Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2020De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bunnik, De Bilt, Houten, Lopik, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug en Zeist en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Overwegende dat met de gewenste toetreding van Stichtse Vecht tot de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht het noodzakelijk is om de gemeenschappelijke regeling 2016 aan te passen; het uit overwegingen van kwaliteit, continuïteit en efficiency gewenst is om hun samenwerking bij de beleidsvoorbereiding, heffing en invordering van waterschapsbelastingen en gemeentelijke belastingen, alsmede bij de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken en het beheer en de uitvoering van vastgoedinformatie vorm te geven op basis van een gemeenschappelijke regeling; de colleges van burgemeester en wethouders en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van hun raden onderscheidenlijk hun algemeen bestuur daartoe de vereiste toestemming hebben verkregen; Gelet op hoofdstuk V van de Wet gemeenschappelijke regelingen; artikel 232, vierde lid, van de Gemeentewet; artikel 124, vijfde lid, van de Waterschapswet; artikel 30, achtste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, en titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht Besluiten De navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen: Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2020 Hoofdstuk1:Algemene bepalingen Artikel1:Begripsbepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: ambtenaar van het samenwerkingsverband: de door het bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder c, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder c, van de Waterschapswet, bevoegd tot heffing of invordering van belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken; belastingdeurwaarder: de door het bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder d, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder d, van de Waterschapswet, dan wel als een belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet; belastingen: de gemeentebelastingen en de waterschapbelastingen; belastingverordening: de verordeningen van de deelnemers tot heffing en invordering van belasting als bedoeld in artikel 216 van de Gemeentewet en artikel 110 van de Waterschapswet; colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten, alsmede het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; deelnemende gemeenten: de gemeenten Bunnik, De Bilt, Houten, Lopik, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug en Zeist; deelnemers: de rechtspersonen waartoe de colleges behoren, als bedoeld in artikel 1:1, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht; directeur: de door het bestuur van het samenwerkingsverband benoemde secretaris, die tevens de bestuurder in de zin van Wet op de ondernemingsraden is; gedeputeerde staten: Gedeputeerde staten van Utrecht; gemeentelijke belastingen: de belastingen die de gemeente heft en waarvan de heffing en invordering op grond van artikel 30 of 31 is overgedragen aan het samenwerkingsverband; heffingsambtenaar: de door het bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder a, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder a, van de Waterschapswet, bevoegd tot heffing van belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken; invorderingsambtenaar: de door het bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder b, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder b, van de Waterschapswet, bevoegd tot invordering van belastingen; kwijtscheldingsregels: de door de vertegenwoordigende organen van de deelnemers vastgestelde regels als bedoeld in artikel 255, derde en vierde lid, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 144, derde en vierde lid, van de Waterschapswet; nadere regels: nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordening; regeling: de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2020; reglement: het Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2008; samenwerkingsverband: de bedrijfsvoeringsorganisatie Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht; vertegenwoordigende organen: de raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; voorzitter: de voorzitter van het bestuur van het samenwerkingsverband, en waterschapsbelastingen: de belastingen die het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heft als bedoeld in artikel 113 van de Waterschapswet. Artikel2:Belang In het kader van deze regeling worden de belangen van de deelnemers behartigd, elk voor zover het hun grondgebied en hun belangen betreft, op het gebied van: de heffing en invordering van belastingen; de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, waaronder tevens wordt begrepen de administratie van vastgoedgegevens op basis van die wet en het verstrekken van vastgoedgegevens aan de deelnemers en derden, en basisadministraties en basisregistraties. Artikel3:De bedrijfsvoeringsorganisatie 1.Het openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht is in 2014 bij besluit omgezet in de bedrijfsvoeringsorganisatie Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht. 2.Het samenwerkingsverband is gevestigd te Utrecht. Hoofdstuk2:Inrichting en samenstelling van het bestuur Afdeling 1: Het bestuur Artikel4:Samenstelling 1.Elk van de colleges wijst uit zijn midden een lid aan dat hem in het bestuur vertegenwoordigt, behoudens het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden dat twee leden uit zijn midden aanwijst die hem in het bestuur vertegenwoordigen. 2.De leden van het bestuur worden aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van de colleges. 3.Indien tussentijds binnen het bestuur een plaats vacant of beschikbaar komt, wijst het college van de deelnemer die het aangaat in zijn eerstvolgende vergadering, of, als dit niet mogelijk is, ten spoedigste daarna, een nieuw lid aan. 4.Hij die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden. 5.Een lid van het bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mee aan de deelnemer die het aangaat. De betreffende deelnemer doet mededeling van het ontslag aan het bestuur. Het lid houdt zitting in het bestuur totdat in de opvolging is voorzien. 6.Voor ieder lid van het bestuur wordt tevens een plaatsvervangend lid aangewezen door het college van de deelnemer die het lid heeft aangewezen. Op het plaatsvervangend lid zijn het tweede tot en met het vijfde lid alsmede artikel 18 van overeenkomstige toepassing. Artikel5:Reglement van orde Het bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. Artikel6:Vergaderingen 1.Het bestuur vergadert jaarlijks ten minste twee maal en voorts zo vaak als daartoe besloten is. 2.Voorts vergadert het bestuur indien de voorzitter het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit het bestuur bestaat schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt. 3.Het bestuur vergadert binnen twee weken na een conform het tweede lid ingediend verzoek. Artikel7:Oproeping 1.De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op. 2.Tegelijkertijd met de oproeping brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd. Artikel8:Quorum 1.De vergadering van het bestuur wordt niet geopend voordat uit de presentielijst blijkt dat meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. 2.Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen. 3.Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. Het bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien uit de presentielijst is gebleken dat meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. Artikel9:Vergaderorde 1.De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken. 2.De voorzitter is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen. Artikel10:Belangenverstrengeling 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht neemt een lid van het bestuur niet deel aan een stemming over: a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; b. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort. 2.Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje. 3.Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt. Artikel11:Stemming 1.Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing: ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was; in een vergadering als bedoeld in artikel 8, tweede lid, voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge artikel 8, eerste lid, niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld. Artikel12:Besluitvorming 1.Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht, tenzij deze regeling anders bepaalt en met dien verstande dat: het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht is aangewezen 93 stemmen heeft; het lid van het bestuur dat door het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is aangewezen, niet zijnde de voorzitter, 34 stemmen heeft; het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist is aangewezen 16 stemmen heeft; het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht is aangewezen 13 stemmen heeft; het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein is aangewezen 12 stemmen heeft; het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt is aangewezen 10 stemmen heeft; het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug is aangewezen 9 stemmen heeft; het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten is aangewezen 8 stemmen heeft; het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik is aangewezen 3 stemmen heeft, en het lid van het bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik is aangewezen 2 stemmen heeft. 2.Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje. Artikel13:Stemmen over personen 1.De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen geschiedt bij gesloten en ongetekende stembriefjes. 2.Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden. 3.Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het lot. Artikel14:Overige stemmingen 1.De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij mondeling. 2.Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen. 3.Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen. 4.Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend. 5.Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen. 6.Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit het bestuur bestaat, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht. Artikel15:Openbaarheid vergaderingen 1.De vergaderingen van het bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 2.In de vergadering van het bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten indien ten minste de helft van het aantal leden aanwezig is. 3.Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen. 4.Op de vergadering, bedoeld in het derde lid, is het tweede lid niet van toepassing. Het bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was belegd, alleen beraadslagen of besluiten indien ten minste de helft van het aantal leden tegenwoordig is. Artikel16:Besluitvorming in besloten vergaderingen 1.In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, ter zake van de begroting, de wijzigingen daarvan en de jaarrekening. 2.In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen ter zake van: het aangaan van geldleningen, het uitlenen van gelden en het aangaan van rekening-courantovereenkomsten; het kopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en verpanden van eigendommen; het doen van een uitgaaf voordat de begroting of de begrotingswijziging waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd. Artikel17:Onschendbaarheid De leden van het bestuur van het samenwerkingsverband en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van het bestuur hebben gezegd of aan het bestuur schriftelijk hebben overlegd. Artikel18:Ontslag Het college van de deelnemer kan het door hem in het bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan wanneer dit lid het vertrouwen van het betreffende college niet langer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Afdeling 2: Voorzitter Artikel19:Aanwijzing 1.De voorzitter wordt door het bestuur aangewezen uit de leden die door het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden zijn aangewezen. 2.In aanvulling op artikel 12, eerste lid, heeft de voorzitter geen stem. 3.Uit de leden van het bestuur wordt een plaatsvervangend voorzitter aangewezen door het bestuur. 4.Het bestuur kan de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter ontslaan. Afdeling 3: Secretaris Artikel20:Benoeming, schorsing en ontslag 1.De secretaris wordt door het bestuur benoemd. 2.De bevoegdheid tot schorsing of ontslag van de secretaris berust bij het bestuur. Artikel21:Taak 1.De secretaris staat het bestuur en de voorzitter ter zijde bij de uitoefening van hun taak. De secretaris is aanwezig in de vergadering van het bestuur. De secretaris ondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan, mede. 2.De secretaris staat, als directeur, aan het hoofd van de ambtelijke organisatie van het samenwerkingsverband. Artikel22:Vervanging 1.Het bestuur regelt de vervanging van de secretaris. 2.Artikel 20, tweede lid, en artikel 21 zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de secretaris vervangt. Afdeling 4: Overige bestuursorganen Artikel23:Algemene bepaling Het samenwerkingsverband heeft een of meer heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, ambtenaren van het samenwerkingsverband en belastingdeurwaarders. Artikel24:Heffingsambtenaar 1.De heffingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de inspecteur, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing van de deelnemers. 2.Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de heffingsambtenaar de nadere regels van het bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid. Artikel25:Invorderingsambtenaar 1.De invorderingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de Waterwet zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de ambtenaar belast met de invordering van de deelnemers. 2.De invorderingsambtenaar beslist niet tot het voeren van een executieprocedure in eerste aanleg en niet tot het instellen van hoger beroep en cassatie, dan nadat hij het bestuur van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld. 3.Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste en tweede lid neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende deelnemer en de nadere regels van het bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid. Artikel26:Ambtenaar van het samenwerkingsverband 1.De ambtenaar van het samenwerkingsverband heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing of invordering van de deelnemers als bedoeld in artikel 231, tweede lid onder d, van de Gemeentewet en artikel 123, derde lid onder d, van de Waterschapswet. 2.Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de ambtenaar van het samenwerkingsverband de nadere regels van het bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid. Artikel27:Belastingdeurwaarder 1.De belastingdeurwaarder heeft ter zake van de belastingen de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de Waterwet zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder. 2.Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de belastingdeurwaarder de nadere regels van het bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid. Afdeling 5: Ombudsfunctie Artikel28:Ombudsfunctie Onverminderd het bepaalde in artikel 1a van de Wet Nationale ombudsman is de Nationale ombudsman als bedoeld in artikel 2 van de Wet Nationale ombudsman bevoegd verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18 van de Algemene wet bestuursrecht te behandelen. Hoofdstuk3:Bevoegdheden van het samenwerkingsverband Afdeling 1: Bevoegdheden van het bestuur Artikel29:Bevoegdheden Het bestuur van het samenwerkingsverband is bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van die belangen die aan het samenwerkingsverband zijn opgedragen. Artikel30:Overdracht bevoegdheden 1.Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden draagt aan het bestuur van het samenwerkingsverband de bevoegdheid tot heffing en invordering van alle door het algemeen bestuur van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden ingestelde waterschapsbelastingen over, voor zover deze waterschapsbelastingen later niet zijn opgeheven. 2.De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het bestuur van samenwerkingsverband over de bevoegdheid tot heffing en invordering van de volgende gemeentelijke belastingen, voor zover de betreffende belasting door de raad van die gemeente is ingesteld en niet later weer is opgeheven: de onroerende-zaakbelasting, bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet; de forensenbelasting, bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet; de toeristenbelasting, bedoeld in artikel 224 van de Gemeentewet; de hondenbelasting, bedoeld in artikel 226 van de Gemeentewet; de precariobelasting, bedoeld in artikel 228 van de Gemeentewet; de rioolheffing, bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet; reinigingsrechten geheven krachtens artikel 229, eerste lid onder a en b, van de Gemeentewet; de vermakelijkhedenretributie, bedoeld in artikel 229, eerste lid onder c, van de Gemeentewet; de BIZ-bijdrage, bedoeld in artikel 1 van de Experimentenwet BI-zones, of bedoeld in artikel 1 van de Wet op de bedrijveninvesteringzones; de afvalstoffenheffing, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer en de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten, bedoeld in artikel 221 van de Gemeentewet 3.De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het samenwerkingsverband over de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel31:Additionele overdracht 1.Het college van een deelnemende gemeente kan de bevoegdheid tot heffing en invordering van andere gemeentelijke belastingen dan bedoeld in artikel 30 overdragen aan het samenwerkingsverband. 2.Het college van een deelnemende gemeente kan taken en bevoegdheden in het kader van basisadministraties of basisregistraties overdragen aan het samenwerkingsverband. 3.Het bestuur neemt hetgeen dat op grond van de vorige leden is overgedragen, op in een register bij de gemeenschappelijke regeling en zendt deze ter kennisname aan de colleges en aan gedeputeerde staten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel32:Algemene bevoegdheden Het bestuur maakt de verordeningen die krachtens wet moeten worden vastgesteld voor het samenwerkingsverband. Artikel33:Bevoegdheid 1.Het bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit. 2.Het bestuur is bevoegd tot het procederen in kort geding en tot voeging in strafzaken als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering. 3.Het bestuur is bevoegd, indien ingevolge wettelijk voorschrift aan de gemeente of aan het gemeentebestuur respectievelijk het waterschap of aan het waterschapsbestuur hetzij een recht van beroep hetzij een recht bezwaar te maken toekomt, om spoedshalve beroep in te stellen of bezwaar te maken alsmede, voor zover de voorschriften dat toelaten, om schorsing van het aangevochten besluit of om een voorlopige voorziening ter zake te verzoeken. 4.Het bestuur beheert de inkomsten, uitgaven en het vermogen van het samenwerkingsverband. 5.Het bestuur houdt een register bij van de belastingverordeningen waarvan de bestuursorganen van het samenwerkingsverband belast zijn met de heffing en invordering. In het register worden tevens de bij de die belastingverordeningen behorende kwijtscheldingsregelingen opgenomen. 6.Het bestuur oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, Hoofdstuk XV van de Gemeentewet, Hoofdstuk XVI van de Waterschapswet, Hoofdstuk 7 van de Waterwet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingdienst en de directeur, respectievelijk de colleges, met inachtneming van het bepaalde in artikel 30 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.