← Nederland

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Midden-Delfland houdende regels omtrent de heffing en invordering afvalstoffenheffing en reinigingsrec

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Midden-Delfland houdende regels omtrent de heffing en invordering afvalstoffenheffing en reinigingsrechten (Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Midden-Delfland 2020)Besluit van de raad van de gemeente Midden-Delfland tot vaststelling van de Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2020 (Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Midden-Delfland 2020) De raad van de gemeente Midden-Delfland; Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 22 oktober 2019, nr. gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; BESLUIT Vast te stellen: De Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Midden-Delfland 2020 (Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Midden-Delfland 2020) HoofdstukI Algemene Bepalingen Artikel1Inleidende bepaling Op grond van deze verordening worden geheven: een afvalstoffenheffing; reinigingsrechten. HoofdstukII Afvalstoffenheffing Artikel2Definities In deze verordening wordt verstaan onder ‘gebruik maken’: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer. Artikel3Aard van de belasting en belastbaar feit 1.Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 Wet milieubeheer. 2.De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening wordt geheven voor het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel4Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel5Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.De belasting bedraagt per perceel per jaar: indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon € 281,40; indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door méér dan één persoon € 373,

  1. 2.De belasting bedraagt, onverminderd het gestelde in lid 1, voor het op 1 januari van het belastingjaar of indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht in bruikleen hebben van een extra (is boven hetgeen volgens het ‘Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Midden-Delfland 2010’ aan het perceel is verstrekt): container van 140 of 240 liter, bestemd voor groente-, fruit- en tuinafval (GFT), plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drinkpakken (PMD) of oud papier en karton (OPK), per extra eerste container bij gebleken noodzaak (volgens het ‘Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Midden-Delfland 2010’), € 0,00; container van 140 of 240 liter, bestemd voor overige huishoudelijke afvalstoffen, per extra eerste container € 122,52; container van 140 of 240 liter, bestemd voor GFT, PMD, OPK of overige huishoudelijke afvalstoffen, per extra tweede en volgende container € 122,52; Artikel6Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel7Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel8Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij aanvang van de belastingplicht. 2.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4.Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander perceel gebruik maakt en de samenstelling van het huishouden van de belastingplichtige niet wijzigt van een één- naar een meerpersoonshuis-houden of andersom. Artikel9Termijnen van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet. 2.In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden voldaan, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen tenminste één en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens één maand later. 3.De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel10Kwijtschelding Voor de invordering van de afvalstoffenheffing kan gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend. HoofdstukIII Reinigingsrechten Artikel11Belastbaar feit Onder de naam ‘reinigingsrechten’ worden rechten geheven voor het geregeld ophalen van huishoudelijke afvalstoffen van onderwijsinrichtingen, kerken en verenigingen, voor zover deze instellingen geen commercieel doel nastreven. Artikel12Belastingplicht De rechten worden geheven van de eigenaar, de beheerder, of het bestuur van de in artikel 10 bedoelde instellingen die gebruik maken van de aldaar genoemde diensten. Artikel13Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting bedraagt per perceel per jaar indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door de in artikel 11 bedoelde instellingen € 373,20 (exclusief 21% BTW). Artikel14Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel15Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel16Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij aanvang van de belastingplicht. 2.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel17Termijnen van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet. 2.In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden voldaan, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen tenminste één en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens één maand later. 3.De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel18Kwijtschelding Voor de invordering van reinigingsrechten wordt geen kwijtschelding verleend. HoofdstukIV Overige bepalingen Artikel19Inwerkingtreding en citeertitel 1.De 'Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2015’ wordt ingetrokken met ingang van de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing. 2.De ‘Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2015’ blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich vóór 1 januari 2020 hebben voorgedaan. 3.Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking. 4.De datum van ingang van de heffing is 1 januari
  2. 5.Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Midden-Delfland 2020’. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 12 november 2019.Arjan de VosgriffierArnoud Rodenburg voorzitter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.