Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2020De RAAD van de gemeente Dordrecht; gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 1 oktober 2019, inzake Vaststellen Verordeningen op de heffing en invordering van precariobelasting, marktgeld en reinigingsrecht 2020; overwegende dat het noodzakelijk is om een nieuwe, integrale Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting vast te stellen in verband met wijziging van tarieven en in verband met een wetswijziging; gelet op de artikelen 216 en 228 van de Gemeentewet; b e s l u i t : vast te stellen de navolgende Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2020 Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt verstaan onder: dag: een tijdvak van één etmaal of een gedeelte daarvan; week: een tijdvak van zeven achtereenvolgende etmalen; maand: een tijdvak van dertig achtereenvolgende etmalen; jaar: het kalenderjaar lopend van 1 januari tot en met 31 december. Indien in de tarieventabel voor een belastbaar feit wel een weektarief maar geen dagtarief is opgenomen, wordt een gedeelte van een week gelijkgesteld met een week. Indien in de tarieventabel voor een belastbaar feit wel een maandtarief maar geen dag- of weektarief is opgenomen, wordt een gedeelte van een maand gelijkgesteld met een maand. Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam precariobelasting wordt een belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze Verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel 3 Belastingplicht De precariobelasting wordt geheven van degene die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft of ten behoeve van wie deze voorwerpen zich daar bevinden. Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt degene aan wie de vergunning is verleend aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet de voorwerpen onder, op of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft. Artikel 4 Vrijstellingen De precariobelasting wordt niet geheven ten aanzien van: voorwerpen op de openbare weg bij kleinschalige niet-commerciële buurtactiviteiten; voorwerpen welke ingevolge een wettelijk voorschrift moeten worden gedoogd; voorwerpen welke uitsluitend worden gebezigd voor weldadige doelen die zijn voorzien van het keurmerk van de stichting Centraal Bureau Fondsenwerving; voorwerpen of werken ten behoeve van eigendommen welke bij de gemeente of haar instellingen in gebruik zijn; straatversiering, inclusief apparatuur ten behoeve van verlichting en/of geluidsweergave, mits niet permanent aangebracht en geen commerciële reclame of soortgelijke aanduidingen bevattend; voorwerpen geplaatst ter verfraaiing van het pand en/of de (woon)omgeving en geen commerciële reclame of soortgelijke aanduidingen bevattend; borden waarvan de grootste afmeting niet meer bedraagt dan 0,60 meter, uitsluitend vermeldende naam en/of beroep of bedrijf, aangebracht plat tegen de gevel van percelen waar het beroep of het bedrijf wordt uitgeoefend of waar de belastingplichtige woont; borden tot verhuur of verkoop van de woningen of percelen waaraan deze borden zijn bevestigd; wegwijzers, verkeersaanwijzingen en voorwerpen welke uitsluitend zijn aangebracht ter gelegenheid van voor het algemeen nut gehouden acties van de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB en andere overeenkomstige instellingen; buizen of riolen, uitsluitend dienende tot afvoer van fecaliën of hemelwater; balkons, luifels en erkers, voor zover deze niet voor reclame dienen; voorwerpen en werken welke uit een oogpunt van monumentenzorg, op grond van enig overheidsbesluit in stand moeten worden gehouden. een mobiele onderzoeksunit die wordt gebruikt voor het doen van bevolkingsonderzoek als bedoeld in artikel 1, onder c van de Wet op het bevolkingsonderzoek, voor welk onderzoek op grond van die wet vergunning is verleend, gedurende dat gebruik. Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief De precariobelasting wordt geheven naar de maatstaven en tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Voor de berekening van de precariobelasting wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt. Bij de toepassing van een per tijdseenheid vastgesteld tarief wordt de totale belastingschuld niet hoger vastgesteld dan het bedrag dat verschuldigd zou zijn bij toepassing van het tarief voor een opvolgende tijdseenheid. Belastingbedragen van minder dan € 10,- worden niet geheven. Voor de toepassing van het vierde lid wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 6 Belastingtijdvak In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaar overschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar. In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 7 Wijze van heffing De precariobelasting wordt bij wege van aanslag geheven. In afwijking van het eerste lid wordt de voor een dag verschuldigde precariobelasting geheven door middel van een mondelinge, dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang In de gevallen bedoeld in artikel 6, eerste lid is de precariobelasting verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van het belastingplicht. In de gevallen bedoeld in artikel 6, tweede lid is de precariobelasting verschuldigd bij het einde van het belastingtijdvak. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de naar jaartarieven geheven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien voor een belastbaar feit in de tarieventabel uitsluitend een jaartarief is opgenomen en de belastingplicht eindigt in de loop van het belastingtijdvak, dan is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als het aantal maanden dat de belastingplicht heeft bestaan. Artikel 9 Termijnen van betaling In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 20.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 10 Kwijtschelding Bij de invordering van de precariobelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.