Verordening toeristenbelasting gemeente Asten 2020De raad van de gemeente Asten; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 oktober 2019; gehoord het advies van de Commissie Algemene Zaken en Control van 28 november 2019; gelet op artikel 224 van de Gemeentewet: besluit: vast te stellen de Verordening toeristenbelasting gemeente Asten 2020. Artikel 1 Belastbaar feit Ter zake van het houden van verblijf met overnachten binnen de gemeente, tegen vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, wordt onder de naam “toeristenbelasting” een directe belasting geheven. Artikel 2 Belastingplicht Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 1. De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene, ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt. Indien met toepassing van het eerste lid geen belastingplichtige is aan te wijzen, is belastingplichtig degene die overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 verblijf houdt. Artikel 3 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven ter zake van het verblijf: van degene die: verblijft in een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet Toelating Zorginstellingen; verblijf houdt onder verantwoordelijkheid van een georganiseerde jeugdbeweging zoals bedoeld in het derde lid. van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8 letters c, d, f, g, h, van voornoemde wet en voor zover deze persoon verblijf houdt in een gelegenheid als bedoeld in artikel 1, van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Onder georganiseerde jeugdbeweging wordt verstaan: een jeugdorganisatie op levensbeschouwelijke of ideologische grondslag die de ‘verheffing’ van het volk, of ‘verbetering’ van de jeugd ten doel heeft door middel van opvoeding in en kennismaking met cultuur, natuur, sport en spel. Hieronder worden mede scholen begrepen. Artikel 4 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het belastingjaar. Het aantal overnachtingen wordt gesteld op het aantal overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten, dat zij verblijf houden. Artikel 5 Belastingtarief Het tarief bedraagt per persoon, per overnachting € 2,15. In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief, indien ten aanzien van de belastingplichtige in hoofdzaak sprake is van verblijf van personen op een kampeerterrein, in een groepsaccommodatie, in of bij een kampeerboerderij of in een logiesverblijf, per persoon, per overnachting € 1,40. In dit artikel wordt verstaan onder logiesverblijf: woningen en andere verblijven, niet zijnde hotels, motels, pensions, bed and breakfast-gelegenheden, groepsaccommodaties en daarmee gelijk te stellen accommodaties of gedeelten daarvan, die voor overnachting ter beschikking gesteld worden aan derden, en waar door de verblijfbieder geen maaltijden worden verzorgd of aangeboden; groepsaccommodatie: een onderkomen dat uitsluitend bestemd is voor en gebezigd wordt als verblijf voor vakantie en andere recreatieve doeleinden voor groepen. Onder groepen wordt verstaan: twee of meer personen. Artikel 6 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 7 Wijze van belastingheffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 8 Aanslaggrens Geen aanslag wordt vastgesteld indien het aantal overnachtingen, waartoe gelegenheid wordt of is gegeven, gedurende het belastingjaar minder dan 10 heeft belopen. Artikel 9 Termijnen van betaling In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de voorlopige aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede In afwijking van artikel 9, eerste lid, Invorderingswet 1990 moeten de overige aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. Het bedrag inzake een bestuurlijke boete moet worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. Indien een machtiging voor automatische incasso is afgegeven en zolang de verschuldigde bedragen via automatische incasso kunnen worden afgeschreven, moet(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.