Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Noordoostpolder houdende regels omtrent de heffing en de invordering van rioolheffing (Verordening rioolheffing 2020)De raad van de gemeente Noordoostpolder; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 oktober 2019, no. 19.0001602; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; B E S L U I T: vast te stellen de VERORDENING op de heffing en de invordering van rioolheffing 2020 Artikel1Definities Deze verordening verstaat onder: perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft; water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater; woning: een onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient; niet-woning: een onroerende zaak of zelfstandig gedeelte daarvan die niet in hoofdzaak tot woning dient; garagebox: een zelfstandig opstal, bedoeld en als zodanig in gebruik, voor het stallen van (motor-)voertuigen en/of het opslaan van goederen, zonder dat dit een bedrijfsmatig doel dient en dit opstal in de uitvoering van de Wet WOZ als garagebox wordt aangemerkt, terwijl vanuit de opstal enkel hemelwater wordt afgevoerd. Artikel2Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel3Belastbaar feit en belastingplicht 1.De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel. 2.Met betrekking tot de rioolheffing wordt als gebruiker aangemerkt: degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 – voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan. Artikel4Zelfstandige gedeelten 1.Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven terzake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. 2.In afwijking van artikel 3 wordt als één perceel aangemerkt een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 lid e Wet WOZ. Artikel5Maatstaf van heffing 1.De belasting wordt, in geval van een woning, geheven naar een vast bedrag per perceel. 2.De belasting wordt, in geval van een niet-woning, geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. 3.Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 4.Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 5.De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of gepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd. 6.Indien naar een perceel als bedoeld in lid 2, geen water is toegevoerd en er ten be-hoeve van dit perceel evenmin water is opgepompt, wordt het aantal kubieke meters water geacht te liggen tussen 0 m3 en 200 m
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.