Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld tot vaststelling van nadere regels in het kader van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente Barneveld (Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente Barneveld)Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld; gelet op artikelen 11, 12, 12.a, 16 en artikel 18 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente Barneveld; besluit: vast te stellen het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente Barneveld HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Begripsbepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: persoonsgebonden budget (pgb): bedrag waaruit betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een gemeentelijke vangnetvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; abonnementstarief: een door het Centraal Administratie Kantoor (CAK) vast te stellen maandelijkse bijdrage die bij de verstrekking van een gemeentelijke vangnetvoorziening in natura of in de vorm van een pgb, dan wel bij verordening aangewezen algemene voorziening, betaald moet worden; kostprijs: de werkelijke prijs die door de gemeente wordt betaald voor een gemeentelijke vangnetvoorziening of algemene voorziening; verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente Barneveld; gemeentelijke vangnetvoorziening: een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; budgethouder: de cliënt, of degene die namens de cliënt het pgb beheert. collectieve voorziening: één voorziening waar meerdere inwoners met een beperking gebruik van kunnen maken. HOOFDSTUK2BIJZONDERE REGELS OVER HET PGB Artikel2Regels rond verstrekking en verantwoording 1.Verstrekking van een toegekende gemeentelijke vangnetvoorziening in de vorm van een pgb vindt plaats nadat de cliënt een pgb-plan heeft ingediend en het plan goedgekeurd is door het college. 2.Verstrekking als pgb vindt niet plaats indien: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een pgb; uit onderzoek is gebleken dat de gekozen dienst of product geen adequate voorziening is; uit onderzoek is gebleken dat de cliënt een eerder verstrekt pgb niet in overeenstemming met doel en/of bestemming heeft ingezet; verstrekking van een pgb gezien de (verwachte) korte duur van de verstrekking zou leiden tot een inefficiënte besteding van gemeentelijke middelen; de dienstverlener tevens budgethouder is. 3.De verantwoording van het pgb door de budgethouder aan het college vindt plaats met tussenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), die belast is met de uitvoering en uitbetaling van de pgb’s, tenzij het pgb niet met tussenkomst van de SVB is uitbetaald. 4.De besteding van het pgb dient volledig verantwoord te worden. Indien de budgethouder de besteding (gedeeltelijk) niet kan verantwoorden, vordert het college het niet verantwoorde deel terug. 5.Binnen zes maanden na uitbetaling van het pgb dient verantwoording aan het college plaats te vinden door middel van overlegging van de factuur voor de aangeschafte voorziening. Indien het pgb niet binnen zes maanden na uitbetaling is aangewend voor bekostiging van de voorziening kan het college de beslissing tot verlening van het pgb herzien of intrekken. Artikel3Beperkingen bestedingsmogelijkheden pgb 1.De volgende activiteiten mogen niet uit het pgb worden betaald: administratiekosten; bemiddelingskosten; eenmalige uitkering. 2.Het pgb mag niet worden besteed aan ondersteuning in het buitenland. Artikel4Terugvordering pgb na intrekking 1.Bij intrekking van een pgb ten behoeve van de aanschaf van een voorziening, niet zijnde een woningaanpassing vordert het college, voordat een periode van zeven jaar is verstreken, het pgb gedeeltelijk terug, tenzij de cliënt het eigendom van de voorziening waarvoor het pgb is aangewend overdraagt aan het college. 2.Het terugvorderingsbedrag wordt gelijkgesteld met de verkoopwaarde die de voorziening, waarvoor het pgb is aangewend, ten tijde van het intrekkingsbesluit heeft. 3.Indien in geschil, wordt de verkoopwaarde van de voorziening vastgesteld door een aanbieder die soortgelijke voorzieningen in natura levert. 4.Indien de cliënt bij aanschaf van de voorziening, bedoeld in het eerste lid, eigen middelen naast het pgb heeft aangewend, bedraagt het terugvorderingsbedrag, in afwijking van het tweede lid, een gedeelte van de verkoopwaarde, in gelijke verhouding tussen de aangewende eigen middelen en het aangewende pgb voor de aanschaf van de voorziening. 5.In geval van een pgb verstrekt voor een woningaanpassing, dient deze terugbetaald te worden indien de woning verkocht wordt binnen zeven jaar na verstrekking. Dit bedrag wordt dan verminderd met het percentage van de afschrijving van de woningaanpassing. De afschrijving van een woningaanpassing is zeven jaar op basis van het volgende afschrijvingsschema: 10% bij verkoop binnen één jaar; 25% bij verkoop na één tot twee jaar; 40% bij verkoop na twee tot drie jaar; 55% bij verkoop na drie tot vier jaar; 70% bij verkoop na vier tot vijf jaar; 85% bij verkoop na vijf tot zes jaar; 95% bij verkoop na zes tot zeven jaar; 100% bij verkoop na zeven jaar. Artikel5Pgb bij hulpmiddelen Bij een pgb voor een hulpmiddel kan eenmaal per jaar een bedrag voor onderhoud en reparatie, en indien van toepassing verzekering, worden uitgekeerd, na declaratie door de cliënt. De hoogte van dit bedrag is maximaal de kosten die de leverancier voor naturavoorzieningen rekent voor onderhoud, reparatie en verzekering voor een soortgelijke voorziening. HOOFDSTUK3ABONNEMENTSTARIEF Artikel6Regels omtrent het abonnementstarief 1.Vaststelling en inning van het abonnementstarief vindt plaats door het Centraal Administratie Kantoor (CAK), met uitzondering van de vangnetvoorziening maatschappelijke opvang. 2.Indien voor gebruikmaking van een algemene voorziening het abonnementstarief verschuldigd is, wordt de cliënt hiervan vooraf op de hoogte gesteld door de aanbieder. 3.Het abonnementstarief is verschuldigd zolang cliënt gebruik maakt van de voorziening of tot het moment dat de afzonderlijke betalingen van het abonnementstarief samen de kostprijs van de voorziening hebben bereikt. 4.In geval van het plaatsen van een woonunit wordt de kostprijs vermeerderd met de plaatsings-, aansluit- en geraamde verwijder- en herstelkosten. 5.Indien een voorziening is toegekend aan een minderjarige cliënt, wordt de cliënt, zodra hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, verantwoordelijk voor het betalen van het abonnementstarief. HOOFDSTUK4TEGEMOETKOMING IN DE MEERKOSTEN Artikel7Tegemoetkoming in de kosten voor een sporthulpmiddel 1.De cliënt komt in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van een sporthulpmiddel als: de cliënt aantoonbaar een sport beoefent waarvoor het sporthulpmiddel noodzakelijk is; de cliënt de sport recreatief beoefent; de cliënt in de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag niet eerder een tegemoetkoming ontvangen heeft voor de aanschaf van een sporthulpmiddel; én de sport wordt beoefend in verenigings- of soortgelijk groepsverband. 2.De tegemoetkoming voor de aanschaf en het onderhoud van een sporthulpmiddel bedraagt € 2.525,- per 36 maanden. Artikel8Tegemoetkoming in de kosten van verhuizing 1.De cliënt komt in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing als: de huidige woning ongeschikt is, als gevolg van een lichamelijke beperking of chronisch psychische of psychosociale problemen van de ingezetene, en bij hem leidt tot onvoldoende zelfredzaamheid; in redelijkheid niet was te voorzien dat de woning ongeschikt zou worden; én de cliënt verhuist naar zelfstandige woonruimte die langdurig geschikt is. 2.Onverminderd het eerste lid komt de cliënt in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing als naar aanleiding van een melding als genoemd in artikel 2.3.2 Wmo 2015 het college van oordeel is dat de huidige woning niet geschikt te maken is en/of dat het primaat van verhuizen van toepassing is. 3.Onverminderd het eerste en tweede lid komt een cliënt in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing als hij een medische urgentie heeft verkregen op grond van artikel 28 van de Huisvestingsverordening 2019-2023 gemeente Barneveld. 4.Geen tegemoetkoming wordt verstrekt als: de cliënt verhuist naar een recreatiewoning waar permanente bewoning niet is toegestaan; of de cliënt de ongeschikte woning, genoemd in het eerste lid onder a, reeds heeft verlaten. 5.De tegemoetkoming bedraagt € 500,-. 6.De tegemoetkoming wordt, na toekenning, aan de cliënt uitbetaald zodra hij een afschrift van de koop- of huur overeenkomst van de te betrekken woonruimte aan het college heeft overhandigd. HOOFDSTUK5OVERIG Artikel9Voorziening voor huurderving 1.In geval van huurbeëindiging van een woonruimte die op grond van de Wmo 2015 voor meer dan € 15.000,– is aangepast, kan het college een financiële tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van de woning in verband met derving van huurinkomsten voor de duur van maximaal 6 maanden, gedurende de periode dat de eigenaar de woning beschikbaar houdt voor een cliënt die een dergelijk aangepaste woning behoeft. De eerste maand huurderving komt niet voor vergoeding in aanmerking. 2.De hoogte van een door het college te verlenen financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving is gelijk aan de kale huur van de woonruimte, met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 eerste lid onder a van de Wet op de huurtoeslag (de zogenaamde huurgrens). Artikel10Valleihopper 1.Met de pas van de Valleihopper kan maximaal 2500 kilometer per kalenderjaar tegen het kortingstarief met de Valleihopper worden gereisd. Dit wordt het kilometerbudget genoemd. 2.Wanneer cliënt, naast een pas voor de Valleihopper, ook een scootmobiel heeft, wordt het kilometerbudget verlaagd naar maximaal 1250 kilometer per kalenderjaar. 3.De in eerste en tweede lid genoemde kilometerbudgetten worden op het moment van toekenning voor het resterende deel van het kalenderjaar naar rato vastgesteld. 4.Om gebruik te kunnen maken van het kilometerbudget dient de cliënt te beschikken over een pas van de Valleihopper. Voor deze pas is de cliënt eenmalig € 7,50 verschuldigd. Artikel11Financiële bijdrage collectieve voorzieningen 1.Het college kan een financiële bijdrage verlenen ten behoeve van het aanbrengen van een collectieve woonvoorziening in een wooncomplex, waardoor de zelfredzaamheid van bewoners met een beperking in het wooncomplex aantoonbaar wordt vergroot. 2.Een financiële bijdrage wordt alleen verleend als het college van oordeel is dat de kostenbesparing op termijn opweegt tegen de extra investeringen op dit moment, mede in relatie tot de verwachte vermindering van het aantal aanvragen voor individuele woonvoorzieningen in het kader van de Wmo
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.