← Nederland

Brandbeveiligingsverordening (Zederik)

BrandbeveiligingsverordeningOnderwerp:Vaststelling brandbeveiligingsverordening.De Raad der gemeente Zederik:gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 2 december 1992;gelet op artikel 12 van de Brandweerwet 1985 (Stb. 87);b e s l u i t:vast te stellen de volgende verordening: Brandbeveiligingsverordening. Hoofdstuk1Algemene bepaling Artikel1.1Begripsomschrijving Onder inrichting wordt verstaan een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde plaats. Artikel1.2Werkingssfeer Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in de Woningwet en debouwverordening. Hoofdstuk2Brandveilig gebruik Paragraaf1Vergunning Artikel2.1.1Vergunning gebruik inrichting Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een inrichting in gebruik te hebben of te houden, waarin:a. meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn;b. bedrijfsmatig de in artikel 2.2.2 bedoelde stoffen zullen worden opgeslagen;c. aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zalworden verschaft;d. aan personen in het kader van de Wet op de bejaardenoorden huisvesting zal wordenverschaft;e. aan meer dan tien personen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan tien lichamelijk en/ofgeestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal worden verschaft. Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften verbinden in hetbelang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken vanbrandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand. Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van eenverandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten deinrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning, voorschriften verbinden engestelde voorschriften wijzigen of intrekken. Artikel2.1.2Weigeren vergunning Een vergunning moet worden geweigerd indien de in de aanvraag vermelde wijze van gebruikvan de inrichting in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveiliggebruik te zijn en door het stellen van voorschriften geen voldoende brandveilig gebruik kanworden bereikt. Artikel2.1.3Intrekken vergunning Burgemeester en wethouders kunne een vergunning intrekken indien: blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens hebben verleend; blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een voorschriften van devergunning; van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijkworden van de vergunning; dan wel de datum of periode waarop of waarin een activiteit isvoorzien waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat bedoelde activiteitheeft plaatsgevonden; van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt; het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering vande inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting,opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt dat het stellen ofwijzigen van voorschriften dat belang voldoende te beschermen. Artikel2.1.4Verplicht aanwezige bescheiden In de inrichting waarde activiteiten plaatsvinden waarop de vergunning betrekking heeft moet devergunning aanwezig zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor denaleving van deze verordening, ter inzage worden gegeven. Paragraaf2Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar Artikel2.2.1Gebruikseisen voor inrichtingen 1Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze van gebruik van de inrichting inrelatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik te zijn. 2Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals die peronderwerp vermeld staan in de van overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij debouwverordening. 3Onverminderd het gestelde in het tweede lid, is het verboden een inrichting niet zijnde eenwoonschip, uitgezonderd een woonschip waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheidvan bewoners in combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en begeleidingvan bewoners, te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in devan overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 4 bij de bouwverordening. 4Burgemeester en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van artikel 3 van bijlage 3,buiten toepassing verklaren. Artikel2.2.2Verbod stoffen aanwezig te hebben 1Het is verboden stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992,nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (Stcrt. 192, nr. 188) in, op of nabijeen inrichting aanwezig te hebben. 2Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor : Het voorhanden hebben voor huishoudelijke en al het andere niet-bedrijfsmatige gebruik van de in het eerste lid bedoelde stoffen, indien dit de in bijlage 5 van de bouwverordeningaangegeven maximum hoeveelheden niet overschrijdt; Het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde stoffen in een inrichting waarvooreen vergunning overeenkomstig artikel 2.1.1 is verleend; De brandstof in een inrichting tot het bewaren, bezigen of afleveren van vloeibarebrandstoffen, dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens de Verordening opslag gas-,huisbrand- en stookolie; De brandstof in het reservoir bij een verbrandingsmotor; De brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmteontwikkelendtoestel. 3Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede lid, onder a, worden deinhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof als bedoeld in dat lidvolledig meegerekend. Artikel2.2.3Opslag en verwerking stoffen Stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992), nr. 104), alsmedeartikel II van de Regeling tot wijziging (Scrt. 1992, nr. 188) moeten worden opgeslagen volgensde in bijlage 6 van de bouwverordening aangegeven wijze. Paragraaf3Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand Artikel2.3.1Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen De rechthebbende op een inrichting, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats aanwezig is,is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kanworden beschikt. Artikel2.3.2Gebruik middelen en voorzieningen Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen of te hebben dat daardoorhet onmiddellijke gebruik of de zichtbaarheid wordt belemmerd van : middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en bestrijding van brand; middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen en dieren bij brand. Artikel2.3.3Verrichten van werkzaamheden Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-, herstellings-, wijzigings- ofsloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als bedoeld in de regeling Bouwbesluit brandveiligheid(Stcrt. 1992), nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (Scrt. 1992, nr. 188), ofgereedschappen worden gebruik, waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan vanbrand, moeten voldoende maatregelen zijn getroffen tegen het ontstaan van brand. Artikel2.3.4Verbod open vuur en roken 1Het is verboden te roken of vuur te hebben : In een ruimte in gebruik als opslagplaats van één of meer van de stoffen genoemd in de regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992), nr. 104), alsmede artikel II van deRegeling tot wijziging (Scrt. 1992, nr. 188), onder a tot en met h; Bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare vloeistoffen en (of)gassen kunnen veroorzaken; Bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar gas. 2Van het verbod gesteld in het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffingverlenen. Artikel2.3.5Verboden handelingen met stoffen 1Het is verboden een brandbaar gas of gasmengsels uit een vat te doen overstromen in eenander vat dat niet bestemd of ingericht is om dat gas of gasmengsel te bevatten. 2Het is verboden gassen of gasmengsels in drukvaten of in leidingen te verwarmen. 3Het is verboden een brandbaar gas te bezigen voor het vullen van speelgoed, hobby- ensportartikelen, anders dan luchtvaartuigen bedoeld in de regeling inzake het met bepaaldeluchtvaartuigen opstijgen van en landen op alsmede het inrichten van niet alsluchtvaartterreinen aangewezen terreinen (Stb. 1988, 511). 4Het is verboden een brandbare vloeistof, een brandbaar gas of gasmengsel of eenbrandbare damp te laten wegstromen op zodanige wijze dat daardoor brand kan ontsteen. 5Het is verboden gloeiende vaste stoffen op te slaan, te vervoeren of weg te gooien opzodanige wijze dat daardoor brand ontstaat. Artikel2.3.6Melden van brand en broei Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit onmiddellijk aan de brandweerte melden. Artikel2.3.7Bossen, heidevelden, venen 1De eigenaar van een naaldhoutbos, een heideveld, een veen of een ander terrein, dat metbrandbare gewassen is begroeid, is verplicht -na een van burgemeester en wethoudersontvangen aangetekende brief- de voorschriften op te volgen, die burgemeester enwethouders in die brief geven tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgenvan brand. 2Onder een in het eerste lid genoemd naaldhoutbos wordt verstaan elke aaneengesloten ofvrijwel aaneengesloten opstand, die voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout. Hoofdstuk3Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel3.1Toezicht op de naleving Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt opgedragen aanambtenaren van de brandweer en daartoe door burgemeester en wethouders aangewezenambtenaren. Artikel3.2Strafbepaling Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt gestraft met hechtenis vante hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. Artikel3.3Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning 1Een aanvraag om gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26 van debrandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 24 april 1988, alsmede enigberoep, ingesteld tegen een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag, wordt afgedaan opgrond van genoemde brandbeveiligingsverordening en alle daarin aangebrachte wijzigingen. 2Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26 van de brandbeveiligingsverordeningvastgesteld bij raadsbesluit d.d. 25 april 1988 geldt als gebruiksvergunning als bedoeld inartikel 2.1.1, voor zover deze niet krachtens overgangsrecht van de bouwverordening geldtals gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1. van de bouwverordening. Artikel3.4Slotbepaling 1Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die waarop zij is afgekondigd. 2Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de brandbeveiligingsverordening,vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 25 april 1988 en alle daarin aangebrachte wijzigingen. 3Deze verordening kan worden aangehaald als : brandbeveiligingsverordening. Aldus vastgesteld in de openbare vergaderingvan de raad van de gemeente Zederik,gehouden op 25 januari 1993.De secretaris, De voorzitter,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.