Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Borne houdende regels omtrent de heffing en invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten (Verordening reinigingsheffingen 2020)de raad van de gemeente Borne; gelet op het raadsvoorstel d.d. 19-11-2019, met kenmerk 19int08041, waarvan de motivering onlosmakelijk deel uitmaakt van dit besluit. besluit: vast te stellen de: Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2020 HoofdstukI Algemene bepalingen Artikel1Inleidende bepaling Krachtens deze verordening worden geheven: een afvalstoffenheffing; reinigingsrechten (gereserveerd). Artikel2Definities In deze verordening wordt verstaan onder: perceel: de onroerende zaak, bedoeld in Hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; een binnen de gemeente gelegen roerende zaak; een gedeelte van een roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; een samenstel van twee of meer roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel. ‘gebruik maken’ in hoofdstuk 2 Afvalstoffenheffing: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer; grove huishoudelijke restafvalstoffen: restafval geproduceerd door en afkomstig uit huishoudens, dat niet wordt aangeboden via de wekelijkse huis-aan-huis inzameling; milieupas: een door de gemeente verstrekte pas ten behoeve van de ontdoening van afvalstoffen. HoofdstukII Afvalstoffenheffing Artikel3Aard van de belasting en belastbaar feit 1.Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 2.De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel4Belastingplicht 1.De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 2.De belasting voor het achter laten van afvalstoffen op het Milieupark aan de Wegtersweg te Hengelo wordt geheven van degene die de afvalstoffen achter laat. Artikel5Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven van de in de hoofdstukken 1 en 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2.Voor de berekening van de belasting wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt. Artikel6Belastingjaar Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. Artikel7Wijze van heffing De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt bij wege van aanslag geheven. De belastingen bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving. Artikel8Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.De belasting als bedoeld in hoofdstuk I, onderdeel 1.1, van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.De belasting als bedoeld in hoofdstuk I, onderdeel 1.2, van de tarieventabel is verschuldigd na afloop van het belastingjaar of, zo dit eerder is, na beëindiging van de belastingplicht. 3.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in Hoofdstuk 1, onderdeel 1.1, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting bedoeld in Hoofdstuk 1, onderdeel 1.1, als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 5.Het derde en het vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt. 6.De belastingen bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening. Artikel9Termijnen van betaling 1.De aanslagen moeten worden betaald uiterlijk twee kalendermaanden na de op het aan¬slagbiljet vermelde dagtekening. 2.In afwijking van het eerste lid kunnen op verzoek van belastingplichtige de aanslagen worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet in het belastingjaar nog maanden tot november overblijven met een minimum van twee, indien aan het navolgende wordt voldaan: het totaal bedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing of andere belastingen moet minder zijn dan € 6.900,-; de verschuldigde bedragen moeten door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven. 3.De belastingen moeten worden betaald ingeval de kennisgeving, bedoeld in artikel 7, tweede lid: mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 10 dagen na dagtekening van kennisgeving. 4.De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel10Kwijtschelding Kwijtschelding van de belasting vindt plaats op basis van de Kwijtscheldingsverordening. HoofdstukIII Reinigingsrechten Artikel 11 tot en met 18 zijn gereserveerd. HoofdstukIV Aanvullende bepalingen Artikel19Overgangsrecht De ‘Verordening reinigingsheffingen 2019’ van 11 december 2018 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 20, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel20Inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.