid (artikel 44 van het Besluit) moet worden aangepast, moet ook de nota opnieuw door de gemeenteraad bestuurlijk worden vastgesteld. 1.4Verantwoordelijkheid De verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond ligt in eerste instantie bij de initiatiefnemer. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een perceeleigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener. De initiatiefnemer voor de grondtoepassing, of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), is dan ook verplicht om het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond te melden. In § 7.2.2 is een aantal situaties beschreven waarbij het toepassen van grond niet gemeld hoeft te worden. De verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie ligt verankerd in de wettelijke zorgplicht: Algemene zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer[7] (artikel 1.1.a): achterwege laten van handelingen, die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken. Zorgplicht uit de Wet bodembescherming (artikel 13): een ieder die handelingen verricht die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, is verplicht preventieve en zo nodig herstellende maatregelen te treffen. Zorgplicht voor handelingen inzake afvalstoffen. Met afvalstoffen wordt gedoeld op bijlage 1 van EU-richtlijn afvalstoffen van

  1. In de Wet milieubeheer wordt hierop ingegaan in de artikelen 10.1 en 10.
  2. Bij afvalstoffen gaat het dan bijvoorbeeld om grond met bijmenging/verontreiniging van puin, sintels, gietstukresten, teerresten, et cetera. Zorgplicht uit het Besluit (artikel 7): een ieder die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dat van hem kan worden gevergd. Als achteraf blijkt dat foutief is gehandeld, kan geen beroep worden gedaan op de gedane melding of het eventueel uitblijven van een reactie van het bevoegd gezag binnen een bepaalde termijn. Ook na toepassing mag het bevoegd gezag nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van het toepassen van grond/bagger van een onjuiste kwaliteit. 1.5Aansprakelijkheid De bodemfunctieklassenkaart, de bodemkwaliteitskaart en deze nota bodembeheer zijn met grote zorgvuldigheid opgesteld. De bodemkwaliteitskaart biedt geen harde garanties voor de kwaliteit van een partij grond. De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De eindverantwoordelijkheid voor de toepassing van grond blijft bij de initiatiefnemer en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie. Als twijfel bestaat over de kwaliteit van de grond, wordt geadviseerd een onderzoek te laten uitvoeren. 1.6Deze nota in relatie tot de Omgevingswet Naar verwachting treedt op 1 januari 2021 de Omgevingswet en diverse (aanvullings-) wetten, besluiten en Algemene maatregelen van bestuur in werking. De huidige wet- en regelgeving voor bodemsanering en het nuttig toepassen van grond en gerijpte baggerspecie komt daarmee te vervallen en wordt in de Omgevingswet, de bijbehorende (aanvullings-)wetten en besluiten en Algemene maatregelen van bestuur geregeld. Met de inwerking treding van de Omgevingswet wordt deze nota bodembeheer van rechtswege direct omgezet naar een ‘Omgevingsplan’. Het in deze nota bodembeheer geformuleerde beleid wordt hiermee na de inwerking treding van de Omgevingswet voortgezet. Deze nota bodembeheer kan ook onderdeel uitmaken van de nog op te stellen Omgevingsvisie. Een nieuw op te stellen Omgevingsplan met het oog op de bodem, krijgt een breder spectrum dan alleen bodemsanering en hergebruik van grond. Er wordt aangesloten op de gemeentelijke Omgevingsvisie. Onderwerpen zoals de aanpak van bodemverontreiniging, activiteiten in het grondwater, eventuele diffuse bodembelasting met lood, verzilting, bodemdaling, bodemafdekking (wateroverlast en hittestress), opslag van gas in de ondergrond, asbestdaken en gerelateerde bodemverontreiniging en het overgangsrecht vanuit de Wet bodembescherming kunnen aan de orde komen. Het verdient de aanbeveling om het hergebruik van grond terug te laten komen in een nieuw Omgevingsplan, met het oog op de bodem. Met de Omgevingswet wijzigt ook het normenkader. Er komen zogenaamde ‘Voorkeurswaarden’ en ‘Maximale waarden’. De ‘Voorkeurswaarde’ (voor een bepaald bodemgebruik) is gelijk aan de huidige normen uit de Regeling voor ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. De ‘Maximale waarde’ is gelijk aan de huidige waarden die voor het spoedcriterium van de Wet bodembescherming worden gebruikt. Tussen de ‘Voorkeurswaarde’ en ‘Maximale waarde’ hebben gemeenten de ruimte om eigen beleid te maken. De huidige Interventiewaarden van de Wet bodembescherming worden in de Omgevingswet zogenaamde ‘triggerwaarden’. Als voor een bepaald volume de ‘triggerwaarde’ wordt overschreden, wordt het verplicht, net zoals nu, een geschiktheidstoets uit te voeren voor het huidige/beoogde bodemgebruik. De gemeenten krijgen de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid te maken: om de ‘triggerwaarde’ voor de verplichte geschiktheidstoets hoger of lager te stellen, bijvoorbeeld voor gebieden waar sprake is van een diffuus verspreide sterke verontreiniging; om verhoogde terugsaneerwaarden te formuleren (net zoals de Lokale Maximale Waarden binnen het Besluit). Bij werkzaamheden in de grond met gehalten boven de ‘triggerwaarden’, blijft de kwaliteitsborging in het bodembeheer gelden; de zogenaamde ‘Kwalibo’; bijvoorbeeld dat werkzaamheden onder erkenning en volgens beoordelingsrichtlijnen moeten worden uitgevoerd,(

artikel 2.1 van de Regeling). Opgesteld gemeentelijk beleid (verhoogde ‘triggerwaarden’) heeft daar geen invloed op. Binnen de Omgevingswet blijft een bodemkwaliteitskaart gelden als erkend bewijsmiddel bij grondverzet. De bodemkwaliteitskaart kan ook gebruikt worden bij het Activiteitenbesluit of bij de vrijstelling van bodemonderzoek voor omgevingsvergunningen. Bij nog niet gesaneerde en beheerde grondwaterverontreinigingen wordt de regelgeving in de Omgevingswet als volgt: Op een natuurlijk moment (bijvoorbeeld (her)ontwikkelingsprojecten of tijdens graafwerk) moet door de initiatiefnemer de bron van de grondwaterverontreiniging worden gesaneerd. Afhankelijk van de urgentie en het gebruik van de boven- en ondergrond (bijvoorbeeld drinkwaterwinning) neemt de overheid initiatieven om de pluim van de grondwaterverontreiniging aan te pakken. In de Omgevingswet is het een doelstelling dat informatie over milieuwet- en regelgeving makkelijker en digitaal wordt ontsloten. De gemeente ontsluit het grondstromenbeleid digitaal en interactief via een website: https://dcmr-bbkweb.lievense.com. Hiermee loopt de gemeente al vooruit op de Omgevingswet. Ook zijn de kaarten van deze nota bodembeheer te raadplegen op de website van het Bodemloket http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. 1.7Leeswijzer In hoofdstuk 2 is ingegaan op de te verwachten (stedelijke) bodemkwaliteit in de gemeente waarna in hoofdstuk 3 een toelichting is gegeven op de maatschappelijke opgave over het toepassen van grond in de gemeente. Het beleid voor de toepassing van grond is in hoofdstuk 4 nader uitgewerkt. Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel komt in hoofdstuk 5 aan de orde. Hoofdstuk 6 gaat in op de onderzoeksinspanning die moet worden verricht voorafgaand aan het ontgraven en toepassen van grond. De te volgen procedures rondom het toepassen van grond zijn in hoofdstuk 7 beschreven. Deze nota wordt afgesloten met een hoofdstuk over vrijstellingsbeleid voor het uitvoeren van bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvragen (bouw en/of bestemmingsplan). De in deze nota gebruikte begrippen zijn in bijlage 1 uiteengezet. In bijlage 2 is ingegaan op de Wet- en regelgeving bij het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond. In bijlage 3 wordt een beschrijving gegeven hoe de bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart zijn geactualiseerd. De statistische onderbouwing van de ontgravingskaarten wordt weergegeven in bijlage 4. De mogelijkheden voor het toepassen van grond binnen de gemeente, zonder dat bodemonderzoek uitgevoerd hoeft te worden, worden weergegeven in bijlage 5. In bijlage 6 is de onderbouwing gegeven van de normen waaraan de gemeente haar bodemkwaliteit toetst. De onderbouwing van de Lokale Maximale Waarden (hergebruik onderhoudsbaggerspecie in het buitengebied met landbouwbestemming) is opgenomen in bijlage 7. Tenslotte is in bijlage 8 het vragenformulier voor historische gegevens van de toe te passen grond opgenomen dat kan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de toe te passen grond, tezamen met de ontgravings- en toepassingskaarten. Op de kaartbijlagen 1 en 2 zijn respectievelijk de bodemfunctieklassenkaart en een kaart met de ligging van de bodemkwaliteitszones weergegeven. Op de kaartbijlagen 3 zijn de te verwachten ontgravingsklassen weergegeven. De toepassingseisen voor grond op het grondgebied van de gemeente zijn opgenomen in de kaartbijlagen 4. Als grond van buiten het bodembeheergebied wordt toegepast moet getoetst worden aan de generieke, landelijke normen. De bijbehorende toepassingskaarten zijn opgenomen in de kaartbijlagen 5. 2De te verwachten bodemkwaliteit in de gemeente De bodemkwaliteitskaart van het gemeentelijke grondgebied (

voor de technische onderbouwing bijlage 3A) onderscheidt 8 bodemkwaliteitszones op basis van gebruikshistorie en verwachte (stedelijke) bodemkwaliteit (

tabel 2.1 en de kaartbijlagen 2). Binnen een bodemkwaliteitszone wordt dezelfde gebiedseigen bodemkwaliteit verwacht. Hierbij is rekening gehouden dat de bovenste meter van de bodem doorgaans meer belast is met verontreinigende stoffen dan de onderliggende bodemlaag. De bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[8]. Alle bodemkwaliteitszones zijn vastgesteld voor de stoffen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, PCB

(7), PAK
(10)en minerale olie. De gemeente stemt de bodemkwaliteitsclassificatie en de daarbij behorende toetsingsnormen af op die van de gemeenten Maassluis, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen[9] (

bijlage 1 onder het kopje 'Bodemkwaliteitsklasse' en ‘Lokale Maximale waarden en toetsingsnormen gemeente Nissewaard’). Daarmee wordt gebruik gemaakt van het gebiedsspecifieke kader van het Besluit (

ook § 4.3.2). Tabel 2.1 geeft per bodemkwaliteitszone de voorkomende bodemfunctieklasse(n), de verwachte ontgravingsklasse en de toepassingseisen weer. In een aantal bodemkwaliteitszones komen meerdere toepassingseisen voor als gevolg van de meerdere voorkomende bodemfunctieklassen (

de bijlage met de Begrippen onder het kopje 'Toepassingskaart'). Uit tabel 2.1 blijkt dat volgens het nuttig hergebruik van gebiedseigen licht verontreinigde grond beperkt is. Binnen het gebiedsspecifieke kader van het Besluit heeft de gemeente de mogelijkheid om beleid te formuleren waardoor meer licht verontreinigde grond kan worden hergebruikt dan mogelijk is in het generieke kader van het Besluit. Dit gebiedsspecifieke beleid is in hoofdstuk 4 van deze nota bodembeheer beschreven. Tabel 2.1 Toepassingseisen per combinatie voorkomende bodemfunctie en verwachte bodemkwaliteitsklasse-/ontgravingsklasse voor de onderscheiden bodemkwaliteitszones. Bodemkwaliteitszone Bodemfunctieklasse Verwachte bodemkwaliteits- en ontgravingsklasse Toepassingseis Bovengrond (traject vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte B

  1. Oude bebouwing Geervliet Bodemfunctie Wonen Wonen Wonen B
  2. Oude bebouwing (voor 1945) Bodemfunctie Industrie Wonen Wonen Bodemfunctie Wonen Bodemfunctie Natuur Natuur B
  3. Recentere bebouwing (na 1945) Bodemfunctie Industrie Natuur Natuur Bodemfunctie Wonen Bodemfunctie Natuur B
  4. Recreatie en buitengebied Bodemfunctie Landbouw Landbouw Landbouw Bodemfunctie Natuur Natuur Ondergrond (traject vanaf 1,0 meter tot en met 2,0 meter diepte) O
  5. Oude bebouwing Geervliet Bodemfunctie Wonen Wonen Wonen O
  6. Oude bebouwing (voor 1945) Bodemfunctie Industrie Landbouw Landbouw Bodemfunctie Wonen Bodemfunctie Natuur Natuur O
  7. Recentere bebouwing (na 1945) Bodemfunctie Industrie Natuur Natuur Bodemfunctie Wonen Bodemfunctie Natuur O
  8. Recreatie en buitengebied Bodemfunctie Landbouw Landbouw Landbouw Bodemfunctie Natuur Natuur 3Maatschappelijke opgave De gemeente verwacht de komende 5 tot 10 jaar dat continu grond (tijdelijk) wordt ontgraven, opgeslagen en toegepast. Een voorbeeld hiervan is het regulier onderhoud aan wegbermen, rioleringen, kabels, leidingen, groenvoorzieningen en (vervangende) nieuwbouwprojecten. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente blijkt dat het nuttig hergebruik van gebiedseigen licht verontreinigde grond beperkt is (

hoofdstuk 2, tabel 2.1). Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet vervolgens worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Ook moet dan grond van elders worden aangekocht en aangevoerd die wel voldoet aan de toepassingseisen; bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank. De gemeente wil invulling geven aan een duurzamer en goedkoper grondstromenbeleid. Grond vrijkomend uit het ene project wil de gemeente kunnen hergebruiken in het andere project. Werk met werk maken. Er zijn dan minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond nodig. Er hoeft minder grond te worden aangekocht en ook de transportafstanden worden gereduceerd. De druk op het wegennet en de uitstoot van schadelijke stoffen, zoals fijnstof en CO2 en het gebruik van energie nemen af. Het gebiedsspecifieke en gemeentelijke grondstromenbeleid bij de toepassingen van grond is nuttig en milieuhygiënisch verantwoord en brengt bij het huidige en het beoogde bodemgebruik geen onacceptabele risico’s met zich mee. Het gebiedsspecifieke en gemeentelijke grondstromenbeleid is in hoofdstuk 4 onderbouwd en beschreven. 4De uitwerking van het grondstromenbeleid 4.1Kwaliteitsdoelstelling bij hergebruik van grond Bij het nuttig toepassen van grond hanteert de gemeente het ‘standstill’ principe op het niveau van het bodembeheergebied (

§ 4.2).

Het ‘standstill’ principe betekent dat de bodemkwaliteit binnen het bodembeheergebied gelijk moet blijven en op termijn verbetert. Op het niveau van bodembeheergebied is een vermindering van de kwaliteit alleen toelaatbaar: met gebiedseigen grond, vrijgekomen bij grondverzet binnen het vastgestelde bodembeheergebied (

§ 4

.2); als de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (

§ 4

.3) niet worden overschreden; als elders in het bodembeheergebied een verbetering van de bodemkwaliteit wordt gerealiseerd. Voor grond van buiten het bodembeheergebied (

§ 4

.2) gelden bij Lokale Maximale Waarden meestal andere voorwaarden (

§ 4.8).

Naast het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid is in dit hoofdstuk ook algemeen beleid voor het hergebruik en toepassen van grond en het gebruik van de bodemkwaliteitskaart uitgewerkt. 4.2Uitbreiding van het bodembeheergebied Bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond gaat het Besluit uit van het ‘eigen’ gemeentelijke grondgebied als bodembeheergebied. Het gebruik van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten valt in het gebiedsspecifieke kader van het Besluit. Om dit mogelijk te maken wordt het gemeentelijke bodembeheergebied uitgebreid. Met deze nota bodembeheer stelt de gemeente het bodembeheergebied voor het grondstromenbeleid vast als zijnde het gemeentelijke grondgebied en die van de gemeenten Maassluis, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen. De gemeente accepteert de bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis, Maasluis, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Westvoorne. Deze bodemkwaliteitskaarten mogen gebruikt worden als bewijsmiddel van de (stedelijke) kwaliteit van de toe te passen grond. De eerder opgestelde en geaccepteerde waterbodemkwaliteitskaart van het beheergebied van het Waterschap Hollandse Delta[10] is verlopen en is als bewijsmiddel bij het toepassen van baggerspecie niet mee geldig. Als het Waterschap Hollandse Delta een nieuwe waterbodemkwaliteitskaart bestuurlijk heeft vastgesteld, wordt deze waterbodemkwaliteitskaart door de gemeente geaccepteerd als bewijsmiddel bij het toepassen van baggerspecie. 4.3Vaststellen Lokale Maximale Waarden 4.3.1Inleiding De gemeente hanteert gebiedspecifieke toetsnormen die overeenkomen met die van de gemeenten Maassluis, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen (

tabel 4.1). Deze krijgen na bestuurlijke vaststelling wettelijk de voorkeur boven de generieke toetsnormen van de centrale overheid. De gebiedspecifieke toetsnormen worden Lokale Maximale Waarden (hierna: LMW) genoemd. Bij het vaststellen van LMW zijn keuzes gemaakt in de mate waarin op lokaal niveau mens, plant en dier worden beschermt en in de mate waarin binnen ons gemeentelijke grondgebied ruimte wordt gecreëerd voor grondverzet. Voor het afwegingskader, de gemaakte keuzes en de totstandkoming van de LMW wordt verwezen naar bijlage C van de hoofdnota van het Rotterdamse beleid[9] (

ook bijlage 6). Wij stellen aanvullende regels op om risico’s te voorkomen bij het toepassen van grond op terreinen met gevoelig bodemgebruik. Ook zijn aanvullende regels opgesteld om meer vrij grondverzet mogelijk te maken, zonder dat er risico’s optreden bij het beschermingsniveaus van de LMW. Aanvullende regels zijn opgesteld voor: Het toepassen van grond op plaatse waar kinderen spelen en moes- en volkstuin(complex)en (

§ 4.3.2).

Het toepassen van grond met PFAS-verbindingen (

§ 4.3.4).

Het hergebruik van onderhoudsbaggerspecie uit de bebouwde kom in het buitengebied met een landbouwbestemming (

§ 4

.3.5) De toegestane bijmenging van bodemvreemd materiaal (

§ 4.4).

Het toepassen van grond met asbestverdacht/-houdend materiaal (

§ 4.5).

Tabel 4.1: Toetsingsnormen (in mg/kg ds voor standaardbodem -lutum 25%, org.stof 10%-) Stof Maximale waarden Natuur (landelijke toetsingsnorm) Maximale waarden Landbouw (landelijke toetsingsnorm) Maximale waarden Wonen (landelijke toetsingsnorm) Maximale waarden Industrie (landelijke toetsingsnorm) Arseen 20 30

(20)40
(27)76 Barium* 190 (-) 280 (-) 550 (-) 920 Cadmium 0,6 1 (0,6) 3.7 (1,2) 13 (4,3) Kobalt 15 25
(15)50
(35)190 Koper 40 60
(40)100
(54)190 Kwik 0,15 2 (0,15) 4,8 (0,83) 4,8 Lood 50 200
(50)300
(210)530 Molybdeen 1,5 10 (1,5) 88 190 Nikkel 60
(35)60
(35)75
(39)100 Zink 140 200
(140)350
(200)720 Som PAK 1,5 5,5 (1,5) 11 (6,8) 40 Som PCB 0,02 0,1 (0,02) 0,25 (0,04) 0,5 Minerale olie 190 300
(190)500
(190)1.000
(500)* De norm voor barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor barium tijdelijk buitenwerking gesteld. 4.3.2Lokale Maximale Waarden toepassen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en In sommige gebieden is het toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Landbouw’ en ‘Wonen’ toe te passen. De gemeente stelt daarentegen bij onverharde kinderspeelplaatsen 1 Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen en recreatief openbaar groen voorzieningen., en moes-/volkstuin(complex)en strengere eisen als daar grond wordt toegepast. Dit om bij het (toekomstig) bodemgebruik eventuele risico’s uit te sluiten. Binnen de gemeente moet de grond die wordt toegepast op bestaande onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Natuur’. De nieuw aan te leggen onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en moeten zijn voorzien van een minimaal 0,5 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Natuur’. De kwaliteit van de toe te passen grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ moet worden aangetoond met een partijkeuring (

§ 6.2.1).

De partijkeuring moet worden aangevuld met een onderzoek op asbest (historische gegevens, zintuiglijk en analytisch). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.4 en § 4.5).

De Lokale Maximale Waarde voor bestaandeonverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Natuur’. De nieuw aan te leggen onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en moeten zijn voorzien van een minimaal 0,5 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse Natuur’. De kwaliteit moet zijn aangetoond met een partijkeuring (

§ 6

.2.1) en moet worden aangevuld met een onderzoek op asbest (historische gegevens, zintuiglijk enanalytisch). Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.4 en § 4.5).

4.3.3Lokale Maximale Waarden toepassen grond vanuit en ter plaatse van onverharde bermen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ 4.3.3.1Onderbouwing en definiëring Lokale Maximale Waarden Van onverharde wegbermen is het bekend dat deze verontreinigd kunnen zijn als gevolg van: depositie uitlaatgassen (PAK, lood); afstromend regenwater (minerale olie, PAK en lood); funderingsmateriaal (zware metalen en PAK); toepassing van teerhoudend asfalt (PAK); uitloging vangrails (zink). De onverharde wegbermen in de gemeente die op de bodemfunctieklassenkaart zijn aangegeven met de functie ‘Industrie’ (

kaartbijlage 1) zijn verdacht voor bodemverontreiniging en daarom uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Hierdoor bestaat er voor het toepassen van wegbermgrond in wegbermen die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart een dubbele onderzoeksinspanning. Van zowel de toe te passen grond als de ontvangende bodem moet met een onderzoek de kwaliteit worden vastgesteld. Omdat het bekend is dat onverharde bermgrond van drukke wegen belast wordt met verontreinigende stoffen, wordt het niet duurzaam geacht dat bij de (meeste) onverharde bermen wordt uitgegaan van het generieke kader van het Besluit waarbij de mogelijkheid bestaat dat alleen schone grond mag worden toegepast. De gemeente vindt het niet duurzaam dat eventueel toegepaste schonere grond als gevolg van het drukke wegverkeer alsnog wordt verontreinigd. De gemeente vindt het daarom aanvaardbaar om voor de onverharde wegbermen die zijn aangegeven met de functie ‘Industrie’, Lokale Maximale Waarden vast te stellen zonder dat hierbij risico’s optreden. Voor alle onverharde wegbermen in de gemeente die op de bodemfunctieklassenkaart zijn aangegeven met de functie ‘Industrie’ (

kaartbijlage 1) mogen juridisch gezien geen Lokale Maximale Waarden worden opgesteld. Voor deze gebieden is namelijk de kwaliteit van de ontvangende bodem niet bekend 2 Artikel 47 van het Besluit bodemkwaliteit schrijft voor dat voor het vaststellen van Lokaal Maximale Waarden eenbodemkwaliteitskaart vereist is.. Maar om de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ te vergroten, worden de volgende Lokale Maximale Waarden vastgesteld. De gemeente staat lokale verslechtering toe in de onverharde wegbermen die zijn aangewezen met de bodemfunctie ‘Industrie’ (

kaartbijlage 1) met gebiedseigen grond (

§ 4.2) die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’.

Door de gemeente aangewezen wegen zijn: wegen in het beheer van de provincie; wegen in het buitengebied in het beheer van de gemeente; wegen in het buitengebied in het beheer van het Waterschap Hollandse Delta. De Lokale Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is gelijk aan de Maximale Waarde van het bodemgebruik van deze aangewezen onverharde wegbermen. Hierdoor treden er bij het bodemgebruik geen risico's op als grond met de kwaliteitsklasse 'Industrie', ‘Wonen’ of ‘Landbouw’ wordt toegepast. Met onverharde wegbermen wordt bedoeld de strook grond naast de (klinker- en asfalt)weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 2,0 meter diepte, en heeft gerekend vanuit de wegverharding/b een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (

ook figuur B1. in bijlage 1): de erfgrens of de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos). Voor wegbermen langs dijkwegen en voor wegbermen gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden. De Lokale Maximale Waarde voor de onverharde bermen van provinciale wegen en de door de gemeente aangewezen wegen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’, is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. 4.3.3.2Toepassen grond vanuit onverharde gemeentelijke bermen met de bodemfunctie ‘Industrie’ Als het voornemen bestaat grond uit een onverharde wegberm (in beheer van de gemeente) met de functie ‘Industrie’ (

kaartbijlage 1 en uitgesloten gebied op de ontgravingskaarten) toe te passen, gelden de volgende regels: Voorafgaand aan de toepassing in onverharde wegbermen met de functieklasse ‘Industrie’ moet een indicatief onderzoek worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de toe te passen bermgrond (

§ 6.2.1).

De resultaten van het indicatieve onderzoek (maximaal vastgestelde gehalten) moeten worden getoetst aan de LMW (

tabel 4.1) zodat een kwaliteitsklasse kan worden bepaald. Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast: Als de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter, dan mag de grond op of in de onverharde wegbermen worden toegepast. Als één of meerdere gehalten in de grond de Maximale Waarden voor ‘Industrie’ overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. De grond kan ook aanvullend worden gekeurd (

§ 6.2.1).

Afhankelijk van de resultaten van de partijkeuring kan de grond in de wegbermen (of elders) worden toegepast. Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd. Door deze toetsregels wordt voorkomen dat gebiedseigen grond (

§ 4

.2) met gehalten boven de vastgestelde Lokale Maximale Waarden toch in de gemeente wordt toegepast. Voorafgaand aan toepassing elders moet een partijkeuring worden uitgevoerd (

§ 6.2.1).

Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast. Door het uitvoeren van indicatief onderzoek en het stellen van maximale waarden wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond opnieuw binnen de gemeente wordt toegepast. Voorafgaand aan de toepassing van grond vanuit onverharde wegbermen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ in onverharde wegbermen met de functieklasse ‘Industrie’, moet een indicatief onderzoek worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de toe te passen bermgrond. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast. 4.3.4Eisen aan toe te passen grond en ontvangende bodem waarin PFAS-verbindingen voor komen De afgelopen jaren is vast komen te staan dat in Nederland via bedrijfsmatige activiteiten en atmosferische depositie PFAS-verbindingen 3 Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die sinds de jaren ’70 grootschalig zijn toegepast in verschillende bedrijfstakken die vocht afwerende producten maken of in blusschuim. Vooralsnog betreffend het de volgende stofgroepen: PFOA, PFOS en GenX. PFOS: perfluoroctaansulfonzuur; gebruikt in blusschuim. PFOA: perfluoroctaanzuur; gebruikt in vochtafwerende producten.GenX: HFPO-DA (2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluoropropoxy)propaanzuur (FRD903) en het ammoniumzout ammonium 2,3,3,3-tetrafluor-2(heptafluorpropoxy)propanoaat (FRD-902) die vrijkomen bij het GenX proces. Een vervangende technologie als vervanging van PFOA om coatings (fluorpolymeren) te maken. in de grond en het grondwater terecht zijn gekomen. Ook in de regio Rijnmond komen PFAS-verbindingen in de grond voor. Op 8 juli 2019 is vanuit het ministerie meer duidelijk geworden over de wijze van hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie[11]. De DCMR heeft dit als basis gebruikt bij het opstellen van een tijdelijk handelingskader voor PFAS-houdende grond[12] 4

ook: https://www.dcmr.nl/publicaties/tijdelijk-handelingskader-pfas-houdende-grond.html of https://www.dcmr.nl/onderwerpen/bodem.html. De gemeente volgt dit handelingskader en neemt de hierin benoemde toepassingsnormen voor PFAS-verbindingen over. Als deze normen wijzigen, neemt de gemeente dit over. 4.3.5Lokale Maximale Waarden hergebruik onderhoudsbaggerspecie bebouwde kom in buitengebied met landbouwbestemming 4.3.5.1Achtergronden Het heeft de voorkeur van de gemeente om vrijkomende baggerspecie te hergebruiken op de aangrenzende percelen. De praktijk leert dat het regelmatig voor komt dat vrijkomende onderhoudsbaggerspecie niet op het aangrenzende perceel kan worden verspreid omdat er onvoldoende ruimte is. Dit speelt met name binnen de bebouwde kom, waar verharding en bebouwing de mogelijkheden sterk beperken. In het verleden werd dergelijke baggerspecie vaak naar een verwerkingslocatie afgevoerd. Het Besluit maakt het mogelijk om deze baggerspecie op verder weg gelegen percelen te hergebruiken. Dit valt dan onder de noemer 'toepassen'. 4.3.5.2Toepassen onderhoudsbaggerspecie bebouwde kom op niet-aangrenzende percelen met een landbouwbestemming Het is de verwachting dat de baggerspecie uit de onverdachte watergangen in het buitengebied schoon is en dus overal kan worden toegepast. Ook is het de verwachting dat de baggerspecie uit de bebouwde kom licht verontreinigd is. Vanwege het ruimteprobleem binnen de bebouwde kom wil de gemeente de mogelijkheid hebben om deze baggerspecie in het buitengebied toe te passen. De gemeente wil voorkomen dat licht verontreinigde onderhoudsbaggerspecie die nuttig kan worden hergebruikt onnodig naar een erkend verwerker wordt getransporteerd. Agrariërs hebben regelmatig behoefte aan baggerspecie voor de ophoging van percelen of voor het verbeteren van de bodemvruchtbaarheid of grondtextuur. De gemeente zet het eerder vastgestelde beleid daarom voort: De gemeente heeft LMW vastgesteld voor hergebruik van licht verontreinigde onderhoudsbaggerspecie uit de bebouwde kom als deze nuttig wordt hergebruikt en toegepast op percelen in het buitengebied met een landbouwbestemming. De LMW zijn onderbouwd in bijlage 7 en weergegeven in tabel 4.2. De onderbouwing van de LMW is overgenomen uit de eerder vastgestelde nota bodembeheer. Verder zorgen de landbouwkundige bewerkingen voor een forse daling van de verhoogde gehalten met organische parameters (minerale olie en PAK). Omdat de baggerspecie uit de bebouwde kom met name verhoogde gehalten met de voornoemde stoffen bevat, mag verwacht worden dat deze specie bij toepassing op een landbouwperceel na verloop van tijd aan de eisen voor schone grond zal voldoen. Onderhoudsbaggerspecie uit de bebouwde kommen in de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis, Nissewaard en Westvoorne die aan deze LMW voldoet, mag op landbouwpercelen worden toegepast. De kwaliteit van de onderhoudsbaggerspecie moet zijn onderzocht door een partijkeuring (

§ 6

.2.1) of een waterbodemonderzoek volgens een passende onderzoeksstrategie van de NEN 5720[13]. De eerder opgestelde waterbodemkwaliteitskaart van het beheergebied van het Waterschap Hollandse Delta is verlopen en is als bewijsmiddel bij het toepassen van baggerspecie niet meer geldig. Naar verwachting stelt het Waterschap Hollandse Delta eind 2019 een nieuwe waterbodemkwaliteitskaart bestuurlijk vast. De nog vast te stellen waterbodemkwaliteitskaart wordt door de gemeente geaccepteerd als bewijsmiddel bij het toepassen van baggerspecie. Voorwaarde bij het gebruik van de nieuwe waterbodemkwaliteitskaart is dat altijd historisch onderzoek moet zijn uitgevoerd. Tabel 4.2 Lokale maximale waarden voor het toepassen van bagger op landbouwpercelen (in mg/kg ds; standaardbodem) Parameter LMW hergebruik buitengebied met landbouwbestemming Arseen 20* Barium 190* Cadmium 0,78 Chroom 55* Cobalt 15* Koper 40* Kwik 0,3 Molybdeen 1,5* Nikkel 35* Lood 100 Zink 264 PCB (7-som, 0,7 factor) 0,02* PAK (10-VROM; 0,7 factor) 3 Minerale olie (totaal) 380 * LMW voldoet aan Achtergrondwaarde (AW2000) 4.4Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal (steenachtige materialen, plastic, piepschuim etc.) Het Besluit stelt dat een partij grond maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Binnen het grondgebied van de gemeente is het toepassen van grond met bijmengingen toegestaan mits: De bijmenging alleen bestaat uit: Steenachtige materialen in een grootte kleiner dan 63 mm, zoals resten van baksteen, cement of beton, koolassen of slakken, natuur- of breuksteen. Organische materialen/meststoffen, die van nature verworden tot humus, met uitzondering van restanten van verduurzaamd of geverfd hout. In woongebied niet meer dan 2 gewichtsprocent. In industriegebied niet meer 5 gewichtsprocent. Bijmengingen met plastic, afval etc. moet voorafgaand aan de toepassing worden verwijderd zodat slechts sprake is van een sporadische bijmenging (

tabel 4.3). Het bijgemengde bodemvreemde materiaal is niet asbestverdacht. Het bodemvreemde materiaal heeft geen afwijkende kleur en/of geur. De initiatiefnemer is verantwoordelijk dat hij/zij voorafgaand aan het grondverzet aandacht besteedt aan het voorkomen van bodemvreemd materiaal in de grond (

aanleveren van historische gegevens; § 6.1). Hij laat tijdens de grondwerkzaamheden zijn uitvoerder hierop visueel controleren. Het is niet toegestaan om (ongezeefd) grond toe te passen als die een bijmenging heeft van meer dan het hierboven toegestane percentages bodemvreemd materiaal. Uiteraard kan het voorkomen dat er een steenachtig materiaal voorkomt in een diameter groter dan 63 mm zoals een enkele baksteen. In die situatie, bij twijfel of grenssituaties beslist de DCMR (namens de gemeente) of sprake is van te grote bijmenging. Als er geen sprake is van sterk verontreinigde grond, is het toegestaan om door civiel technisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar het toegestane percentage. Het civiel technisch zeven wordt niet als een tussentijdse bewerking beschouwd (

de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal wordt getransporteerd naar een erkend verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht. Wordt tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal waargenomen, dan worden de werkzaamheden door de uitvoerder gestaakt (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit) en meldt hij dit direct aan de DCMR. Veelal wordt dan het spoor van de Wet bodembescherming gevolgd en volgt een verkennend onderzoek naar asbest. Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die op een bodemverontreiniging wijzen. Wordt in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal vastgesteld, of wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan wordt dit direct gemeld bij de DCMR. Tabel 4.3 Toegestane bijmenging met bodemvreemd materiaal in toe te passen grond Bodemfunctieklasse Toegestaan gewichtspercentage steenachtig materiaal en onbewerkt hout Toegestaan volumepercentage bijmenging andere bijmengingen (zoals plastic en piepschuim) Natuur <1 % < 0,01 % Landbouw < 1 % <0,01 % Wonen <2 % < 0,01 % Industrie <5 % <0,1 % Percentages bijmenging bodemvreemd materiaal sluit aan bij onder andere de gemeente Schiedam. 4.5Toepassen van grond met asbestverdacht/-houdend materiaal Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. De gemeente hanteert voor haar eigen projecten, waarbij grond wordt toegepast het volgende beleid: Voor toepassingen van grond die in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd, is het onder de volgende voorwaarden toegestaan licht met asbest verontreinigde grond toe te passen (gebaseerd op beleid dat in de gemeenten Maassluis, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen in uitvoering is): Tot en met 10 mg/kg ds (gewogen asbest) mag worden toegepast met de bodemfunctie ‘Natuur’. Tot en met 20 mg/kg ds (gewogen asbest) mag worden toegepast met de bodemfunctie ‘Landbouw’ Tot en met 50 mg/kg ds (gewogen asbest) mag worden toegepast met de bodemfunctie ‘Wonen’. Tot en met 100 mg/kg ds (gewogen asbest) mag worden toegepast met de bodemfunctie ‘Industrie’. Burgers en bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeente te volgen. Als burgers/bedrijven dit niet willen geldt het onderstaande: Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707[14] of NEN 5897[15] plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. De NEN 5707 moet worden gebruikt bij een bijmenging met bodemvreemd materiaal tot en met 50 gewichtsprocent. Als meer dan 50 gewichtsprocent aan bijmenging met bodemvreemd materiaal is vastgesteld, moet de NEN 5897 worden gebruikt. In overleg met de DCMR kan ook direct een partijkeuring worden uitgevoerd (inclusief, dan wel specifiek op asbest). Een onderzoek conform de NEN 5707 of de NEN 5897 is volgens het de Regeling (

paragraaf 4.3) namelijk geen erkend bewijsmiddel. Of bodemvreemd materiaal daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat aanwezig is, het historisch gebruik van de locatie (bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd dan wel in de bodem terecht is gekomen) en de soort puinbijmenging. Alleen als voldoende kan worden onderbouwd of gemotiveerd dat het puin in de grond geen asbest kan bevatten, is de grond niet-verdacht voor asbest. In de NEN 5725[16] is hierover het volgende beschreven: “Of puin daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat is toegepast en het historisch gebruik van de locatie, bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd dan wel is toegepast. Er zijn verschillende typen puin: metselpuin, betonpuin, puin van asfalt, klinkers en/of straatstenen en historisch puin 5 Puin van voor 1945.. Vooral bij ongedefinieerd gemengd bouw‐ en sloopafval is de kans groot dat dit asbestcementplaatmateriaal bevat (stukjes golfplaat, vlakke plaat, daklei en buis). Ook in betonpuin (vooral funderingspuin) komt incidenteel asbestcement voor in de vorm van asbestcementbuizen, verloren bekisting en stelplaatjes. In de overige soorten puin (puin van asfalt, asfalt, bakstenen, dakpannen, cement, klinkers en/of straatstenen, trottoirbanden en historisch puin) zit in de regel geen asbesthoudend materiaal en de aanwezigheid daarvan maakt een locatie niet verdacht. Indien het (puin)granulaat duidelijk visueel herkenbaar is als eenduidig materiaal en voldoende kan worden onderbouwd dat dit materiaal niet vermengd kan zijn met asbesthoudend materiaal, is de (deel)locatie niet verdacht. De kans op het aantreffen van asbest is sterk afhankelijk van de herkomst en ouderdom van het materiaal. Op basis van de leeftijd van het bouw‐ en sloopafval of recyclinggranulaat is het mogelijk om de verdachtheid nader vast te stellen.” In tabel 4.4 is aangegeven welke kans er is op het aantreffen van asbest in relatie tot de leeftijd van het materiaal. Onderzoek door TNO[17] naar bodemvreemd materiaal in de bodem en het voorkomen van asbest wijst uit dat ten opzichte van onverdachte locaties: hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond met bijmengingen met bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin; hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond als meer bodemvreemd materiaal in de grond aanwezig is; hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond als er slechts spoortjes puin aan bijmenging aanwezig zijn. Tabel 4.4 Kans op aantreffen van asbest in puin(granulaat) in relatie tot leeftijd materiaal (bron: NEN 5725) Periode Kans op aantreffen asbest Soort asbest Indicatief gehalte (mg/kg) Asbestverdacht? Puin Vóór 1945 Gering Hechtgebonden <10 Nee 1945-1980 Groot Hechtgebonden en niet-hechtgebonden >100 Ja 1980-1993/1995 Tamelijk groot Meestal hechtgebonden 10-100 Ja 1993/1995-1998 Gering Meestal hechtgebonden Vaak <10, incidenteel >10 In principe ja 1998-2005 Incidenteel Hechtgebonden < 10 Nee Na 2005 Nihil Hechtgebonden <<10 Nee (Gecertificeerd) recyclinggranulaat <1998 (niet gecertificeerd) Groot Ja 1998-2005 (gecertificeerd) Tamelijk groot Ja Na 2005 (gecertificeerd) Nihil Nee Onder Certiva certificaat Nee Bouw en sloopafval van project met een asbestinventarisatierapport waar door een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf is aangegeven dat in het betreffende bouwwerk geen asbest aanwezig is. Nee Bouw- en sloopafval van project met een asbestvrijgaverapport waar door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf is aangegeven dat het al in het betreffende bouwwerk aanwezige asbest is verwijderd. Nee Puin dat aantoonbaar voldoet aan de SCB-007/BRL9999 en aantoonbaar is verkregen uit een sloop die aantoonbaar is uitgevoerd conform SCB-007/BRL9999. Nee Bouw- en sloopafval dat afkomstig van een sloper en wordt geleverd met een conformiteitsverklaring volgens de SCB-007/BRL9999. Nee Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden (100 mg/kg ds gewogen), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming: de DCMR (namens de provincie Zuid-Holland). Als de zorgplicht van toepassing is (asbestverontreiniging ontstaan vanaf 1993) moet direct gesaneerd worden. Is de zorgplicht niet van toepassing, dan moet met een risicobeoordeling worden vastgesteld of er sprake is van onaanvaardbare risico’s (

bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering[18]). Als in grond die is verontreinigd met asbest (≤100 mg/kg ds gewogen) méér dan de voornoemde percentages bodemvreemd materiaal is vastgesteld én het asbest is alleen gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal, dan mag het met asbest verontreinigde bodemvreemde materiaal op een daartoe passende wijze uit de grond gezeefd worden. Dit tussentijdse (civiel technische) zeven wordt niet als een bewerking gezien (

de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Door een wijziging van de Wet milieubeheer in 2018 is het eenvoudiger geworden om met asbest verontreinigde grond bij een asbestdak zonder goed functionerende dakgoot/regenwaterafvoer te verwijderen. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf mag onder vermelding in het Landelijke AsbestVolgSysteem (LAVS) bij de verwijdering van het asbestdak óók de met asbest verontreinigde toplaag verwijderen. Voor toepassingen van grond die in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd, is het onder de volgende voorwaarden toegestaan licht met asbest verontreinigde grond toe te passen (gebaseerd op beleid dat in de gemeenten Maassluis, Rotterdam en Vlaardingen in uitvoering is): Tot en met 10 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast met de bodemfunctie ‘Natuur’. Tot en met 20 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast met de bodemfunctie ‘Landbouw’ Tot en met 50 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast met de bodemfunctie ‘Wonen’. Tot en met 100 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast met de bodemfunctie ‘Industrie’. 4.6Toepassen van grond afkomstig van gebieden waar de gemeente de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel Grond van gebieden waar de gemeente de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (

§ 1

.2.3 en § 4.2) moet altijd zijn gekeurd (

§ 6

.2.1) en voldoen aan de toepassingseisen zoals conform het generieke kader van het Besluit (

de kaartbijlage 5A en 5B). De in § 4.3 vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor de grond van buiten het bodembeheergebied én van gebieden waarvan de bodemkwaliteitskaart niet is geaccepteerd als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (

ook § 1.2.3 en § 4.2). Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (

§ 4.3.2).

4.7Melden en onderzoeken kleine partijen grond (maximaal 50 m3) Het komt vaak voor dat er bij bijvoorbeeld loonwerkers of de gemeentelijke afdeling voor groenonderhoud kleine partijen grond vrijkomen. Bijvoorbeeld bij (groen-) onderhoudswerkzaamheden of het plaatsen van bomen. In principe moeten alle toepassingen van kleine partijen grond worden gemeld, behalve partijen schone grond en schone gerijpte baggerspecie met een maximale omvang van 50 m3. Ook particulieren zijn vrijgesteld van de meldplicht (

ook § 7.2.2). Het is echter niet redelijk om voor alle kleine partijen niet-schone grond een onderzoek (bijvoorbeeld een partijkeuring) te verlangen en bij toepassing deze te melden. De gemeente verruimt de vrijstelling voor onderzoek en meldplicht voor een kleine partij grond. De vrijstelling is afhankelijk van de herkomst, de hoeveelheid en het bodemgebruik op de plaats van toepassing. In tabel 4.5 zijn de mogelijkheden voor kleine partijen weergegeven. Het heeft echter de voorkeur, dat de kleine partijen vrijkomende grond worden verzameld tot maximaal 25 m3 (

artikel 4.3.2 van de Regeling), bijvoorbeeld in een hiervoor bestemde container. De samengevoegde partijtjes grond moeten vervolgens worden aangeboden aan een erkend bodemintermediair die is gecertificeerd en erkend voor de BRL 9335 – protocol 9335-1[19]. Net als met elke andere toepassing van grond moet altijd toestemming verkregen worden van de perceeleigenaar van de ontvangende locatie. Hiermee wordt voorkomen dat er ongecontroleerde stort plaatsvindt. Ook voor kleine partijen grond geldt dat altijd historisch onderzoek uitgevoerd moet worden om aan te tonen dat de grond afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (

§ 6.1 en bijlage 8).

Tabel 4.5 Regels voor keuring en melding bij toepassingen van kleine partijen grond. Grondstroom Van gebieden waarvan de bodemkwaliteitskaart niet is geaccepteerd of geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld Van gebieden van de eigen en geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten Schone grond Volgens grondstromenmatrix (bijlage 4) vrij grondverzet Volgens grondstromenmatrix (bijlage 4) geen vrij grondverzet Hoeveelheid ≤50 m3 >50 m3 ≤50 m3 >50 m3 ≤25m3 >25m3 Keuring? Nee Ja Nee, tenzij een bepaald bodem-gebruik* Nee, tenzij een bepaald bodem-gebruik* Nee, tenzij een bepaald bodem-gebruik* Ja Melden? Nee, wel toestemming vragen aan perceel-eigenaar Ja,

§ 7

.2 Nee, wel toestemming vragen aan perceel-eigenaar Ja,

§ 7

.2 Ja,

§ 7.2** Beperking bij de toepassing?

Bepalingen uit § 4.4 en § 4.5 en er mag geen sprake zijn van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie Binnen de zone en bepalingen uit § 4.4 en § 4.5 Afhankelijk van keuringsresul-taten en bepalingen uit § 4.4 en § 4.5 * Als de toepassingslocatie de bestemming ‘onverharde kinderspeelplaatsen of moes-/volkstuin(complex) heeft of krijgt (

§ 4

.3.2), dan kan de toepassing alleen plaatsvinden na een partijkeuring waaruit blijkt dat deze voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Natuur’. ** Als na een keuring blijkt dat het schone grond én ≤50m3 betreft, hoeft er geen melding plaats te vinden. 4.8Toepassen van grond in een grootschalige bodemtoepassing De toepassing van grond in een grootschalige bodemtoepassing is beschreven in § 2.1.1 van bijlage 2. De initiatiefnemer van de grootschalige bodemtoepassing neemt in de planfase contact op met de DCMR. Per situatie worden de uitgangspunten voor grootschalige bodemtoepassingen in overleg tussen de initiatiefnemer en de DCMR vastgelegd. Afhankelijk van de beoordeling van de DCMR moet de initiatiefnemer aantonen dat de grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’, of een betere kwaliteitsklasse, en voldoet aan de emissietoetswaarden, die zijn opgenomen in bijlage B (tabel 1) van de Regeling, zodat wordt voorkomen dat er onaanvaardbare uitloging van stoffen naar de onderliggende bodemlaag kan plaatsvinden. Ook moet worden aangetoond dat de grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voldoen aan de gemeentelijke toepassingseisen (

kaartbijlagen 4A en 4B), of aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (de gebiedsspecifieke toepassingseisen,

§ 4.3).

Als de 80-percentielwaarden van een bodemkwaliteitszone voldoen aan de emissietoetswaarden, dan is het toegestaan dat de bodemkwaliteitskaart gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de kwaliteit van grond die wordt toegepast in een grootschalige bodemtoepassing. Voorwaarden die hierbij gelden zijn: De grond is afkomstig van een gebied dat onderdeel uit maakt van de bodemkwaliteitskaart (

voor de uitgesloten gebieden § 1.2.3). De grond die wordt toegepast voldoet aan het maximaal percentage bodemvreemd materiaal zoals is omschreven in § 4.4 en maximaal toegestane gehalten met asbest (

§ 4.5).

4.9Toepassen van grond uit een tijdelijke opslag Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag moet in de meeste situaties voorafgegaan worden door een partijkeuring (

§ 6.2.1).

Afhankelijk van de resultaten van de partijkeuring (en mogelijk aanvullende bepalingen uit § 4.4 en § 4.5) mag de grond worden toegepast. De gemeente staat toe dat de bodemkwaliteitskaart, of een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (

§ 4

.2), als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de grond mag worden gebruikt, als wordt aangetoond dat de grond: afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit historisch onderzoek;

§ 6

.1); én afkomstig is uit een bodemkwaliteitszone van de eigen of van een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (

§ 4

.2); én niet tussentijds is bewerkt (bijvoorbeeld samengevoegd met andere partijen grond). Als aan één of meerdere voorwaarden niet kan worden voldaan, moet een partijkeuring worden uitgevoerd. Als al een partijkeuring is uitgevoerd, dan moet alleen aan de derde voorwaarde worden voldaan. Samenvoegen van partijen grond mag alleen onder erkenning van de BRL 9335[20] of de BRL 7500[21]. Splitsen van een partij grond is toegestaan, ook zonder erkenning. Het splitsen moet goed worden gedocumenteerd door de initiatiefnemer. Conform artikel 4.3.1 van de Regeling moet worden vastgelegd: de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij, de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en de datum waarop de splitsing is uitgevoerd. Het beschikbare bewijsmiddel blijft geldig voor verschillende gesplitste deelpartijen. Als de grond die wordt toegepast onder certificaat wordt gesplitst, moet rekening worden gehouden met het gestelde in § 6.9 van het BRL 9335 – protocol 9335-1. Als partijen herbruikbare grond illegaal zijn samengevoegd, dan moet een bedrijf dat is erkend voor het BRL 9335 – protocol 9335-1 worden ingeschakeld om de partij te legaliseren. In § 6.3.5 van het BRL 9335 – protocol 9335-1 is hiervoor een mogelijkheid beschreven. Dit document

t expliciet niet toe op het samenvoegen van niet herbruikbare (ernstig verontreinigde) grond met hergebruiksgrond (licht verontreinigd). In dat kader is onderdeel B7 van het Landelijk Afvalbeheerplan 3 als uitwerking van Hoofdstuk 10 Wet milieubeheer van toepassing. 4.10Toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld Zoals in de bodemkwaliteitskaart van de gemeente is aangegeven (

bijlage 3A), maakt de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond vanuit deze bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Dit leidt tot extra kosten en uitvoeringstijd als grond vrijkomt bij bijvoorbeeld rioleringswerkzaamheden, ondertunneling, kelders en ondergrondse parkeergarages. Omdat de verwachting is dat de kwaliteit van de bodemlaag dieper dan 2 meter niet afwijkt van de kwaliteit van de bodemlaag die hierboven ligt (vanaf 0,5 meter tot en met 2 meter diepte), wordt dit niet doelmatig geacht. De gemeente verruimt op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties de regels voor het toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat de vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld, op dezelfde wijze beoordeeld mag worden als de bovenliggende bodemlaag van 1 meter diepte tot en met 2 meter diepte (

tabel 2.1). De vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond niet-verdachte locaties uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze beoordeeld worden als de bovenliggende bodemlaag van 1 meter diepte tot en met 2 meter diepte. 4.11Gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij het Activiteitenbesluit Volgens het Activiteitenbesluit moet een bedrijf met bodemverontreinigende activiteiten een nulsituatie-onderzoek uitvoeren. Als het betreffende bedrijf haar activiteiten staakt, moet een eindsituatie-onderzoek worden uitgevoerd. De resultaten van het eindsituatie-onderzoek worden vergeleken met die van het nulsituatie-onderzoek. Op deze manier kan worden nagegaan of de plaatsgevonden bedrijfsactiviteiten tot een verslechtering van de bodemkwaliteit hebben geleid. Het komt wel eens voor dat de nulsituatie in het verleden niet is vastgelegd. Volgens het Activiteitenbesluit moeten in die situatie de resultaten van het eindsituatie-onderzoek voldoen aan de maximale waarden van de klasse Achtergrondwaarde (AW2000). De gemeente staat het echter toe dat bij het niet aanwezig zijn van een nulsituatie-onderzoek voor een activiteit dat in het verleden is gestart, de bodemkwaliteitskaart mag worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het eindsituatie-onderzoek. In sommige gebieden kan met de bodemkwaliteitskaart worden aangetoond dat het verwijderen van een verontreiniging tot aan de Achtergrondwaarde (AW2000) niet realistisch is. Een bepaalde stof kan namelijk diffuus verhoogd voorkomen in een gebied. Het eindsituatieonderzoek kan dan worden getoetst aan de gemiddelden van de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen, of aan de Achtergrondwaarde (AW2000) als het gemiddelde van een stof lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart zelf mag nooit in de plaats van een nul- of eindsituatie-onderzoek worden gebruikt. 4.12Toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag, leeflaag in een sanering Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming bepalend. Grond kan binnen de saneringslocatie worden herschikt. Als grond van buiten de saneringslocatie op de saneringslocatie nuttig wordt toegepast, dan gelden dezelfde eisen als voor het toepassen van grond in de bodemkwaliteitszone waarin de saneringslocatie is gelegen. Voor grond, afkomstig vanuit het bodembeheergebied (

§ 4

.2), gelden de gebiedsspecifieke toepassingseisen (

kaartbijlage 4A en 4B). Voor grond van buiten het bodembeheergebied (

§ 4

.2), gelden de generieke toepassingseisen (

kaartbijlage 5A en 5B). Mogelijk zijn ook de aanvullende bepalingen uit § 4.4 en § 4.5 van toepassing. De grond die wordt toegepast als aanvulgrond van de saneringsput, of als ophooglaag/leeflaag in een sanering (in woongebieden minimaal 1 meter dik), moet ook worden gemeld bij het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (

§ 7.2.1).

4.13Bijzondere omstandigheden bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond 4.13.1Van de bodemkwaliteitskaart uitgesloten locaties en gebieden en grond vanuit oude categorie-1 werken In de gemeente zijn een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Deze locaties en gebieden zijn in § 1.2.3 gespecificeerd. Voor de gebieden die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart geldt het generieke kader van het Besluit. Dit betekent dat: het toepassen van grond vanuit deze locaties of gebieden voorafgegaan moet worden door een partijkeuring (

§ 6.2.1).

als grond op deze locaties of gebieden toegepast wordt, de ontvangende bodem onderzocht moet worden met een verkennend bodemonderzoek (

§ 6.2.2).

Alleen de ontvangende bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. De kwaliteit van de toe te passen grond moet enerzijds voldoen aan de maximale waarden van de functie die voor de ontvangende bodem is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart (

tabel 2.1 en kaartbijlage 1). Anderzijds moet de kwaliteit van de toe te passen grond van een vergelijkbare of betere kwaliteit zijn als die van de ontvangende bodem. De strengste toepassingseis is leidend (

ook bijlage 1 kopje ‘Toepassingskaart’). Grond vanuit oude categorie-1 werken (volgens het voormalige Bouwstoffenbesluit) die elders nuttig wordt toegepast moet altijd worden gekeurd (

§ 6.2.1).

Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. 4.13.2De geldigheidsduur van een eventueel uitgevoerd onderzoek en gebruik ontgravings- en toepassingskaart 4.13.2.1De geldigheidsduur van een eventueel uitgevoerd onderzoek De toe te passen grond en/of de ontvangende bodem kan al eerder zijn onderzocht. De NEN 5740[22] of en het BRL 1000 – protocol 1001[23] stellen geen voorwaarden aan de actualiteit van onderzoeksgegevens. De gemeente beschouwt de onderzoeksresultaten als een momentopname en zijn daarom niet ‘onbeperkt houdbaar’. Bij een al uitgevoerd onderzoek moet de initiatiefnemer aan de DCMR (namens de gemeente) aannemelijk maken dat de onderzoeksgegevens hun actualiteitswaarde hebben behouden. Hierbij moet ten minste in ogenschouw zijn genomen: of de gehanteerde strategie van monstername of analysemethodes voldoende inzicht geven in de algemene bodemkwaliteit; of de onderzoekslocatie na uitvoering van het laatste volledige onderzoek niet intensiever is gebruikt en geen grondverzet of herinrichting heeft ondergaan; qua gebruik of inrichting de onderzoekslocatie nog hetzelfde is; in hoeverre er tussentijds op de onderzoekslocatie activiteiten zijn uitgevoerd die de bodemkwaliteit hebben kunnen beïnvloeden. Stelt de DCMR (namens de gemeente) vast dat de onderzoeksresultaten hun actualiteitswaarde hebben verloren, dan kan, met instemming van de DCMR, nog worden overwogen om de verouderde onderzoeksgegevens met een indicatief/beperkt onderzoek te verifiëren of aan te vullen. Een volledig nieuw onderzoek volgens de BRL 1000 – protocol 1001, de NEN 5740 of NEN 5707 is dan niet nodig. Bij twijfel beslist de DCMR of het bewijsmiddel gebruikt mag worden. 4.13.2.2Uitgevoerd specifiek onderzoek van de NEN 5740 of partijkeuring en gebruik ontgravingskaart De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving een specifiek onderzoek van de NEN 5740 6 Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE. of een partijkeuring (BRL 1000 – protocol 1001) is uitgevoerd. Als het onderzoek of de partijkeuring voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit (

§ 6

.2.1) en representatief is voor de meest recente (terrein)situatie, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel. Zo’n onderzoek geeft een beter beeld van de grondkwaliteit dan de bodemkwaliteitskaart. Het onderzoek is leidend boven de ontgravingskaarten van de bodemkwaliteitskaart. 4.13.2.3Uitgevoerd onderzoek en gebruik toepassingskaart Uit een onderzoek, een partijkeuring of uitgevoerd volgens de NEN 5740, kan blijken dat dat de kwaliteit van de ontvangende bodem waarin de locatie is gelegen slechter of juist beter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld. In die situatie geldt de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten, ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis. 4.13.2.4Uitgevoerd NEN 5740 onderzoek en gebruik ontgravingskaart Als op de ontgravingslocatie al een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 is uitgevoerd, maar geen specifieke onderzoeksstrategie (

§ 4

.13.2.1), geldt het volgende: Binnen een bodemkwaliteitszone is altijd sprake van een variatie in aangetroffen gehalten. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. De gemeente vindt het niet redelijk dat voor deze locaties, na het uitvoeren van een bodemonderzoek conform de NEN 5740, een aanvullende partijkeuring moet plaatsvinden. De gemeente staat het daarom toe dat, als het bodemonderzoek nog representatief is voor de meest recente (terrein)situatie én de gehalten van de stoffen voldoen aan de 80-percentielwaarde 7 De 80-percentielwaarde wordt aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Als de 80-percentielwaarde lager dan de toetsingsnorm voor de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ is gelegen, wordt de toetsingsnorm voor de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ als lokale achtergrondwaarde gehanteerd. van de betreffende bodemkwaliteitszone (

bijlage 4, kolom 80P), er geen aanvullende partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd. De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend ‘bewijsmiddel’ gebruikt. Als één van de parameters in het bodemonderzoek van de mengmonsters of individueel geanalyseerde monsters hoger is dan de 80-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone, dan wordt de ontgraven grond als afwijkend gezien en moet een partijkeuring worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen. Als één of meerdere gehalten de interventiewaarde overschrijdt, moet contact worden opgenomen met de DCMR. 4.13.3Gesaneerde locaties en te saneren locaties Ter plaatse van gesaneerde en te saneren locaties mag niet zonder meer grond worden ontgraven, tijdelijk worden opgeslagen of toegepast. Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag op deze locatie grond worden toegepast mits het een nuttige toepassing betreft (

§ 2

.1.1 van bijlage 2) en aan de toepassingseisen die in deze nota bodembeheer zijn gedefinieerd en gelden voor de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen. Ook moet worden nagegaan of de toepassing niet in strijd is met opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen. De terugsaneerwaarden zijn in de Wet bodembescherming, het Besluit en de Regeling Uniforme Saneringen[24]) geregeld: Wet bodembescherming

  1. Bodemfunctie (Circulaire artikel 4.1.2)
  2. Gemotiveerd afwijken met behulp van saneringsplan (Circulaire artikel 4.1.2) BUS/RUS RUS artikel 3.1.6 en 3.2.4
  3. Vastgestelde Lokale Maximale Waarden
  4. Bodemfunctie zoals is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart, AW2000 als geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld
  5. Mobiele verontreiniging: kwaliteitsklasse Wonen Deze terugsaneerwaarden worden ook geadviseerd als op locaties sterk verontreinigde grond wordt ontgraven waar geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; bijvoorbeeld als sprake is van 25 kuub of minder, sterk verontreinigde grond. In § 4.12 is ingegaan op het toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag of leeflaag in een sanering. Het toepassen van grond moet worden gemeld bij het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (

§ 7.2.1).

Als de sanering wordt uitgevoerd conform artikel 39 van de Wet bodembescherming moet het toepassen van de grond óók worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming (voor de gemeente is dat de provincie Zuid-Holland die deze taken heeft gemandateerd aan de DCMR; 010-2468140, info@dcmr.nl). Dit geldt overigens niet voor BUS-saneringen (

artikel 36, lid 2 onder c van het Besluit). 4.13.4Beschermde gebieden 4.13.4.1Provinciale beschermingsgebieden In het bodembeheergebied liggen provinciale beschermingsgebieden. De provincie kan hier aanvullende eisen stellen. Voorbeelden hiervan zijn gebieden met archeologische, cultuurhistorische, of aardkundige waarden, Natura2000-gebieden of gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS). De ligging van deze gebieden is te raadplegen op de website van de Provincie Zuid-Holland: www.zuid-holland.nl. Voorafgaand aan het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond moet zowel voor de ontgravingslocatie als op de toepassingslocatie worden nagegaan of er naar aanleiding van de ligging in één of meerdere beschermingsgebieden restricties zijn ten aanzien van de werkzaamheden. Bij grondwerkzaamheden binnen beschermingsgebieden wordt het provinciale beleid gevolgd. 4.13.4.2Gemeentelijke beschermingsgebieden De gemeente hanteert bij grondroerende activiteiten de indicatieve Archeologische waardenkaart

(2011). De gemeente hoopt bij te dragen aan een vlotte en ongehinderde totstandkoming van ruimtelijke plannen, terwijl tegelijkertijd, daar waar nodig, recht gedaan wordt aan de archeologische geschiedenis in de gemeente. In de indicatieve Archeologische waardenkaart is aangegeven dat een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden als een plangebied met grondroerende werkzaamheden: is gelegen binnen een locatie waar is aangegeven dat deze archeologische waarden heeft; groter is dan een bepaald oppervlakte. 4.14Verspreiden onderhoudsbaggerspecie (generiek kader Besluit bodemkwaliteit) 4.14.1Verspreiden onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam Voor het verspreiden van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is voor de gemeente het Waterschap Hollandse Delta het bevoegde gezag. Hiervoor moet contact worden opgenomen met het Waterschap (https://www.wshd.nl). 4.14.2Verspreiden onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam In de Waterwet en de Keur van waterschappen is geregeld dat de aangrenzende percelen van watergangen een ontvangstplicht hebben. Voorafgaand aan het verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzend perceel moet de kwaliteit van de baggerspecie worden getoetst. Bij de normstelling van deze toets wordt rekening gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. De Maximale Waarden voor het verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen zijn opgenomen in tabel 2 uit bijlage B van de Regeling. De normstelling is geschematiseerd in figuur 4.
  1. Figuur 4.
  2. Normstelling voor verspreiding van baggerspecie over aangrenzende percelen. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden: Voor onderhoudsspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel en de interventiewaarden droge bodem geldt de ontvangstplicht. De baggerspecie mag tot aan de perceelgrens worden verspreid. Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. De verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld. In bijlage 1 onder het kopje ‘aangrenzend perceel’ is nader ingegaan op de definitie van ‘aangrenzend perceel’ en toekomstige ontwikkelingen binnen het Besluit hierbij. Voor weilanddepots, een vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie, gelden aanvullende eisen: De kwaliteit van de baggerspecie moet voldoen aan de Maximale waarden voor verspreiding over aangrenzende percelen. De tijdelijke opslag mag maximaal drie jaar duren. De tijdelijke opslag met de voorziene duur en eindbestemming wordt vijf dagen van tevoren gemeld. De tijdelijk opgeslagen baggerspecie moet vanaf het weilanddepot in een nuttige toepassing worden gebracht, waarbij verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is uitgezonderd als nuttige toepassing. Voor verdere informatie over het verspreiden van baggerspecie wordt hier volstaan met een verwijzing naar het ‘Handvat verspreiden baggerspecie’[25]. 4.15Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en groenvoorzieningen Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is onder voorwaarden tijdelijke uitname van grond op een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; er geen tussentijdse bewerking 8 Het tussentijds civieltechnisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd (

de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). plaatsvindt; de grond onder dezelfde condities op of nabij de herkomstlocatie weer worden toegepast; ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. Vanwege de voornoemde knelpunten bij de tijdelijke uitname van grond, verruimt de gemeente op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties de regels voor graafwerkzaamheden bij de tijdelijke uitname van grond bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen als volgt: Bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op niet- verdachte locaties, hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 1 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 1 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De eerste 2 voornoemde voorwaarden blijven overigens gelden. Als grond na ontgraving niet meer kan worden teruggeplaatst, kan deze elders nuttig worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de grondkwaliteit. Omdat de grond niet gescheiden is ontgraven, geldt de ‘minste’ kwaliteit van beide bodemlagen. Voor tijdelijke uitname van grond bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. Hiervoor wordt verwezen naar § 6.2, § 7.1, § 7.2.1 en § 7.2.3. Voor de uitvoering van kleinschalig grondverzet (maximaal 20 m3) ter plaatse van een geval van ernstige bodemverontreiniging, sluit de gemeente aan bij de hiervoor door de DCMR opgestelde Richtlijn Kleinschalig grondverzet in sterk verontreinigde grond[26]. Met deze richtlijn mogen de werkzaamheden worden uitgevoerd zonder dat de saneringsprocedure vanuit de Wet bodembescherming moet worden doorlopen (BUS-melding en -evaluatie of saneringsplan en -evaluatie). Bij graafwerkzaamheden voor ondergrondse infrastructuur of voor groenvoorzieningen op voor bodemverontreiniging niet-verdachte verdachte locaties, hoeft de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 1 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 1 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. Voor de uitvoering van kleinschalig grondverzet (maximaal 20 m3) ter plaatse van een geval van ernstige bodemverontreiniging, sluit de gemeente aan bij de hiervoor door de DCMR opgestelde Richtlijn Kleinschalig grondverzet in sterk verontreinigde grond. 4.16Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet Bij het toepassen van grond speelt naast de kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde plaagsoorten (flora) een steeds belangrijke rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop. Deze uitheemse plant brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. Om deze redenen wil de gemeente de verspreiding van deze plaagsoorten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen. Bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond moet aandacht worden besteed aan het (eventueel) voor komen van plaagsoorten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht te besteden. Een mogelijke werkwijze is de beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/. Als een plaagsoort (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de gemeente. Als een plaagsoort (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieve-exoten/. Naar verwachting komt er in 2019 een landelijk protocol omtrent bestrijding invasieve soorten. In dit protocol worden waarschijnlijk ook ‘spelregels’ opgenomen over grondtransporten, e.d.. Als het landelijke protocol klaar is, volgt de gemeente het landelijke protocol. 5Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel Een bodemkwaliteitskaart mag alleen worden gebruikt bij grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Dit geldt zowel voor de ontgravings- als de toepassingslocatie. Hiermee wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond wordt afgegraven en elders (ongewenst) wordt toegepast en/of dat een eventuele sterke grondverontreiniging illegaal wordt afgedekt. Een tweede basisprincipe is dat grond nuttig toegepast moet worden (

ook § 2.1.1 van bijlage 2). Het is niet toegestaan om zich van grond te ontdoen als deze niet naar een erkend verwerker wordt getransporteerd. Vanaf het moment van ontgraven tot aan het moment van verwerking wordt de grond als afvalstof gezien. Dit geldt óók voor schone grond. Als aan voornoemde basisprincipes is voldaan, werkt de bodemkwaliteitskaart als volgt: De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingsklasse ‘Natuur’; groen op de ontgravingskaarten van kaartbijlage 3A en 3B) mag overal worden toegepast. Bij toepassing op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en kan de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt omdat de kwaliteit van de daar toe te passen grond moet zijn aangetoond met een partijkeuring. De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingsklasse ‘Landbouw’; geel op de ontgravingskaarten van kaartbijlage 3A en 3B) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Landbouw’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is (respectievelijk oranje/bruin en rood op de toepassingskaart van kaartbijlage 4A en 4B). De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingsklasse ‘Wonen’ (oranje/bruin op de ontgravingskaarten van kaartbijlage 3A en 3B) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is (respectievelijk oranje/bruin en rood op de toepassingskaart van kaartbijlage 4A en 4B). De grond uit het bodembeheergebied met een kwaliteit vallend in de ontgravingsklasse ‘Industrie’ worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is (roze/rood op de toepassingskaart van kaartbijlage 4A en 4B). Als de toe te passen grond is gekeurd volgens de gestelde eisen van het Besluit, is de in de partijkeuring vastgestelde kwaliteit leidend (

§ 4.13.2.1 en § 4.13.2.2).

Als uit een bodemonderzoek blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem beter of slechter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten. (

§ 4.13.2.1 en § 4.13.2.3).

Als uit een bodemonderzoek blijkt dat alle analyseresultaten voldoen aan de 80-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone (

bijlage 4, kolom 80P), mag de bodemkwaliteitskaart met het bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel worden gebruikt voor de grond die elders nuttig wordt toegepast (

§ 4.13.2.1 en § 4.13.2.4).

Grond van gebieden waar de gemeente de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (

§ 4.2), moet voldoen aan de generieke toepassingseisen (kaartbijlage 5A en 5B).

Uitzondering hierop zijn de gebieden met strengere Lokale Maximale Waarden ten opzichte van de generieke toepassingseis van het Besluit. In deze gebieden gelden voor toe te passen grond altijd de vastgestelde (strengere) Lokale Maximale Waarden (

§ 4.3.2).

Gebiedseigen grond moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (kaartbijlage 4A en 4B). 6Onderzoeksinspanning voorafgaand aan het grondverzet 6.1Historisch onderzoek Voorafgaand aan graafwerkzaamheden of het ontgraven en toepassen van grond moet altijd een historisch onderzoek worden uitgevoerd om vast te stellen of de werkzaamheden gaan plaatsvinden op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties en/of locaties onderdeel uitmaken van een geldige bodemkwaliteitskaart. Bij graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) moet dit vanwege de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en de Arbowetgeving en het werken in en met verontreinigde grond. Voor de ontgravingslocatie moet worden achterhaald of er geen handelingen worden verricht waardoor een eventuele verontreiniging wordt verminderd of verplaatst (Wet bodembescherming); de bodemkwaliteitskaart gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (Besluit bodemkwaliteit). de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd, dan wel welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om veilig te kunnen werken (Arbowetgeving). Voor de toepassingslocatie moet worden achterhaald of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Als hiervan sprake is en grond wordt toegepast, is immers sprake van het aanbrengen van een leeflaag in het kader van de Wet bodembescherming. In dat geval moet minimaal een BUS-melding en -evaluatie worden ingediend; de bodemkwaliteitskaart gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de ontvangende bodem (Besluit bodemkwaliteit). de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd, dan wel welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om veilig te kunnen werken (Arbowetgeving). Het historisch onderzoek moet worden uitgevoerd met behulp van het vragenformulier historische gegevens (

bijlage 8).Dit formulier moet volledig worden ingevuld. Geadviseerd wordt het historisch onderzoek te laten uitvoeren door een deskundig persoon of bedrijf. Bijvoorbeeld een bedrijf dat is gecertificeerd voor het BRL protocol 2001[27] met een ministeriële erkenning. De onderzoekslocatie wordt gedefinieerd als zijnde de ontgravings- en toepassingslocatie waar de werkzaamheden gaan plaatsvinden inclusief het omliggende terrein tot een maximum van 25 meter. Onderdeel van het historisch onderzoek is een rapportage vanuit het digitale archief van de DCMR die de gegevens van de gemeente beheert: http://dcmr.gisinternet.nl/. Ook moet aandacht worden besteed aan: informatie van (voormalige) terreineigenaren over (voormalige) bodembedreigende activiteiten zoals bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten en (ondergrondse) tanks; de kans op het voor komen van PFAS-verbindingen 9 Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die sinds de jaren ’70 grootschalig zijn toegepast in verschillende bedrijfstakken die vocht afwerende producten maken of in blusschuim., waaronder PFOA 10 PFOA: perfluoroctaanzuur. Wordt gebruikt bij de productie van polymeren voor het product Teflon. Ook wordt perfluoroctaanzuur gebruikt in bakpapier, pizzadozen, tapijten, tapijtenreinigers, vloerwas en textiel. Dit vanwege de zeer goede olie- en waterwerende werking van de stof. en PFOS 11 PFOS: perfluoroctaansulfonaat. Wordt gebruikt in blusschuim. en GenX 12 GenX: HFPO-DA (2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluoropropoxy)propaanzuur (FRD903) en het ammoniumzout ammonium 2,3,3,3-tetrafluor-2(heptafluorpropoxy)propanoaat (FRD-902) die vrijkomen bij het GenX proces. Een vervangende technologie als vervanging van PFOA om coatings (fluorpolymeren) te maken.; is de toepassing van de grond nuttig is (artikel 35 van het Besluit;

ook § 2.1.1 van bijlage 2, onderdeel 'Nuttige toepassingen van grond'); het grondverzet dat plaatsvindt in gebieden met bijzondere omstandigheden (

§ 4

.13) en of andere Wet- en regelgeving van belang is (

§ 2.1.5 van bijlage 2).

Alleen als uit het historisch onderzoek blijkt dat op de terreinen waar de werkzaamheden plaatsvinden geen activiteiten aanwezig zijn (geweest) die de bodem hebben kunnen verontreinigen én de locatie onderdeel uitmaakt van een geldige bodemkwaliteitskaart, mag een bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de grond (

hoofdstuk 5). Als historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. In § 4.13.2 is nader ingegaan op al uitgevoerde bodemonderzoeken en de bruikbaarheid van onderzoeksresultaten. Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen lokale bron aanwezig is (geweest); bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een gedempte watergang, een ophooglaag, een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, bodembedreigende activiteiten, of een locatie die in het Kadaster is geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (een locatie met een beschikking ‘Ernstig’). 6.2Onderzoek toe te passen grond en ontvangende bodem 6.2.1Onderzoek toe te passen grond De toe te passen grond moet worden gekeurd als deze grond: ontgraven gaat worden uit een zone waarvan de te verwachten ontgravingskwaliteit een mindere kwaliteit heeft dan de toepassingseis van de ontvangende bodem; afkomstig is van een uitgesloten locatie/gebied van de eigen of geaccepteerde en geldige bodemkwaliteitskaart (

§ 4

.2) (gespecificeerd in § 1.2.3 en de rapportages van de geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten); afkomstig is van gebieden waarvan de gemeente de bodemkwaliteitskaarten niet heeft geaccepteerd (

§ 4.2 en § 4.6).

wordt toegepast op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en (

§ 4

.3.2); de ontgravingslocatie is gelegen in de aangewezen onverharde wegbermen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ in de gemeente en niet als bermgrond van een weg met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ wordt toegepast maar elders (

§ 4

.3.3); onvoorziene visuele afwijkingen vertoont (asbest, bodemvreemde materialen, kleur, geur;

§ 4

.4); afkomstig is van een tijdelijke opslag en niet aan voorwaarden voldaan kan worden zoals deze in § 4.9 zijn beschreven. De partijkeuring moet plaatsvinden conform de BRL protocol 1001 of de NEN5740 13 Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE. en door een daarvoor gecertificeerd bedrijf met een ministeriële erkenning. Bij onderzoek op asbest is het uitvoerend bedrijf/persoon gecertificeerd en erkend voor het BRL protocol 2018[28]. Indicatief bodemonderzoek grond afkomstig van én hergebruikt in onverharde bermen met de bodemfunctie ‘Industrie’ Als bermgrond weer wordt toegepast in onverharde bermen met de bodemfunctie ‘Industrie’ moet voorafgaand aan de toepassing een indicatief bodemonderzoek conform een passende onderzoeksstrategie uit de NEN5740 plaatsvinden. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor de BRL protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon met een ministeriële erkenning. Voor het onderzoek hoeft alleen de te ontgraven bodemlaag te worden onderzocht; onderzoek van de bodemlaag dieper dan de ontgravingsdiepte en het grondwater is niet nodig. Bij de bermgrond wordt vanwege mogelijke verschillen in kwaliteit geadviseerd om bij dit onderzoek onderscheid te maken in een bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte en een de diepere bodemlaag tot en met ontgravingsdiepte. Ten aanzien de eventueel te onderscheiden partijen grond in de onverharde wegbermen sluit de gemeente aan bij de nadere toelichting hierover in het BRL protocol 1001. 6.2.2Onderzoek ontvangende bodem De kwaliteit van de ontvangende bodem moet worden onderzocht als de toepassingslocatie is gelegen in een niet-gezoneerd gebied of is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (

§ 1.2.3).

Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen moet een gepaste onderzoeksstrategie uit de NEN5740 14 Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: ONV, ONV-GR, ONB,TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE. worden gebruikt. Alleen de bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door voor de BRL protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon met een ministeriële erkenning. 7Procedures 7.1Opvragen informatie voorafgaand aan het grondverzet Voorafgaand aan het tijdelijk opslaan van grond en een grondstroom tussen locaties (ontgraven en toepassen van grond) moet de initiatiefnemer of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), zich op de hoogte te stellen van de mogelijkheden van het grondverzet (

§ 6

.1) De resultaten van het historisch onderzoek (locatie van tijdelijke ontgraving, ontgravings- én toepassingslocatie) moeten volledig en gelijktijdig met de melding voor het tijdelijk opslaan van grond of de grondstroom (

§ 7.2) worden ingeleverd.

In onderstaande paragrafen worden de procedures, te weten melding, termijn, registratie en transport van grond verder uiteengezet. 7.2Melden tijdelijk opslaan en toepassen van grond 7.2.1Algemeen De melding moet minimaal 5 werkdagen voor de aanvang van de tijdelijke opslag van grond of nuttige toepassing van de grond worden gedaan via het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Het melden kan zowel analoog als digitaal plaatsvinden. De meldingen worden doorgezonden naar het bevoegd gezag van de locatie waar de grond tijdelijk wordt opgeslagen of toegepast. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen op of in de landbodem is dat de gemeente waarin de locatie van de tijdelijke opslag of de toepassing is gelegen. Voor de gemeente worden de meldingen doorgezonden naar de DCMR. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen in oppervlaktewaterlichamen, zoals sloten, is dat het Waterschap Hollandse Delta. De DCMR is op grond van het Besluit niet verplicht om de melding te publiceren en neemt geen formeel besluit op de melding. Na verstrijken van de hierboven genoemde termijn mag de initiatiefnemer starten met het tijdelijk opslaan van grond of de nuttige toepassing. De initiatiefnemer van de tijdelijke opslag of de nuttige toepassing is en blijft verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de tijdelijke opslag of de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een eigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener (

ook § 1.4.1). In tabel 7.1 is een overzicht gegeven van de verschillende vormen van tijdelijke opslag en de voorwaarden uit het Besluit die daarbij gelden. 7.2.2Toepassen van grond De meldingsplicht voor het nuttig toepassen van grond in het kader van het Besluit geldt altijd met uitzondering van: de toepassing van grond door particulieren, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep; het toepassen van grond binnen een landbouwbedrijf als de grond afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond wordt toegepast; het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen; het toepassen van schone grond in hoeveelheden maximaal 50 m3. Voor het toepassen van schone grond in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld. De DCMR kan namens de gemeente ondanks de ontheffing van de meldplicht wel de bewijsmiddelen opvragen van de kwaliteit van de toegepaste grond of (verspreide) baggerspecie. 7.2.3Tijdelijke opslag De meldingsplicht voor het tijdelijk opslaan grond in het kader van het Besluit geldt altijd, met uitzondering van de opslag van grond als sprake is van tijdelijke uitname. In het Besluit is tijdelijke opslag in de meeste situaties niet vergunningsplichtig. Wel moet aan een drietal voorwaarden worden voldaan: De kwaliteit van de grond moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem. De grond mag op de landbodem maximaal 3 jaar opgeslagen worden. De eindbestemming van de grond moet bekend zijn als deze langer dan 6 maanden wordt opgeslagen. In tabel 7.1 zijn de vormen van tijdelijke opslag en de bijbehorende voorwaarden (kwaliteitseisen en meldingsplicht) opgenomen. Tabel 7.1 Vormen van tijdelijke opslag en bijbehorende voorwaarden Vorm van tijdelijke opslag Voorwaarden van het Besluit Maximale duur van de opslag Kwaliteitseisen Meldingsplicht Kortdurende opslag 6 maanden - Ja1) Tijdelijke opslag op landbodem 3 jaar Kwaliteit moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem Ja1) , met voorziene duur van opslag en eindbestemming Weilanddepot: tijdelijke opslag van baggerspecie op aangrenzend perceel 3 jaar Alleen baggerspecie die voldoet aan de normen voor verspreiding over aangrenzende percelen Ja1) , met voorziene duur van opslag en eindbestemming Opslag tijdelijke uitname Looptijd van de werkzaamheden - Nee 1) Melding moet worden gedaan bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl Als grond voorafgaand aan de toepassing tijdelijk wordt opgeslagen dan zijn in principe 2 meldingen bij het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat noodzakelijk. Om deze administratie lasten te verminderen, verruimt de gemeente de eisen voor het melden van tijdelijke opslag van grond waarvan de toepassingslocatie bekend is als volgt: Als bekend is waar de grond, die tijdelijk wordt opgeslagen, wordt toegepast, hoeft voorafgaand aan de tijdelijke opslag alleen de melding voor de toepassing van deze grond te worden gedaan. Bij de melding moet wel de locatie en duur van de tijdelijke opslag worden vermeld. De kwaliteit van de grond die tijdelijk wordt opgeslagen, moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse dan wel de vastgestelde Lokale Maximale Waarden ter plaatse. Als bekend is waar de grond, die tijdelijk is opgeslagen, wordt toegepast, hoeft voorafgaand aan de tijdelijke opslag alleen de melding voor de toepassing van deze grond te worden gedaan. Bij de melding moet wel de locatie en duur van de tijdelijke opslag worden vermeld. De kwaliteit van de grond die tijdelijk wordt opgeslagen moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse dan wel de vastgestelde Lokale Maximale Waarden ter plaatse. 7.3Registratie en archivering meldingen De melding van de tijdelijke opslag en de nuttige toepassing van grond (inclusief bijlagen) wordt door de DCMR, voor de gemeente, bij binnenkomst geregistreerd en gearchiveerd. De verantwoordelijkheid voor het naleven van de regels rond het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond, waaronder het tijdig melden, ligt bij de initiatiefnemer van de grondtoepassing. Als achteraf blijkt dat foutief is gehandeld, dan kan de initiatiefnemer van de grondtoepassing zich niet beroepen op de gedane melding of het eventueel uitblijven van een reactie van het bevoegd gezag binnen een bepaalde termijn. Ook na toepassing mag de DCMR, namens de gemeente, nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van het toepassen van grond met een onjuiste kwaliteit. 7.4Beoordeling van de melding De meldingen van tijdelijke opslag en toepassingen van grond in de gemeente worden door de DCMR, namens de gemeente, beoordeeld. Bij toetsing van de tijdelijke opslag en de toepassing van grond wordt gekeken naar de kwaliteitsklasse van de toe te passen grond en de toepassingseis vanuit deze nota bodembeheer. Daarnaast wordt getoetst aan de bodemfunctieklassenkaart (kaartbijlage 1). Ten slotte kan ook andere wet- en regelgeving van invloed zijn (

§ 2

.1.5 van bijlage 2) of kunnen privaatrechtelijke aspecten een rol spelen, zoals het verkrijgen van toestemming van de perceeleigenaar. 7.5Transport van grond Bij het transport van grond over de weg moet een transportgeleidebiljet aanwezig zijn. Bij het transport van grond naar een nuttige toepassing moet een kwaliteitsverklaring beschikbaar zijn. Alternatief is dat op het transportgeleidebiljet het meldnummer is vermeld dat is afgegeven door het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (

ook § 7.7). Bij transport van grond naar een erkend verwerker (bijvoorbeeld een reiniger, stortplaats of depot voor het opslaan van verontreinigde grond) moet een afvalstroomnummer op het transportgeleidebiljet worden vermeld. Deze wordt afgegeven door de erkend verwerker. 7.6Repeterende vrachten en omvangrijke grondtoepassingen Binnen grootschalige werken, zoals het aanleggen van een woonwijk, bedrijventerrein of het ontwikkelen van een natuurgebied, is het vaak niet praktisch om voor elke afzonderlijk toepassing van een partij grond een melding te doen. In verband hiermee bestaat de mogelijkheid om hiervoor een grondstromenplan op te stellen dat vooraf moet worden goedgekeurd door de DCMR (namens de gemeente). Het grondstromenplan moet worden gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Afwijkingen van het grondstromenplan moeten direct worden gemeld aan de DCMR. 7.7Grondtransport met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel Als grond wordt getransporteerd met een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de grond, dan moet op het transportgeleidebiljet het meldingsnummer vermeld worden waaronder de melding bij het landelijke meldpunt bodemkwaliteit is geregistreerd en aan de melder is afgegeven. Als geen meldingsnummer op het transportgeleidebiljet is geregistreerd moet een kwaliteitsverklaring aanwezig zijn. 8Vrijstelling bodemonderzoek omgevingsvergunning (bouw en/of bestemmingsplan) De gemeente biedt, met uitzondering van locaties die zijn gelegen in de bodemkwaliteitszones ‘B1./O1 Oude bebouwing Geervliet’ en ‘B2. Oude bebouwing (voor 1945)’, de mogelijkheid dat bij aanvragen van een omgevingsvergunning (bouw en/of bestemmingsplan) onder bepaalde voorwaarden een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN5740) achterwege kan worden gelaten. De bodemkwaliteitskaart kan dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de bodemkwaliteit op het betreffende perceel of de betreffende percelen. De voorwaarden hiervoor zijn: Een historisch onderzoek moet zijn uitgevoerd door het volledig invullen van het vragenformulier historische gegevens (

bijlage 8; onderdeel ontgravingslocatie). Het historisch onderzoek moet zijn uitgevoerd door een gecertificeerd/erkend persoon of bureau voor de BRL protocol

  1. Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald, de gegevens voldoen aan de bovenstaande voorwaarden én de termijnen zoals vermeldt in § 4.13.2, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. Op basis van de bekende gegevens moet het vragenformulier historische gegevens worden ingevuld door de aanvrager. Bij twijfel beslist de gemeente of de onderzoeksgegevens mogen worden gebruikt. Het historisch onderzoek, moet samen met de omgevingsvergunningsaanvraag bij de gemeente, worden ingediend. Het is niet per definitie, dat op basis van historisch onderzoek, vrijstelling van bodemonderzoek wordt verleend. Dit hangt af van de beschikbaarheid van informatiebronnen en de uitkomsten van het historische onderzoek en de toetsing daarop. Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen lokale bron aanwezig is (geweest); bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een gedempte watergang, een ophooglaag, een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, bodembedreigende activiteiten, of een locatie die in het Kadaster is geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (een locatie met een beschikking ‘Ernstig’). Bronvermelding Bodemkwaliteitskaart regio Voorne-Putten (gemeenten Westvoorne, Hellevoetsluis, Brielle en de voormalige gemeenten Bernisse en Spijkenisse; nu gemeente Nissewaard), projectnummer: 239392, Ingenieursbureau Oranjewoud, november
  2. Nota bodembeleid regio Voorne-Putten (gemeenten Westvoorne, Hellevoetsluis, Brielle en de voormalige gemeenten Bernisse en Spijkenisse; nu gemeente Nissewaard), inclusief bodemfunctieklassenkaart, projectnummer: 23800.17, Inge

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.