Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2020De raad van de gemeente Steenwijkerland; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2019, nummer 2019-RAAD-00043; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; besluit vast te stellen de volgende: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2020 Artikel1.Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning, zoals bedoeld in art. 1.1.1 van de wet; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.14a van de wet; cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen zoals bedoeld in art. 1.1.1 van de wet; hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van beschermd wonen en opvang; zoals bedoeld in art. 1.1.1 van de wet; melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel2.Melding hulpvraag 1.Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2.Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk. 3.In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Artikel3.Cliëntondersteuning 1.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2.Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel4.Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan 1.Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2.Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3.Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4.Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Artikel5.Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1.Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet verschuldigd zal zijn, en de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2.Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 3.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 4.Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel6.Verslag Zo spoedig mogelijk na het onderzoek verstrekt het college aan de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek (het verslag). Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd. Artikel7.Aanvraag 1.Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Het college kan een door cliënt of zijn gemachtigde ondertekend en geretourneerd verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag, indien cliënt of zijn gemachtigde dat op het verslag heeft aangegeven. 2.Een cliënt of zijn gemachtigde kan direct na afloop van het gesprek, via de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd, een mondelinge aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen. Van de mondelinge aanvraag wordt, met vermelding van de datum van aanvraag, aantekening gemaakt in het verslag van het onderzoek. 3.Ter bevestiging van de mondelinge aanvraag als genoemd in lid 2 van dit artikel ondertekent de cliënt of zijn gemachtigde het verslag. 4.Indien de aanvraag een pgb betreft wordt een pgb-plan als genoemd in artikel 12 lid 1 van deze verordening ingediend. Artikel8.Criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 3.Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 4.Een cliënt komt enkel in aanmerking voor een financiële maatwerkvoorziening voor zover: hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en het betreft een van de volgende voorzieningen: 1. vervoersvergoeding 2. verhuiskostenvergoeding, of 3. een voorziening waarvoor niet tijdig een passende voorziening in natura beschikbaar is. De tegemoetkoming bedraagt voor: collectief vraagafhankelijk vervoer (vervoer door vrijwilligersorganisaties in de gemeente Steenwijkerland), eigen auto of taxikosten bedraagt jaarlijks: maximaal € 360,00. De vergoeding bij gebruikmaking van (eigen) auto bedraagt € 0,20 per afgelegde kilometer tot maximaal het normbedrag van € 360,00 per jaar; rolstoeltaxikosten per jaar: € 1503,00; een autoaanpassing, sportrolstoel, aanschaf of gebruik van een ander verplaatsingsmiddel en aanpassing van een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen, een open elektrische buitenwagen of gebruik van een ander verplaatsingsmiddel bedraagt 100% van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten; verhuiskosten en inrichtingskosten: € 2782,00. 5.De tegemoetkoming bedraagt voor: een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening 100% van de voor de vergoeding in aanmerking komende kosten; een woonvoorziening van niet-bouwkundige of technische aard 100% van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten; onderhoud en keuring van een woonvoorziening 100% van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten; tijdelijke huisvesting de werkelijke kosten van de kale huur (minus huurtoeslag) als tegemoetkoming in de kosten van het tijdelijk betrekken van een zelfstandig woonruimte of het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte (dubbele woonlasten) of de werkelijke kosten als tegemoetkoming in de kosten van het tijdelijk betrekken van een niet zelfstandige woonruimte. 6.Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. 7.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 8.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening. Artikel9.Aanvullende criteria voor maatwerkvoorzieningen opvang en beschermd wonen 1.In aanvulling op artikel 9, tweede lid, kan een cliënt (alsmede eventuele kinderen van deze cliënt) in aanmerking komen voor opvang als: hij feitelijk of residentieel dakloos is en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en; hij de situatie van dakloosheid en het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving – niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen en; opvang, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 bedoelde onderzoek, een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2.In aanvulling op artikel 8, tweede lid, kan een cliënt (alsmede eventuele kinderen van deze cliënt) in aanmerking komen voor opvang als deze de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico’s voor de veiligheid van deze cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk geweld, en de cliënt niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en; deze de situatie -waarbij de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico’s voor de veiligheid van de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk geweld- , niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen en; opvang, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert aan het afwenden van gevaar voor de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt), voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht en in een veilige situatie zich te handhaven in de samenleving. 3.In aanvulling op artikel 8, tweede lid, kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 als hij psychische- of psychosociale problemen heeft en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en; deze de situatie – waarbij de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico’s voor de veiligheid van de cliënt (en/of de kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk geweld – , niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of wegnemen en; beschermd wonen, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en daarbij voorziet in de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Artikel10.Advisering Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. Artikel11.Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking tevens vastgelegd: welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens vastgelegd: voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4.Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel12.Regels voor pgb 1.Onder een pgb-plan wordt verstaan een plan waarin de inwoner omschrijft hoeveel persoonsgebonden budget hij nodig heeft voor een maatwerkvoorziening en waaraan hij het toe te kennen budget wil gaan besteden/ hoe het pgb ingezet gaat worden en hoe de zorg bijdraagt aan de doelen die geformuleerd zijn in het verslag van het onderzoek, hoe de kwaliteit van zorg wordt gewaarborgd en hoe het contractbeheer wordt ingevuld. De indiener van het plan gebruikt het op de website van de gemeente Steenwijkerland beschikbaar gestelde model. 2.Wanneer er sprake is van een pgb voor dienstverlening door een zorgaanbieder levert de cliënt samen met het pgb-plan de volgende gegevens/documenten van de beoogde zorgaanbieder aan: geldig uittreksel van de Kamer van Koophandel (op het moment van indienen niet ouder dan 6 maanden); of een van de volgende, geldige en bij opdracht passende kwaliteitscertificaten: ISO-9000, EN15224, HKZ, PREZO; of of een actueel kwaliteitsplan/kwaliteitshandboek, passend bij de ondersteuning. Denk hierbij aan protocollen en een beschrijving van gevolgde opleidingen; en een kopie van de polis van een marktconforme en adequate verzekering of voorziening voor bedrijfsaansprakelijkheid van minimaal twee miljoen Euro (€ 2.000.000,--) per gebeurtenis; en een regeling voor de afhandeling van klachten (Klachtenregeling); en een regeling voor medezeggenschap; en een “Gedragsverklaring Aanbesteden” (of een Verklaring Omtrent Gedrag als er geen sprake is van een rechtspersoon). 3.Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 4.De pgb-vaardigheid van de cliënt en/of degene die namens de cliënt het pgb gaat beheren wordt getoetst aan de hand van de ‘Handreiking voor toetsing op (minimale) pgb-vaardigheid’ zoals opgesteld door de VNG, Per Saldo en VWS. 5.Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 6.De hoogte van een pgb: is gebaseerd op het pgb-plan; is toereikend om veilige, doeltreffende, doelmatige en kwalitatief goede zorg of materiele voorzieningen van derden te betrekken, en bedraagt – onverminderd het bepaalde in lid 5 – ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. 7.De kostprijs van de zorg in natura wordt bepaald door de (regionale) inkoop. 8.De hoogte van een pgb voor de aanschaf van een zaak, een woningaanpassing of een autoaanpassing wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt via een door de gemeente gecontracteerde leverancier of aannemer en rekening houdend met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten. 9.Het tarief voor een pgb voor dienstverlening door: een zorgaanbieder zijnde een natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat, of de rechtspersoon die bedrijfsmatig zorg verleent bedraagt maximaal 100% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura; een zorgaanbieder zijnde een solistisch werkende zorgverlener (zzp’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.